Posts tonen met het label Lukkassen | Sid. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Lukkassen | Sid. Alle posts tonen

woensdag 4 mei 2022

Is boeddhisme opium?

(Doorbraak, juni 2022) Volgens onze vriend Sid Lukkassen is het boeddhisme een dwaallicht (‘Mindfulness en meditatie zijn de nieuwe opiaten voor het volk’, DB 30/04/2022). Aanleiding schijnt het recente heengaan van de Vietnamese monnik Thich Nhat Hanh (1926–2022) te zijn, die na een jeugdige poging om de Vietnamoorlog vreedzaam op te lossen bij het regime in ongenade viel, naar het Westen trok, en in één moeite de ‘mindfulness’-discipline meebracht. Die is hier inmiddels zeer populair geworden. Té populair zelfs, vindt dr. Edel Maex, de psychiater die deze discipline in eigen land verspreid heeft, maar sindsdien vreemd is gaan opkijken bij al wat tegenwoordig onder die naam verkocht wordt. Dat er aanleiding tot kritiek is op deze levensbeschouwelijke mode, is mij dus wel bekend. Maar het is niet de kritiek die we van Lukkassen te horen krijgen. Vooraf (om de openingsfrase bij wetsvoorstellen in het Britse parlement te ontlenen): I declare my interest. In de lange herstelperiode na mijn harttransplantatie (2007) heb ik zelf de hier gebruikelijke acht weken durende opleiding Mindfulness gevolgd. Anders dan de meeste deelnemers was ik niet zo verwonderd, want ik wist waar het allemaal vandaan komt: van de boeddhistische meditatievorm Vipassana, waarvan ik vroeger al retraites had meegemaakt, onder meer in het Birmees klooster in het Indiase Sarnath, de plaats waar de Boeddha 25 eeuwen geleden zijn leer lanceerde. Mindfulness is daarvan een fluwelen versie. Vipassana, letterlijk ‘het uiteen-zien’, betekent ‘nauwkeurig waarnemen’ en wordt als beste benadering vertaald met ’aandachtsmeditatie’, of door luie geesten als ‘mindfulness’. Daarbij tracht men niet één gedachte of aandachtspunt vast te houden (wat men wel doet in de andere belangrijke meditatievorm, de Samatha, ‘kalmte’, vastheid van aandacht, focus). Men blijft gewoon aandachtig aanwezig bij alle gewaarwordingen die zich spontaan voordoen: lichamelijke, gevoelsmatige, geestelijke, maar waarbij men afstand neemt van die gewaarwordingen en voortdurend het onderscheid maakt met de waarnemen instantie. Oorspronkelijk geldt Vipassana eerder als voorbereiding op Samatha, zelf de laatste fase voor het Nirvana, het ‘uitblazen (van de vlam van het verlangen)’, het eigenlijke doel van het boeddhisme. Maar tijdens de reis naar het Westen is het centraal komen te staan, allicht omdat het de westerse consument beter ligt: softer, minder inspannend. Morgenland Lukkassen vat Thich aldus samen: ‘De mensen moeten dichterbij zichzelf komen: in jezelf. Dat is waar je wilt zijn, waar je vrij bent, waar je altijd naar op weg dient te zijn.’ Tot daar geen probleem. Maar dan. Niet iedereen is wild van de boeddhistische levensbeschouwing, alleen duidt Lukkassen dat in aardrijkskundige termen: het heet ‘typisch een denkwijze van het Morgenland’, namelijk ‘het idee dat je de zon inloopt en dan ophoudt te streven — just be.’ Tegenover het dromende Azië staat het ontwakende Europa, aldus oude schoolboeken. Dus hier: ‘Maar wij, Europeanen, zijn niet zo. Als kinderen van het Avondland ligt dat niet in onze aard. Wij zijn faustisch, voortdurend rusteloos strevend — wij moeten zaken in de wereld teweegbrengen, dingen buiten onszelf realiseren om inwendig onszelf te kunnen zijn.’ Of dat inzicht van Oswald Spengler een eeuw geleden nog verdedigbaar was, laat ik hier in het midden; maar vandaag is het dat zeker niet. Het boeddhisme stelt weinig belang in wereldse kennis en welslagen, maar het is dan ook slechts het wereldvreemdste lidmaat van een breed beschavingsgamma, zowel in zijn heimat India als in boeddhistische ‘kolonies’ zoals China en Japan. Buiten de kloostermuren was er heel wat economische, technologische en wetenschappelijke bedrijvigheid. Twee millennia vóór Rome had Harappa al een rioolstelsel. Zeshonderd jaar voor Leibniz en Newton kenden de Chinezen al de differentiaal- en integraalrekening. Vóór de koloniale tijd hadden India en China samen 55% van het wereldwijd BNP. Het verschil tussen Oost en West? ‘Het Noord-Europees klimaat dwingt tot een voortdurend vooruitdenken en vooruitplannen. (…) wie niet op tijd zaait, verhongert in de winter.’ Dat kan enigermate het verschil tussen Noord en Zuid verklaren, waarom onze gejaagdheid naar de Middelandse-Zeegebied en dan naar Afrika toe gestadig minder wordt. Maar het Gele-Stroomgebied dat de Chinese beschaving voortbracht, heeft hetzelfde klimaat waaraan wijzelf gewend zijn. India wat minder, maar dat heeft China niet belet om het boeddhisme in te voeren, en wel toen de afstand in dagreizen tot India veel groter was dan die tussen Oost en West vandaag. Wel waren er altijd verschillende opvattingen over de boeddhistische levensopvatting, ongeacht het klimaat. De Boeddha zelf, op zoek naar de ultieme Bevrijding, liet vrouw en kind in de steek en kan geen model staan voor de fameuze gezinswaarden. Volgens tijdgenoten parasiteerde zijn monnikenorde zowel biologisch als economisch (bedelen) op de omgevende samenleving. Lukkassens tegenwerping dat die eenzame meditatie tegen ‘s mensen sociaal instinct ingaat (‘wij hunkeren naar verbinding met anderen, omdat dit deel is van onze aard’), werd ook ginds gemaakt. De meditatie kreeg een waaier van duidingen. Oorspronkelijk was de geestelijke weg van de Boeddha alleen voor voltijdse monniken bedoeld, die éénpuntig het Nirvana nastreefden. In China hechtten de confucianen erg aan maatschappelijke verantwoordelijkheid, en ze vonden boeddhistische ideeën als de wedergeboorte maar bijgeloof, en het Nirvana wat hoog gegrepen. Maar ze zagen wel de waarde van de meditatiepraktijk in, dus in de 11de eeuw ontwikkelden ze het ‘zuiver zitten’ (jingzuo), een eenvoudige meditatie die ze elke morgen een uur of zo deden vooraleer zich aan maatschappelijke taken te wijden, als het ware om vóór een optreden hun instrument te stemmen. Iets dergelijks was trouwens al gedaan door de oud-Griekse stoïcijnen die ‘s morgens een uur aan ‘in het nu verblijven’ deden. En door hedendaagse westerlingen die het met aandachtsmeditatie proberen. De westerse samenleving kan er maar wel bij varen als meer mensen meditatie gaan beoefenen, zeker als de vandaag waarneembare toename in kwaliteit en authenticiteit doorgaat. Japan, Thailand en andere landen hebben het boeddhisme goed in hun eigen cultuur geïntegreerd en in zogenaamd faustische samenlevingen kan dat evengoed. Of eerder: is dat stilaan aan het gebeuren. Gewaarzijn Tenslotte nog een politiek bezwaar: de verdenking dat inkeer subtiel aangemoedigd wordt als vrijbrief voor aspirant-dictators. Aldus: ‘Wie zijn of haar wensenlijstje van het leven steeds kleiner maakt, zal er vrede mee hebben dat de machthebbers zijn of haar keuzemogelijkheden en bewegingsvrijheid toenemend inperken.’ Tijdens de christelijke tijd hoorden we dat verdovingsargument al tegen godsdienst überhaupt, en tijdens de ontkerstening kwam dat bezwaar terug tegen de zoektocht naar spirituele alternatieven. Zo publiceerde de Amerikaanse socioloog Edwin Schur in 1977 het boek Gewaarzijn, een Rage, dat meditatie ontmaskert als een truc van het kapitalisme om de massa braaf te houden. Hier wordt een uitspraak van Thich Nhat Hanh in dezelfde zin in stelling gebracht. Een boeddhist kiest voor ‘kleinschaligheid, rust, overzicht en geborgenheid scheppen’, namelijk ‘binnen je eigen ziel en dan hooguit in je eigen huishouden’. Je moet ‘aanvaarden dat je de turbulente wereld niet kunt bijsturen en jezelf terugplooien op je eigen kiem’. Dat zal niet elke boeddhist en zeker niet elke oosterling bijtreden, maar er is iets van: het boeddhisme appelleert aan mensen met minder wereldse ambitie, in navolging van de Boeddha die een toekomst als staatshoofd aan zijn yogische roeping opofferde. Goed, maar niet iedereen is verplicht om boeddhist te zijn: in Europa evenmin als in Azië. We besluiten dat we het niet met Sid Lukkassen eens zijn waar hij schrijft: ‘Dit toont aan dat het faustische boven het boeddhistische staat: we zullen moeten handelen en streven om de wereld actief te beïnvloeden (...) Dus stop met mediteren en ga in plaats daarvan handelend scheppen.’ Talloze kunstenaars in heel Azië bereidden zich voor op hun grootse scheppingen juist door te mediteren. (vernoemde personen: Sid Lukkassen, Thich Nhat Hanh, Edel Maex, Siddhartha Gautama alias de Boeddha, Gottfried Wilhelm Leibniz, Isaac Newton, Edwin Schur)

vrijdag 14 september 2018

Nieuwe trends in het eenheidsdenken


('t Pallieterke, 9 augustus 2018)



Sid Lukkassen is het debuutstadium voorbij. Zijn debuut, Avondland en identiteit, over het cultuurmarxisme, maakte veel reacties los en verkocht goed. Hij bracht zijn boodschap met intellectueel niveau en plaatste zichzelf op de kaart als één van Nederlands nieuwrechtse denkers. Nu trekt hij opnieuw de aandacht met de boekvorm van zijn doctoraatsverhandeling: De democratie en haar media, en met een vervolgboek over het cultuurmarxisme: Levenslust en Doodsdrift (allebei De Blauwe Tijger, Groningen). Dat laatste heeft de vorm van een bundel aparte stukken over uiteenlopende aspecten van de nog steeds stand houdende cultuurmarxistische dominantie.

Tegen een skeptische Rob Wijnberg van De Correspondent, die “geen enkel voorbeeld” zegt te kennen van de Orwelliaanse onderdrukking door de cultuurmarxisten van afwijkende gedachten, schudt hij bladzijdenlang tientallen voorbeelden uit de mouw. En het hadden er “honderden” kunnen zijn, zegt hij zelf en kan elke waakzame collega bevestigen.

Hij ontwikkelt de stelling dat kapitalisme en cultuurmarxisme aan hetzelfde zeel trekken. Ze werd meteen bevestigd door de Facebook-privatisering van censuur en fichering. Zoals Karl Marx al schreef, breekt het kapitalisme de premoderne gezinsverbanden, erfelijke loyauteiten en hiërarchische gezagsverhoudingen af. Het geatomiseerde individu kan dan optimaal herkneed worden; de ontwapenende onnozelheid waarmee talloze jongeren de nieuwe ordewoorden, hoe absurd ook, napraten, getuigt daarvan. Er is eigenlijk een “langdurig huwelijk tussen cultuurmarxisme en consumptiewaanzin” (p.233) tot stand gekomen.

Zijn uitweiding over het nieuwe seksuele landschap maakt het voor zijn vijanden wel gemakkelijk, hem weg te zetten als woordvoerder van mannelijke frustratie bij de inheemse bèta-mannetjes voor wie de nieuwe situatie met enerzijds geëmancipeerde/verwende vrouwen en anderzijds een toevloed aan exotische mannetjes een bedreiging vormt. Ondermeer De Standaard heeft al de draak gestoken met de nieuwrechtse kritiek op trends als de normalisering van porno of de inhoudelijke feminisering van het onderwijs. Dat “ideologische feministen dikwijls opgewonden worden van vernederende seks” (p.226), zal wel juist opgemerkt zijn, maar is een wat frivool aandachtspunt in verhouding tot de ernst van de situatie. Het laatste woord is voorlopig nog aan de sneeuwvlokjes die het nieuwe waardenpatroon opleggen, gebaseerd op antiwetenschappelijke sprookjes als het “onbeschreven blad”.

Lukkassen doet vanuit zijn eigen leefwereld trouwens opmerkingen die vele rechtse lezers minder zullen smaken. Neem nu: “De natuur heeft vele mensen monogaam gemaakt maar velen ook niet” (p.227), wat overgaat in een soort pleidooi voor polyamorie. En dat temidden van de strijd voor het behoud van het Avondland? Het is waar dat de neergang van Rome niet lineair met losse zeden samenhangt: nadat Augustus daar al vergeefs tegen streed, hield het Rijk nog eeuwen ongeschonden stand, terwijl zijn uiteindelijke ontbinding pas na een eeuw christendom en “gezinswaarden” kwam. Toch zullen velen het een groenlinkse wanklank vinden.

Een constructief, zelfs baanbrekend idee is “de nieuwe zuil”. Naast de aloude evangelische en de onder onze ogen tot stand komende islamitische zuil kent Nederland alleen nog de amorfe massa, maar laat het structureel wel ruimte voor een nieuwrechtse zuil; van die kans moeten we gebruik maken. We blijven wel benieuwd naar zijn succesformule voor “seksualiteit en demografie in de nieuwe zuil” (p.223).

Alleszins, daar aan de broodroof van geafficheerd niet-linkse mensen door extreemlinks annex bourgeois meelopers maar geen einde komt (Lukkassen is ervaringsdeskundig), is het belangrijk om collectief zelfbedruipend te zijn. Niet dat verzuiling de wenselijkste uitkomst is, maar door een islamzuil te patroneren heeft het Bestel een voldongen feit geschapen waarop zij een antwoord vormt.

Qua politieke standpunten zit Lukkassen goed, maar voor wie het slagveld overschouwt, ontbreekt er iets. Vanuit hun comfortabele positie doen de cultuurmarxisten het strategisch nodige: zij strijden tegen de dissidenten, ondermeer met beproefde middelen als straatgeweld, gezagsinstanties tot repressie dwingen, en onverwoestbare scheldwoorden als “fascist” herhalen, die de goedmens meteen in de houding doen springen. (Een recent voorbeeld is een opgemerkt scheldartikel tegen de bezadigde Canadese psycholoog Jordan Peterson door Pankaj Mishra in de invloedrijke New York Review.) Zij onderbouwen dat door hun vijand stelselmatig in kaart te brengen, bv. in het nieuwe EPO-boek van Ico Maly: Nieuw Rechts. Wel partijdig, maar nuttig als wapen, en voorlopig zonder rechtse evenknie. Er is dus een open vacature. Na Lukkassens onderhavige tour d’horizon van de socio-politieke tijdsgeest, is hij goed geplaatst om zulke doorwrochtere ontleding te maken, met opsomming en ontleding van alle ijkpunten in de cultuurmarxistische Werdegang.


vrijdag 31 augustus 2018

Cultuurmarxisme: begripsverheldering




('t Pallieterke, 23 aug. 2018)


Paul Cliteur heeft een boek geredigeerd met 13  bijdragen over een vrij nieuw begrip in ons politieke vertoog: Cultuurmarxisme. Er waart een spook door het Westen (Aspekt, Soesterberg 2018). Onder hen ook van de Vlamingen Wim Van Rooy en Maarten Boudry en Nedervlaming Derk-Jan Eppink; en Sid Lukkassen. Die had het begrip “cultuurmarxisme” op de kaart gezet; in het onderhavige boek volgt een grondige begripsverheldering.

Cultuurmarxisme is een omstreden term. Zoals inleider Cliteur uitlegt, lijkt hij een oxymoron: het marxisme herleidt de cultuur juist tot louter “bovenbouw”, een neveneffect van de productieverhoudingen. Maar belijdende marxisten als Theodor Adorno (Frankfurter Schule) en Antonio Gramsci dongen af op dat primaat van de economie. Na de mislukking van alle revoluties buiten Rusland rond 1920 besloten zij dat de cultuursfeer daarin een doorslaggevende negatieve rol gespeeld had. Zij stelden dat het proletariaat minder massaal en minder actief dan verwacht de revolutie gesteund had omdat de bourgeoisie het gehypnotiseerd had via de heersende cultuur. Dus moest het eerst de culturele sfeer veroveren om dan de politieke revolutie te verwezenllijken.



Orthodoxe marxisten dachten er het hunne van en spraken schamper van “cultuurmarxisme”. De term is dus geen samenzweringstheorie van extreemrechtse trollen, zoals de linkerzijde het voorstelt, maar een linkse omschrijving van een ontwikkeling binnen het eigen kamp. Dit hele boek is trouwens een vernietigend antwoord op de linkse kleinering van deze juiste analytische term.



Wel heeft deze nieuwe stroming zich gaandeweg van de marxistische orthodoxie verwijderd, vooral na de implosie van het Oostblok: het ideaal van de proletarische revolutie en de socialistische staatsinrichting verdween uit het zicht, de cultuurstrijd is een doel op zichzelf geworden. Wel marxistisch bleef het model van een klassenstrijd, met nu verschillende nieuwe minderheden als revolutionair geachte klasse. De om zich heen grijpende cultuur van haat (nu vooral tegen “witten”), verdenking wegens het minste, overerving van schuld, zelfbeschuldiging en door het stof kruipen is, zoals hier door socioloog Eric Hendriks aangetoond, een nauwkeurige herspeling van Mao’s Culturele Revolutie.



Krijgshistoricus en uitgever Perry Pierik erkent dat links een punt heeft waar het zegt dat “cultuurmarxisten niet bestaan”. Aangezien de term begon als een scheldwoord voor een rivaliserende strekking binnen het marxisme, dus voor anderen, noemt niemand zichzelf cultuurmarxist. Zoals ook niemand zichzelf van “desinformatie” (vulgair: “nepnieuws”) beschuldigt, terwijl ze nochtans een realiteit is.



De gedaante van het cultuurmarxisme die het vaakst het nieuws haalt, is de repressieve discours-controle bekend als “politieke correctheid”. Die term wordt zonder meer overgenomen, hoewel hij eigenlijk niet juist gebruikt wordt. Hier beduidt hij de houding van links tegenover rechts (ruwweg), maar oorspronkelijk beduidde hij, ook in de Sovjet-Unie, de kritiek van slim links op dom links, van de beginselvaste revolutionairen op de met kleinigheden af te kopen reformisten. Maar soit, de term is nu ingeburgerd.



Een heuse omkering van waarden heeft zich onder cultuurmarxistische impact voorgedaan ten aanzien van een begrip dat vroeger bij uitstek als rechts gold: identiteit. Hedendaags links herleidt individuen tot de groep waartoe zij behoren: vrouw, homo, moslim, zwart – meerdere bijdragers leggen hilarische gevallen onder het vergrootglas. Het hemelt groepsidentiteiten op voorzover zij de status-quo bedreigen, maar de gezonde witte hetero “cisman” van middelbare leeftijd is niets anders dan een erfgenaam van het koloniale imperialisme, een belichaming van de slavenhandel en de kruisvaarten.



Wie “gezond” zegt, mag zich meteen aan een sneer over de nazi’s verwachten. Al decennnia is de linkervleugel toenemend nazicentrisch, altijd op vinkenslag om overal nazi’s te ontmaskeren. Recent is het mikpunt van dergelijke haatlaster verschoven van “de kapitalisten” naar “de witten”, in een nog nauwelijks verholen racisme.



Wim Van Rooy is op zijn best met zijn schets van de situatie in Frankrijk, waar veel linkse intellectuelen naar rechts opgschoven zijn: les nouveaux réacs. De machtsverhoudingen zijn echter nog niet verandered, want Alain Finkielkraut, Eric Zemmour, Michel Houellebecq en anderen hebben elk nog wel een prijs moeten betalen. Alleen hij vermeldt de Nouvelle Droite, de stroming rond Alain de Benoist die al van bij haar ontstaan in 1968 als een "gramscisme van rechts" aangemerkt werd. Deze nieuw-rechtse school is in Nederland onbekend, in Vlaanderen heeft zij een bescheiden antenne in het kwartaalblad TeKoS. Een strijd in de culturele ruimte om de hegemonie heeft zij wel bedacht, maar de verwezenlijking ervan is altijd een mislukking gebleven – daarvoor was links te machtig. Tot vandaag, want er beweegt iets.