Thursday, October 11, 2018

Wodan de Batman

(Nieuwsbrief Werkgroep Traditie, wijnmaand/oktober 2018)




Het nu volgende artikel is getriggerd door een lezing van Vincent Ongkowidjojo voor de Gentse werkgroep De Ronde Tafel op 29 september 2018. Zoon van een Chinees-Indonesische vader en een Vlaamse moeder is hij  oriëntalist gespecialiseerd in de Mesopotamische geschiedenis en filologie, maar ook auteur van enkele boeken over de Edda. Hij had het over onder meer de stunts van Wodan die deze tot boomhanger en eenoog maakten. Ik beveel hem zeer aan als spreker voor nieuwheidense en eigenlijk alle levensbeschouwelijke verenigingen.

We verschilden echter lichtjes van mening over de herkomst en betekenis van het Wodan-personage. Hier dus zeer beknopt mijn eigen zienswijze op de eenogige.  



Ondersteboven hangen

Wodan hing negen dagen en nachten aan de wereldboom. Volgens de Edda (Havamal 138-9) offerde hij daarmee “zichzelf aan zichzelf”. Bovendien offerde hij bij de wijsheidsbron één oog om in ruil de wijsheid te verkrijgen, zodat hij altijd afgebeeld wordt als een eenogige, vaak ondersteboven aan een boom hangend.

Negen is een gewijd getal in heel noordelijk Eurazië, van IJsland tot Japan, en ook in India belangrijk: als drievoud van drie en als magisch vierkant. Vandaar dat het feest van de godinnen Navarâtri heet, “de negen nachten”, en dat godinnen soms als negenvoud verschijnen, net als de Griekse muzen. Als weinig esoterisch voorbeeld mag ook gelden dat de Vedische voormoeder Ilâ verklaart, net als de Homerische ziener Teiresias (beiden hadden volgens de mythe en als man en als vrouw geleefd), dat de vrouw uitgerekend negen keer zo intens van de geslachtsdaad geniet als de man. Zodus, dat bijzondere getal negen beklemtoont hier het sacrale, uitzonderlijke van dat boomhangen.

Dat hij ondersteboven hing, staat er bij mijn weten niet uitdrukkelijk, maar hij wordt doorgaans zo afgebeeld. Het klopt ook met het offerkarakter van dat boomhangen, als een kruik die omgekeerd en uitgegoten wordt. Een van de oudste ascetische praktijken van Indiase yogi’s is: ondersteboven in een boom hangen, de zogenaamde “vleermuispraktijk”, in het Engels de “bat practice”. Hij is dus Batman, en Batman waakt!

“Zichzelf offeren aan zichzelf”: dat is een uitdrukking die ook bekend is uit de Vedische schriften. Het beduidt het doel van yoga: het dagdagelijkse zelf (de persoonlijkheid, het ego) laten wegdeemsteren om in het werkelijke (“diepere”, “hogere”) Zelf op te gaan. De tegenstelling tussen het dagdagelijkse veranderlijke zelf een het zuivere absolute Zelf is al in de oudste laag van de hindoeteksten beschreven, verzinnebeeld door twee vogels: de ene werelds gericht, van de bessen aan de boom etend, terwijl de andere alleen observeert.



Wortels van yoga

Het geval Wodan is een sterk voorbeeld van de stellingname van prof. Nick Allen uit Oxford: de wortels van yoga zijn Indo-Europees. (Allen, Nicholas: “The Indo-European prehistory of yoga, International Journal of Hindu Studies 2 (1):1-20 (1998), en: “Cyavana helps Aśvins, Prometheus helps humans: a myth about sacrifice”, Comparative Mythology 1, Harvard, Cambridge 2015.)




Allen begint met het bekende feit te beamen dat er tussen de takken van de Indo-Europese boom vele mythen verwant zijn, variaties op wat oorspronkelijk één thema moet geweest zijn. Een heel-Indo-Europese mythe (die ook elders voorkomt, onder meer in het Gilgamesj-epos) is bv. die van de drakendoder. De dondergoden Indra, Zeus, Jupiter, Donars zoon Siegfried, en Vidar en Beowulf, allemaal verslaan ze een draak, slang of “worm”, die doorgaans met water en met zijn moeder geassocieerd wordt.

Een andere voorbeeld betreft de man die een vrouw wint of herwint door een bijzondere boog te kunnen spannen: het overkomt Rama in de Râmâyana, Arjuna in de Mahâbhârata en Odysseus in de Odyssee. Of nog, een man gaat zijn ontvoerde vrouw terughalen: de raamvertelling van zowel de Ilias als de Râmâyana. Of een ziener, Teiresias of Pandu, wordt vervloekt nadat hij een parend dierenkoppel gedood heeft. Of ook, een pasgeborene wordt ondergedompeld in een vloeistof die ontkwetsbaar maakt, maar zijn moeder moet hem wel ergens vasthouden, en die plek blijft kwetsbaar: de hiel in het geval van Achilles; de dij (eufemisme voor een nabij lichaamsdeel) bij Duryódhana, de slechterik uit de Mahâbhârata; of bij de schouder voor Siegfried.

Bij al dergelijke gelijkenissen valt echter een stelselmatig verschil op: episodes die in India een yogisch element hebben, ontberen dat in Europese versies. Allen vergelijkt een deel van Odysseus’ omzwervingen, namelijk zijn beproevende reis (van, jawel, negen dagen) naar en verblijf bij Calypso in het paradijselijke Ogygia en zijn reis in het schip van de engelachtige Faiaken naar huis, met een reis van Arjuna naar de Himâlaya en naar het rijk van zijn hemelse vader Indra. De parallellen zijn talrijk, bijvoorbeeld dat beide helden een naar hun liefde smachtende vrouw achterlaten wanneer ze (allebei op aangeven van een boodschapper) uit het paradijs vertrekken; of dat beiden door een godheid tegengewerkt worden, Poseidon resp. Sjiva, allebei met drietand; of dat beiden van hun gastheer een bovennatuurlijk geschenk krijgen, resp. een Faiakenschip dat louter via gedachtenkracht bestuurd wordt, en toverwapens die Arjuna op het slagveld nog van pas zullen komen.

Maar het verhaal van Odysseus ontbeert de yogische elementen die bij Arjuna wel voorkomen. Zo onderwerpt Arjuna zichzelf aan yogische proeven en hoogstandjes van ascese, terwijl Odysseus alleen door Poseidon op de proef gesteld wordt. Zichzelf yogisch testen is hetzelfde als getest worden door Sjiva, die niets anders is dan de verpersoonlijking van yoga, de archetypische yogi. In Arjuna’s geval is de belangrijkste lichamelijke oefening niet het omgekeerd in een boom gaan hangen, wel een maand lang rechtop op de tippen van zijn tenen gaan staan.

Nick Allen zelf trekt het besluit dat ofwel de Europeanen een oorspronkelijk yogisch element kwijtgeraakt zijn, ofwel de Indiërs dat element apart ontwikkeld (danwel van nog anderen overgenomen) hebben; en dat het eerste scenario waarschijnlijker is. Inderdaad, als de IE-sprekende Indiërs de kennis van yoga van anderen zouden overgenomen hebben, dan hadden ze dat normaliter in eveneens overgenomen verhalen ingekleed, eerder dan hun oude verhalen een nieuwe yogische inhoud te geven. Voeg daarbij een zeer waarschijnlijke theorie die Allen niet bespreekt, namelijk dat de IE Oerheimat zich in Noord-India bevond; dat de Indiërs gewoon thuis bleven maar de Grieken en Germanen over duizenden mijlen uitgeweken waren; en dat de stabiliteit van een thuissituatie het bewaren van een traditie vergemakkelijkt terwijl een migratie (en in Germanië, het klimaat) weinig bevorderlijk zijn om de subtielste en kostbaarste elementen in stand te houden.

Slotsom: de Grieken, en gelijkaardig de Germanen, hadden nog slechts een zeer verbasterde herinnering aan yoga, dat hun ooit wel bekend geweest was. Dat verklaart dat (1) de cruciale fase in Wodan’s prise de conscience een yogische praktijk was, die van de vledermuis; (2) zijn hogere bewustzijnstoestand yogisch gesymboliseerd wordt door een enkelvoudig oog, zijnde het “derde oog”; maar (3) de dichters tijdens de drieduizend jaar tussen de Germaanse vestiging in Noordwest-Europa en het neerschrijven van de hymnen, deze yogische kennis en beeldentaal vergaten en dus van een gebrekkige uitleg voorzagen, namelijk dat Wodan enkel-ogig was omdat hij een oog opgeofferd had. En dan nog viel de Germaanse appel niet ver van de Indo-Europese boom: ook een yogi moet veel van zijn gewone leven opofferen om zijn doel te bereiken.



De driekleur

Een bekend verhaal uit de Edda-hymne Rigsthula is de verdeling van de samenleving in een witharige bovenklasse van geletterden en ingewijden, een roodharige middenklasse van krijgers en ondernemers, en een zwartharige onderklasse van dienaars. Dat is niets anders dan een plaatselijke toepassing van een driepolig wereldbeeld, met als symboolkleuren wit voor het lichte, rood voor het vurige, zwart voor het zware. Men noemt het vaak Indo-Europees, maar zelfs buiten die taal- en cultuurfamilie vindt men er sporen van, bv., de Turkse mythe van Boğac Han verhaalt hoe zijn vader hem verwekte nadat die als kinderloze man tijdens een feest een zwarte tent toegewezen kreeg; terwijl wie alleen dochters had een rode kreeg; en wie zonen had, een witte: het is nog niet dezelfde driepool, maar daar is reeds het idee van wit boven, zwart onder, en rood daartussen.

In de hindoe-wijsbegeerte werd die driepool de kern van een heel wereldbeeld, namelijk Sânkhya, “opsomming” van de elementen die samen de wereld vormen. Daarvan vormt yoga de praktische toepassing. Zo is onder de bewustzijnstoestanden de slaap duister, de droom vurig (alles is er mogelijk), de waaktoestand licht, evenwichtig. De meditatietoestand is ook een waaktoestand, maar die niet op de wereld doch op het bewustzijn zelf gericht is. Hij verhoudt zich tot de gewone buitenwaartse waaktoestand als deze laatste tot de droom. Vanuit de meditatietoestand is het wereldse waken een soort droom, waaruit men kan ontwaken. Dat ontwaken heet Bodhi, vanwaar Boeddha, “de ontwaakte”. De wereld is een samenstel van drie basiskleuren, het zuivere bewustzijn dat men in de meditatie vindt, is kleurloos.

Evenzo in de maatschappij. In India is de categorie van de wereldverzakers, die zich volledig aan de geestelijke weg wijden, “kleurloos”, met een inwijdingsnaam die niets over hun herkomst zegt. In de wereldse samenleving heeft men daarentegen een klassebepaalde naam waaruit kenners je aardrijkskundige en maatschappelijke herkomst kunnen opmaken. Zij bestaat uit een ingewijde bovenklasse, de brahmanen, gesymboliseerd door wit; een krijgersklasse, rood; en een volksklasse, oorspronkelijk zwart, hoewel ze nadien gesplitst is in een gele handelaarsklasse en een zwarte dienaarsklasse (zoals na de Franse Revolutie de “derde stand” gesplitst is in de bourgeoisie en het proletariaat). Voor zover bekend was er bij de Germanen geen klasse van (of mochten ze bestaan hebben, geen apart statuut voor) wereldverzakers, dus iedereen behoorde tot één van de drie klassen die door een kleur aangeduid werden: wit, rood en zwart.  



Eénoog

Ongkowidjojo meende dat dat ene oog de zon voorstelde. Waarom niet, natuurlijk? Het andere oog, de maan, verdwijnt aan de hemel soms uit het zicht, dus de kosmische mens die twee hemellichten als ogen heeft, wordt periodiek eenogig. Het is een voor de hand liggende uitleg die je kan verzinnen wanneer je vanwege de vorige generaties het beeld van een eenogige hemelgod voorgeschoteld krijgt. Een interessant thesisonderwerp zou dan ook zijn: het verband tussen het personage Wodan en de samenstand van zon en maan tijdens de donkere nachten wanneer deze laatste onzichtbaar is.

Tegen de tijd waarin de Edda-hymnen op schrift werden gesteld, zal dat de gebruikelijke duiding van Wodans eenogigheid geweest zijn. De yogische betekenis van de eenogigheid was toen een schemerherinnering geworden.

Wat er in de paar duizend jaar vóór de Edda aan mythen bestond, kunnen we niet verifiëren. Ik opper dat het hier om een “mythe van de tweede generatie” gaat. Eerst heb je mythen met een ernstige metafysische inhoud, zoals de scheppingsmythen, de kosmische mens (wier schedel het hemelgewelf wordt, de ogen tot zon en maan, de beenderen tot bergen, het bloed tot rivieren enz.), de drakendoder e.a. Maar eens een godheid in de gevestigde mythologie een bepaalde reputatie heeft, gaan dichters daarop variëren, en het resultaat zijn luimige verhalen die slechts oppervlakkg tot dezelfde categorie als de autentieke mythen behoren.

Bv., de dondergod Indra is net zoals zijn Griekse of Germaanse evenknie een toonbeeld van mannelijkheid. Dat wordt geïllustreerd door zijn onstilbare libido en talloze affaires, ook overspelige. Maar daardoor wordt zijn mannelijkheid ook de inzet van grappen en omkeringen, met de zich vermenigvuldigende verhalen over Zeus’ promiscuïteit als nog de minste. Zo moet Donar/Thor zich op zeker opgenblik als vrouw verkleden om zijn geduchte hamer terug te krijgen, en Indra’s zoon Arjuna moet zich een jaar vermommen als vrouwachtige dansleraar.  

Wanneer dan Indra de vrouw van een brahmaan verleidt, vervloekt deze hem om 1000 vagina’s te krijgen. Prompt ontstaan op zijn lichaam duizend sappige openingen. Hij gaat zijn beklag doen bij Brahma, maar die moet hem teleurstellen: een brahmaan spreekt altijd de waarheid, dus als hij een toekomstvoorspelling doet, zal ze uitkomen, en als hij iemand vervloekt, is die vloek trefzeker en onherroepelijk. Maar wat hij nog wel kan doen, is in elke opening een oog stoppen. Zo wordt de dondergod “Indra met de duizend ogen”, wat toch al beter klinkt dat “Indra met de duizend poesjes”. Welnu, dat is een achteraf bedachte schalkse verklaring (een mythe van de tweede generatie) toegevoegd aan een al veel eerder bestaand beeld van “Indra met de duizend ogen”.

Zo ook is een uitleg voor het ene oog van Wodan mogelijk een achteraf bedachte verklaring, weliswaar in eenklank met het mythisch wereldbeeld, maar die eigenlijk de werkelijke oorsprong verhult. Die oorsprong ligt in een traditie die tijdens de migratie van India naar Europa gaandeweg vergeten was geraakt, namelijk yoga. Die praktijk was gericht op wat men “het openen van het derde oog” noemde, waartegen het gewone waakzicht met de twee lichamelijke ogen in het niet verzonk. Het “derde oog” is in die zin eigenlijk het “ene oog”.


Besluit

Naar mijn onderbouwde mening is Wodan een evoluut van Sjiva als archetypische yogi.

No comments:

Post a Comment