donderdag 11 oktober 2018

Wodan de Batman

(Nieuwsbrief Werkgroep Traditie, wijnmaand/oktober 2018)




Het nu volgende artikel is getriggerd door een lezing van Vincent Ongkowidjojo voor de Gentse werkgroep De Ronde Tafel op 29 september 2018. Zoon van een Chinees-Indonesische vader en een Vlaamse moeder is hij  oriëntalist gespecialiseerd in de Mesopotamische geschiedenis en filologie, maar ook auteur van enkele boeken over de Edda. Hij had het over onder meer de stunts van Wodan die deze tot boomhanger en eenoog maakten. Ik beveel hem zeer aan als spreker voor nieuwheidense en eigenlijk alle levensbeschouwelijke verenigingen.

We verschilden echter lichtjes van mening over de herkomst en betekenis van het Wodan-personage. Hier dus zeer beknopt mijn eigen zienswijze op de eenogige.  



Ondersteboven hangen

Wodan hing negen dagen en nachten aan de wereldboom. Volgens de Edda (Havamal 138-9) offerde hij daarmee “zichzelf aan zichzelf”. Bovendien offerde hij bij de wijsheidsbron één oog om in ruil de wijsheid te verkrijgen, zodat hij altijd afgebeeld wordt als een eenogige, vaak ondersteboven aan een boom hangend.

Negen is een gewijd getal in heel noordelijk Eurazië, van IJsland tot Japan, en ook in India belangrijk: als drievoud van drie en als magisch vierkant. Vandaar dat het feest van de godinnen Navarâtri heet, “de negen nachten”, en dat godinnen soms als negenvoud verschijnen, net als de Griekse muzen. Als weinig esoterisch voorbeeld mag ook gelden dat de Vedische voormoeder Ilâ verklaart, net als de Homerische ziener Teiresias (beiden hadden volgens de mythe en als man en als vrouw geleefd), dat de vrouw uitgerekend negen keer zo intens van de geslachtsdaad geniet als de man. Zodus, dat bijzondere getal negen beklemtoont hier het sacrale, uitzonderlijke van dat boomhangen.

Dat hij ondersteboven hing, staat er bij mijn weten niet uitdrukkelijk, maar hij wordt doorgaans zo afgebeeld. Het klopt ook met het offerkarakter van dat boomhangen, als een kruik die omgekeerd en uitgegoten wordt. Een van de oudste ascetische praktijken van Indiase yogi’s is: ondersteboven in een boom hangen, de zogenaamde “vleermuispraktijk”, in het Engels de “bat practice”. Hij is dus Batman, en Batman waakt!

“Zichzelf offeren aan zichzelf”: dat is een uitdrukking die ook bekend is uit de Vedische schriften. Het beduidt het doel van yoga: het dagdagelijkse zelf (de persoonlijkheid, het ego) laten wegdeemsteren om in het werkelijke (“diepere”, “hogere”) Zelf op te gaan. De tegenstelling tussen het dagdagelijkse veranderlijke zelf een het zuivere absolute Zelf is al in de oudste laag van de hindoeteksten beschreven, verzinnebeeld door twee vogels: de ene werelds gericht, van de bessen aan de boom etend, terwijl de andere alleen observeert.



Wortels van yoga

Het geval Wodan is een sterk voorbeeld van de stellingname van prof. Nick Allen uit Oxford: de wortels van yoga zijn Indo-Europees. (Allen, Nicholas: “The Indo-European prehistory of yoga, International Journal of Hindu Studies 2 (1):1-20 (1998), en: “Cyavana helps Aśvins, Prometheus helps humans: a myth about sacrifice”, Comparative Mythology 1, Harvard, Cambridge 2015.)




Allen begint met het bekende feit te beamen dat er tussen de takken van de Indo-Europese boom vele mythen verwant zijn, variaties op wat oorspronkelijk één thema moet geweest zijn. Een heel-Indo-Europese mythe (die ook elders voorkomt, onder meer in het Gilgamesj-epos) is bv. die van de drakendoder. De dondergoden Indra, Zeus, Jupiter, Donars zoon Siegfried, en Vidar en Beowulf, allemaal verslaan ze een draak, slang of “worm”, die doorgaans met water en met zijn moeder geassocieerd wordt.

Een andere voorbeeld betreft de man die een vrouw wint of herwint door een bijzondere boog te kunnen spannen: het overkomt Rama in de Râmâyana, Arjuna in de Mahâbhârata en Odysseus in de Odyssee. Of nog, een man gaat zijn ontvoerde vrouw terughalen: de raamvertelling van zowel de Ilias als de Râmâyana. Of een ziener, Teiresias of Pandu, wordt vervloekt nadat hij een parend dierenkoppel gedood heeft. Of ook, een pasgeborene wordt ondergedompeld in een vloeistof die ontkwetsbaar maakt, maar zijn moeder moet hem wel ergens vasthouden, en die plek blijft kwetsbaar: de hiel in het geval van Achilles; de dij (eufemisme voor een nabij lichaamsdeel) bij Duryódhana, de slechterik uit de Mahâbhârata; of bij de schouder voor Siegfried.

Bij al dergelijke gelijkenissen valt echter een stelselmatig verschil op: episodes die in India een yogisch element hebben, ontberen dat in Europese versies. Allen vergelijkt een deel van Odysseus’ omzwervingen, namelijk zijn beproevende reis (van, jawel, negen dagen) naar en verblijf bij Calypso in het paradijselijke Ogygia en zijn reis in het schip van de engelachtige Faiaken naar huis, met een reis van Arjuna naar de Himâlaya en naar het rijk van zijn hemelse vader Indra. De parallellen zijn talrijk, bijvoorbeeld dat beide helden een naar hun liefde smachtende vrouw achterlaten wanneer ze (allebei op aangeven van een boodschapper) uit het paradijs vertrekken; of dat beiden door een godheid tegengewerkt worden, Poseidon resp. Sjiva, allebei met drietand; of dat beiden van hun gastheer een bovennatuurlijk geschenk krijgen, resp. een Faiakenschip dat louter via gedachtenkracht bestuurd wordt, en toverwapens die Arjuna op het slagveld nog van pas zullen komen.

Maar het verhaal van Odysseus ontbeert de yogische elementen die bij Arjuna wel voorkomen. Zo onderwerpt Arjuna zichzelf aan yogische proeven en hoogstandjes van ascese, terwijl Odysseus alleen door Poseidon op de proef gesteld wordt. Zichzelf yogisch testen is hetzelfde als getest worden door Sjiva, die niets anders is dan de verpersoonlijking van yoga, de archetypische yogi. In Arjuna’s geval is de belangrijkste lichamelijke oefening niet het omgekeerd in een boom gaan hangen, wel een maand lang rechtop op de tippen van zijn tenen gaan staan.

Nick Allen zelf trekt het besluit dat ofwel de Europeanen een oorspronkelijk yogisch element kwijtgeraakt zijn, ofwel de Indiërs dat element apart ontwikkeld (danwel van nog anderen overgenomen) hebben; en dat het eerste scenario waarschijnlijker is. Inderdaad, als de IE-sprekende Indiërs de kennis van yoga van anderen zouden overgenomen hebben, dan hadden ze dat normaliter in eveneens overgenomen verhalen ingekleed, eerder dan hun oude verhalen een nieuwe yogische inhoud te geven. Voeg daarbij een zeer waarschijnlijke theorie die Allen niet bespreekt, namelijk dat de IE Oerheimat zich in Noord-India bevond; dat de Indiërs gewoon thuis bleven maar de Grieken en Germanen over duizenden mijlen uitgeweken waren; en dat de stabiliteit van een thuissituatie het bewaren van een traditie vergemakkelijkt terwijl een migratie (en in Germanië, het klimaat) weinig bevorderlijk zijn om de subtielste en kostbaarste elementen in stand te houden.

Slotsom: de Grieken, en gelijkaardig de Germanen, hadden nog slechts een zeer verbasterde herinnering aan yoga, dat hun ooit wel bekend geweest was. Dat verklaart dat (1) de cruciale fase in Wodan’s prise de conscience een yogische praktijk was, die van de vledermuis; (2) zijn hogere bewustzijnstoestand yogisch gesymboliseerd wordt door een enkelvoudig oog, zijnde het “derde oog”; maar (3) de dichters tijdens de drieduizend jaar tussen de Germaanse vestiging in Noordwest-Europa en het neerschrijven van de hymnen, deze yogische kennis en beeldentaal vergaten en dus van een gebrekkige uitleg voorzagen, namelijk dat Wodan enkel-ogig was omdat hij een oog opgeofferd had. En dan nog viel de Germaanse appel niet ver van de Indo-Europese boom: ook een yogi moet veel van zijn gewone leven opofferen om zijn doel te bereiken.



De driekleur

Een bekend verhaal uit de Edda-hymne Rigsthula is de verdeling van de samenleving in een witharige bovenklasse van geletterden en ingewijden, een roodharige middenklasse van krijgers en ondernemers, en een zwartharige onderklasse van dienaars. Dat is niets anders dan een plaatselijke toepassing van een driepolig wereldbeeld, met als symboolkleuren wit voor het lichte, rood voor het vurige, zwart voor het zware. Men noemt het vaak Indo-Europees, maar zelfs buiten die taal- en cultuurfamilie vindt men er sporen van, bv., de Turkse mythe van Boğac Han verhaalt hoe zijn vader hem verwekte nadat die als kinderloze man tijdens een feest een zwarte tent toegewezen kreeg; terwijl wie alleen dochters had een rode kreeg; en wie zonen had, een witte: het is nog niet dezelfde driepool, maar daar is reeds het idee van wit boven, zwart onder, en rood daartussen.

In de hindoe-wijsbegeerte werd die driepool de kern van een heel wereldbeeld, namelijk Sânkhya, “opsomming” van de elementen die samen de wereld vormen. Daarvan vormt yoga de praktische toepassing. Zo is onder de bewustzijnstoestanden de slaap duister, de droom vurig (alles is er mogelijk), de waaktoestand licht, evenwichtig. De meditatietoestand is ook een waaktoestand, maar die niet op de wereld doch op het bewustzijn zelf gericht is. Hij verhoudt zich tot de gewone buitenwaartse waaktoestand als deze laatste tot de droom. Vanuit de meditatietoestand is het wereldse waken een soort droom, waaruit men kan ontwaken. Dat ontwaken heet Bodhi, vanwaar Boeddha, “de ontwaakte”. De wereld is een samenstel van drie basiskleuren, het zuivere bewustzijn dat men in de meditatie vindt, is kleurloos.

Evenzo in de maatschappij. In India is de categorie van de wereldverzakers, die zich volledig aan de geestelijke weg wijden, “kleurloos”, met een inwijdingsnaam die niets over hun herkomst zegt. In de wereldse samenleving heeft men daarentegen een klassebepaalde naam waaruit kenners je aardrijkskundige en maatschappelijke herkomst kunnen opmaken. Zij bestaat uit een ingewijde bovenklasse, de brahmanen, gesymboliseerd door wit; een krijgersklasse, rood; en een volksklasse, oorspronkelijk zwart, hoewel ze nadien gesplitst is in een gele handelaarsklasse en een zwarte dienaarsklasse (zoals na de Franse Revolutie de “derde stand” gesplitst is in de bourgeoisie en het proletariaat). Voor zover bekend was er bij de Germanen geen klasse van (of mochten ze bestaan hebben, geen apart statuut voor) wereldverzakers, dus iedereen behoorde tot één van de drie klassen die door een kleur aangeduid werden: wit, rood en zwart.  



Eénoog

Ongkowidjojo meende dat dat ene oog de zon voorstelde. Waarom niet, natuurlijk? Het andere oog, de maan, verdwijnt aan de hemel soms uit het zicht, dus de kosmische mens die twee hemellichten als ogen heeft, wordt periodiek eenogig. Het is een voor de hand liggende uitleg die je kan verzinnen wanneer je vanwege de vorige generaties het beeld van een eenogige hemelgod voorgeschoteld krijgt. Een interessant thesisonderwerp zou dan ook zijn: het verband tussen het personage Wodan en de samenstand van zon en maan tijdens de donkere nachten wanneer deze laatste onzichtbaar is.

Tegen de tijd waarin de Edda-hymnen op schrift werden gesteld, zal dat de gebruikelijke duiding van Wodans eenogigheid geweest zijn. De yogische betekenis van de eenogigheid was toen een schemerherinnering geworden.

Wat er in de paar duizend jaar vóór de Edda aan mythen bestond, kunnen we niet verifiëren. Ik opper dat het hier om een “mythe van de tweede generatie” gaat. Eerst heb je mythen met een ernstige metafysische inhoud, zoals de scheppingsmythen, de kosmische mens (wier schedel het hemelgewelf wordt, de ogen tot zon en maan, de beenderen tot bergen, het bloed tot rivieren enz.), de drakendoder e.a. Maar eens een godheid in de gevestigde mythologie een bepaalde reputatie heeft, gaan dichters daarop variëren, en het resultaat zijn luimige verhalen die slechts oppervlakkg tot dezelfde categorie als de autentieke mythen behoren.

Bv., de dondergod Indra is net zoals zijn Griekse of Germaanse evenknie een toonbeeld van mannelijkheid. Dat wordt geïllustreerd door zijn onstilbare libido en talloze affaires, ook overspelige. Maar daardoor wordt zijn mannelijkheid ook de inzet van grappen en omkeringen, met de zich vermenigvuldigende verhalen over Zeus’ promiscuïteit als nog de minste. Zo moet Donar/Thor zich op zeker opgenblik als vrouw verkleden om zijn geduchte hamer terug te krijgen, en Indra’s zoon Arjuna moet zich een jaar vermommen als vrouwachtige dansleraar.  

Wanneer dan Indra de vrouw van een brahmaan verleidt, vervloekt deze hem om 1000 vagina’s te krijgen. Prompt ontstaan op zijn lichaam duizend sappige openingen. Hij gaat zijn beklag doen bij Brahma, maar die moet hem teleurstellen: een brahmaan spreekt altijd de waarheid, dus als hij een toekomstvoorspelling doet, zal ze uitkomen, en als hij iemand vervloekt, is die vloek trefzeker en onherroepelijk. Maar wat hij nog wel kan doen, is in elke opening een oog stoppen. Zo wordt de dondergod “Indra met de duizend ogen”, wat toch al beter klinkt dat “Indra met de duizend poesjes”. Welnu, dat is een achteraf bedachte schalkse verklaring (een mythe van de tweede generatie) toegevoegd aan een al veel eerder bestaand beeld van “Indra met de duizend ogen”.

Zo ook is een uitleg voor het ene oog van Wodan mogelijk een achteraf bedachte verklaring, weliswaar in eenklank met het mythisch wereldbeeld, maar die eigenlijk de werkelijke oorsprong verhult. Die oorsprong ligt in een traditie die tijdens de migratie van India naar Europa gaandeweg vergeten was geraakt, namelijk yoga. Die praktijk was gericht op wat men “het openen van het derde oog” noemde, waartegen het gewone waakzicht met de twee lichamelijke ogen in het niet verzonk. Het “derde oog” is in die zin eigenlijk het “ene oog”.


Besluit

Naar mijn onderbouwde mening is Wodan een evoluut van Sjiva als archetypische yogi.

vrijdag 14 september 2018

Nieuwe trends in het eenheidsdenken


('t Pallieterke, 9 augustus 2018)



Sid Lukkassen is het debuutstadium voorbij. Zijn debuut, Avondland en identiteit, over het cultuurmarxisme, maakte veel reacties los en verkocht goed. Hij bracht zijn boodschap met intellectueel niveau en plaatste zichzelf op de kaart als één van Nederlands nieuwrechtse denkers. Nu trekt hij opnieuw de aandacht met de boekvorm van zijn doctoraatsverhandeling: De democratie en haar media, en met een vervolgboek over het cultuurmarxisme: Levenslust en Doodsdrift (allebei De Blauwe Tijger, Groningen). Dat laatste heeft de vorm van een bundel aparte stukken over uiteenlopende aspecten van de nog steeds stand houdende cultuurmarxistische dominantie.

Tegen een skeptische Rob Wijnberg van De Correspondent, die “geen enkel voorbeeld” zegt te kennen van de Orwelliaanse onderdrukking door de cultuurmarxisten van afwijkende gedachten, schudt hij bladzijdenlang tientallen voorbeelden uit de mouw. En het hadden er “honderden” kunnen zijn, zegt hij zelf en kan elke waakzame collega bevestigen.

Hij ontwikkelt de stelling dat kapitalisme en cultuurmarxisme aan hetzelfde zeel trekken. Ze werd meteen bevestigd door de Facebook-privatisering van censuur en fichering. Zoals Karl Marx al schreef, breekt het kapitalisme de premoderne gezinsverbanden, erfelijke loyauteiten en hiërarchische gezagsverhoudingen af. Het geatomiseerde individu kan dan optimaal herkneed worden; de ontwapenende onnozelheid waarmee talloze jongeren de nieuwe ordewoorden, hoe absurd ook, napraten, getuigt daarvan. Er is eigenlijk een “langdurig huwelijk tussen cultuurmarxisme en consumptiewaanzin” (p.233) tot stand gekomen.

Zijn uitweiding over het nieuwe seksuele landschap maakt het voor zijn vijanden wel gemakkelijk, hem weg te zetten als woordvoerder van mannelijke frustratie bij de inheemse bèta-mannetjes voor wie de nieuwe situatie met enerzijds geëmancipeerde/verwende vrouwen en anderzijds een toevloed aan exotische mannetjes een bedreiging vormt. Ondermeer De Standaard heeft al de draak gestoken met de nieuwrechtse kritiek op trends als de normalisering van porno of de inhoudelijke feminisering van het onderwijs. Dat “ideologische feministen dikwijls opgewonden worden van vernederende seks” (p.226), zal wel juist opgemerkt zijn, maar is een wat frivool aandachtspunt in verhouding tot de ernst van de situatie. Het laatste woord is voorlopig nog aan de sneeuwvlokjes die het nieuwe waardenpatroon opleggen, gebaseerd op antiwetenschappelijke sprookjes als het “onbeschreven blad”.

Lukkassen doet vanuit zijn eigen leefwereld trouwens opmerkingen die vele rechtse lezers minder zullen smaken. Neem nu: “De natuur heeft vele mensen monogaam gemaakt maar velen ook niet” (p.227), wat overgaat in een soort pleidooi voor polyamorie. En dat temidden van de strijd voor het behoud van het Avondland? Het is waar dat de neergang van Rome niet lineair met losse zeden samenhangt: nadat Augustus daar al vergeefs tegen streed, hield het Rijk nog eeuwen ongeschonden stand, terwijl zijn uiteindelijke ontbinding pas na een eeuw christendom en “gezinswaarden” kwam. Toch zullen velen het een groenlinkse wanklank vinden.

Een constructief, zelfs baanbrekend idee is “de nieuwe zuil”. Naast de aloude evangelische en de onder onze ogen tot stand komende islamitische zuil kent Nederland alleen nog de amorfe massa, maar laat het structureel wel ruimte voor een nieuwrechtse zuil; van die kans moeten we gebruik maken. We blijven wel benieuwd naar zijn succesformule voor “seksualiteit en demografie in de nieuwe zuil” (p.223).

Alleszins, daar aan de broodroof van geafficheerd niet-linkse mensen door extreemlinks annex bourgeois meelopers maar geen einde komt (Lukkassen is ervaringsdeskundig), is het belangrijk om collectief zelfbedruipend te zijn. Niet dat verzuiling de wenselijkste uitkomst is, maar door een islamzuil te patroneren heeft het Bestel een voldongen feit geschapen waarop zij een antwoord vormt.

Qua politieke standpunten zit Lukkassen goed, maar voor wie het slagveld overschouwt, ontbreekt er iets. Vanuit hun comfortabele positie doen de cultuurmarxisten het strategisch nodige: zij strijden tegen de dissidenten, ondermeer met beproefde middelen als straatgeweld, gezagsinstanties tot repressie dwingen, en onverwoestbare scheldwoorden als “fascist” herhalen, die de goedmens meteen in de houding doen springen. (Een recent voorbeeld is een opgemerkt scheldartikel tegen de bezadigde Canadese psycholoog Jordan Peterson door Pankaj Mishra in de invloedrijke New York Review.) Zij onderbouwen dat door hun vijand stelselmatig in kaart te brengen, bv. in het nieuwe EPO-boek van Ico Maly: Nieuw Rechts. Wel partijdig, maar nuttig als wapen, en voorlopig zonder rechtse evenknie. Er is dus een open vacature. Na Lukkassens onderhavige tour d’horizon van de socio-politieke tijdsgeest, is hij goed geplaatst om zulke doorwrochtere ontleding te maken, met opsomming en ontleding van alle ijkpunten in de cultuurmarxistische Werdegang.


zondag 9 september 2018

Raciaal correcte boekverbranding


('t Pallieterke, 5 sep. 2018)



Het boek Fahrenheit 451 van Ray Bradbury, 1953, dat naar de verbrandingstemperatuur van papier genoemd is, beleeft nogmaals een verfilming: na die door François Truffaut uit 1966, nu één door de Perzisch-Amerikaanse regisseur Ramin Bahrani. Het gaat over een regime dat boeken verbrandt en de jeugd ook opvoedt met een haat tegen boeken. Blijkens een getoonde flashback is dat op de bekende boekverbranding door nazi-studenten gebaseerd, maar het zou evengoed, of zelfs beter, naar de Culturele Revolutie of naar Pol Pot kunnen verwijzen. Al geldt Mao’s Rode Boekje in deze nieuwe versie juist als voorbeeldboek dat cultuurmensn van de ondergang willen redden, gezien verheffende frasen als: “Een revolutie is geen etentje met vrienden.”

Op een keer spreken de leider van de anti-boekencampagne (Michael Shannon) en zijn luitenant (Michael B. Jordan) een hal vol tieners toe. Wanneer de luitenant er één laat zien, ook al is het dan educatief materiaal om hen beter tégen boeken te wapenen, barsten ze uit in gejouw. En dan in gejuich bij de demonstratieve verbranding ervan. Hun “twee minuten haat”, zoals George Orwell het noemde. De jongeren krijgen van hun mentor de plechtige verzekering dat het allemaal maar voor hun “veiligheid” is. (Boeken zijn immers een bron van “polarisering”, zoals godsdienstoorlogen.) Of in eigentijdse taal: het is hier één grote “safe space” waar niemand aanstoot hoeft te nemen aan zoiets confronterends als boeken.

Zoals 1948 een aanklacht tegen Stalin was, zo had deze film een parodie op het eenheidsdenken op hedendaagse campussen kunnen zijn. Maar daarvoor was geen nieuwe verfilming nodig: de oude versie had als aanklacht tegen de huidige taal- en gedachtencontrole ruim volstaan. Niets nieuws onder de zon, en de passief-agressieve sneeuwvlokjesgeneratie moet zeker niet denken dat ze origineel is.

Dat er een nieuwe versie kwam, was om een andere reden: destijds was heel de cast blank. Dat nooit meer. De raciale boodschap is niet al te kras verpakt, daardoor zal ze des te beter bij het publiek naar binnen glijden. De boekverbrander tot het bittere einde en zelfverklaarde pervert, dat is natuurlijk een blanke heteroman van middelbare leeftijd, het soort waarvan we best zo snel mogelijk een dead white male maken. Zijn luitenant daarentegen krijgt een gewetenscrisis, wat hem tot de echte held van het verhaal maakt. Hij behoort tot de top van de deughiërarchie, namelijk de zwarte man.

Er is ook een clandestiene oppositiebeweging die de boeken probeert te redden: niet de fysieke exemplaren, want die zijn vogelvrij verklaard, maar de teksten, namelijk door ze van buiten te leren. Het is een bont gezelschap, met zelfs een paar witte mannen in, maar dan alleen als volgzame meelopers. De leidster is gemengdrassig, “mesties” zouden we dat ooit genoemd hebben, eerder Amerindiaans, dus een mild soort van wijs. Nu TV-films van de BBC zwarten als ridder of Romein inhuren, had het nog krasser gekund. En natuurlijk is zulke rasverdeling altijd mogelijk: ze zou van geen belang moeten zijn, maar in deze context is ze niet zo onschuldig.

Er is wel een blanke man die iets heel nuttigs doet, namelijk getuigen van de tijd toen boeken nog normaal waren. Maar ook hij voldoet aan de neoracistische canon: omdat blanken het uitstervende ras zijn, betreft het een ouderling. Blanke vrouwen, dat kan wel, hoewel niet in leidersrollen. Eén oudje steekt bij een boekverbranding zichzelf in brand, om waardig en zonder een krimp te sterven. Al het sterven wordt hier door blanken gedaan. Er is ook een jonge blonde griet die tot de oppositie behoort, en via haar charmes turnt ze de neger om; maar ze eindigt wel in zijn armen, en dat is voor neoracisten waar het hem om gaat.

Nu het blanke ras numeriek en in status bergaf gaat, is er een versnelling van de drang om het  te doen verdwijnen. Blanke koppels krijgen nu openlijk de oproep om geen kinderen te hebben maar kleurlingetjes te adopteren. Racisme heet nu een raskenmerk, jawel, één waar de Vlamingen mee behept zijn (aldus Bert Bultinck in Knack), en daar is een eugenetische oplossing voor. Wie zich aan volwassen taken en onderwerpen wijdt, kijkt vreemd op bij het stijgend belang dat nu aan huidskleur gehecht wordt, namelijk door luidruchtige nulliteiten, wier macht echter toeneemt.

Zodus, ook anti-totalitaire literatuur is in handen van links terecht gekomen. Na Donald Trumps verkiezing zwaaide links Amerika, kampioen van deugvertoon en desinformatie, warempel met George Orwell, alsof zijzelf de niet in vraag te stellen herauten van de waarheidsliefde waren. Hoewel, “alsof”: zij zijn inderdaad agenten van het Ministerie van Waarheid. Logisch dus dat er nu een film is tegen boekverbranding vanwege de voorttrekkers van het taboe op onafhankelijke meningen. Dat heet: de wapens van de vijand overnemen en ze van hun kritische angel ontdoen.

vrijdag 31 augustus 2018

Cultuurmarxisme: begripsverheldering




('t Pallieterke, 23 aug. 2018)


Paul Cliteur heeft een boek geredigeerd met 13  bijdragen over een vrij nieuw begrip in ons politieke vertoog: Cultuurmarxisme. Er waart een spook door het Westen (Aspekt, Soesterberg 2018). Onder hen ook van de Vlamingen Wim Van Rooy en Maarten Boudry en Nedervlaming Derk-Jan Eppink; en Sid Lukkassen. Die had het begrip “cultuurmarxisme” op de kaart gezet; in het onderhavige boek volgt een grondige begripsverheldering.

Cultuurmarxisme is een omstreden term. Zoals inleider Cliteur uitlegt, lijkt hij een oxymoron: het marxisme herleidt de cultuur juist tot louter “bovenbouw”, een neveneffect van de productieverhoudingen. Maar belijdende marxisten als Theodor Adorno (Frankfurter Schule) en Antonio Gramsci dongen af op dat primaat van de economie. Na de mislukking van alle revoluties buiten Rusland rond 1920 besloten zij dat de cultuursfeer daarin een doorslaggevende negatieve rol gespeeld had. Zij stelden dat het proletariaat minder massaal en minder actief dan verwacht de revolutie gesteund had omdat de bourgeoisie het gehypnotiseerd had via de heersende cultuur. Dus moest het eerst de culturele sfeer veroveren om dan de politieke revolutie te verwezenllijken.



Orthodoxe marxisten dachten er het hunne van en spraken schamper van “cultuurmarxisme”. De term is dus geen samenzweringstheorie van extreemrechtse trollen, zoals de linkerzijde het voorstelt, maar een linkse omschrijving van een ontwikkeling binnen het eigen kamp. Dit hele boek is trouwens een vernietigend antwoord op de linkse kleinering van deze juiste analytische term.



Wel heeft deze nieuwe stroming zich gaandeweg van de marxistische orthodoxie verwijderd, vooral na de implosie van het Oostblok: het ideaal van de proletarische revolutie en de socialistische staatsinrichting verdween uit het zicht, de cultuurstrijd is een doel op zichzelf geworden. Wel marxistisch bleef het model van een klassenstrijd, met nu verschillende nieuwe minderheden als revolutionair geachte klasse. De om zich heen grijpende cultuur van haat (nu vooral tegen “witten”), verdenking wegens het minste, overerving van schuld, zelfbeschuldiging en door het stof kruipen is, zoals hier door socioloog Eric Hendriks aangetoond, een nauwkeurige herspeling van Mao’s Culturele Revolutie.



Krijgshistoricus en uitgever Perry Pierik erkent dat links een punt heeft waar het zegt dat “cultuurmarxisten niet bestaan”. Aangezien de term begon als een scheldwoord voor een rivaliserende strekking binnen het marxisme, dus voor anderen, noemt niemand zichzelf cultuurmarxist. Zoals ook niemand zichzelf van “desinformatie” (vulgair: “nepnieuws”) beschuldigt, terwijl ze nochtans een realiteit is.



De gedaante van het cultuurmarxisme die het vaakst het nieuws haalt, is de repressieve discours-controle bekend als “politieke correctheid”. Die term wordt zonder meer overgenomen, hoewel hij eigenlijk niet juist gebruikt wordt. Hier beduidt hij de houding van links tegenover rechts (ruwweg), maar oorspronkelijk beduidde hij, ook in de Sovjet-Unie, de kritiek van slim links op dom links, van de beginselvaste revolutionairen op de met kleinigheden af te kopen reformisten. Maar soit, de term is nu ingeburgerd.



Een heuse omkering van waarden heeft zich onder cultuurmarxistische impact voorgedaan ten aanzien van een begrip dat vroeger bij uitstek als rechts gold: identiteit. Hedendaags links herleidt individuen tot de groep waartoe zij behoren: vrouw, homo, moslim, zwart – meerdere bijdragers leggen hilarische gevallen onder het vergrootglas. Het hemelt groepsidentiteiten op voorzover zij de status-quo bedreigen, maar de gezonde witte hetero “cisman” van middelbare leeftijd is niets anders dan een erfgenaam van het koloniale imperialisme, een belichaming van de slavenhandel en de kruisvaarten.



Wie “gezond” zegt, mag zich meteen aan een sneer over de nazi’s verwachten. Al decennnia is de linkervleugel toenemend nazicentrisch, altijd op vinkenslag om overal nazi’s te ontmaskeren. Recent is het mikpunt van dergelijke haatlaster verschoven van “de kapitalisten” naar “de witten”, in een nog nauwelijks verholen racisme.



Wim Van Rooy is op zijn best met zijn schets van de situatie in Frankrijk, waar veel linkse intellectuelen naar rechts opgschoven zijn: les nouveaux réacs. De machtsverhoudingen zijn echter nog niet verandered, want Alain Finkielkraut, Eric Zemmour, Michel Houellebecq en anderen hebben elk nog wel een prijs moeten betalen. Alleen hij vermeldt de Nouvelle Droite, de stroming rond Alain de Benoist die al van bij haar ontstaan in 1968 als een "gramscisme van rechts" aangemerkt werd. Deze nieuw-rechtse school is in Nederland onbekend, in Vlaanderen heeft zij een bescheiden antenne in het kwartaalblad TeKoS. Een strijd in de culturele ruimte om de hegemonie heeft zij wel bedacht, maar de verwezenlijking ervan is altijd een mislukking gebleven – daarvoor was links te machtig. Tot vandaag, want er beweegt iets.

Waarom 12?

Waarom 12? PDF Print E-mail

(ergens vóór 2000, uiteindelijk teruggaand op KE: Veldtekens aan het Zwerk



De dierenriem heeft 12 tekens. Andere 12-delingen vinden we in de religieuze sfeer, in de pantheons van enkele religies:

· de Indiase 12 Âditya’s of “zonnen”, de hemelse goden, door het boeddhisme naar Japan overgeplant als de 12 Ten of “hemelen”;

· de 12 zonen van Jacob/Israël, stamvaders van de 12 stammen Israëls;

· het Griekse Dôdekatheon of stelsel van 12 Olympische goden;

· de 12 apostelen van Jezus.


Er is nu blijkbaar iets hemels aan het getal 12. Waarom? Wat is er zo bijzonder aan 12? Historisch is dit moeilijk los te zien van de 12+ maanmaanden per jaar. Maar dat is contingent, niet noodwendig, het had anders kunnen zijn. Ooit duurde de maanomwenteling slechts enkele dagen, zodat er veel meer maanwentelingen per jaar plaatsvonden; en ooit zal ze veel langer duren dan nu. Dat er vandaag juist (iets meer dan) 12 maanomwentelingen in een aards zonnejaar gaan, is dus louter chance, vergankelijk, en geen stevige basis.


Wat trouwens als morgen de maan ontploft, de mensheid haar astrologie vergeet, en een volgende generatie vanaf nul de astrologie moet heruitvinden? Die zal dan niet de 12 maanmaanden hebben als vingerwijzing naar dit bijzondere getal 12. Nee, er is een steviger, duurzamer grondslag.


Het getal 12 heeft talloze onvervreemdbare rekenkundige eigenaardigheden:

· het ziet eruit als het natuurlijke begin van de getallenreeks, 1 en 2 (lang vóór de 0 uitgevonden werd), met beide op hun natuurlijke plaats, bovendien met de 1 van hogere rang (tiental) dan de 2 (eenheden);

· het is het product 3 x 4, twee getallen met elk hun eigen symboliek, bv. 3 = tijd/opeenvolging, 4 = ruimte/gelijktijdigheid;

· het is eerste Pythagoreïsche som, 3 + 4 + 5, drie grootheden die de zijden van een rechthoekige driehoek vormen;

· het is, naast het triviale gavel van 1, het enige getal welks rangnummer (het 12degetal) in de Fibonacci-reeks ingenomen wordt door zijn eigen kwadraat, 144, enz.


Het maakte talloze optredens in de natuur en de spitsnatuurkunde, bv.:

· het sneeuwkristal is een 6-puntige ster, dus met 6 binnen- en 6 buitenspitsen;

· de dodecaëder (veelvlak bestaande uit 12 vijfhoeken) als geponeerde vorm van het heelal;

· volgens een modieuze theorie zouden er 12 elementaire deeltjes zijn: 6 quarks, 6 leptonen, enz.


Het maakt enkele optredens in de wijsbegeerte, bv.:

· de 12 categorieën van Immanuel Kant;

· de 12 fasen in de boeddhistische cyclus van “afhankelijke veroorzaking”.


Het heeft meetkundige eigenschappen buiten het kader van de 2-dimensionale cirkel, bv.:

· wanneer men op een bol 3 onderling loodrechte cirkels definieert (bv. eerste vertikaal, meridiaan en horizon), dan hebben die cirkels 6 snijpunten (zenit/nadir, oostpunt/westpunt, zuidpunt/noordpunt) die hen in 12 kwartcirkels verdelen.


Allemaal heel aardig, maar een beetje naast de kwestie. Omdat we met een twaalfdeling van het tweedimensionale zon/aarde-baanvlak te maken hebben, moeten we de meetkundige eigenaardigheden van dié twaalfdeling beschouwen. Dat vlak kan beschouwd worden als een cirkel met onbepaalde straal. Dit is wat 12 met de cirkel doet:


1. De twaalfdeling van de cirkel, d.i. de hoek van 30°, overbrugt de tegenstelling recht/rond, straal/omtrek. Zij verwezenlijkt een soort kwadratuur van de cirkel via de uitzonderlijke eigenschap dat zij een rationale deling van de omtrek met een rationale verdeling van de straal combineert (sin 30° = ½), d.i. een verdeling in een geheel aantal gelijke delen. Zij verdeelt namelijk in één beweging de straal in twee en het kwart van de omtrek in drie. Andere hoeken zijn zelf irrationaal of hebben een irrationale sinus (loodrechte projectie op de straal), of beide.


2. Wat wereldmodellen zoals de dierenriem doen, is de oneindigheid van de wereld door een eindig verzameling “tekens” vervangen om het oneindige handelbaar te maken. Dit wordt meetkundig uitgebeeld door de vervanging van de cirkel (als veelhoek met oneindig veel oneindig kleine zijden) door een veelhoek met een geheel en eindig aantal zijden met eindige (en gelijke) zijde. “Verdeel en heers”, maak het oneindige handelbaar door het een eindige indeling te geven. Onder de veelhoeken zijn er drie extra rationaal, in deze zin dat hun oppervlakte in rationale verhouding tot de straal van de cirkel staat. Het brons is voor de ruwste rationale benadering van cirkeloppervlak pi (3,1415928…), namelijk het ingeschreven vierkant met oppervlakte = 2. Het zilver gaat naar de het omgeschreven vierkant met oppervlakte = 4. Het goud komt toe aan de ingeschreven 12-hoek, met oppervlakte = 3, de beste gehele benadering van de cirkeloppervlaktewaarde pi. Andere in- of omgeschreven regelmatige veelhoeken hebben niet-gehele en meestal zelfs irrationale waarden als oppervlakte. Merk op dat deze en vorige eigenschap het van bij de Grieken bekende wantrouwen jegens het irrationale/oneindige vertonen, de voorkeur voor het heldere gehele getal.


3. De twaalfdeling is de natuurlijkste verdeling van de cirkel, omdat haar constructie geen nieuwe componenten vergt behalve degene die in de constructie van de cirkel zelf gebruikt zijn, namelijk: het gegeven middelpunt en de gegeven straal. Men behoudt de passeropening (= de straal) en verplaatst de passerpunt naar eender welk punt op de omtrek, dan krijgt men een tweede cirkel die de eerste op twee punten snijdt; daar zet men dan de passerpunt, enz.; resultaat zijn zes cirkels rond de grondcirkel, welker snijpunten een zespuntige ster vormen, met zes buitenpunten en zes binnenpunten, elkaar opvolgend over hoeken van 30°, en met zijden gelijk aan de straal van de cirkel. Dat je hier geen gewone 12-hoek hebt, maar en afwisseling van punten op en buiten de grondcirkel, beantwoordt aan de symbolische structuur in de dierenriem, namelijk de afwisseling van positieve en negatieve tekens.


Deze eigenschappen gelden altijd en overal, zij zullen nooit veranderen. De symboliek van 12 heeft eeuwigheidswaarde.

Ontkerkelijking versus ontvlaamsing: een gelijkaardige afgodendeemstering?


(Doorbraak, 22 aug. 2018)


Uitsterven

Er zijn minder en minder Vlaamse bewegers. Een hele reeks verenigingen die ooit tot de Vlaamse Beweging behoorden, zoals de Vlaamse Toeristenbond, het Davidsfonds en het Verbond voor Vlaamse Katholieke Scouts en Meisjesgidsen, hebben zich daar uit lauwheid en conformisme uit teruggetrokken. En net nu een Vlaams-nationale partij groot zonder voorgaande en mee aan de macht is, wijst zij elke Vlaamsgezinde politiek af: daar waar het communautaire moratorium op Belgisch niveau nog als een onvermijdelijk compromis kan gerechtvaardigd worden, is een gelijklopend niet-beleid op andere niveau’s alleen haar eigen keuze. Lauwheid alom.

Nu, sedert mijn cardioloog me gezegd heeft dat ik extremen van temperatuur moet vermijden, heb ik het wel voor lauwheid. De Vlaamse zaak heeft uiteindelijk weinig gewonnen bij een eeuw geestdriftig Vlaams bewegen.

Eén reden voor die lauwheid is het door media en overheid gecultiveerde gebrek aan bewustzijn van de communautaire dimensie van talloze nationale vraagstukken. Ze doen dat enerzijds door belgicistisch onnozel vertier genre het wereldkampioenschap voetbal te promoten, anderzijds door bij voorkeur andere onderwerpen te verkiezen: niet de duizenden van het Zangfeest komen op tv, wel het handvol woelmakers in de zoveelste opgeklopte racismerel. We moeten daar wel aan toevoegen: en het Vlaamse gebrek aan weerwerk daartegen. De Vlaamse zemelaars zijn sterk in klagen bij de toog, minder in het eigentijds bekend maken van hun boodschap, laat staan van haar hoogdringendheid.

Anderzijds is die ontwikkeling een logisch gevolg van het groter worden van onze wereld. Daardoor ziet men verder dan de grenzen van het eigen land, tot recent nog afgezoomd door grenskantoren, nu slechts stippellijnen op een wereldkaart. Lang voor het flamingantisme het voorwerp van een boycot werd wegens associatie met extreemrechts (vóór de jaren 1990 beperkt tot socialistische kringen), had het al veel van zijn aanhang verloren wegens niet meer als relevant aangevoeld.

Zelf ben in de stad van Leuven Vlaams opgegroeid, waar de leider van een zomerkamp ons, als 7-jarigen in 1966, in plaats van “platte rust” te geven, De Vlaamse Leeuw leerde zingen, “zodat wij later ook kunnen betogen”. Maar zodra ik politiek bewust werd, kon ik geen enkele belangstelling voor de Vlaamse zaak opbrengen. Mocht ik er toen ooit een gedachte aan gewijd hebben, dan zeker dat ze ouderwets was, niet meer van deze tijd. Wat nog het mindere kwaad was, want het Belgische nationalisme, dát was pas komisch, iets voor sabelslepers en Brusselse bontjasmadammen met schoothondje.

Nog een reden is de veel grotere trouw aan het gegeven woord in die tijd. De oorlog geeft wel de sterkste voorbeelden. Zo verklaarden een aantal Oostfrontstrijders achteraf dat ze zich al gauw na hun inlijving in de Waffen-SS teleurgesteld voelden en het sinistere ervan inzagen, maar dat ze nu eenmaal bij hun rekrutering een eed van trouw gezworen hadden. Volgens de belgicistische historici die het nu voor het zeggen hebben, was dat slechts een smoes, maar hun uitleg is een onhistorische projectie achteraf van de huidige achteloosheid tegen zoiets verouderds als een eed. De historische vaststelling is dat men vroeger gemiddeld veel gehechter was aan een eenmaal gemaakte keuze. Vergelijk het met een huwelijksgelofte: als je partner niet degene (meer) is met wie je dacht getrouwd te zijn, zal je tegenwoordig de scheiding inzetten, maar destijds was je veroordeeld tot leven binnen de door je gelofte aanvaarde krijtlijnen.

En men hád doorgaans ook weinig keuze. Men was bv. vooral katholiek omdat dat levensbeschouwelijk de enige ernstige optie was, alomtegenwoordig in het eigen kleine wereldje. Velen kénden niets anders en de gedachte kwam niet bij hen op om een alternatieve optie uit te oefenen.



Ontkerkelijking

Voor sommigen van mijn generatie, en van daarna, ging het verlies van het geloof samen met het verlies van Vlaams engagement. De oorsprong van het flamingantisme was veeleer liberaal, met een Jan-Frans Willems naar wie het Willemsfonds genoemd is. Maar spoedig gingen kleine dorpspastoors als een Guido Gezelle het een hoofdzakelijk katholiek aanschijn geven.

Historisch is de toegenomen skepsis tegenover het flamingantisme dan ook evenwijdig gelopen aan de skepsis tegenover het geloof. De gelijkenis tussen de leegloop van de Kerk en die van de Vlaamse beweging was voor vele ’68- en post-’68 jongeren, genre Piet Piryns (zoon van de katholieke flamingant Remi Piryns, dichter van het Gebed voor het Vaderland), heel concreet. Tijdens Mao’s Culturele Revolutie rebelleerde de Chinese jeugd, weliswaar op commando, tegen de “Vier Ouden” (cultuur, conventies, gebruiken en ideeën). Welnu, in Vlaanderen waren dit twee van die gehate Ouden: Oude Levensbeschouwing en Oude Identiteit.

Met wat vertraging is die evolutie bij de voorhoede gevolgd door een geleidelijker versie van hetzelfde in het brede verenigingsleven. Bij een aantal verenigingen sneuvelden tegelijk het katholieke en het Vlaamse engagement: het woord “katholiek” werd uit de naam van de Vlaamse scoutsvereniging geschrapt, terwijl de term “Vlaams” alleen behouden werd “als plaatsaanduiding”. In “Chiro” werd de verwijzing naar de beginletters van Ch-r-istos (chi en rho) wel behouden, maar alleen omdat nauwelijks iemand zich nog bewust is van die oorsprong van de naam. Naar de mis of naar de Yzerbedevaart gaan, daar zijn de eertijds Vlaams-katholieke jeugdbewegingen al lang mee gestopt.

Met of zonder explicitering in een veranderde naamgeving is hetzelfde proces doorgemaakt door het Davidsfonds, het Algemeen Christelijk Werknemersverbond (nu: de Beweging), het Nationaal Christelijk Middenstandsverbond (nu: Zenito), deels ook de CVP/CD&V. “Christendemocratisch” is niet hetzelfde als “christelijk”: een politieke ideologie tegenover een religie. Daar werd tijdens een confederale opflakkering wel het woord “Vlaams” in de nieuwe naam onverwacht nog beklemtoond, maar dat hield in de politieke praktijk de ontvlaamsing niet tegen.

Een goede verpersoonlijking van deze trend is de metamorfose van de conservatieve flamingant (daarom in Humo gesmaad als “CVP-puber”) Eric Van Rompuy tot een verzuurde linksliberale belgicist. Analoog, maar veel radicaler, is De Standaard haar AVV-VVK-wortels “ontgroeid” om spreekbuis van het anti-Vlaamse linksliberalisme en tenslotte van het als extreemlinks geldende identitaire neoracisme te worden.

Volgens Jean-Luc Dehaene had zelfs in “christendemocratisch” het C-woord mogen verdwijnen, kwestie van gelijke tred te houden met de tijdsgeest. Ooit stond de Kerk als een onveranderlijke rots in de branding van de tijdsgeest: Stat crux dum volvitur terra (“Het kruis staat rechtop terwijl de wereld ronddraait”). Maar door in de jaren 1960 met aggiornamento (“bij de dag komen”, “actualisering”) te gaan dwepen, deed zij ongevraagd een knieval voor de tijdsgeest, en het was maar logisch dat haar hoogst onvolmaakte volgelingen nog gretiger met de snel veranderende tijdsgeest gingen meelopen.

In het geval van de Kerk was haar wegdeemstering in wezen heilzaam en onvermijdelijk. De algemene toename in scholingsgraad maakte de mensen skeptisch tegenover de wijsheden van mijnheer pastoor. Ook de vervanging van het mysterieuze Latijn door de volkstaal droeg bij aan de onttovering: o, is het dát maar? Later kwam daar de toenemende bekendheid van exotische religies bij, als zinnige alternatieven voor het blijkbaar toch niet alleenzaligmakende christendom. Dat opgroeien een verlies aan geloof in Sinterklaas meebrengt, werd nu doorgetrokken tot het geloof in Jezus.

Toegegeven, zowel in de kunsten als in het geestesleven heeft het christendom talloze prachtige dingen voortgebracht. Maar haar kernleerstellingen (unieke betrekking van de mens Jezus tot het Opperwezen, zijn verrijzenis, de verlossing uit de erfzonde) zijn nu eenmaal onwaar. De vaststelling dat menige postchristelijke mens om zingeving of om een moreel kompas verlegen zit, is geen reden om sprookjes op de troon te herstellen. Het is een fase waar men doorheen moet, een soort puberteit die men niet oplost door opnieuw kind te worden.



Aggiornamento van de Vlaamse beweging

Maar is (de ondergang van) het christendom bij het Vlaamse volk te vergelijken met (het wegdeemsteren van) de Vlaamse beweging? Zijn van het flamingantisme de “kernleerstellingen nu eenmaal onwaar”? Is het een kinderlijk bijgeloof dat men moet ontgroeien?

De Vlaamse zaak heeft alvast minder cultuur geïnspireerd of “prachtige dingen voortgebracht” dan bijvoorbeeld de contrareformatie via de barok (de twee komen samen in Peter Benoits Rubenscantate). De ambities van de Vlaamse beweging zijn dan ook veel beperkter dan die van de Kerk met haar eeuwige zaligheid. Haar definiërende leerstellingen zijn minder veelomvattend dan “verlossing van de erfzonde door de verrijzenis”. Eigenlijk spreekt zij zich alleen uit over een kleinigheid in het grote geheel: dat dit deel van de wereld in dit tijdsgewricht staatkundig beter wordt door zelfbestuur voor de Vlaamse natie. Daaraan valt weinig te actualiseren, wel aan de redenen die je daarvoor kunt geven.

Destijds maakten sommige ijveraars van hun Vlaamse zaak een soort ersatz-religie. Hun wereld was klein, en hun menselijke behoefte aan zingeving kan bevredigd worden met wat flamingantisme. Om in China of zelfs maar in Engeland flamingant te zijn, dat zou snel wat lachwekkend blijken, maar ooit hadden de meeste Vlamingen zelfs de Noordzee niet gezien. Zij die iets verder keken, tot bij pakweg de Witte Paters in Kongo, hadden Onze Moeder de Heilige Kerk voor die universele (= “katholieke”) dimensie.

Een religie moet iets zijn dat je kleine wereldje overstijgt, en om aan de kleine Vlaamse zaak de zin van je leven te ontlenen, moet je wel echt onder de klokkentoren wonen, op een manier die nu gewoon niet meer bestaat. Naarmate onze horizon breder wordt, zal een zaak die onze toewijding verdient, navenant groter moeten zijn. Men heeft meer opties dan vroeger, zowel levensbeschouwelijk als politiek, dus men hoeft zelfs geen standpunt meer in te nemen tegenover de Kerk noch tegenover Vlaanderen. Ze hoeven zelfs niet meer op je radar te verschijnen: de jeugd van nu weet er niets meer over. In dat opzicht is de verdwijning van het flamingantisme even normaal als dat van de Kerk.

Maar ook vanuit een breder, moderner perspectief blijft de centrale flamingantische eis verdedigbaar en logisch, daar waar de christelijke dogma’s onhoudbaar geworden zijn. Het programma van de Vlaamse beweging blijkt, hoewel veel kleiner, wel veel beter tegen een kritische evaluatie bestand dan het geloof. Ooit vertrouwde uitingsvormen zoals massamobilisatie op een IJzerbedevaart spreken wellicht minder aan, maar de tot haar essentie teruggebrachte diagnose dat voor dit deel van de wereld een etnisch gebaseerde hertekening van de grenzen logischer, democratischer en efficiënter is dan de Belgische constructie, blijft juist.

Binnen het Belgische perspectief ga je met een verstokt belgicisme te maken krijgen: uit eigenbelang van Franstalige kant, uit oikofobie vanwege de culturo’s, uit inerte trouw aan wat nu eenmaal bestaat bij de politiek onbewuste dagjesmensen. Daar heeft de Vlaamse beweging nooit een antwoord op gevonden. In Europees perspectief wordt het echter gemakkelijk, althans theoretisch: wat ooit een halskwestie was, bijvoorbeeld tussen Spanje en Catalonië, zou nu een louter administratieve zaak moeten zijn: een rationele, democratisch gedragen, aan etnische werkelijkheden beantwoordende hertekening van provinciegrenzen.



Besluit

Het laatste carré van Vlamingen met nationaal zelfrespect heeft nu de taak om aan de te lange geschiedenis van de Vlaamse beweging een slothoofdstuk met een onverwachte plotwending te breien. Maak de stap over de tot nu onoverkomelijke Belgische blokkering naar de vorming van een EU-deelstaat gemakkelijk. Vang de wind van internationale ontwikkelingen in je zeilen. Laat ons eens zien welke truken de slechteriken van het verhaal nog uit hun hoed toveren, in hun ongegrond gevoel van zekerheid dat de brave Vlamingen weer eens zullen falen. ’t En zal – toch als er een planbureau opstaat dat weet waar het naartoe wil.

De Kerk was ooit zo’n strategisch centrum. Het stimuleerde de Europese overlevingsstrijd tegen de Moorse en Ottomaanse agressie, met successen in (om maar de bekendste te noemen) Poitiers en Lepanto. De loop van de geschiedenis leek onvermijdelijk, namelijk de voortschrijdende islamisering van Europa, en zonder zulk strategisch centrum zou die er zeker gekomen zijn. Maar iemand besloot om in de weg te gaan staan en “stop!” te roepen.

Je hoeft geen Kerk te hebben noch haar godsdienst te herstellen om van die ervaring het strategische beginsel te onthouden: een politiek doel waard om van te spreken wordt maar bereikt via een leidersgroep die enerzijds het hart van de massa weet te bereiken en anderzijds het einddoel klaar voor ogen houdt en de voortschrijdende omstandigheden telkens in functie van dat doel weet te duiden. Zoals voorzitter Mao zei: geen revolutie zonder voorhoedepartij.     

Maar misschien is dat te veel gevraagd, het zou zo maar eens kunnen. Als alternatief is er het verder inslapen, zachtjes de nacht is. Kerken worden gesloopt of herbestemd, en ook de flamingantische kroegen (in mijn scholierentijd nog twee op de Leuvense Oude Markt en één in de belendende Muntstraat) zijn bijna uitgestorven. Het minder interessante eind van de verhaallijn is dat de Vlaamse beweging maar een droom was, één die bij het ontwaken vergeten wordt. Ze zal dan zelfs geen voetnoot in de geschiedenisboeken waard zijn, aangezien ze geen begunstigde nazaten heeft die willen weten wie of wat hen naar een onbestaande Vlaamse staat gebracht heeft. Ze zal zelfs geen tot musea herbestemde kathedralen in ons straatbeeld nalaten.  

Vlaanderen de vliegenzwam!


('t Pallieterke, 23 aug. 2018)

Zelfbestuur: als het aan de Vlaamse Beweging ligt, zal er niets van komen. Aan Nooit Meer Oorlog heeft ze nooit kunnen bijdragen wegens geen bevoegdheden in het buitenlandbeleid, en van de Godsvrede heeft ze (of toch haar linkervleugel) een tragi-komische mislukking gemaakt. Maar Zelfbestuur ocharme, was dat nu zó moeilijk?

Wegdeemstering
Wellicht hoeven we de vraag niet eens meer te stellen, want de Vlaamse beweging verdwijnt. Een hele reeks verenigingen die ooit tot de Vlaamse Beweging behoorden, hebben zich daar uit lauwheid en conformisme uit teruggetrokken. En net nu een Vlaams-nationale partij groot zonder voorgaande en mee aan de macht is, belijdt zij een navenant verdund flamingantisme. Zij blijkt tot veel minder bereid voor de Vlaamse zaak dan al die kleine ijveraars die in veel moeilijker omstandigheden en met veel minder perspectief het beste van zichzelf gegeven hebben.
Eén reden daarvoor is het door media en overheid gecultiveerde gebrek aan bewustzijn. Wij worden ondergedompeld in onnozele verstrooiing, aangemoedigd door een Bestel dat ons wil weghouden van echte problemen en probleempjes zoals de islamisering resp. het Belgische onrecht tegenover Vlaanderen. Elke nationale of andere revendicatiebeweging roept op tot “bewustwording”, namelijk van het belang van de door haar geactiveerde dimensie voor de concrete levensomstandigheden van elk individu. Zij schept een draagvlak voor haar eigen programma. In Vlaanderen hoor je dergelijke stem amper. Vroeger was er in heel Vlaanderen tenminste de dagelijkse werkelijkheid van de communautaire vernederingen, nu is die bewustwording abstracter. Zij vergt een mentale inspanning, en dat gaat in tegen de traagheidswet, een belangrijke bondgenoot van België.
Een andere reden is dat de opeenvolgende naoorlogse generaties van langsom individualistischer en verwender geworden zijn. Mensen zijn bijvoorbeeld nog graag verbruiker van de dienstverlening van de vakbond, maar zij willen er niet meer voor militeren. Zij gaan dus ook in de hangmat van de flamingantische verworvenheden liggen zonder er zelf aan bij te dragen, of ze verkwanselen die, bv. het onderwijs in eigen taal.

België overbodig
Nochtans, ook wanneer men niet aan Kleinstaaterei doet, of juist dan, blijken er nog steeds goede redenen te bestaan om de landkaart van dit gebied te hertekenen. Vlaamse grieven als de minachtende sabotage van de taalwetgeving in Brussel of de blijvende geldelijke overdrachten vanuit Vlaanderen zijn hier echter bijzaak. (En zo voelen de meeste Vlamingen ze desgevraagd ook aan.)  Ja, er is winst te behalen bij onafhankelijkheid, zowel financieel als in zelfrespect; maar dat is niet waar het hier om gaat, niet de eigentijdse redenen om Vlaanderen tot zelfbesturende lidstaat van de Europese Unie te maken.
Hoofdzaak is hier wel: de rationele en democratische politieke ordening van de Europese ruimte. Het conservatieve argument, namelijk dat België zijn voortbestaan verdient omdat het er nu eenmaal is, gaat hier niet op. Om te beginnen stoten we hier op de zwakheid van elk conservatisme, namelijk dat het iets wil behouden dat vaak (en zeker in dit geval) zelf het resultaat van een revolutie is. Verder weegt de waarde van de vertrouwdheid van het Belgische feit niet op tegen de weloverwogen meerwaarde van een Vlaamse deelstaat binnen Europa. Stel bv. dat er aan de EU-tafel in 1990 een vertegenwoordiger van Vlaanderen had gezeten om een georganiseerde referendumdemocratische hertekening van de Joegoslavische binnengrenzen te bepleiten, dan waren enkele bloedige oorlogen voorkomen.   
Vlaanderen is een werkelijk bestaande natie, een culturele en deels een bestuurlijke ruimte die duidelijk van Wallonië onderscheiden is. Tussen het Vlaamse en het EU-niveau is geen Belgisch niveau nodig. Denemarken doet het toch ook zonder zulk tussenniveau? Zoals The Economist in een lucide moment onbevangen schreef: “Als België niet bestond, zou niemand het uitvinden.”
Nochtans, aan dat vanzelfsprekend overbodige België zitten we al decennia te morrelen, met oeverloze compromissen en weinig vooruitgang. Soms is het resultaat zelfs negatief, zoals de oprichting van het aparte gewest Brussel of de toegevingen op de taalwet door het taalhoffelijkheidsakkoord. Door ons op de Kleinstaat België te fixeren, zijn we al enkele generaties tot gepruts in de kantlijn veroordeeld.

Als een vliegenzwam zo groot 
Wanneer onze heidense voorouders ten strijde trokken, dan namen zij vliegenzwam in. Daardoor voelden zij zich reuzengroot worden, iets wat later ook Alice in Wonderland overkwam. Een belangrijke hindernis op het slagveld is inderdaad dat men door het machtsvertoon en tromgeroffel van de vijand geïntimideerd wordt, maar daar is dus letterlijk een kruid tegen gewassen. Denk groot.
Men hoeft daarbij de hallucinatie dat de vijand maar een tinnen soldaatje is, niet ál te ernstig te nemen, maar wel ophouden met diens kunde te groot in te schatten en de eigen vermogens te klein. Men moet zich niet aan hem vergapen maar hem binnen het grotere geheel zien, zodat ook zijn zwakke plekken zichtbaar worden.
Een groter verband waarbinnen de communautaire strijd uiteindelijk beslecht zal worden, is de EU. Velen zijn de jongste jaren fel anti-EU geworden, zeer tegen de gevestigde Vlaamse denkgewoonten in, onder invloed van de tendens in landen met een sterkere identiteit, zoals Nederland. Het oude standpunt was nochtans het juiste: de EU moet, louter door zijn bestaan, een bondgenoot zijn van Vlaams zelfbestuur. Zoals het zeemonster Leviathan de kleine vissen beschermt tegen de grotere.
Een Spanjaard kon zich ten tijde van de Burgeroorlog afzetten tegen het Baskische en Catalaanse onafhankelijkheidsstreven, want zijn wereld, toen het vaderland, dreigde daardoor verscheurd te worden. Vandaag gaat het alleen nog om een hertekening van deelstaatgrenzen binnen een veel grotere wereld, de EU, niet dramatischer dan een hertekening van gemeenten. Ook België mag men vandaag gerust een morzel gronds ontwringen, of het helemaal doen verdwijnen, als daardoor een rationelere en democratischere verdeling in bestuursgebieden binnen de EU ontstaat.
Meer dan ooit geldt dus: vanuit Vlaams kikkerperspectief komt Vlaams zelfbestuur er nooit, vanuit EU-vogelperspectief wordt het een logische stap. Geen die romantiek vol vlaggen en betogingen vergt, en al helemaal geen kaakslagen, maar gewoon een praktische beleidsdaad.

Vriendelijke Dwerg
Jamaar, zeggen Vlamingen die graag zichzelf met onoverkomelijke bezwaren verlammen, de EU is een despotische mastodont, verkocht aan de staatsbelangen van onder meer Spanje en België; daar kan het kleine Vlaanderen niet tegen op, zoals Catalonië het vandaag ook niet blijkt te kunnen. In werkelijkheid is die verknochtheid van de EU aan de belangen van zijn lidstaten niet zo absoluut, en zeker wel veranderbaar voor wie zich daar strategisch op instelt. “Strategie” en “flamingant” gaan slecht samen, maar probeer het eens en die EU blijkt heus niet zo intimiderend. Het is als met de dreiging van de islam: onze excellenties bejegenen hem heel onderdanig, alsof hij een formidabele potentaat is die gevleid moet worden; maar een onbevangen benadering vanuit zelfrespect, bewust van eigen kracht en van zijn zwakheden, zou die situatie al flink gededramatiseerd hebben.
Neem nu een niveau lager, het Belgische. De Vlaamse beweging houdt al decennia eerbiedig halt tegenover de schijnbaar incontournabele grendels die de Franstaligen in 1970 in de grondwet verankerd hebben. Welnu, grondwetspecialist Hendrik Vuye heeft de rechtskundige weg gewezen hoe voorbij dergelijke anti-Vlaamse blokkades te navigeren. Wat zo formidabel lijkt, is best te verschalken.
Het zal wel niet het volledige antwoord zijn, maar een belangrijk deel van het probleem voor de Vlaamse beweging is een verkeerd denken. De weinige nog trouw gebleven flaminganten zien de Vlaamse zaak als groot en belangrijk, zelfs piëteit afdwingend; en Vlaanderen als een Gulliver die beter verdient maar nu nog met talloze kleine draadjes door de Lilliputters aan de grond vastgebonden is. Hij is braaf gefixeerd op al de beperkende voorschriftjes die het door zijn vijanden opgelegd krijgt. Maar de jeugd heeft gelijk, de Vlaamse zaak als iets onbelangrijks te behandelen. Zo zal ze namelijk vlugger opgelost geraken. Net als een vijand moet men een uitdaging als een Kleine Vriendelijke Dwerg tegemoet treden.