Sunday, October 29, 2017

Een conservatief herbront zich




Een conservatief herbront zich

 (Doorbraak, 25 oktober 2017)

De aartsvader van de conservatieve stroming in de moderne politiek, zo bestempelt men de Iers-Britse wijsgeer en parlementariër Edmund Burke (1729-1797). Hij zetelde nochtans voor de Whig-partij, de “liberalen”, de toenmalige linkervleugel. Zijn blijvende faam heeft hij vooral te danken aan zijn gedachten bij de Franse Revolutie, samengevat in het boek Reflections on the Revolution in France (1990), waarvan zopas een selectie in Nederlandse vertaling heruitgegeven is als Franse Revolutie en Engelse traditie bij Doorbraak. Zowel Burke’s grondtekst als Theodore Dalrymple’s inleiding daarop zijn uitstekend vertaald en van verklarende voetnoten voorzien door Marc Vanfraechem.

In vergelijking met de massa marxistische en cultuurmarxistische geschriften zijn er niet veel inleidingen tot het conservatisme. Daarom alleen al is deze omstandige inleiding door Dalrymple op Burke’s grondtekst van deze belangrijke doch onbekend-onbeminde politieke stroming welgekomen. Door eigen levenservaring tot het conservatisme gekomen, belicht Dalrymple hier het boek dat onwillekeurig tot zijn levensbeschouwelijke bron geworden is.

Dalrymple was tot voor kort als arts werkzaam. Hij verwierf bekendheid met zijn schampere maar zeer deskundige kritiek op de resultaten van decennia van pamperbeleid op de arbeids- en gezinsethos van de onderklasse. Sommige van zijn inzichten blijken meteen citeerbaar in hedendaagse debatten, bv. over de projectie van een hedendaagse waardenschaal op historische figuren. In Vlaanderen haalde hij de krantenkoppen toen de opkomende politicus Bart De Wever zich tot zijn type gezondverstandsconservatisme bekende.





Burke



Over Burke geeft hij enkele tekortkomingen toe, zoals het ook bij de linkse kritiek bekende feit dat hij erger jammerde over koningin Marie-Antoinette dan over de armoede van de boerenstand, en dat hij de gebreken van het Britse stelsel onderschatte. Verder was Burke hier en daar wijdlopig, al heb je daar in dit boek weinig last van, want irrelevante en langdradige passussen zijn eruit weggeslecteerd.

En dan is er nog het verstrijken van de tijdsgeest, wat hier en daar zorgt voor onverwachte zienswijzen die in zijn tijd begrijpelijker waren. Bijvoorbeeld noemt hij een wetmatigheid die we nu in de politiek zelden nog beseffen, namelijk het belang van riddertrouw: een koning hoeft niet op samenzweringen tegen hemself berekend te zijn als zijn mannen hun eed van trouw ernstig nemen (“trouw verdrijft vrees”, p.56), zodat hij niet zijn toevlucht moet nemen tot “tirannie uit voorzorg”. Er is hier en daar ook wat sarcasme dat nu niet meer als origineel zou gelden maar het toen wel was, bv.: de revolutionairen “hebben Frankrijk vrijgemaakt op de manier waarop die oprechte vrienden van de rechten van de mensheid, de Romeinen, de bevrijding van Griekenland, Macedonië en andere volkeren hebben aangepakt.” (p.105)



Maar alles bijeen blijft het nog steeds, ook na ruim twee eeuwen, een hoeksteen van het politieke boekenlandschap: “Het is een mens niet gegeven, in alles gelijk te hebben, en Burke maakte geen uitzondering op deze regel, maar over lopende zaken en diepzinnig boek schrijven dat twee en een kwart eeuw later nog het lezen waard is, en dat voor onze huidige precaire situatie doordringende inzichten bevat, is een opmerkelijke prestatie die door maar een handvol  . (p.21-22)”





Conservatisme

Burke behoorde tot een milieu dat eigenlijk als geheel de bron van het conservatisme mag heten, met onder meer woordenboekmaker Samuel Johnson (http://koenraadelstnl.blogspot.be/2017/10/dr-samuel-johnson.html), geschiedkundige Edward Gibbon, econoom Adam Smith en wijsgeer David Hume. Alleen al hun vriendschap zegt veel over het conservatisme, want ze overbrugde ernstige meningsverschillen die bij links, en bij een middelmatiger variant van rechts, tot verkettering zouden geleid hebben: anglicaans (Johnson en Burke) versus vrijzinnig (Hume en Gibbon), Tory versus Whig, pro en contra de eisen van de separatisten in de Amerikaanse koloniën.

Johnson en Burke zijn allebei bekend om hun pleidooien vóór de inheemse belangen in de overzeese gebieden: Johnson (die, kinderloos, zijn zwarte dienaar tot erfgenaam maakte) deed schamper over de Amerikaanse autonomisten, die vooral af wilden van de beperkingen die de Britse Kroon oplegde aan hun drang om de Indianen te onteigenen en negerslaven te mishandelen, “liberty” zijnde het recht om te veroveren. Burke daarentegen sympathiseerde met hen in hun kritiek op het koloniale ondergeschiktheid, wat een ander soort anti-Britse stellingname. Burke leverde scherpe kritiek op de East India Company en haar corrupte en uitbuitende bewindvoering in Bengalen. Hun “going native” is al één punt waarop hij en zijn vrienden niet beantwoordden aan het stereotiepe beeld dat de linkerzijde van haar tegenstanders cultiveert.

De vrijdenker Gibbon schreef over de anglicaan Burke, met wie hij de ontzetheid over de Franse Revolutie deelde: “Ik bewonder zijn welsprekendheid, ik ben het eens met zijn politieke zienswijze, ik ben vol van zijn ridderlijkheid, ik kan hem zelfs zijn bijgeloof vergeven.”



Bescheidenheid

Burke hamert op onze kleinheid in vergelijking met de enorme erfenis die wij torsen. Nationale eigenheid behoort bijvoorbeeld tot dat erfgoed: “Ik kan niet vatten hoe iemand zulke graad van aanmatiging kan bereiken dat hij zijn land beschouwt als niets dan een blanco blad waarop hij kan krabbelen wat hem maar invalt.”

Wat Burke daar tegenoverstelt, gaat niet om het hoera-patriottisme met zijn vlagvertoon. Politieke conflicten worden hier niet in het Procrustesbed van begrippen als “volksaard” gedwongen. De Britse kolonisten in Amerika hadden gewoon een belangenconflict met het moederland, zij gelden hier niet als “a new nation”, zoals de nationalistische president Abraham Lincoln het voorstelde. De Fransen waren evenmin door hun volksaard gedoemd tot het revolutiescenario dat zich toen ontspon.

Progressief staat gelijk met de leer van het “onbeschreven blad”, de maakbare mens die geen vaderland heeft. En die geen andere dan een materiële dimensie heeft en passief het herkneden door verlichte despoten moet ondergaan. Aldus bijvoorbeeld in voorzitter Mao’s (op p.13 geciteerde) beeld van de boerenstand als een onbeschreven blad waarop prachtige karakters kunnen geschreven worden.





Veranderen om te behouden



“Een staat die de middelen mist tot enige verandering, mist ook de middelen om zich te handhaven”, stelt Burke (p.30). Ter linkerzijde stelt men het graag zo voor dat conservatieven tegen elke verandering gekant zijn, vastgeroest in een verleden waarvan zij het leven oneindig willen rekken. In werkelijkheid laveren zij op de wind, en zijn zij best bereid hun zeilen bij te stellen naargelang de windrichting om hun eigenlijke koers te kunnen handhaven.



Een voorbeeld van elders. Eind 19de eeuw voelden sommige leidende figuren in China wel aan dat niet alleen de technologie maar ook de instellingen aan modernisering toe waren. De literati Kang Youwei en Liang Qichao kregen van het keizerlijk hof carte blanche om hervormingen door te voeren om uiteindelijk van het absolute Qing-keizerrijk een grondwettelijke monarchie naar Brits model te maken. Die formule zou continuïteit verzekeren en een geleidelijke modernisering aanmoedigen. Gezien de bloedige 20ste-eeuwse geschiedenis van de Republiek en de Volksrepubliek, met trage of negatieve economische ontwikkeling, was dat wel de best mogelijke oplossing. Echter, de echt reactionaire krachten binnen het keizerlijk milieu zagen die hervormingen niet graag, en binnen honderd dagen werden die teruggedraaid.



Gevolg was een polarisatie die het republikeinse kamp versterkte en in 1911 tot een revolutie leidde, met de troonsafstand van de laatste keizer, Pu Yi, en de aanstelling van een eerste president, Sun Yixian (Sun Yat-sen), en in het zog daarvan de instabiliteit en de crisissen die de hervormers hadden willen voorkomen. Tekenende bijzonderheid is de kwestie van de inbinding van de voeten bij elitevrouwen: daadwerkelijk afgedwongen door het maoïstisch bewind, was dat verbod al afgekondigd onder de Republiek en zelfs al onder het Keizerrijk, dat wel degelijk tot de hervormingen bereid was die de revolutionairen achteraf als resultaat van hun eigen machtsgreep voorstellen.





Tegeltjeswijsheden



Bij het afscheid geven we nog wat wijsheden mee voor onderweg. Zo varieert Burke op Cicero “dat religie de basis van een beschaafde samenleving is, de bron van alle goeds en troost”. (p.61) En verder moeten filosofen niet de maatschappij naar hun eigen inzichten willen inrichten: “Waren ze zich maar bewust gebleven van hun onlosmakelijke eenheid, elk op zijn eigen plek!” (p.57) Wel ja, dat is het geheim: cuique suum, “elk het zijne”!

Wednesday, October 25, 2017

Dr. Samuel Johnson


PDF Print E-mail
  

Nu er in de Lage Landen sprake is van een bescheiden conservatief golfje in het opinielandschap, rijst de vraag op welke leerstellige lichtbakens deze stroming zich gaat inspireren. Er is natuurlijk de analyse van de hedendaagse noden, maar onvermijdelijk gaat men ook verwijzen naar bepaalde geselecteerde klassieken. Zo noemt een Nederlandse conservatieve denkgroep zich de Burke-Stichting, naar de 18de-eeuwse Iers-Britse politicus Edmund Burke, bekend van zijn kritische Reflections on the Revolution in France. Een tijdgenoot die in de Angelsaksische wereld vaak geciteerd wordt als doorprikker van linkse humbug, tevens stichter van een conservatieve praatclub waartoe naast Burke ook Edward Gibbon, Oliver Goldsmith en Adam Smith behoorden, is Samuel Johnson (1709-84). Hij verdient ook hier een grotere bekendheid.

Meestal, bijvoorbeeld op de vermelding van zijn gerestaureerd huis op het Londense stadsplan (Gough Square 17, vlakbij Fleet Street), noemt men hem complimenteus “Doctor Johnson”. Dit is in zoverre merkwaardig, dat hij formeel nooit enige academische graad behaalde: ondanks de briljante indruk die hij op zijn professoren maakte, had hij al na één jaar wegens geldgebrek zijn studies in Oxford moeten staken. Hij probeerde het dan maar als schoolmeester en vervolgens met meer succes als free-lance journalist. Hij schreef ook inleidingen bij edities van klassieke en Engelse auteurs, ondermeer Shakespeare, plus enkele pamfletten over de hete hangijzers van toen, zoals de eerste oorlog om de Falkland-eilanden en het separatisme onder de Britse kolonisten in Amerika. Zijn bekendste prestatie, die hem tot de spreekwoordelijke geleerde (vandaar “Doctor”) maakte, was zijn redactie van het eerste wetenschappelijke woordenboek der Engelse taal. Hij werkte eraan met een groep assistenten van 1747 tot 1455 en het vormt nog steeds de basis voor de Chambers, Oxford, Webster’s en andere gezaghebbende woordenboeken van nu.


Blauwkousen


In zijn daden weerlegde Johnson allerlei linkse vooroordelen over het conservatisme, dat met alle lelijks en fouts uit de recente Westerse geschiedenis vereenzelvigd wordt.

Kolonialisme? Hij was een fel criticus van de beweging van de Amerikaanse kolonisten voor onafhankelijkheid, en betoogde dat zij voor zichzelf rechten opeisten die zij ontzegden aan hun slaven (“De luidste kreten om vrijheid horen we bij de drijvers van negers”) en aan de inboorlingen. Eén van de minder bekende grieven die tot de Amerikaanse secessie leidden, was inderdaad dat de kolonisten zich door de pro-Indiaanse bemoeienissen van de Kroon gehinderd voelden. Noteer dat ook Johnsons vriend Burke in zijn tijd vooral bekend raakte door zijn aanklachten tegen de misbruiken van de East India Company in de exploitatie van de rijkdommen van India. Kolonisatie was vooral een liberaal en progressief project: vrije wereldhandel, feodale regimes de kop indrukken, de bevrijdende moderniteit propageren. Johnson liep vooruit op de hedendaagse veroordeling van het kolonialisme: “De Europeanen hebben nauwelijks enige kust bezocht tenzij om hebzucht te bevredigen en corruptie uit te dragen; om zich zonder recht de heerschappij toe te eigenen en zonder aanleiding de wreedheid te beoefenen.”

Racisme? Johnson had een zwarte huisknecht uit Jamaïca, en nog in volle slaventijd had hij er geen bezwaar tegen dat deze met een Brits meisje trouwde. In zijn testament liet hij hun een deel van zijn onroerend goed plus een jaarrente na. Dat een van de tenoren van het conservatisme allerminst beantwoordde aan hoe linksen zich een “rechtse zak” voorstellen, moet niet verwonderen. Links gaat uit van bepaalde egalitaire en progressistische dogma’s, en projecteert op zijn tegenstanders diezelfde dogma’s maar dan in tegengestelde zin. Welnu, het conservatisme gaat niet uit van het soort abstracte dogma’s waaraan de linkerzijde haar politieke actie ophangt, maar van concrete levenservaring. Huisknecht Francis Barber was een goed en verdienstelijk man, en dat bepaalde Johnsons houding tegenover hem, niet één of andere statistische studie over een lager IQ of hoger misdaadcijfer bij “de” zwarten. Het racisme zou van de late 18de tot midden de 20ste eeuw vooral bij links erg populair zijn: het was immers een materialistische doctrine die de mens tot zijn biologische dimensie herleidt, een gelijkschakelende mensvisie die individuen als exemplaren van een grotere categorie (nu eens klasse, hier weer ras) ziet, en via de eugenetica een instrument in het utopische project van de volmaakte samenleving.

Seksisme? Johnson liet zich natuurlijk niet in met de toen schuchter beginnende ideeën over de gelijkheid tussen man en vrouw, maar hij was bevriend met Elizabeth Carter en haar kring van hooggeleerde vrouwen die zich door hun blue stockings onderscheidden, en gaf in zijn periodiek The Rambler regelmatig ruimte voor publicaties van deze “blauwkousen”.  Hij stak ook de draak met mannen die de schuld van alle problemen bij de vrouwen legden en zich niet opgewassen voelden tegen paarvorming met een vrouw van gelijk vormings- of verstandelijk niveau. Zelf trouwde hij in 1735 een oudere en rijkere weduwe, naar getuigenis van hemzelf en vrienden een huwelijk uit wederzijdse liefde die onverminderd bleef tot zij in 1752 stierf.

Afwijzing van het stadsleven? “Stadslucht maakt vrij”, mijmerde de liberale auteur Heinrich Heine, terwijl de conservatieve plattelandssamenleving als een bedompt nest van reactionaire verhoudingen en verstikkende onderdrukking gezien werd. Nochtans waren het bij uitstek linkse denkers als Jean-Jacques Rousseau die het landleven en de natuur verheerlijkten en de mensenmaatschappij, dus bij uitstek de stad, als factor van bederf veroordeelden. Conservatieven als Johnson delen die afwijzing van de reëel bestaande mensenbeschaving echter niet, zelfs niet in haar grootsteedse variant: “Nee, mijnheer, wanneer een man Londen moe is, is hij het leven moe; want in Londen vindt men alles wat het leven te bieden heeft.”

Intolerantie? Johnson was een voorstander van wat we strikt genomen een theocratie zouden kunnen noemen, het gevestigde systeem van een staatskerk met het staatshoofd als Defender of the Faith. Toch bepleitte en beoefende hij de tolerantie tegenover minderheidskerken als het katholicisme en volgde hij met sympathie de start van het methodisme van John Wesley, dat zich specifiek op de noden van de nieuwe arbeidersklasse zou richten. In conversatie nam hij vaak voor de gein het standpunt tegengesteld aan het zijne in, en meestal kon hij dat even overtuigend argumenteren als een echt gemeend standpunt. Een beetje zoals Thomas van Aquino altijd eerst de sterkst mogelijke formulering van het te weerleggen standpunt betrachtte vooraleer zijn eigen argumenten daartegen in te brengen. Dit is een zeer goede oefening in breeddenkendheid en gewoon in helder denken, tegengesteld aan de inhalige gelijkhebberij van links, dat elke rechtse gedachte als een besmettelijk gevaar verre van zich houdt en rechtse argumenten meestal eerst door een karikatuur vervangt vooraleer ze te “beantwoorden”.


Duivel


Hoe verhield Johnson zich tot hebzucht en egoïsme, volgens links de overheersende trend in het tijdperk van Margaret Thatcher en dus typerend voor het conservatisme? Johnson, die zelf voortdurend met geldgebrek worstelde totdat koning George III hem in 1762 een uitkering toekende (die hij slechts met grote gêne aanvaardde omdat hij eerder het corrumperend effect van overheidssteun gehekeld had), verleende voortdurend gastvrijheid en materiële steun aan vrienden in nood. George Bush jr., een beschaamde neoconservatief die zich “compassionate conservative” noemt, net alsof het conservatisme uit zichzelf een gebrek aan mededogen zou vertonen, had van Johnson iets kunnen leren: het conservatisme gelooft in de betrachting van de deugdzaamheid, ondermeer van het concrete mededogen met concrete mensen, daar waar het linkse mededogen alias “solidariteit” er slechts in bestaat, via de belastingen “van de rijken te stelen om aan de armen te geven”, een structurele ingreep die het eigen mededogen onaangesproken laat.

Militarisme? Hierbij is weinig commentaar nodig: “Daar oorlog de laatste remedie is, nadat al het andere eerst geprobeerd is, moet men alle legitieme methoden gebruiken om hem te vermijden. Omdat oorlog het uiterste kwaad is, is het zeker de plicht van degenen wier positie de zorg over naties toevertrouwd heeft, om hem af te wenden.”

Nationalisme? Deze moderne doctrine, die een van de pijlers van de Franse Revolutie zou worden, kon voor een belijder van een religieus wereldbeeld nooit aan de verdenking ontkomen, een soort afgoderij te zijn. Het was belangrijk dat een legitiem heerser, staatsinstellingen en de morele waarborg van de godsdienst de maatschappelijke orde goed beheerden, veel meer dan dat de eenheid van politieke orde met een etnische groep zou samenvallen. Johnson deed dan ook meewarig over mensen die hun kostbare levensjaren verdoen met strijd voor de etnische hertekening van grenzen. De bekendste politieke uitspraak van Dr. Johnson is waarschijnlijk: “Patriottisme is de laatste toevlucht van de schurk.” Stalin en Saddam Hoessein zijn bekende voorbeelden van dictators die, eens in het nauw gedreven, hun eigen palmares trachtten te doen vergeten door hun volk tot vaderlandsliefde op te roepen.

De fundamentele tegenstelling tussen conservatisme en vooruitgangsgeloof was in Johnsons tijd nog erg scherp en helder (anders dan nu, nu veel van wat toen links heette als rechts geldt). Tegen het enthousiasme voor de vooruitgang, belichaamd door de toenmalige liberalen of Whigs, misschien best te vertalen als “progressisten”, vloekte hij: “De duivel was de eerste Whig.” De duivel, zoals opgevoerd in het bijbelboek Genesis, was alleszins de promotor van de hoogmoed, de titanische wil om aan God gelijk te zijn, en dat is de typische pretentie van het vooruitgangsgeloof, tegengesteld aan de bescheidenheid en omzichtigheid die de kern van de conservatieve ingesteldheid uitmaken.


Eéndimensionalisering


Het is voor linksen normaal, alles aan de politiek ondergeschikt te maken, want politiek is voor hen de sleutel tot de staatsmacht als hefboom voor de veranderingen die tot een betere wereld moeten leiden. Conservatieven hebben een veel beperktere opvatting over het belang van de politiek. Dr. Johnson heeft dan ook weinig zuiver politieke geschriften op zijn naam, en des te meer algemene observaties over mensheid en cultuur, die terloops ook wel politieke implicaties kunnen hebben.

In zijn editie van de werken van Shakespeare beklemtoonde Johnson dat men, om een schrijver uit een vroeger tijdperk te begrijpen, al het mogelijke moet leren over het morele en intellectuele klimaat van die tijd, eerder dan hem te beoordelen vanuit de bekommernissen en maatstaven van vandaag. Wie dat inzicht afdoet als louter van belang voor studenten van de letterenfaculteit, moet beseffen in welke mate de progressisten van toen en nu onze kijk op de werkelijkheid verstoren door stelselmatig het omgekeerde te doen. Enkele decennia geleden werd de geschiedenis herschreven in termen van klassenstrijd, vandaag is het bekendste voorbeeld allicht de heksenjacht op “racisme” in auteurs uit vorige eeuwen, van Rudolf Steiner tot T.S. Eliot (toevallig natuurlijk niet Karl Marx), alsof rasdenken toen niet tot het algemeen aanvaarde wereldbeeld behoorde en ook logisch bij de toenmalige stand van de wetenschap paste. Hollywood produceert aan de lopende band historische films waarin de gebeurtenissen van destijds in het licht van hedendaagse normen omgeduid worden, bv. Prince of Egypt, waarin Mozes warempel de slavernij wil afschaffen; Gladiator, waarin het herstel van de Romeinse senaat als protodemocratische doelstelling in de plot ingelast wordt, e.v.a. Omdat Luther tegen de vermaledijde paus was, wordt hij vaak als voorvechter van de meningvrijheid opgevoerd, wat hij volstrekt niet was; omdat Abraham Lincoln de zwarte slaven vrij verklaarde, wordt hij ten onrechte als antiracist voorgesteld, enz. enz. De herleiding van de geschiedenis tot haar “relevante” dimensie, of in praktijk de vervalsing van de geschiedenis in termen van hedendaagse bekommernissen, is één van de vormen van ééndimensionalisering (naast de reductie tot homo economicus) die de linkse impact op ons wereldbeeld typeert.

Johnson bepleit ook bescheidenheid in onze intellectuele greep op de geschiedenis. Tegen diverse deterministische visies op de vermeend onafwendbare opmars van bepaalde vooruitgangskrachten, breekt hij een lans voor de rol van het onverwachte, ondermeer via de vrije wil van individuen: “De meeste historici maken de vergissing, aan te nemen dat elk effect een evenredige oorzaak heeft. In de levenloze interactie van materie met materie kan de voortgebrachte beweging niet anders zijn dan evenredig met de kracht van de in beweging brengende impact. Maar de werking van het leven, zowel privé als openbaar, laat zulke wetmatigheid niet toe. De bokkensprongen van met wil begiftigde agentia lachen met zulke berekening. Er is niet altijd een sterke reden voor een grote gebeurtenis.”


Bescheidenheid


Vele van Johnson’s bon mots zijn “slechts” observaties van het algemeen menselijke gedrag, maar zijn evengoed lezenswaard. Aldus bv.: “Wees er maar zeker van dat als een man over zijn tegenslagen praat, er iets in is dat hem toch niet helemaal onaangenaam is; want waar er alleen maar pure miserie is, daar neemt men zijn toevlucht niet tot gepraat erover.” Ik heb het zelf kunnen vaststellen: terwijl zogenaamde sikh-vluchtelingen die in het asielzoekerscentrum met veel tamtam kwamen vertellen over folteringen die zij ondergaan hadden, zonder uitzondering als bedriegers door de mand vielen, kon ik echte vluchtelingen uit Bangladesj die in moslimpogroms alles verloren waren, er maar met de grootste moeite toe bewegen hun verhaal te vertellen.

Als intellectueel van de hoogste rang was Johnson weinig onder de indruk van intellectualisme: “Er is gezegd dat ‘een corrupte samenleving vele wetten heeft’; ik vraag me af of het niet evenzeer waar is dat ‘een tijd van onwetendheid vele boeken heeft’.” Men voert tegenwoordig campagnes om het lezen te bevorderen, maar gezien de armzalige inhoud van al te veel boeken is het hoogst onzeker dat dit een vorm van volksverheffing is.

Links appelleert graag aan afgunst en zelfbeklag, noem het de neiging tot zeuren en zagen, een ander mikpunt van Johnson’s kritiek: “Wanneer iemand klaagt over hoe weinig anderen naar hem omzien, laat hij dan bedenken hoe weinig hij bijdraagt tot hun geluk, en hoe weinig hij mee lijdt onder hun pijnen.” Als was het om Johnson in het ongelijk te stellen, affecteert de hedendaagse linkerzijde, genre Bill Clinton en Tony Blair, juist graag een diep inlevingsvermogen: “Ik voel uw pijn”, beweerde Clinton. Welnu, merkt Johnson op: “Het is holle grootspraak, te doen alsof men het lijden van anderen voelt zoals zij het zelf voelen. Je zal vaststellen dat deze o zo voelende mensen je weinig goeds doen. Zij betalen je met voelen.”

Een van de speerpunten van de Verlichting was de verwerping van de traditie en van de gehoorzaamheid aan het overgeleverde, waarvoor zij het eigen onderzoek in de plaats stelde. Geloof niet wat de pastoor of de schoolmeester je vertelt, ga het zelf verifiëren. Niets op tegen, zegt Johnson, maar men moet de onvermijdelijke beperkingen van deze benadering inzien: “Het grootste deel van de mensheid dankt al zijn kennis, en heel de mensheid dankt minstens het overgrote deel ervan, aan de informatie door anderen.” In zoiets korts als een mensenleven kan men zijn kennis niet helemaal vanaf nul zelf opbouwen, en is men bijgevolg grotendeels op vertrouwen en gezag aangewezen. Steeds weer blijkt bescheidenheid en een realistisch gevoel voor de menselijke beperktheid de kern van het conservatisme te vormen.

Tot zover een kort overzichtje om de belangstelling te wekken. De gebruikelijke toegang tot het werk van Samuel Johnson is zijn biografie door zijn jonge Schotse vriend John Boswell, verkrijgbaar in de reeks Penguin-classics. Johnson had een anti-Schotse reputatie, al was het maar omdat zijn woordenboek bij het lemma oat/”haver” verklaart: “Graansoort die in Engeland aan paarden te eten gegeven wordt maar in Schotland aan mensen.” Maar ook hier was er in zijn persoonlijkheid ruimte genoeg voor afstand tussen theorie en praktijk, want sommige van zijn beste vrienden waren Schotten. Boswell bewonderde hem mateloos en zijn biografie Life of Johnson is in die zin niet onpartijdig, maar ze is wel rijk aan sprankelende anekdotes en observaties. Na lezing zal u graag de moeite doen, Dr. Johnson’s minder vlot verkrijgbare eigen werken uit de vergetelheid op te vissen.

(Nucleus, < 2009)

Friday, October 20, 2017

Herman Rasschaert wordt zalig


(Doorbraak, 20 oktober 2017)


Het Vaticaan wil een Vlaming zalig verklaren: Herman Rasschaert s.j.  Hij stierf in 1964 toen hij te Gerda bij Ranchi, India, een groep moslims in een moskee trachtte te ontzetten die door een groep Garo-tribalen belaagd werd. Die hadden hen uitgekozen om hun wraak op te koelen wegens de moslim-moordpartijen op Garo's net over de grens in Oost-Pakistan. Velen van de daders waren vluchtelingen die deze bloedbaden van nabij meegemaakt hadden. In die tijd bestond de pro-islamitische censuur nog niet, dus anders dan nu bij de Rohingya's werd deze voorgeschiedenis van moslimschuld destijds niet weggemoffeld.

Zelf ben ik opgegroeid met het relaas van zijn martelaarschap. Hij was de broer van een klasgenote van mijn moeder. We hoorden het verhaal regelmatig, en als meest leesgrage thuis heb ik ook al de krantenknipsels en het Vlaamse Filmken terzake verorberd. Eén punt daarin was altijd een leugentje om bestwil, voor ons zielenheil: de bewering dat de wraakoefening het werk was van "hindoe" tribalen, niet van gekerstende tribalen.

Missionarissen beweren altijd dat "tribalen geen hindoes zijn". Behalve dan wanneer ze zich misdragen, dan zijn het plots "hindoe fanatici". In ieder geval waren zij maar een deel van de wraakexpeditie, want daarin zaten er ook gedoopte tribalen, die evenzeer woedend waren wegens de moslimterreur tegen hun volksgenoten. Nadat ze een steen tegen het hoofd van Herman Rasschaert gegooid hadden en hij bewusteloos op de grond doodbloedde, maakten ze hun werk in de moskee af, maar daarna hield de agitatie in de hele streek meteen en volledig op. De daders waren tot inkeer gekomen omdat ze hún pater gedood hadden. Natuurlijk hadden ook christenen zich aan de kant van de wraakoefening geschaard. We zullen nu zien of de Kerk het leugentje van destijds volhoudt.

Maar voor wat een zaligverklaring waard is: Rasschaert heeft ze zeker verdiend. Hij was een held, die de voorzichtige raad van zijn inheemse collega's trotseerde om mensenlevens te gaan redden. Zijn motto was: Fiat iustitia pereat mundus ("Recht, al barstte de wereld").

Die leuze werd tevens de titel van zijn biografie, 1995, van de hand van Robert Houthaeve. Bij de boekvoorstelling, in de afgeladen volle feestzaal van het college in zijn geboortestad Aalst, schitterde de leiding van de Vlaamse Kerk echter door haar afwezigheid. Rasschaert was daar namelijk een omstreden figuur door zijn Vlaamsgezindheid. Die kwam meer voor onder jezuïeten, zoals bij de woordenboekmaker Jozef Verschueren. Zij kleurde ook het werk van de jezuïetenmissie in de streek van Ranchi, in de 19de eeuw gesticht door Constant Lievens.

Inderdaad, in het verre India konden Vlaamse jongens hun flamingantisme gaan uitleven. Zij verstrekten er immers, net als hun collega's in Kongo, onderwijs in de volkstaal, daar waar bv. de Amerikaanse baptisten er voor het Engels opteerden. Zij ontwierpen de terminologie voor moderne begrippen. De tribale talen van die streek hebben hun voortbestaan daaraan te danken. Eén ervan, het Santali, werd in 2002 tot officiële taal opgewaardeerd. De politieke verdienste daarvoor ligt bij de partij die er lang voor geageerd had en die, eens aan de macht, er ook werk van gemaakt heeft, namelijk de Hindoe-Nationalistische BJP (die ook vandaag de regering vormt). Maar dat het Santali überhaupt in aanmerking kwam voor die officiële status, in plaats van een verdwijnende keukentaal geworden te zijn, is de verdienste van Vlaamse jezuïeten zoals Herman Rasschaert.





Thursday, October 19, 2017

Vrije Meningsuiting onder druk




(In Flanders’ Fields, 20 oktober 2017)



Het had op 10 oktober eigenlijk een primeur voor de Debatclub moeten worden: Jean-Marie Dedecker tegen Peter Mertens. Tussen diens welbespraakte voorganger, de rechtlijnige maoïst Ludo Martens zaliger, en de eveneens goed van de tongriem gesneden libertariër JMDD was het zeker vuurwerk geworden. Maar het huidige halfslachtige socialisme van Mertens, dat zijn eigen partij ooit als “reformisme”, “revisionisme” en “met de bourgeoisie getrouwd zijn” verketterd zou hebben, is moeilijker te verdedigen. Hij is er tussenuit gekropen en dus moest de Debatclub naar een ander duo pratende hoofden op zoek.

Het werd dan Joël De Ceulaer, sterjournalist bekend van De Standaard, De Morgen en Knack, tegen Sam Van Rooy, ingenieur, islamkenner in het zog van zijn vader Wim, en nu VB-medewerker. Moderator was Doorbraak-hoofdredacteur Pieter Bauwens.



Cordon médiatique

De Ceulaer is een zelfverklaaard “spijtoptant van het cultuurmarxistische politiek-correcte complex”. Hij heeft het de jongste tijd regelmatig voor een onverkort vrije meningsuiting opgenomen, zonder valse doorzichtige uitvluchten van het type: “Jamaar, haatspraak is geen mening, het is een misdaad en mag gerust verboden en bestraft worden.”  Hij is daarin naar eigen zeggen “Amerikaanser” geworden: de overheid moet zich minimaal met meningen bemoeien. Maar krijgt hij als opener de vraag of de vrije meningsuiting nog bestaat, dan begint hij over het cordon médiatique dat niet meer zou bestaan. Zo blijkt Tom Van Grieken vlot toegang tot knack.be te hebben.

Van Rooy zet vanuit zijn eigen ervaring de puntjes op de i. De meeste van zijn opiniestukken in Doorbraak zijn eerder naar De Standaard en andere mainstreammedia gestuurd en daar geweigerd, en zijn partijgenoten maken nog onverminderd iets gelijkaardigs mee. Wat meer is: tientallen van zijn contactpersonen getuigen dat ze zelfs op de sociale media gecensureerd zijn, enkele jaren geleden nog bejubeld als een vrijplaats voor onorthodoxe standpunten. De vrije meningsuiting staat meer dan ooit onder druk vanwege het heersende cultuurmarxisme, en wordt toenemend bedreigd door de islam.

Daarmee is het grote woord eruit, de olifant in de kamer. Het cultuurmarisme was al aan onze vrijheden aan het knabbelen, en de islam was nog niet in het spel toen beginselloze politici ons de negationismewet opdrongen. Maar daarover, bij voorbeeld over de effectieve gevangenisstraf voor Siegfriend Verbeke (die onder het publiek nog steeds wat aanhang heeft), ging het hier niet. De islam eiste alle aandacht op.



Haatimams

Of Van Rooy dan haatimams de mond wil snoeren? Of hij, anders dan de media, wél de vrijheidsliefde aan de dag legt om ook zijn vijanden aan het woord te laten? Hij aarzelt en geeft toe dat hij het daar moeilijk mee heeft: de klassieke partijen hebben de islam geïmporteerd en ons daar met een probleem opgezadeld. In Japan of Hongarije stelt zich de vraag gewoon niet. De Ceulaer erkent het probleem van de “pleidooien voor de sjari’a en islamrechtbanken” onomwonden, en vindt sinds zijn bekering tot de onverkorte uitingsvrijheid dat ook dat moet kunnen. Immers, wat elders geldt, is ook hier van toepassing: die vrijheid is ondeelbaar, en een mening verbieden jaagt ze maar ondergronds waar ze des te gevaarlijker voortwoekert. Hoewel hij nooit de hoofddoek zegt verdedigd te hebben, is hij dus consequent tegen een verbod.

Van Rooy krijgt van De Ceulaer het verwijt dat hij niet de vrije intellectueel is die hij lijkt, maar een partijman die de partijlijn moet verdedigen; en die bovendien de geschiedenis van de partij slecht kent. En inderdaad, vroeger hing zij sommige conservatieve strijdpunten aan die zij nu aan de islam kwalijk neemt. Hij gaat niet op dat verleden in want de dreiging is nu zo groot geworden dat het een  frivole luxe is om nog over vroeger te emmeren. Dat vindt De Ceulaer dan weer onnodig apocalyptisch.

Van Rooy schiet terug: “Ik moet niets meer voorspellen, we zijn er al. Cartoonisten worden gecensureerd”, zoalniet door de overheid, dan door hun oversten of door zichzelf. Of zie de schandalige vervolging van de vals beschuldigde kleuterjuffrouw Magalie, en natuurlijk de fysieke uiting van pro-islamitische meningen via aanslagen.



Reductio ad Hitlerum

Wanneer hij daaraan een pleidooi voor een immigratiestop voor moslims verbindt, komt De Ceulaers oude reflex echter boven: “Vervang ‘moslims’ door ‘joden’.” Van Rooy zet deze hyperfocus op het nazi-verleden meteen op zijn plaats: wie om de joden geeft, heeft juist alle reden om de islamisering krachtig tegen te gaan.

De Ceulaer, nu in de verdediging gedrongen, begint echter niet met nu de censuur op zulke anti-moslimstandpunten te rechtvaardigen, maar wijst integendeel op het voortschrijdend inzicht en de onmiskenbaar toegenomen openheid van De Morgen: “Wij laten ook ex-moslims aan het woord.”  De vrije meningsuiting wordt door beide sprekerss als norm erkend. Ziedaar dan ook de echte winnares van dit debat.