vrijdag 5 juni 2020

Kolonisering, een begripsverheldering: 4. Vrijheid voor de Kongolezen

(Doorbraak, 4 juni 2020)


De KU-Leuvense Letterenfaculteit geeft tegenwoordig het tijdschrift Uit het Erasmushuis uit. Het jongste nummer is gewijd aan ‘kolonialisme revisited’ en is erg representatief voor de vandaag verplichte mening over het onderwerp. We zetten de puntjes op de i in dit postkoloniale vertoog. Laatste deel.



Vrijheid voor de Kongolezen

Het Erasmushuis-tijdschrift over het kolonialisme besteedt voor zijn Vlaams publiek de nodige aandacht aan Léopold II en de kolonisering van Kongo. Deze toeëigening van ‘een wereld zo groot’ wordt met een verkrachting vergeleken: daar is geen goede kant aan. En dus moeten ‘oude witte mannen’ niet komen zeuren over ‘de goede kanten’ van de koloniale onderneming. Nochtans wordt even verder toegegeven dat ook Kongolese bezoekers van het (nu ideologisch gestroomlijnde) AfricaMuseum van nostalgie naar de Belgische tijd blijk geven. Dat standpunt is niet door ras bepaald, maar door de normale werking van het heel-menselijk bewustzijn: men vergaart feitenkennis en trekt daar een besluit uit, in dit geval een betrekkelijk gunstig oordeel over Belgisch Kongo. 

De aanleg van spoorwegen en een gezondheidsnetwerk was ooit in de Belgisch-patriottische geschiedenisboeken een bron van trots. Hier wordt dat echter afgedaan als louter in dienst van de koloniale uitbuiting: arbeidskrachten moesten in conditie gehouden worden om meer op te brengen, en spoorwegen dienden voor het vervoer van grondstoffen; de voordelen voor de bevolking waren slechts een neveneffect. Alleszins vormen zij inderdaad geen excuus voor zulke grootschalige ‘verkrachting’. Maar één Belgisch-koloniale verdienste is toch wel een geval apart.

Het tijdschrift toont Léopold’s ruiterstandbeeld in Oostende, dat een ‘typevoorbeeld van kolonialistische symboliek’ zou zijn. Rondom de koning toont het de ‘dank van de Kongolezen om hen bevrijd te hebben van de slavernij onder de Arabieren’. Een ander voorbeeld had het Vinçotte-monument in het Brusselse Jubelpark kunnen zijn, waarop gebeiteld stond: ‘De Belgische militaire heldenmoed verdelgt den Araabschen slavendryver.’ (Dat die tekst herhaaldelijk weggebeiteld is door bezoekers van de nabije Grote Moskee, wat bovendien toegejuicht werd door onze progressieven in het NCOS-boek Racisme, Donker Kontinent, 1991, is een ander verhaal.)

Nou, stel je maar eens voor dat je een Luba bent die in een slavenraid gevangen is en weggevoerd wordt naar Zanzibar, wanneer plots troepen onder Belgische leiding verschijnen die je komen bevrijden. Zou je dan niet blij zijn, en zelfs dankbaar? Blijkbaar denken onze neoracisten dat negers een inferieure soort zijn die niet om vrijheid geeft, en die de afschaffing van de slavernij niet verwelkomt. Dat mag je alleszins afleiden uit de verdwijning van het thema ‘slavernij en de strijd ertegen’ in het nieuwe beeld van Belgisch Kongo dat vandaag gepropageerd wordt.

Zo centraal als de Belgische oorlog tegen de Arabische slavenhandel stond in de belgicistische geschiedenisboeken, zo afwezig is die episode in de hedendaagse beeldvorming over het Belgische Kongo-avontuur. De zeer gecontesteerde standbeelden van Léopold II worden voorlopig nog door het koningshuis beschermd, maar dat van Francis Dhanis, de bevelhebber die op het terrein de oorlog tegen de Arabieren voerde en won (Manyiema 1892-94), is uit de Antwerpse Amerikalei weggesmokkeld naar het depot in het Middelheimpark. Ook de schoolboeken zijn navenant ‘gedekoloniseerd’, en de jeugd van tegenwoordig leert niet langer over de moed en zelfopoffering van luitenant Lippens en sergeant Debruyne, die in de strijd tegen de slavendrijvers sneuvelden.





Unieke afschaffing

Bronnen als dit tijdschriftnummer vermelden de strijd tegen de slavernij hoogstens terloops, als opstapje naar de écht belangrijke episode: de bloedige uitbuiting van de Kongolezen in de jacht op rubber. Inderdaad, behalve het loutere feit van verknechting, op zich al niet minder dan een ‘verkrachting’, bevat de koloniale geschiedenis episoden van grootschalige wreedheid. Het is uiteraard een goede zaak dat ook die tot op het bot ontleed worden, zoals nu hopelijk gebeurt.

Maar in een tekst over de Amerikaanse zwarten ontkom je niet aan uitgebreide verwijzingen naar hun slavernij, daar blijkbaar de belangrijkste gebeurtenis in de nationale geschiedenis. Vandaag bestaande politieke regelingen zoals affirmative action worden gerechtvaardigd met verwijzing naar de slavernij. Ze dateert van twee en meer eeuwen geleden, maar ze is een levende aanwezigheid in het politieke vertoog daar. Dat contrasteert fel met hoe de langdurige slavernij van Kongolezen, en zeker haar afschaffing, steeds vaker onvermeld blijft.

Uitbuiting is natuurlijk verwerpelijk, maar in de wereldgeschiedenis eerder banaal. Julius Caesar heeft in onze streken verschillende Keltische en Germaanse stammen uitgeroeid; zij zouden blij geweest zijn met alleen maar uitbuiting. Deze is meer regel dan uitzondering, terwijl afschaffing van de slavernij een eenmalige gebeurtenis was. Typisch voor de koloniale mogendheden is dat zij sterk waren, en de goede kant van die krachtsverhouding was dat zij het abolitionisme van een wensdroom in een haalbaar beleid veranderde. Hadden de Britten de wereldzeeën en de Belgen Kongo niet beheerst, de slavernij zou nu nog bloeien. Het belangrijkste verschil dat de Belgische aanwezigheid in Kongo zal gemaakt hebben, is niet het ‘rood rubber’, maar die afschaffing.

Ze gebeurde wel eerder stoemelings, zoals in rebus Belgicis gebruikelijk. Léopold had zijn kolonie maar gekregen na de belofte om er de slavernij af te schaffen, doch maakte daar geen haast mee: hij deed immers winstgevende zaken met de slavenhandelaars. Het waren op zich onbelangrijke schermutselingen met commandant Dhanis die dan toch tot een conflict escaleerden. Nochtans was Léopold formeel de Kongolese Abraham Lincoln, de emancipator of the slaves. Ja, hij was ook heel andere dingen, onder meer de werkgever van de verslagen slavenopzichters, die hun sjari’a-straffen bleven toepassen, zoals handen afhakken, inderdaad een fout en één waar hij publicitair voor zou boeten. Maar geschiedenis is nu eenmaal geen zwart-wit kindersprookje: de man die volgens het internet een genocidair was, was tegelijk ook de bevrijder van de slaven.



10 miljoen doden, 15…   

                In buitenlandse ontmoetingen krijg ik steeds weer vragen over de ‘genocide’ door Léopold II. Van zijn afschaffing van de slavernij hebben ze meestal niet gehoord, die wordt in hun bronnen niet vermeld. Als dodencijfer noemen ze doorgaans 10 miljoen, soms 15. Ze zijn verrast als ik de slechte reputatie van België en de Coburgs goedkeur, want ze projecteren op Belgische staatsburgers het nationalisme dat voor henzelf vanzelfsprekend is. En ze denken dat hun vermoeden van Belgisch nationalisme tóch bewaarheid wordt wanneer ik vervolgens uit verantwoordelijkheidszin als historicus op dat cijfer begin af te dingen.

Net als die onwetende Wiki-consumenten praat het Erasmushuis-tijdschrift propagandaverhaaltjes na, in dit geval zelfs koloniale propaganda vanwege de afgunstige Britten. Bijvoorbeeld, het pleidooi voor een Lumumbaplein en het onbegrip voor de weigering van de gemeente Elsene om een plein in die zin om te dopen, staat totaal niet stil bij het onbegrip van oud-kolonialen en feministen voor Lumumba’s aanmoedigende rol in de massaverkrachting van Belgische vrouwen, een episode die mediatieke heiligenlevens van Lumumba liever doodzwijgen. Het zijn historische complicaties die niet in de kindersprookjes van de goedmensen passen.

Dit tijdschrift heeft het dus meermalen over ‘de onvoorstelbare verschrikkingen die zich hebben voorgedaan in de Kongo-Vrijstaat’. Op die omschrijving hoeven we niet af te dingen, wel op de selectieve niet-vermelding van het écht historische feit van toen, de afschaffing van de slavernij, en op de invulling met nepnieuws over absurd hoge slachtoffercijfers. Gezien de veel lagere demografie kunnen er in het rubberprovincies van Kongo onmogelijk zoveel slachtoffers gevallen zijn. Wat betreft zij die wel gevallen zijn, ook zij waren niet het slachtoffer van een ‘genocide’,-- alsof Léopold zijn eigen arbeidskrachten in zijn winstgevende rubberhandel dood wilde.

Een historicus moet soms zijn publiek teleurstellen met een minder dan mobiliserende verklaring, bv. via ‘zijdelingse schade’. Bijvoorbeeld, de grootste door mensen veroorzaakte hongersnood in de wereldgeschiedenis, Mao Zedong’s Grote Sprong Voorwaarts (met écht tientallen miljoenen doden), was geen ‘genocide’, wel zijdelingse schade bij een fout economisch beleid. Zo ook hier, en daarvoor hoeven we maar dit onverdacht postkoloniaal-gezinde tijdschrift citeren: ‘Door de komst en trektochten van de Europeanen doorheen Midden-Afrika op het einde van de negentiende eeuw konden ziektes zich sneller verspreiden. Naast regelrecht geweld en dwangarbeid (onder andere voor de aanleg van transportwegen) was de nieuwe mobiliteit een van de belangrijke oorzaken van de massale ontvolking in dat gebied’. Bron: uitgerekend Adam Hochschild’s boek King Leopold’s Ghost (1998), dat altijd aangehaald wordt ten laste van ‘genocidair’ Léopold.

Veel postkoloniaal geschrijf zondigt ondermeer door projectie van buitenlandse ervaringen. Zo is ‘wit privilege’ (in juister Nederlands: blanke bevoorrechting) niets anders dan een platte overname van een Amerikaans bedenksel. Nederlandse goedmensen maken zich druk om hun nationale erfenis van slavenhandel en gaan daarom tekeer tegen de (duizenden jaar oudere) Zwarte Piet, en sommige Vlamingen bootsen dat na, maar ons land heeft geen dergelijke geschiedenis van slavernij. Het enige dat het met slavernij te maken gehad heeft, is dat het tot een oorlog bereid was om ze af te schaffen.



woensdag 3 juni 2020

Kolonisering, een begripsverheldering: 3. Vlaanderen, een kolonie van België?


Vlaanderen, een kolonie van België?


(Doorbraak, 27 mei 2020)


Mark Grammens zaliger vergeleek regelmatig de Vlaamse strijd met de dekoloniseringsstrijd. Hij behoorde tot de repressieslachtoffers die in de jaren 1950 de strijd tegen België hernamen, maar dan van de linkerkant. Vandaar zijn voorliefde voor progressief jargon en verwijzingen. In Vlaanderen minder gebruikelijk, maar in éénklank met het progressisme van de nationalisten in bijvoorbeeld Catalonië.


Die antikoloniale beeldspraak heeft in de Vlaamse Beweging nooit veel navolging gevonden, wellicht omdat de meeste Vlaamse Bewegers in die tijd weinig op het wereldgebeuren ver van de eigen klokkentoren gericht waren, of omdat zij zich in een dekoloniseringsoorlog moeilijk met de exotische opstandelingen tegen het Europese koloniale gezag konden vereenzelvigen. De jongste jaren hoort men de vergelijking regelmatig bij de Schotse nationalisten, die zich als een vroege kolonie van Engeland voorstellen. Destijds werd de onafhankelijkheid van Ierland in India alvast als een klinkende dekolonisering gezien, een model om inspiratie uit te putten, en een bewijs dat het Britse rijk wél overwinnelijk was.


De Vlamingen als inboorlingen verknecht door en in opstand tegen een koloniale macht, dat klonk alvast beter dan “les boches du nord” (de moffen van het noorden), flaminganten als agenten van het Duitse imperialisme, of “bloed en bodem”. Het paste in de progressieve tijdsgeest. Ik heb het niet bewust meegemaakt, maar ik vermoed dat de opgang van de Volksunie in de jaren 1960 toch ook de “wind van verandering” die door het dekoloniserende Afrika woei, in haar zeilen wist in te vangen.




Peppraat


Verkocht Grammens meer dan peppraat? De belgicisten zullen het zeker een holle overdrijving noemen, of gewoon onzin. Engelsen, inbegrepen degenen die uit Jamaica of Pakistan stammen, noemen het Schotse vertoog zo, en wijzen erop dat Schotten en Ieren volop meededen met de Engelsen in de kolonisering van derde landen. En dat geldt evengoed voor de Vlamingen, die in de koloniale oorlog van koning Léopold II sneuvelden (luitenant Lippens, sergeant Debruyne) of de overwinning behaalden (commandant Francis Dhanis), die de meeste missionarissen leverden, en die, zoals ondergetekende nog gedaan heeft, hun eerste zakcentjes in een dankbaar knikkend negertje stopten. De Vlamingen waren niet gekoloniseerd door de Belgen, zij waren zelf Belgen.


Maar daartegenover staat dat bevolkingen waarvan niemand betwist dat zij gekoloniseerd waren, wel degelijk zelf mee aan de kolonisering deelnamen. De Britten organiseerden volksplantingen van Tamils in Sri Lanka en Myanmar, Gujarati’s in Zuid- en Oost-Afrika, Bhojpuri’s in Guyana. Sikhs vochten voor het Britse rijk in de Concessie van Shanghai en tegen de “Boksersopstand” in Beijing, om nog te zwijgen van Flanders’ Fields. Wie aan de top van de piramide stond, daarover bestond geen twijfel, maar daaronder was er volop plaats voor maatschappelijke opklimming voor koloniale onderdanen.


Eens de onderdanen voldoende évolué waren, werd het zelfs aangewezen om gehoorzame exemplaren een heel zichtbare plaats in de bestuursstructuur te geven. Gehoorzaamheid loont, was de boodschap naar de intelligentsten onder de inheemsen toe. We hoeven in het Belgische geval niet eens naar historische figuren als Gaston Eyskens of Wilfried Martens te verwijzen: pas afgelopen week hebben we Paul Magnette horen suggereren dat de volgende premier, die de Vlamingen een forse Belgische belastingverhoging zal moeten aanpraten, een Vlaming “mag” zijn. Dat speelt ook in op de sentimentele psychologie van primitieve inboorlingen: zij zijn veel gehechter aan personen dan aan ideeën, dus plak een Vlaams gezicht op een anti-Vlaams beleid, en de sukkels zullen het in de armen sluiten.


Een nuttig element in elk koloniaal bestuur was het “verdeel en heers”-beginsel. Vaak was dat al nuttig in het op gang brengen van het koloniseringsproces, zoals toen Hernan Cortes andere Mexicanen tegen de Azteken wist te mobiliseren. De koloniale onderdanen kwamen zelfs niet op het idee om de heersersklasse tegen elkaar op te zetten, maar de heersers deden het routinematig en heel bewust bij de inboorlingen. De “Zweedse” regeringscoalitie speelde wel in op een scherpe inter-Waalse tegenstelling tussen de liberale visie van de MR op de economie en de socialistische van alle anderen, maar dat betrof niet de machtsverhoudingen tussen Vlamingen en Franstaligen. Zodra die in het spel zijn, vormen de belgicisten een ongenaakbaar gesloten front. De Vlaamse beweging heeft niet genoeg verstand in huis om daar een bres in te slaan of zelfs maar aan die optie te denken. Omgekeerd is het zaaien en handhaven van verdeeldheid bij de gekoloniseerden een ingeburgerde praktijk, en onderdeurtjes kunnen zeer fanatiek zijn in hun pekelruzies en aan hun onderlinge haatverhoudingen heel wat heiliger-dan-gij status ontlenen, zodat zij geen gevaar vormen voor het bewind.  




Algerije van het noorden


Nog een bezwaar is: kolonisering betekende dat één land een ander land ging inpalmen; een ver, tropisch land. Nochtans, strikt genomen moet dat geen ver land zijn: de Russische inpalming van stukjes land in het oosten, beetje bij beetje, tot de tsarenscepter tot in Alaska reikte, kan gerust een proces van kolonisering genoemd worden. Dat de Sovjetheerschappij over het reusachtige Siberië aan de dekoloniseringsgolf ontsnapt is, heeft met de succesvol verkochte bolsjevistische aanspraak op morele superioriteit en niet-onderdrukking te maken; de tsaren zouden er niet mee weggeraakt zijn.

De Jakoeten en Kirgiezen hadden hetzelfde Sovjet-staatsburgerschap als de Russen, de Vlamingen zijn evenzeer Belg als de Franstaligen. Toen Frankrijk over Algerije heerste, waren de Algerijnse provincies “départements à part entière” met zitting in het Parijse parlement. Hoezo, kolonie in de verte? De Middellandse Zee stroomt doorheen Frankrijk zoals de Seine doorheen Parijs; en niemand zegt toch dat de ene Seine-oever de andere “koloniseert”? Toch is l’Algérie Française uiteindelijk het voorwerp van een dekoloniseringsoorlog geworden.


Toen België ontstond, was dat door het initiatief van Franse samenzweerders die als eerste doel hadden, de zuidelijke Nederlanden bij Frankrijk te voegen, een soort herstel van de Napoleontische toestand, toen de Oostenrijkse Nederlanden tot een soort Algerije van het noorden gemaakt waren. Een aparte staat België was slechts een B-plan dat gezien de Britse bemoeienis al snel de best haalbare optie werd. Maar er was nooit een opzet van gelijkheid met de Vlamingen, alleen een handig gebruik van de onnozelheid van voldoende Vlamingen die dat niet door hadden.  


Kortom, de koloniale uitleg voor de Belgische machtsverhoudingen is mogelijk een beetje bij het haar getrokken, maar echt niet ongerijmd. Een beetje tekstschrijver is zeker in staat om van de “politieke spelletjes” van de Vlaamsgezinde partijen een antikoloniale bevrijdingsstrijd te maken. Maar de belgicisten kunnen gerust zijn: zo ver denken Vlamingen niet. Zelfs bij de zoveelste verjaardag van de Kongelese onafhankelijkheid denkt geen enkele Vlaamse voorman aan hun geslaagd “los van België”.

De China-golf overspoelt het Westen



(TeKoS, juni 2020)


Veel sneller dan in het millenniumjaar gedacht, vergast de 21ste eeuw ons op een verschuiving van het zwaartepunt van het Westen naar Azië. De indrukwekkende economische opgang van China en de omliggende landen is ruim becommentarieerd en heeft de politieke beslissingen van vele staten beïnvloed. De gelijktijdige politieke en institutionele veranderingen hebben veel minder aandacht gekregen: ofwel afgedaan in achterhaalde Koude-Oorlogstermen (Washington), ofwel gewoon genegeerd uit mentale traagheid en bewustzijnsvernauwing (Brussel). De geopolitieke landkaart zal niet op de slome westerlingen wachten om aan hoog tempo en in meerdere opzichten te wijzigen.



Meritocratie

Toen习近Xi Jinping aan de macht kwam, en de westerse media die stiekeme paleisbevordering contrasteerden met de vrije en openbare Amerikaanse presidentsverkiezing, beschreef de leidinggevende Chinese denker prof. 張維為 Zhang Weiwei deze tegenstelling echter als “een competitie tussen twee politieke modellen, één ervan gegrond op meritocratisch leiderschap en het andere op verkiezing door het volk. En het Chinese model zou kunnen winnen.” (“China Changes Leaders. Meritocracy Versus Democracy”, New York Times, 12 nov. 2012)

         Hij legt de recente politieke hervormingen uit, die maken dat aloude verwijten van “communistische dictatuur” nu minder van toepassing zijn: “Zonder veel fanfare heeft Beijing betekenisvolle hervormingen aangebracht in zijn bestuur en een uitgebreid stelsel op poten gezet van wat genoemd mag worden ‘keuring plus verkiezing’. Kort gezegd, bekwame leiders worden geselecteerd op grond van verdienste en steun bij het volk door een levendig proces van doorlichting, opinieonderzoek, interne beoordelingen en kleinschalige verkiezingen. De Communistische Partij van China is argumenteerbaar één van de meest meritocratische instellingen ter wereld.”

         Daarmee is China in belangrijke mate teruggekeerd naar zijn eigen traditie. De meritocratie heeft altijd centraal gestaan in het confuciaanse keizerrijk, het sterkst belichaamd in het stelsel van staatsexamens (科舉考試  keju kaoshi) om de ambtenarij te rekruteren. Dit in 1905 afgeschaft stelsel is in de 20ste eeuw vaak beschimpt geweest als waarborg voor de vereeuwiging van de toewijding aan de “reactionaire” confuciaanse klassieken (behalve onder bestuurder 王安石 Wang Anshi, die in de 11de eeuw kennis van wiskunde en toegepaste wetenschap ging testen; met de herroeping van diens hervorming heeft China zijn kans gemist om Europa vóór te zijn met de wetenschappelijke revolutie). Maar al was de focus op letterkundige en levensbeschouwelijke kennis, wat in het nog onbestaande wetenschappelijke wereldbeeld als onnuttig gold, het selecteerde nog steeds op intelligentie.

IQ-onderzoekers zeggen zelfs dat het deels gezorgd heeft voor de hoge intelligentie van China en van de landen die het overgenomen hebben (Japan, Korea, Vietnam): slimme jongens klommen op tot de elite, konden daardoor meerdere huwelijken en een talrijk nageslacht bekostigen, en dat elke generatie opnieuw, zodat de slimsten de natie naar hun eigen kwaliteitsstandaard konden herscheppen.    

Dat soort meritocratie doordesemt de huidige benoemingspraktijk in China. Daarbij beschouwt men, aldus Zhang, van een kandidaat “zijn palmares inzake armoedebestrijding, banenschepping, plaatselijke economische en maatschappelijke ontwikkeling, en in toenemende mate, een properder leefomgeving. China’s dramatische opgang gedurende de jongste decennia kan niet los gezien worden van dit meritocratische stelsel.”

Een criterium dat hij ongenoemd laat, is een zekere klassenmenging. De partij let erop dat alle maatschappelijke groepen in de volksvertegenwoordiging en andere bestuursinstellingen vertegenwoordigd zijn. Anders dan in ons land zitten er in China ook handarbeiders in het parlement, ooit de oorspronkelijke begunstigden van ons algemeen enkelvoudig stemrecht, maar die nu door onze linkse partijen op hun onmondige plaats gehouden worden.

Zhang erkent het internationaal bekende probleem van de corruptie, maar stelt dat de Chinese overheid daar nu doortastend tegen optreedt: “Op het institutionele front heeft de Partij een strikte verplichte pensioenleeftijd ingesteld en termijnlimieten op alle niveau’s. De secretaris-generaal, de president en de eerste minister dienen nu een maximum van twee ambtstermijnen, ofte 10 jaar.” Noteer wel dat die beperking recent opgeheven is in het geval van Xi. Maar terzake: het overheidsoptreden tegen corruptie is globaal minstens zo efficiënt als de kritische werking van de vrije pers in het vergelijkbare India.

“Collectief leiderschap wordt beoefend in het Politburo, deels om het soort van persoonlijkheidscultus te voorkomen waarvan we getuige waren tijdens de Culturele Revolutie.” Eén van de slachtoffers van de Culturele Revolutie was Xi’s vader, die naar een buitengewest verbannen werd, zodat Xi als tiener een tijd in een grot moest wonen. Hij heeft, naast politiek verstand, ook zijn persoonlijke beweegredenen om niet naar het maoïsme terug te verlangen.





Voorhoedepartij



Maar vandaag wordt juist Xi’s bestuursstijl vergeleken met die van de toenmalige Grote Roerganger, 毛澤東Mao Zedong. Men noemt zijn politieke zienswijze dan ook het  习近思想 Xi Jinping sixiang, “Xi Jinping-denken”, naar het model van het 毛澤東思想 Mao Zedong sixiang, “Mao Zedong-denken”, maoïsme (andere –ismen krijgen normaal een ander achtervoegsel, -zhuyi: 馬克思主義  makesizhuyi, “marxisme”).

De wereld is echter veranderd. Voor de bevolking is er zichtbaar een groot verschil: meer vrijheid tot ondernemen, veel grotere welvaart, en slechts beperkte repressie. Xi heeft een heel andere, minder verlammende economische zienswijze dan de Grote Roerganger. Maar toch is China’s huidig politiek systeem deels ook een erfenis van voorzitter Mao.

Ondanks zijn rampzalige beleidsdaden bleek Mao als revolutiemaker wel zeldzaam succesvol. In 1934 was zijn jonge產黨 Gongchandang (Communistische Partij), met centrum in het zuidoosten van China dichtbij de hoofdstad 南京 Nanjing, het mikpunt van een genadeloze repressie vanwege de regerende國民黨 Guomindang (Nationaal-Democratische Partij). Hij besloot om aan haar macht te ontsnappen om in een noordwestelijk buitengebied te hergroeperen, namelijk via een grillige tocht van uiteindelijk 10.000 kilometer: de Lange Mars. Door goedkope compromissen af te wijzen en met bloed en zweet zelf iets op te bouwen, kwam de CCP in een positie om zelf van nieuwe kansen te profiteren. Die deden zich voor: de Japanse invasie die de regering tot een verbond met de CCP noopte, en het Amerikaanse verraad tijdens hun burgeroorlog, namelijk door “onpartijdig” de regering evengoed als de (uit de Sovjet-Unie bevoorrade) CCP met een wapenembargo te treffen. Mao mikte éénpuntig op machtsverwerving en gebruikte elke kans om morzels grond te veroveren. Amper vijftien jaar na de Lange Mars was het zover: de destijds voortvluchtige communisten kwamen aan de macht in het volkrijkste land ter wereld.

Het geheim van zijn succes heb ik nog op mijn 16 geleerd uit de mond van Ludo Martens, voorzitter van de maoïstische partij Alle Macht Aan De Arbeiders (Amada; vandaag PVDA), destijds ook bekend als de Kleine Roerganger: ‘Geen revolutie zonder voorhoedepartij’. Dat was een variatie op voorzitter Mao’s goede raad op pagina 1 van het Rode Boekje. Je hebt een voorhoede nodig die het doel goed kent en beseft, die alle opkomende kansen en uitdagingen in het teken van dat doel weet te plaatsen, én die voldoende vertrouwen bij de massa opgebouwd heeft om haar te kunnen doen werken en vechten voor dat doel. Je bereikt niets zonder zulke doelbewuste en doortastende voorhoede, zie bv. hoe de spontane Arabische Lente ondanks mooie idealen alleen tot heilloze burgeroorlogen geleid heeft.

In het maoïstische wereldbeeld speelt de revolutionaire theorie gehanteerd door de voorhoedepartij een cruciale rol. De geschiedenis is vol van boerenopstanden die tot niets kwamen. Meestal waren hun leiders militair onervaren en ondanks een numeriek overwicht niet in staat om de staatsbehoudende troepen te verslaan. En als zij toch op het slagveld de overwinning behaalden, leidde dat alleen tot hun individuele toetreding tot de heersende klasse, terwijl de uitbuiting van de werkende bevolking gewoon doorging. Het was pas wanneer de revolutionairen hun situatie doorheen een wetenschappelijke lens konden ontleden, namelijk het marxisme-leninisme, dat zij werkelijk een revolutie konden bewerken.

Die welbepaalde “wetenschappelijke” theorie is als economisch model inmiddels gewogen en te licht bevonden. Ze is via voortschrijdend inzicht door een gemengde economie en een minder repressief bestuursmodel vervangen. Haar idee van “democratisch centralisme”, met vrije inspraak tijdens de feedback- en besluitvormingsfase maar gedisciplineerde eenheid zodra de partijlijn vastgelegd is, geldt echter nog steeds, en wel een stuk eerlijker dan destijds (toen het louter een masker was voor een autoritair centralisme). Ook het begrip “voorhoedepartij” geldt onverminderd.  

Het is in feite een moderne versie van孔子Kongzi/Confucius’ feodaal elitisme. Bovenaan heb je de mensen die het weten, en verder heb je mensen die gehoorzamen: de vrouw aan haar man, de jongere aan de oudere, het volk aan de vorst. Waarom? Omdat de hogergeplaatste het beter weet. Maar hij is het dan ook aan de samenleving en aan zichzelf verplicht, zich veelzijdig te bekwamen, zodat hij het inderdaad beter weet. En zijn kunde en deugd vormen een voorbeeld, wat maakt dat de mindere zich graag en vanzelf op hen richt.

 Het moet dan ook niet verbazen dat de CCP de erfenis van de conservatieve denkmeester Confucius ingepalmd heeft en zich wereldwijd laat vertegenwoordigen door Confucius-instituten. Nu de maoïstische ideologische haat tegen de feodale, overtuigd paternalistische en despotische traditie plaats gemaakt heeft voor fierheid op het nationale (of liever: beschavings-) erfgoed, is de Meester helemaal terug, niet louter als mascotte maar met echte invloed op het politiek bewustzijn. 





Despotisme



         Zhang komt tot zijn besluit, en dat is wel belangrijk om de geopolitieke situatie te begrijpen: “China’s meritocratie vormt een uitdaging de stereotiepe dichotomie van democratie vs. autocratie. Vanuit Beijing’s gezichtspunt moet de aard van een staat, inbegrepen zijn legitimiteit, gedefinieerd worden door zijn substantie: goed bestuur, deskundig leiderschap en welslagen in het tevreden stellen van de burgers. Ondanks zijn vele gebreken heeft de Chinese regering ‘s werelds snelste economische groei en een geweldig verbeterde levensstandaard voor de meeste mensen verwezenlijkt. Volgens het Pew Research Center, voelde 82 % van de gepeilde Chinezen zich in 2012 optimistisch over hun toekomst, meer dan in alle andere onderzochte landen.”

Dat steekt gunstig af tegen de onstabiele VS en het stagnerende Europa. Het democratische ideaal is al niet alleenzaligmakend, en de democratieën maken het bovendien niet waar. De manier waarop de EU en haar lidstaten omgaan met volksraadplegingen; hoe de Britse goedmensen het Brexit-referendumresultaat trachtten te overrulen; hoe de Nederlandse partij Democraten ’66 zich tegen haar eigen bestaansreden (directe democratie) keerde zodra het volk een “ongewenste” voorkeur uitsprak; hoe verkozen Catalaanse parlementsleden met EU-goedkeuring opgesloten worden wegens hun pleidooi voor ocharme een hertekening van de EU-binnengrenzen; of de manier waarop de door Donald Trump in 2016 verslagen Democraten jarenlang het politieke leven saboteerden om op Trump wraak te nemen: dat boezemt de Chinezen bepaald geen ontzag voor de democratie in. Of preciezer: ze lachen zich in 北京  Beijing (en in Moskou, en elders) een aap met onze “democraten”. Betogende studenten in Beijing die, zoals in 1989, een Amerikaans vrijheidsbeeld namaken, dat is vandaag niet voor herhaling vatbaar.

Volgens Zhang is “China’s model van ‘selectie plus verkiezing’ in staat tot wedijver met het VS-model van verkiezingsdemocratie”. Die heeft historisch een negatieve beweegreden: zich de dreiging van een autocratisch bewind van het lijf houden, een procedure opzetten om een slechte heerser weg te krijgen. Het is alleen maar de minst slechte oplossing, zoals haar voorvechter Winston Churchill toegaf. Maar “in China’s confuciaanse traditie van meritocratie moet een staat altijd streven naar ‘het beste van het beste’ door leiders van het hoogste kaliber te kiezen. (…) China’s politieke en institutionele vernieuwingen hebben tot nu toe een systeem voortgebracht dat op allerlei manieren de beste optie, de selectie van beproefde leiders, combineert met de minst slechte optie, het verzekeren van de uitstroom van slechte leiders.”

Het is opvallend, en ik heb het zelf tijdens mijn jongste verblijf in Beijing (2018) bij vele intellectuelen kunnen vaststellen, dat “democratie” als toverwoord zijn kracht verloren is. Toen ik eind jaren 1970 in Leuven de eerste Chinese studenten en taalleerkrachten zag toekomen, waren zij daarover nog erg defensief. Belegerd door Koude-Oorlogsstemmen die China het gebrek aan democratie verweten, verzekerden zij dat zij ook wel voor democratie waren, maar dat volkswelvaart eerst kwam en zelfs de armste Chinezen tenminste geen  honger meer moesten lijden. (Een vergelijking die men toen veel kon horen, was met het door extreme armoede geplaagde doch democratische India: “Wat hebben ze aan hun vrijheid als ze zelfs geen eten hebben?” In feite werden de Indiërs niet door de democratie in armoede gehouden, wel door hun vrijwillig omarmd economisch socialisme. Het is juist door dat verlammende beleid achter zich te laten, ongeacht het verschillend politiek systeem, dat beide landen zo spectaculair zijn gaan groeien.)

Vandaag zeggen zij onbeschroomd dat zij de democratie afwijzen: het is een systeem dat niet goed werkt. Het doet de leidersklasse louter op korte termijn denken, kan geen krachtig beleid voeren (denk aan het getreuzel over de Oosterweelverbinding, of de vierkant draaiende staatshervormingen), verliest zich in ruzie, en stelt geen doelen op lange termijn. De Chinezen menen iets beters in huis te hebben.





Geopolitiek



Zhang had deze zienswijze kort tevoren breder bepleit in zijn boek 中国震撼  Zhongguo zhenhan (“De China-schok”, 2012). Het karakter Zhen beduidt in het oud-Chinese maar nog steeds door Mao en de hedendaaagse Chinezen geraadpleegde Boek der Veranderingen (易經 Yijing, -11de eeuw) het element Donder, plotse ingrijpende ontwikkelingen, wat in de dagkringloop de dageraad vertegenwoordigt, de plotse radicale verandering van donker naar licht. Het boek gaat dus over China’s ophefmakende betreding van het wereldtoneel.

Het is vertaald als The China Wave, Rise of a Civilizational State, want het behandelt de opkomst van China als "beschavingsstaat", een duurzamer alternatief voor de natiestaat. Het is een sleuteltekst voor wie de huidige wereld wil begrijpen, inzonderheid wat er nieuw en belangrijk is aan de opkomst van China.

Een andere staat die zich als beschavingsstaat presenteert, is India. Het was vroeger nooit volledig een eengemaakte staat, maar het was één beschaving, die zich in de huidige voorwaarden, waarin overheden veel dieper in het leven van hun burgers ingrijpen, best als één staat manifesteert. Ook Europa, eveneens een "subcontinent" van de Euraziatische landmassa, zou zulke beschavingsstaat kunnen vormen, en in de huidige geopolitieke verhoudingen is dat zelfs een noodzaak. Helaas houden onze bijziende en hoogmoedige EU- politici zich niet met Europese belangenbehartiging maar met beuzelachtig deugvertoon bezig.

Dat soort kruiperig gedrag is China na eeuwen van neergang en zelfkwelling net ontgroeid. Nu beginnen we de volheid te zien van Mao’s prille overwinningskreet in 1949: “Nooit zal men ons nog verknechten, want wij zijn opgestaan!” Dat moet ons niet zozeer als voorbeeld dienen, wel als herinneraar aan de vindingrijke zelfachting die ook in moeilijke tijden onverminderd in volkeren sluimert.

zondag 17 mei 2020

Kolonisering, een begripsverheldering: 2. De koloniale slavernij


Kolonisering, een begripsverheldering

De KU-Leuvense Letterenfaculteit geeft tegenwoordig het tijdschrift Uit het Erasmushuis uit. Het jongste nummer is gewijd aan ‘kolonialisme revisited’ en is erg representatief voor de vandaag verplichte mening over het onderwerp. We zetten de vorige, huidige en twee volgende weken de puntjes op de i in het gebruikelijke postkoloniale vertoog.



2. De koloniale slavernij

(Doorbraak, 13 mei 2020)

‘Tot 1800 werden naar schatting 12 tot 14 miljoen zwarte Afrikaanse slaven naar beide Amerika’s verscheept.’ De juistheid van die cijfers stellen we niet in vraag, wel de gebruikelijke hyperfocus op dat feit. Men vereenzelvigt de slaafneming met ‘wit’ en slachtofferschap met zwart. In werkelijkheid was de slavernij vrij universeel.

Een gezaghebbende geschiedeniswebstek (https://www.history.com/topics/black-history/slavery) beweert dat deze slaven uit Afrika ‘ontvoerd’ (kidnapped) werden. Zo stelde ook Alex Haley’s verfilmd boek Roots het voor. Dat zal wel eens gebeurd zijn, maar de algemene regel was anders: slaven werden gekocht. Het ‘ontvoeren’ en tot slaaf maken was eerder al gebeurd.

In de 15de eeuw werden de Portugezen onderaannemers van de Arabische slavenhandelaars. Zo begon het Europese aandeel in de Afrikaanse slavenhandel: als deelname aan een sinds de 7de eeuw bestaand netwerk. Het Erasmushuis-tijdschrift erkent eerlijk de ‘15 tot 18 miljoen slaven naar de moslimkalifaten’ van wie ‘zwart Afrika beroofd’ werd. (En tel daarbij nog de miljoenen Europese en Indiase slaven. Voor wie in de sibbeschuld gelooft waarop eisen voor verontschuldigingen en herstelbetalingen gegrond worden: zowel Turken als Marokkanen staan dan bij ons in de schuld.) Dat die beroving ook gunstige gevolgen heeft, zoals vele zwarten toegeven die vandaag liever in de VS wonen dan naar Afrika terug te keren, doet aan dat geschiedkundige feit zelf niets af.



Eerlijk betaald

Dat Afrika ‘beroofd’ werd, is in demografische zin juist, maar niet in economische. De zwarte stammen werden meestal eerlijk betaald voor hun menselijke koopwaar. Dat valt heel geredelijk in te zien. Wanneer een handvol slavendrijvers naar Kongo of Ghana  trokken om er honderden slaven op te halen, dan hadden ze daartoe weinig kans als ze die slaven moesten ontvoeren: in vreemd gebied, zeer ver van huis, omringd door vijanden die zichzelf en elkaar tegen indringers zouden verdedigen. Nee, ze betaalden voor koopwaar, die Afrikaanse stamhoofden hen gaarne verkochten: om de winst, en om van hun misdadigers en krijgsgevangenen af te geraken. Dat handvol vreemdelingen kon met zijn lange slavenkaravaan maar veilig thuis geraken omdat het zich op het terrein van winstbewuste handelspartners bevond.

De Arabische handel in het zwarte goud begon met een vredesverdrag in Soedan, afgekocht met 360 zwarte slaven. Die had het zwarte stamhoofd in voorraad, meteen leverbaar. Toen de Britten begin 19de eeuw de slavenhandel en vervolgens de slavernij zelf afschaften, stuurden de Asjanti en andere stammen gezanten naar Londen om de voortduring ervan te bepleiten; het ging tenslotte om hun inkomen.  

Het wedervaren van Joseph Cinqué, de held van de film Amistad, illustreert hoe zwart/wit hier geen optie is. Behorend tot het Mende-volk in Sierra Leone, was hij door schuldeisers uit een buurvolk in 1839 als slaaf verkocht. Na zijn avonturen in Amerikaanse wateren en uiteindelijke vrijlating door het VS-hooggerechtshof was hij teruggekeerd, maar de illegale doorvoerhaven (slavenhandel was reeds verboden) die hij in ketenen verlaten had, was door de Britse zeemacht vernield. Erger, ook zijn dorp bleek verdwenen: heel zijn familie was door de buren als slaaf weggevoerd. Hij verdween dan maar naar Jamaïca, wat toen reeds aanleiding gaf tot het vermoeden dat hij zelf slavenhandelaar geworden was, een tot vandaag terugkerende bewering. Daarvan is echter geen bewijs (mogelijk had hij informatie dat zijn familie daar naartoe gebracht was en ging hij naar hen op zoek), dus wij geven hem het voordeel van de twijfel. Het gerucht was echter op een bekend scenario gebaseerd: nadat de staat Liberia gesticht was als een kolonie (dat is het juiste woord) voor uit de VS teruggekeerde slaven, was dat ook zelf een centrum van slavenhandel geworden.

Wat was er zo uniek aan de Europese slavenhandel? Vele culturen hadden vormen van slavernij gekend, zij het niet altijd met geformaliseerde slavenmarkten. De schaal, met intercontinentale transporten, was wel uitzonderlijk, alleen overtroffen door de moslims. De wreedheid was het ook niet, daar deden de moslims veel beter (waarom heeft Irak geen zwarte minderheid, hoewel zwarte slaven daar ooit zeer talrijk waren?). Maar het echt uitzonderlijke was wel dat de meesters de slavernij zelf vrijwillig afgeschaft hebben.



Abolitionisme

Dat gebeurde onder invloed van de Verlichting. De eerste afschaffers van de koloniale slavernij waren dan ook de Franse Revolutionairen in 1794 (die verdienste moet je hen nageven, maar werd in 1802 door Napoleon teruggedraaid). Het was, ondanks latere propaganda, niet het werk van het christendom, dat in de 7de eeuw via de Merovingische regentes Balthilde alleen de slaafneming van medechristenen verboden had (maar daardoor juist de jacht op heidenen geïntensiveerd, zodat de nog heidense Slaven hun volksnaam aan deze instelling leenden). Toen het abolitionisme opkwam, verdedigden de slavenhouders hun eigendomsrecht met de Bijbel in de hand: zowel Oud als Nieuw Testament erkennen de slavernij zonder als’en of maar’en. Het christendom heeft echter een voldoende brede tekstbasis om zich aan een nieuwe tijdsgeest aan te passen, en het was missiesponsor William Wilberforce die de afschaffing door het Britse parlement kreeg. Het machtige Britse rijk zette vervolgens de toon voor de andere koloniale machten en dwong ook het Mogol- en het Ottomaanse rijk tot formele afschaffing.

Toch was afschaffing van hogerhand niet helemaal nieuw. China had in de oudheid al meermalen de slavernij afgeschaft. Maar staten wisten in die tijd niet overal duurzaam hun gezag te doen gelden tegen de sterke betrokken belangen in. Pas toen het Britse wereldrijk zijn militaire macht eronder zette, kreeg de afschaffing echt haar kans.

In het slavernijdebat doet de linkerzijde meewarig over pogingen om naast de slavernij ook de afschaffing ervan in rekening te brengen. Wie voor de VS-zwarten ‘herstelbetalingen’ eist, hoort niet graag dat de vermaledijde blanken al een hoge prijs in mensenlevens (2%) in de door de slavernijkwestie getriggerde Burgeroorlog betaald hebben. Maar die afschaffing is juist heel pertinent om de schandvlek van de koloniale slavernij juist te beoordelen. Iedereen kan de slavernij invoeren, en talloze volkeren hebben ze beoefend. Maar ze afschaffen, dat is in de geschiedenis eerder zeldzaam.    

maandag 11 mei 2020

Kolonisering, een begripsverheldering: 1. Wat is een kolonie?

.
Kolonisering, een begripsverheldering

De Leuvense Letterenfaculteit waaraan ik goede herinneringen bewaar, geeft tegenwoordig het tijdschrift Uit het Erasmushuis uit. Daarvan viel in mijn brievenbus juist een nieuw nummer, gewijd aan ‘kolonialisme revisited’. Goed Nederlands, het soort waarvan de finesses in het genoemde Erasmushuis in mijn tijd nog onderwezen werden, zou daar gezegd hebben: ‘terug naar (het) kolonialisme’ (zie ‘Terug naar Oosterdonk’, het Vlaamse antwoord op ‘Brideshead Revisited’). Maar goed, het is best lezenswaard en erg representatief voor de vandaag verplichte mening over het onderwerp, dus we zullen er de komende weken dieper op ingaan. Er is nood aan puntjes op de i in het gebruikelijke postkoloniale vertoog.

1.  
  Wat is een kolonie?

(Doorbraak, 6 mei 2020)

Een ‘kolonie’ is oorspronkelijk een volksplanting die een beoogd gebied komt ontwikkelen (‘colere’: telen, cultiveren), althans zoals de betrokken bevolking het begrip ‘ontwikkelen’ begrijpt. Dat gebeurt niet uit deernis omdat dat gebied er zo troosteloos bijligt, maar omdat de betrokken bevolking of de maatschappij die hen uitzendt, er voordeel wil uithalen. Dat kan het uitbaten van goederen uit of in het koloniegebied zijn, maar oorspronkelijk toch de verlichting van de bevolkingsdruk in een overbevolkt geworden brongebied. Als de kolonie reeds bevolkt was, worden de oorspronkelijke bewoners tweederangsburgers, wat soms weinig meer dan symbolisch kan zijn (zoals de staart die de Chinezen onder het Mantsjoe-bewind moesten dragen) maar ook slavernij kan betekenen (Carthago na de Romeinse verovering), verbanning, of zelfs uitroeiing. De Duitse verovering was in het Westen louter een bezetting, terwijl het oosten de levensruimte voor Duitse kolonisten moest worden, met een ondergeschikte rol voor de Slaven en uitroeiing voor de Joden.

 ‘Koloniseren’ overlapt met ‘veroveren’ maar is niet hetzelfde. De eerste mensengemeenschap die uit Oost-Afrika naar Jemen trok, koloniseerde dat gebied maar veroverde het niet op iemand; en idem voor de oerbewoners van Oceanië en Amerika. Tijdens de Europese kolonisering in andere werelddelen werden ook louter economische wingewesten, die uitgebuit werden maar geen stelselmatige volksplanting kenden, eveneens ‘kolonie’ genoemd, bijvoorbeeld India (waar het Britse bewind uit een louter handelsrelatie gegroeid is) in tegenstelling met de Amerikaanse bevolkingskolonies. Ook zonder volksplanting kon men daar van koloniseren spreken, namelijk omdat “de kolonisator zijn taal, godsdienst, rechtssysteem, economisch systeem, ethische en ideologische overtuigingen opdrong aan de oorspronkelijke bevolking”.


Moederland

Men spreekt maar van een kolonie zolang er een band blijft met het ‘moederland’. Carthago werd niet vanuit Fenicië bestuurd, maar hield er contact mee en behield eeuwenlang dezelfde taal en godsdienst. Kolonies die door Griekse steden gesticht waren, behielden vaak lang nog een band met de moederstad ook al waren zij zelfbesturend, bijvoorbeeld door alleen nieuwkomers uit de moederstad als staatsburger te aanvaarden. In de voortijd was de staat van kolonie echter slechts een overgangsfase: het moederland werd gaandeweg vergeten. We mogen aannemen dat de eerste landverhuizers van Oost-Afrika naar Jemen na enkele generaties alle herinneringen aan hun moederland verloren waren.

Ik herinner me een toespraak van een ANC-vertegenwoordiger in de tijd van de Apartheid, die dat bewind (en dat van Rhodesië/Zimbabwe na de ‘eenzijdige onafhankelijkheidsverklaring’) als een ‘kolonialisme van het nieuwe type’ beschreef, namelijk ‘omdat de band met het moederland doorgesneden is’. Maar vóór de uitvinding van de moderne staat was dat de normale evolutie van een kolonie: zij groeide weg van haar moederland, vaak met als breukmoment een periode waarin dat zelf veroverd werd, zoals toen de Zuid-Amerikaanse landen hun vrijheid grepen zodra Spanje zelf door Frankrijk bezet werd. Soms is zulk een bezetting zelfs oorzaak van een volksverhuizing, zoals die van een aantal Germaanse stammen die, opgejaagd door de Hunnen, hun moederland kwijt geraakten en dan maar een deel van het Romeinse rijk gingen veroveren. Die ‘Germaanse volksverhuizingen’ worden hier nochtans als eerste kolonisering genoemd.


Niet-Europees kolonialisme

Een echte kolonisering was de degene die ons tijdschrift als tweede vermeldt: die door ‘de mohammedaanse Berbers in Spanje’. Weliswaar wordt dat gevolgd door het oude smoesje dat ‘er in Al-Andalus een grote verdraagzaamheid van de islam tegenover de andere godsdiensten blijkt geweest te zijn’, een verplicht nummertje.  Maar we kunnen alvast de Reconquista als een antikoloniale strijd kenmerken; een eretitel.
De verovering van en volksverhuizing naar Mexico door de uit Utah stammende Azteken beantwoordt helemaal aan de definitie van kolonisatie, compleet met de wrok bij de inheemsen die hen met de Spanjaarden deed collaboreren. Maar wie het begrip ‘kolonialisme’ tot een Europese onderneming wil verengen, vindt zelfs in de Europese geschiedenis elementen die het voorgeschreven denkspoor in nevel dompelen.

De 20ste eeuw bevat enkele extreme voorbeelden, vooral het begin van een Duitse volksplanting in Polen in 1940-44, maar ook omgekeerd de verdrijving van de Duitsers uit Sudetenland en het echte Oost-Duitsland. Maar dezelfde vestiging en daarna de verdrijving van talloze settelaars vond evenzeer plaats in Mantsjoerije, namelijk uit het overbevolkte Japan. En het gaat veel verder terug, zoals de Duitse Unterwanderung van wat Oost-Pruisen zou worden. (Ook Vlamingen volgden de lokroep: ‘Naar Oostland willen wij varen’.) Of de Bantoe-verovering van oostelijk Zuid-Afrika ten nadele van de Khoisan-volkeren. Daardoor had Nelson Mandela als Bantoe zulke typische bolle wangetjes van de Khoisan, en heeft zijn taal (Xhosa) de click-klanken van de Khoisan geïntegreerd.

De huidige Indo-Europeessprekende volkeren van Europa deden hier als veroveraars uit Rusland een kleine vijfduizend jaar geleden aan gewelddadige bevolkingsvervanging ten nadele van de vorige bevolking. Die bestond uit landbouwers die zelf ons werelddeel een paar duizend jaar eerder vanuit Anatolië gekoloniseerd hadden, ten nadele van de oerbewoners (die zelf weer de Neanderthalers unterwandert hadden). Ja, Europa heeft een zwaar verleden, maar niet alleen Europa. Kolonisatie is zo oud als de mensheid, en het is tegen die achtergrond dat we het ‘kolonialisme’ moeten beoordelen.

vrijdag 10 april 2020

Namaste en virusveiligheid



(Doorbraak, 9 april 2020)


Nu Boris Johnson na een reeks onbekommerde handdrukken met Covid-19 afgevoerd is, hebben enkele culturen met verregaande smetvrees zich plots tot rolmodel ontpopt, namelijk Japan en vooral India. Welke gewoontes uit deze landen zijn blijvers, ook voor na deze crisis?

De wereldmedia ontkomen er niet aan, foto's af te drukken van wereldleiders die hun handdruk voor een añjali mudrâ (“zegel van eerbied”, “eerbetuigingshandhouding”) ingeruild hebben. Men brengt dan de eigen twee handpalmen met omhoog wijzende vingers samen voor het hart, en de persoon die je groet, doet hetzelfde. De lichaamshouding als geheel heet de praṇâmâsana (“groethouding”). Dat is de gebruikelijke groet onder hindoes, met de uitroep Namaste (“eerbetuiging aan u”) in een formeel taalregister. Van het onderliggende werkwoord namâmi, “groeten”, is het heel-Indo-Europese woord naam afgeleid, evenals het Perzische woord namâz (“buiging, gebed”). Volksmensen zeggen eerder Râm Râm (ongeveer: Grüss Gott), maar met hetzelfe gebaar. Of desnoods zonder gebaar, maar alleszins niet met een handdruk of andere aanraking.


Neuze-neuze

In dit opzicht, elkaar zonder aanraking te groeten, zijn de meeste culturen (behalve misschien het spreekwoordelijke neuze-neuze van de Inuit) gelijk. In Zuid-Europa bracht men ooit de Olympische of Romeinse groet. Moslims in Zuid-Azië groeten elkaar door met hun rechterhand hun eigen voorhoofd (net niet) aan te raken en dan Âdâb arz hai (“respect zij met u”) of Salâm (“vrede”) te zeggen. 

In het klassieke China, zoals nog steeds in Japan, boog men voor elkaar, waarbij het een hele wetenschap was, hoe diep de buiging moest zijn om aan het juiste verschil in rang te beantwoorden. Door decennia marxisme is veel Chinese eigenheid verloren gegaan, en is de eenvormige formele groet Ni hao (“aan u goed”) veralgemeend. Chinese vrienden onder elkaar zullen eerder iets familiairs zeggen, bijvoorbeeld Ni chile mei yao? (“heb je gegeten?”). Een traditioneel groetgebaar, dat je nog vindt in gevechtskunst, is dat men de rechterhand tot vuist maakt, zoals het karakter voor “zon”, de linkerhand schuin gebogen, zoals het karakter voor “maan”, en an de twee vóór de borst tegen elkaar duwt met een buiging. De vereniging van die twee karakters geeft het karakter voor “helder”, ming, tevens de naam van de Ming-dynastie, die na de Mongoolse en vóór de Mantsjoe bezetting wam; daarom appeleert het ook aan het Chinees patriotisme.

De formele afstandelijkheid past in een patroon van eerbied en impliciete hygiëne, maar neemt niet weg dat vele culturen, en de Chinese bij uitstek, tegelijk wel plaats hebben voor onhygiënische voedselkeuzen. Daarin is het hindoeïsme het andere uiterste, met een grote minderheid die strikt vegetariër is (en ook door anderen als voorbeeldig bejegend wordt), terwijl die anderen het bij een veel minder kleurrijk vleesmenu houden.


Besmetteljke heildronk

De handdruk of andere aanraking is in het traditionele landschap van beschavingen eerder zeldzaam. Het komt voort uit de Noord-Europese cultuur, die erg onhygiënisch was. Goed, enerzijds bestond er net als bij de Romeinen en later de Arabieren een zekere badcultuur, varianten op de sauna, die bij de kerstening tijdelijk in onbruik raakte. (Waar christenen met anderen samenleefden, waren zij herkenbaar aan hun lijfgeur.) Anderzijds rapporteert Ibn Fadlan, een 10de-eeuws gezant van het Kalifaat die de Wolga opvoer en er de Waregen ofte Zweedse Vikingen leerde kennen, verbluft dat zij bij feestelijkheden een beker doorgaven waar ze allen van dronken, zelfs van bier waarin anderen gespuwd hadden. Nog in die streken zien we vandaag dat de Russen elkaar kussen, wat in Arabië of India ondenkbaar is. In dat koude klimaat hoefde je minder voor besmettingen te vrezen, en bovendien was het daar eigenlijk goed als je elkaar besmette, want dat kweekte “groepsimmuniteit”.

Het is dus in onze weinig om hygiëne bekommerde gemeenschap dat de handdruk is kunnen ontstaan. De handdruk was blijkbaar een gebaar waarmee ridders elkaar de verzekering gaven dat ze geen dolk in hun handpalm verstopt hadden.

Het was wel een gebaar dat een mate van gelijkheid uitdrukte. Als je een audiëntie bij de kardinaal had, werd je geacht zijn ring te kussen, niet hem de hand te drukken. Ook vrouwen gaf je geen hand: ze zijn in sommige opzichten inferieur, in andere superieur, maar nooit gelijk, nooit onverschillig. Wanneer een edelvrouw haar zakdoek om de lans van een toernooiridder kwam binden, kan je je niet voorstellen dat ze elkaar een kloeke handdruk zouden gegeven hebben.


Kaäba gesloten

Dat doet de vraag rijzen naar het waarom van de reinheidsgeboden. In de vóórmoderne tijd had men geen duidelijk besef van microben en virussen, en hun notie van bezoedeling betrof soms andere, morele of magische vormen van onreinheid dan bij Corona. Desalniettemin waren de reinheidsregels, zoals het zuiverst door de hindoes bewaard, erg doeltreffend tegen dit soort besmetting.

Zo zal een apotheker zijn voorraad van een kruid weggooien als een potentiële klant eraan geroken heeft: ook via ademcontact kunnen virussen overgedragen worden. Verder wordt men niet geacht, de eigen huid en zeker de lichaamsopeningen aan te raken, tenzij men onmiddellijk de handen wast. Uiteraard zijn wassingen van het grootste belang, te beginnen met een stortbad vóór zonsopgang. Hierin zit een element van zonsverering, want men wil rein zijn (ook ontlast en met nuchtere maag) om de opgaande zon te begroeten. Men mag geen voedsel aanraken dat voor een ander bestemd is, ook niet onrechtstreeks via keukengerei. Daarom eet men met de vingers, niet met bestek.

We zien vandaag hoe alle kerken en moskeeën gesloten worden, zelfs de Sint-Pietersbasiliek en de Kaäba. Waar dat niet gebeurt, zijn grote besmettingsgolven het gevolg. Zo zijn in India één derde van alle besmettingen terug te voeren tot een massabijeenkomst van de fundamentalistische organisatie Tablighi Jamaät (“Vereniging voor Propaganda”). Hindoe tempels zijn ook loyaal tot de sluiting overgegaan sedert premier Narendra Modi een lockdown afgekondigd heeft, maar eigenlijk leveren zij veel minder gevaar op: daar is geen groepsgebed, mensen komen alleen of per familie.

Voor het einde bewaren we de observatie dat de hindoebeschaving ook een probleem op afstand houdt waar de Europeanen blijkbaar mee zitten: zij houden zich proper zonder toiletpapier. Kortom, India heeft meer dan honderd keer zo veel inwoners als ons land, en nog alle kansen om miljoenen slachtoffers te krijgen; maar tot nu toe heeft het, ondanks een vroeger begin, veel minder Corona-slachtoffers dan ons land. Het doet blijkbaar iets dat navolging verdient.