maandag 27 februari 2017

Julius Evola, profeet van het Blok?

      
(Trends, 18-05-1995)
(editoriaal voorwoord: )
Julius Evola, de Italiaanse radikaal-rechtse denker en voorman, zou de inspirator zijn van het Vlaams Blok met zijn — terecht — gewraakte vreemdelingenprogramma.

(artikel: )
Vooreerst: wie is wie? Julius Evola werd in 1898 geboren uit een adellijke Siciliaanse familie. Tijdens de opgang van Benito Mussolini en diens Nationale Fascistische Partij was hij niet op het politieke maar op het artistieke front bedrijvig, als dadaïstisch dichter en schilder.

Pas in 1927 benaderde hij een fascistisch blad om er enkele artikels te publiceren. Hij viel er dra weer uit de gratie wegens zijn fel antikristelijk essay Heidens imperialisme (we geven de boektitels hier in het Nederlands, hoewel er meestal alleen Franse vertalingen uitgegeven zijn), dat niet paste in de toenaderingspolitiek van het regime met de Kerk. In 1930 startte hij het tijdschrift La Torre, dat te onafhankelijk bleek voor het regime. Het derde nummer werd verboden wegens zijn kritiek op de natalistische regeringspolitiek (Evola verkoos kwaliteit boven kwantiteit), en na tien nummers werd het tijdschrift opgedoekt omdat alle drukkerijen op bevel van hogerhand hun medewerking weigerden.

Evola definieerde zich niet als fascist maar als "integraal traditionalist". Centraal stond de idee van de "primordiale traditie", die alle echte kulturen doordesemde, en die ook op maatschappelijk vlak een welbepaalde, sakrale orde inhield. De heersersplaats kwam niet toe aan de geldmachten maar aan een kaste van krijgers, gemodelleerd naar het middeleeuwse ridderideaal of het Japanse samoerai-type. Dit hoogdravende ideaal zag hij absoluut niet verwezenlijkt in de regimes van Mussolini en Hitler, die hij tot eigen schade bemand zag door zeer middelmatige en conformistische figuren.


RACISME.

Na bemiddeling van enkele sympatizanten binnen het regime kon Evola weer in enkele fascistische bladen publiceren, maar invloed op het beleid zou hij nooit krijgen. Hij liet zich in 1937 wel flink opmerken met zijn boek De mythe van het bloed, een overzicht van de rassenteorieën van Plato tot Alfred Rosenberg. Het fascisme was in oorsprong niet racistisch, maar na het verbond met nazi-Duitsland in 1936 deden de Italianen hun best om de Duitsers bij te benen. Hij verzorgde ook een Italiaanse uitgave van de antisemitische vervalsing Protokollen van de wijzen van Zion. In het voorwoord erkende hij dat de autenticiteit van dit werk problematisch was, maar hij suggereerde dat de destruktieve kontrolestrategieën die het werk aan het wereldjodendom toeschreef, toch wel klopten met de vastgestelde afbrokkeling van de traditionele samenleving sedert de 18de eeuw, ook al ging het dan niet om een in een achterkamertje bekokstoofd komplot. Evola kreeg erkenning vanwege de Duce in 1941 met zijn boek Syntese van de rassenleer: eindelijk een subtieler, spiritueler, echt Italiaans antwoord op het Duitse, louter biologische, kwasi-wetenschappelijke en typisch moderne racisme! Zo poneerde hij naast een lichamelijke ook een geestelijke erfelijkheid, en hij verwierp het volledig genetisch determinisme vanuit zijn geloof in de individuele wilskracht.

Intussen had Evola kontakten gelegd in nazi-Duitsland. Daar werd zijn boek Revolte tegen de moderne wereld (1934), de systematische uiteenzetting van zijn traditionalistische visie, meteen een laaiend sukses. Hoewel hij de nazi's soms scherp bekritizeerde, bleef hij altijd een graag gezien medewerker bij de "wetenschappelijke" afdeling van de SS, in wier opdracht hij, zelfs tijdens de oorlog, onderzoek deed naar allerlei esoterische onderwerpen : alchemie, rituelen, Tempeliers, Graallegende, Vrijmetselarij.

Het was tijdens zo'n onderzoek dat hij in 1945 in Wenen bij een bombardement zwaar gewond werd aan de ruggegraat. Hij zou verlamd blijven aan de onderste ledematen en tot zijn dood in 1974 op een appartement in Rome wonen. Van daar uit zou hij nog merkwaardige filosofische studies schrijven, zoals De tijger berijden en Metafysika van de seksualiteit. De neofascistische partij Movimento Sociale Italiano (MSI) bleef hem tot aan haar opheffing in 1994 als denkmeester beschouwen, ondermeer om zijn boek De mensen temidden van de ruïnes, een herformulering van zijn antimoderne visie na de vernedering van Europa door de dragers bij uitstek van de moderniteit, de VS en de USSR.

Evola 's belangrijkste bijdrage tot een goed begrip van het fascisme is zijn evaluatie post factum, Het fascisme gezien vanuit rechts standpunt. Daarin valt hij de volgende elementen van het fascisme aan als zijnde antitraditioneel : het jakobijns nationalisme dat het standenonderscheid binnen de natie minimalizeert, het totalitarisme, het laïcisme dat een onnodige tegenstelling tussen het sakrale en het politieke kreëert, het socialisme, de persoonlijkheidskultus (men eert niet de koning maar het koningschap), en de natalistische kultus van het aantal. Het fascisme was een typisch moderne antiliberale stroming, terwijl Evola zich bekende tot een premodern antiliberalisme, aansluitend op het ancien régime, toen een transnationale adel Europa beheerste zonder oog voor nationale identiteit noch voor de inbreng van de massa's.

Wie vandaag ietwat respektabel met Evola wil uitpakken, zet graag dik in de verf dat zijn held in konflikt kwam met het officiële fascisme en nazisme. Bekijkt men zijn dissidentie van naderbij, dan moet men toegeven dat ze hem nauwelijks salonfähiger maakt. Spijts nuanceverschillen was Evola evenzeer racist, antisemiet en antidemokraat ; wie toch met Evola wil dwepen, gelieve die duidelijke stellingnamen niet weg te moffelen en er zich ondubbelzinnig over uit te spreken.



EVOLA IS DOOD.

Julius Evola is volgens bepaalde auteurs de inspiratiebron van de geheime agenda van het Vlaams Blok. De VB-mandataris die in dat verband het meest genoemd wordt, Roeland Raes, blijkt echter slechts enkele van de talrijke werken van Evola gelezen te hebben, en niet eens met onverdeelde goedkeuring.

Telefonisch verklaarde hij aan Trends : "Wat mij bij Evola wel aanspreekt, is zijn idee van een oeroude traditie met blijvende waarde, en zijn Europese gedachte. Zijn afwijzing van de demokratie en de partijpolitiek, ja, daar kunnen we hem als demokratische politieke partij natuurlijk niet in volgen. Ook zijn aristokratisch zgn. horizontaal racisme, het idee dat de elites van alle volkeren meer met elkaar gemeen hebben dan met de lagere klassen van hun eigen volk, dat staat haaks op ons volksnationalisme. Ik voel mij meer betrokken bij mijn volksgenoten van eender welke klasse, dan bij vreemdelingen. Voor Evola 's aristokratische doelstellingen heeft partijpolitiek engagement natuurlijk niet veel nut, maar wij ondervinden dat onze partijwerking voor de belangen van het hele Vlaamse volk wel degelijk verschil maakt. "

Er heeft ooit een Belgische Evola -kring bestaan, het Centro Studi Evoliani, met als voornaamste denker aan Vlaamse kant Frank Govaerts (die inmiddels door een migrant vermoord werd). Deze kring publiceerde in 1982 de enige Nederlandse vertaling van een fundamenteel werk van Evola , met voorwoord van Roeland Raes : Oriëntaties, een in 1950 geschreven, weinig konkrete brochure over de opties voor een nieuwe antimoderne beweging. Daarin roept Evola de nieuwe generatie op, radikaal te zijn en zich niet in het web van de burgerlijke politiek te laten vangen, "niet te bezwijken onder de verlokkingen van het valse politiek realisme, eigen aan elke partij".

Onder de overlevenden van de werkgroep blijkt inderdaad een erg Evoliaanse minachting voor partijpolitiek te bestaan, en in het biezonder voor het VB. Een Evola -kenner die om beroepsredenen zijn naam niet in de krant wil, legt ons uit : "Tussen het intellektueel niveau van het VB en de visie en eruditie van een Evola is uiteraard al geen vergelijking mogelijk. Aan het VB een traditionalistische inspiratie toeschrijven is, vrees ik, een schromelijke overschatting van de leeskultuur der VB'ers. Maar het is vooral in politieke oriëntatie dat het VB volledig afwijkt van de Evola -lijn. Wie aan de partijpolitiek meedoet, wie naar de stemmen van de massa dingt, die geeft zich al gewonnen aan het huidige liberaal-demokratische bestel. Evola geloofde in metapolitieke aktie, het scheppen van een geestelijk klimaat, waarna de strukturen vanzelf wel zullen veranderen. "

Als men vandaag Evola leest, vindt men vóór zich niet een VB-programma avant-la-lettre, maar stelt men integendeel vast dat er een wereld van verschil ligt tussen de jaren '30 en de jaren '90. Evola beleed één van de vele rassenteorieën die toen floreerden op de ondergrond van een vaag-racistische consensus, en deze werd vóór de dekolonizatie ook gedeeld door o.m. de demokratische koloniale mogendheden, door Karl Marx, en zelfs in de jaren '50 nog door onze latere anti-apartheidsaktivist Aster Berkhof. Omdat die racistische consensus is weggevallen, kan men (zoals de Nederlandse politoloog van Pools-joodse afkomst Michel Korzec al meermalen betoogd heeft in zijn column in Elseviers), veilig voorspellen dat de terugkeer van een politiek gevaarlijke rassenleer gewoon niet aan de orde is.

Ook tegenover de demokratie is de situatie grondig veranderd. Toen bestond er in sommige landen nog een aristokratie die zich scherp van de burgerij onderscheidde en haar pre-moderne en antidemokratische identiteit kultiveerde, b.v. de Pruisische Junkers, of Evola zelf. Toen was het onder intellektuelen nog gemeengoed, de prille politieke emancipatie van de volksklassen af te doen als een "opstand der horden". De politieke schandalen dienden toen als bevestiging van een bestaand en doordacht misprijzen voor de demokratie zelf, vandaag alleen om binnen het demokratisch bestel bepaalde personen te wraken. Het moeizame begin van jonge demokratieën in b.v. de ex-Sovjet-Unie toont aan dat er voor een veerkrachtige demokratie minstens één generatie praktijkervaring nodig is ; maar het Westen heeft die weg inmiddels afgelegd, en de demokratie heeft hier stevig wortel geschoten. Julius Evola is werkelijk dood.



kader:

KULTURELE SLACHTOFFERS.

In Antwerpen is de swastika terug : zoek hem in het familieschrijn thuis bij Indiase diamantairs die tot de jain-religie behoren. Ook in boeddhatempels van Tibet tot Californië tiert dit rode of gouden zonnesymbool welig, vaak in het gezelschap van een aardesymbool : de sri yantra of zespuntige ster. Terecht negeren Aziaten het feit dat bepaalde westerlingen hun swastika ontleend, verkeerd begrepen, zwart gemaakt en besmeurd hebben. De swastika (Sanskrit : "voorspoed-teken") zal steeds vaker en openlijker in ons multikultureel straatbeeld verschijnen, met hetzelfde recht als het kruis of de wassende maan.

De bijlbundel of fasces (die het Zwitserse kanton Sankt Gallen nog steeds in zijn vlag voert) was een symbool van de vrijheidslievende Romeinse republiek, en heeft niets met het Leidersprincipe te maken, net zo min als de olympische groet, het runenschrift of het Keltisch kruis. Wodan was geen antisemiet. Het woord Arisch heeft in zijn Sanskrit grondvorm niets met ras te maken, doch betekent "beschaafd" of "edel", b.v. in de zachtmoedige "vier edele waarheden" van het boeddhisme. Nazisme en fascisme hebben tal van onschuldige termen en symbolen uit andere tijdperken en kulturen (tot en met de vruchtbaarheid, de viriele kracht, de natuur) belast met hun obsessies, dus met aanslepende en ongerechtvaardigde negatieve associaties.

Julius Evola neemt in dat proces een ambigue positie in. Hij was een criticus van allerlei beunhazerijen die bij teosofen en okkultisten opgeld maakten, maar toch projekteerde ook hij modieuze westerse ideeën op vreemd kultuurgoed. Zo beschrijft hij het taoïsme als een "initiatieke" weg (cfr. de Vrijmetselarij). Van het Indiase kastestelsel beweert hij, met de martiale obsessie die zo typisch is voor het interbellum, dat de krijgerskaste er boven de priesterkaste staat, en dat het hele systeem op een soort raciale apartheid gebaseerd is ; de reïnkarnatieleer is dan een bedenksel van de "vóór-Arische" bevolkingsgroepen. Hij negeert het demokratische element in vele traditionele samenlevingen : de Afrikaanse palaver, de Germaanse landdag. Het is geen goede zaak dat men in bepaalde rechtse kringen vreemde kulturen nog steeds niet eerstehands bestudeert, maar alleen via de verouderde en verre van neutrale Evola-bril.

zaterdag 11 februari 2017

Wegkijken leidt tot censuur


(Doorbraak, ca. 31 januari 2017)


Vrije meningsuiting

Peter De Roover volhardt in zijn oproep om de vrije meningsuiting ten gunste van de radicale islam aan banden te leggen. Het algemene antwoord daarop luidt: verderfelijke meningen bestrijd je in normale omstandigheden met tegengestelde en beter beargumenteerde meningsuitingen. Op dat punt is er geen onderscheid tussen racistische, negationistische, links-revolutionaire en radicaal-Islamitische meningen. Of wel?

Linkse meningsuiters zijn bij ons nooit verontrust geweest. Zogenaamd racistische en negationistische meningen zijn wel gemuilkorfd, trouwens met goedkeuring van al de partijen die nu de N-VA-er de mantel uitvegen. Om de inderdaad wenselijke gelijkheid tussen al die extremen te herstellen, is er één democratische weg: allemaal gelijkelijk toelaten. Als Joachim Pohlmann het vreemd vindt dat de “haat”-emo van Miss België strafbaar is en islamitische haatoproepen niet, dan is de democratische oplossing, ervoor te zorgen dat ook de meningsuitingen van Miss België toegelaten worden (en dat haar vervolger, het antiracismecentrum UNIA, opgedoekt wordt).

Vrije meningsuiting is inderdaad grondleggend en onmisbaar voor de democratie: vooraleer het volk een beslissing neemt, moet het van alle relevante informatie en standpunten kunnen kennis nemen. Het alternatief is een oligarchie waarin de bovenlaag vrij toegang heeft tot informatie die zij aan de onderlaag ontzegt. Je bent ofwel voor de vrije meningsuiting ofwel tegen de democratie.



Tegen de democratie

Nu, dat laatste is geen doodzonde: sedert Plato heeft er altijd beredeneerde en uitgesproken kritiek op de democratie bestaan. In de late 20ste eeuw gold daar echter een taboe op, met verwijzing naar de gevolgen van de wijdverspreide democratiekritiek in het interbellum. Maar nu worden de teugels gevierd en hoort men de aloude argumenten tegen de democratie opnieuw luidop. Tot en met de paus, hoofd van een theocratische organisatie (zelfs de besluitvorming bij stemming in concilie wordt door de Heilige Geest gestuurd), heeft bij Donald Trumps verkiezing gewaarschuwd dat Adolf Hitler ook democratisch verkozen was. Ja, de democratie is een gevaar voor de democratie…

Anti-democratische standpunten zijn dus in de mode. Een ander symptoom van deze neerwaartse trend is de openlijke demonisering van de democratie als zijnde “populisme”. Het summum van populisme is dan de directe democratie: cut out the middle-man, geef inzake de grote beleidslijnen gevolg aan de mening van het volk in rauwe gedaante zonder dat die door een elite van parlementairen naar het eenheidsdenken toe gestroomlijnd is.

Despotisch gezinden gaan soms specifiëren dat zij tegen “directe” democratie zijn, zoals tegen de vele EU-referenda die een voor de eurocraten negatieve uitslag opgeleverd hebben. Maar het blijven dezelfde aloude argumenten pro despotisme: “Het volk kent er niet genoeg van”, “het volk raadplegen is inefficiënt”, “het volk reageert te gevoelsmatig”. De N-VA is tegen directe democratie en leverde, nog als kleine partij, de beslissende stem om een Vlaams referendum over de EU-grondwet te verhinderen. (De andere Volksuniesplinter, Spirit, zorgde daar op federaal niveau voor. De Vlaamse Beweging moet er niet fier op zijn.)



Islam

Maar moeten we islamitische haatpredikanten dan zomaar vrij laten om hun vergif te spuien, vaak met noodlottige gevolgen? Hun woord kan de kantelfactor zijn die iemand naar Syrië doet vertrekken om er te moorden en te sneuvelen; of die iemand zijn wagen op een mensenmassa doet inrijden. Het is op zich een uiting van verantwoordelijkheidszin als men hun invloed wil beteugelen.

Vooraleer we hier tot een steekvlamwet besluiten om hen de mond te snoeren, moeten we begrijpen waarom zij zulke paniekmaatregel zouden rechtvaardigen. Waarom heeft hun advies zo veel impact?
Het antwoord is helaas maar al te eenvoudig: hun woord heeft gezag omdat zij namens de islam spreken. Slechts zeer weinig onevenwichtigen zullen tot een misdaad overgaan gewoon omdat iemand hun zegt dat die daad wenselijk of zelfs een plicht is. Anders wordt het wanneer een voorganger in de jou door je liefhebbende ouders ingelepelde religie je inprent dat die misdaad God welgevallig is. En dat de haat die hij predikt, niets anders dan een daad van vroomheid is.

In deze tekst wil ik niet meer doen dan het werkelijke probleem aanduiden waarvan de haatpredikingen waarover De Roover zich zorgen maakt, slechts een uiting zijn, namelijk de islam. Wat er dan wel aan dat probleem gedaan moet worden, is inderdaad een delicaat en rechtskundig ingewikkeld vraagstuk, zoals Paul Cliteur tijdens zijn recent debat met Wim Van Rooy in de Amsterdamse Balie toegaf. Maar een muilkorfwet is alvast niet de oplossing. Hij zal trouwens contraproductief blijken en tot allerlei geuzengedrag aanleiding geven, zodat de haatpredikers en hun steunbasis nog eens het slachtoffer kunnen uithangen en sympathie vergaren. Genre Madeleine Albright (met vele duizenden Iraakse moslimdoden op haar geweten) die zich “uit solidariteit” als moslim laat registreren.   



Conclusie

Het is toe te juichen dat Peter De Roover het islamprobleem ernstig genoeg neemt om voor één bepaald aspect ervan een bijzondere wet te willen maken. Stoppen met wegkijken is op zich al een politieke revolutie, ook in de N-VA, en wel een broodnodige.

De specifieke maatregel die hij voorstelt, is echter een minder gelukkige. Hij offert een wezenlijke verworvenheid van onze rechtsstaat, namelijk de onbelemmerd vrije uiting van alle meningen, op om daarmee een beperkt en tijdelijk probleem hopelijk uit de wereld te helpen. Bovendien bestrijdt hij daarmee slechts een symptoom van het hele islamprobleem, dat bij het opduiken van zulke wettelijke hindernis heus wel andere wegen kent om zijn machtsstreven kracht bij te zetten. De islam zelf veroorzaakt op allerlei manieren en in heel uiteenlopende landen al veertien eeuwen ellende, en dat wetje in ons landje tegen een terloops uitinkje ervan zal die ellende niet beëindigen: le ventre est encore fécond, d’où a surgi la bête immonde.

.Als men dat immense islamprobleem recht in de ogen kijkt en ophoudt met smoesjes over een “echte, verdraagzame islam”, een “euro-islam”, of zelfs “méér islam als oplossing voor het radicalisme”, doen hoeft men zijn toevlucht niet te nemen tot schadelijke en vruchteloze maatregelen. Dan heeft men geen censuur nodig op het aanleren van een wettelijk toegestane en gesubsidieerde religie.

vrijdag 10 februari 2017

De Āraṇyaka’s, de stem van het woud




(verschenen eind 2015 in het blad van de Theosofische Vereniging, Antwerpen)


Een minder bekend deel van de lange hindoetraditie zijn de Āraṇyaka’s. En het valt te vrezen dat mijn geëerde lezers zich ook na dit artikel niet meteen zo’n Āraṇyaka zullen aanschaffen. Zelfs wie dat wil, zal er moeite mee hebben, want er bestaan geen Nederlandse vertalingen, en Engelse vertalingen zijn zeldzaam. Zelfs de Sanskrit originelen zal je in gespecialiseerde indologische boekhandels in India hard moeten zoeken, want nagenoeg niemand is geneigd om ze te lezen.

De Veda’s (“weten”) bestaan uit verschillende lagen:
  • De Saṁhitā’s of “verzamelingen (van hymnen)”, zelf bestaande uit hymnen of Sūkta’s (< su-vakta, “goed gezegd”), zelf weer bestaande uit verzen of Mantra’s (“denkinstrument”).
  • De Brāhmaṇa’s of “priester-(boeken)”.
  • De Āraṇyaka’s of “woud-(boeken)”.
  • De Upaniṣad-en of “geheimleer”/”metaforische (boeken)”; alleen de “grote” Upaniṣad-en, hoogstens een twintigtal, worden hier bedoeld, want zelfs in recente eeuwen zijn er nog tientallen boeken bijgeschreven die ook Upaniṣad genoemd worden .
In India beduidt men deze vier categorieën samen wanneer men het over “de Veda’s” heeft. Wanneer men daar zegt dat iets “in de Veda’s staat”, bedoelt men gewoonlijk dat het in de meestgelezen categorie staat, de Upaniṣad-en. In het Westen daarentegen is de gewoonte gegroeid om alleen deSaṁhitā’s zo te betitelen.
Er zijn vier Veda’s. Daarvan hebben de Sāma-Veda (“melodieënkennis”) en de Atharva-Veda(“priesterkennis”) geen Āraṇyaka-aanhangsel, de twee andere hebben er elk twee: de Ŗg-Veda(“hymnenkennis”) heeft de Aitarya Āraṇyaka (“woudboek van de Ziener Itara”) en de Kauṣītaki Āraṇyaka(idem), en de de Yajur-Veda heeft de Maitrayanīya Āraṇyaka (woudboek van de zo genaamde school) en de Taittirīya Āraṇyaka (“woudboek van de patrijzen”— toen de latere ziener Yājñavalkya zich tijdens het leren van de Yajur-Veda arrogant gedroeg en zijn leermeester van hem eiste dat hij de gekregen kennis terug zou geven, braakte hij deze uit, waarop de vogels ze oppikten).

Van de Saṁhitā’s leest men doorgaans een bloemlezing. Hun dichterlijk karakter, rijkdom aan beeldentaal (vol verwijzingen die zelfs onderlegde vertalers maar gedeeltelijk begrijpen) en moelijk vertaalbare woordspelingen, maken hen tot zware kost maar hebben ook hun charmes. De Upaniṣad-en bevatten nog ongestructureerde wijsgerige ontboezemingen; mits de afspraak dat men door wat couleur locale moet waden om de parels te vinden, is hun lectuur zeer lonend. De Brāhmaṇa’s en Āraṇyaka’s daarentegen blijven ongelezen: zij gelden als zeer technisch en saai.

Heel grof veralgemenend zou men kunnen zeggen dat de Brāhmaṇa’s het hoe en de Āraṇyaka’s hetwaarom van het ritueel onderrichten, terwijl de Upaniṣad-en het ritueel helemaal overstijgen en zich aan wijsheid wijden. De Brāhmaṇa’s gaan over Karmakāṇḍa, “de (rituele) handelingenhelft”, de Upaniṣad-en over Jñānakāṇḍa, “de wijsheidshelft”, de Āraṇyaka’s zitten daar tussenin. Zij behandelen de wijsheidsdimensie van de elementen van het ritueel. Geheime betekenissen van de woorden, gebaren en substanties die in het ritueel gebruikt worden, krijgen hier hun verklaring.

Boeken uit de vier categorieën overlappen nogal. Vooral de Yajurveda behandelt het ritueel en gaat aldus naadloos over in de Brāhmaṇa’s, boeken met aanwijzingen voor het ritueel. Reeds de oudste Veda, de Ŗg-Veda, bevat diepzinnige gelijkenissen en metaforen die in de Upaniṣad-en hernomen en uitgebreid bespiegeld worden, bv. van de twee volgels die samen op een tak zitten waarbij de ene de bessen opeet en de andere slechts toekijkt, dat als gelijkenis voor het ego dat in de wereld geëngageerd is, en het Zelf dat slechts in zichzelf rust. De Āraṇyaka’s zijn formeel soms slotdeel van de Brāhmaṇas, terwijl delen van de Āraṇyaka’s dan weer tot de collectie Upaniṣad-en gerekend worden.

Āraṇyaka heeft effectief dezelfde betekenis als Upaniṣad: “geheimleer” of “metafoor”. Men spreekt namelijk van “woudboeken” (van Araṇya, “woud, wildernis”) omdat het een inhoud betreft die in het geheim aangeleerd werd, namelijk doordat meester en leerling zich “buiten gehoorsafsand van het dorp”, dus veelal in het woud, terugtrokken. Inhoudelijk betrof het een figuurlijke of metaforische duiding van het ritueel. Het vuuroffer, de begeleidende handelingen of bewegingen en de gereciteerde hymnen waren niet geheim: allen konden er bij openbare rituelen getuige van zijn. De juiste betekenis van al die elementen behoorde daarentegen tot de vakkennis van de ritualist en werd binnen die vakgroep vertrouwelijk doorgegeven.

Een figuur die de vier categorieën omspant is de ziener Yājñavalkya. Hij is verbonden met de Yajur-Veda, is auteur van de lijvige Śatapatha Brāhmaṇa (“priesterboek van de honderd paden”), en wordt uitvoerig geciteerd in de Bṛhadāraṇyakopaniṣad, de “geheimleer van het grote woudboek”. Dit laatste is één van de belangrijkste werken uit de wereldliteratuur. Zoals men zegt dat heel de westerse wijsbegeerte slechts een reeks voetnoten is bij Plato, zo kan men nagenoeg de hele hindoe-boeddhistische overlevering tot Yājñavalkya terugvoeren.


Voorbeelden

Enkele voorbeelden nu uit de Aitareya Āraṇyaka. Het eerste komt uit hoofdstuk 1.3. Het is hier nuttig om weten dat Brahman “het absolute” betekent (vaak ook gewoon Tad genoemd, “dat”), en dat Hiṁ ofwel een willekeurige klank is, een zaadmantra, ofwel specifiek het geloei van de koe (“meuh”), een centrale klank in een veehouderscultuur waar alle jongens als koeienhoeder opgroeiden
:
“1) Laat hem de dag beginnen met Hiṁ te zingen, zeggen ze. 2) Waarlijk, het geluid Hiṁ is Brahman, deze dag is ook Brahman. Hij die dat weet, verkrijgt Brahman door Brahman. 3) Terwijl hij met de klankHiṁ begint, vormen deze mannelijke klank Hiṁ en de vrouwelijke hymne een paar. Zo maakt hij een paar in het begin van de hymne om nageslacht te krijgen. Hij die dat weet, krijgt vee en nageslacht. 4) Of, terwijl hij met de klank Hiṁ begint, zoals een houten spade, zo graaft de klank Hiṁ het Brahman, het extract van de Veda’s, op. En zoals een man eender welke, zelfs de hardste, bodem wil opgraven, zo graaft hij het Brahman op. 5) Hij die dat weet, graaft door middel van de klank Hiṁ alles wat hij verlangt, op. 6) Als hij met de klank Hiṁ begint, is dat het apart houden van goddelijke en menselijke spraak; daarom houdt hij die begint na de klank Hiṁ geuit te hebben, goddelijke en menselijke spraak uit elkaar.”

Het tweede voorbeeld komt uit hoofdstuk 2.4. Het echoot een bekende formule die ook in de Yajur-Veda en de Upaniṣad-en voorkomt: So’ham < Sah aham, “hij--ik” (Hij die in de zon woont, hem ben ik). Dat is eigenlijk de centrale metafoor of betekenisoverdracht: de correspondentie of overeenkomst, “zo boven, zo beneden”:
“6) Dat wat ik ben, dat is hij [de zon]; wat hij is, dat ben ik. 7. Dat is gezegd geweest door een Ziener (Ŗg-Veda 1:115:1): ‘de zon is het zelf van al wat beweegt of rust.’”

Het laatste voorbeeld, uit hoofdstuk 3.6, noemt een basisbetekenis van de bekende klank Oṁ, namelijk “ja”, in sommige moderne Indiase talen voortlevend als het ja-woord Āṁ. Daarnaast is deze oerklank volgens mij eveneens een klanknabootsing van het geloei, maar dan specifiek van de klank waarmee (naar een veeboerin mij uitgelegd heeft) de koe haar kalf naar haar uier roept. Maar hier beduidt hij dus het “ja” van iemand die toestemt wanneer hem om iets gevraagd wordt, dus die steeds maar weggeeft:

“11) Die lettergreep Oṁ [= ja] gaat voorwaarts en is leeg. Daarom, als een man op alles Oṁ/ja zegt, dan heeft hij daarmee gebrek aan dat (wat hij weggeeft). Als hij op alles ja zegt, ledigt hij zichzelf en dan is hij niet langer in staat om te genieten. 12) Die lettergreep Na/nee is vol van jezelf. Als een man op alles nee zegt, dan zou hij een slechte reputatie krijgen en dat zou hem zelfs hier ruïneren. 13) Laat een man daarom alleen op de juiste tijd geven, niet op de verkeerde tijd. Zo verenigt hij het ware en het onware , en uit de eenheid van die twee groeit hij en wordt hij groter en groter.”

Moge de lezer ook aan deze groei deelachtig worden.

dinsdag 17 januari 2017

De baas is een smeerlap




('t Pallieterke, oktober 2006)



            Een vergramde lezer vindt ondergetekende veel te links: “KE’s plaats is bij De Morgen”, zo laat hij aan de hoofdredacteur weten. Man, je hebt nog niks gezien. Toch even deze nuancering: dat nieuw-linkse van De Morgen, dat is mijn ding zo niet, maar het werk van oud-links, dat ben ik met de jaren wel meer gaan herwaarderen. Mij dus liever een baantje bij de Volksgazet.

           Neem nu de stakingsgolf van een jaar geleden. Opvallend hoeveel stemmen in politiek en media toen met de grootste vanzelfsprekendheid het recht van vakbondsmensen om piket te staan in twijfel trokken in naam van het “recht op arbeid”. Toegegeven, piket staan is een vorm van dwang (kom kom, in feite alleen een beetje ontradende druk uitoefenen), die werkwilligen verhindert (nou ja, hindert) om te gaan werken. Dit was een noodzakelijke tactiek in de tijd toen de werkwilligen evenzeer onder dwang handelden, namelijk de dwingende angst om bij stakingsdeelname ontslagen te worden en zonder inkomen te vallen. In de jaren ’70 werd het geweld van de Rote Armee Fraktion gerechtvaardigd met verwijzing naar het “structureel geweld” van het kapitalisme. Een beetje overdreven, die rechtvaardiging, maar het begrip “structureel geweld” lijkt mij nog steeds heel zinnig.
            
Even een vergelijking die flaminganten zouden moeten begrijpen. Toen de Vlaamse beweging in Brussel aan ouders de verplichting wilde opleggen om hun kinderen naar Vlaamse scholen te sturen, repliceerden de Franstaligen dat dit strijdig was met de “liberté du père de famille”: het was toch het recht en de vrijheid van die ouders om voor hun kinderen op de vrije onderwijsmarkt een Franse school te kiezen? Men perkte de vrijheid van individuele Vlamingen in om een vermeend recht (nl. op voortbestaan) van de collectieve Vlaamse natie in Brussel te beschermen tegen het structureel geweld van de verfransing.

En de katholieke lezers zou ik eraan willen herinneren dat de Kerk altijd tegen het kapitalisme (“woeker”) geweest is. Toen de huidige Poolse regeringspartij aan de macht kwam, beschreef een VRT-nieuwslezer haar met blijkbaar oprechte verrassing als “ethisch conservatief maar sterk sociaal gericht”, wat hem deed denken aan “Rerum-Novarum-katholieken uit de jaren ‘50”, de oorspronkelijke CVP. Men denke hier ook aan de Nederlandse Christen-Unie, ethisch rechts maar sociaal links. Men moet niet, zoals links doet, alle minder linkse strekkingen op één hoop gooien en conservatisme met liberalisme verwarren. Toen het liberalisme opkwam, werd het bestreden door conservatieve krachten, waaronder de Kerk. Sinds Thomas van Aquino aanvaardde zij bv. de notie van een “eerlijk loon”. Die komt onvermijdelijk in conflict met de liberale vrijheid om het loonniveau zo laag mogelijk te drukken, zoals nu massaal in de VS gebeurt, waar patroons illegalen aantrekken die voor een grijpstuiver de verworvenheden van de legale arbeiders onderuit halen.

Een symbooldossier in de historische tweestrijd tussen liberalen en conservatieven was de afschaffing van kerkelijke feestdagen, die vooral in katholieke landen ruim in de tientallen liepen en de maximale productie hinderden. De Kerk was tegen de 24-uurseconomie, het monotheïsme van de markt. In het Verenigd Koninkrijk waren het Margaret Thatcher en John Major die de “vrijmaking” van de kalender voltooiden met de afschaffing van de verplichte zondagsrust. Hun partij heette conservatief, maar hun beleid was neoliberaal, dus anticonservatief. Het thatcherisme (parasi-) teerde op nog bestaande gezinswaarden, maar droeg zelf bij tot hun afbraak. Sindsdien heeft de “flexibilisering” steeds meer werknemers uitgeput en gezinnen uit verband gespeeld.

De Thatcher-jaren waren ook de tijd van een omwaardering van goeden en slechten in de economie. Zagen de softe seventies kapitalisten en banken nog als boosdoeners, dan werden dat nu de helden van de welvaartsschepping. Nee, je moest rijken niet via belastingen aan de sociale zekerheid doen meebetalen: als je hun meer van hun rijkdom liet, dan zouden ze zelf wel aan werkverschaffing en soms zelfs aan liefdadigheid doen. Guy Verhofstadt wou zelfs de mogelijkheid scheppen om “uit de staat te treden”, echter zonder aan de betrokken flinkerds de toegang te ontzeggen tot wegen die met gemeenschapsgeld aangelegd zijn. Wel, ik deel de scepsis van Louis Tobback terzake.

Enkele jaren geleden besloot een radioreclame voor een Belgische bank met het zinnetje: “Bank u wel”, een gezochte woordspeling op “Dank u wel”. Ajatollah Chomeini, waar was je toen we je nodig hadden? Als er ooit een doodvonnis wegens heiligschennis gewettigd was, dan wel tegen de maker van die reclame. Gewoon walgelijk om zoiets innigs als dankbaarheid te willen koppelen aan een kil monster als het bankwezen. Elke kleine zelfstandige die al eens in het rood gegaan is, niet door iets fouts te doen maar gewoon door toedoen van de onvermijdelijke wanbetalers (en in mijn sector zijn wanbetalende opdrachtgevers meer regel dan uitzondering), heeft ondervonden dat de banken dan beslist niet aan de kant staan van wie onder- en risico’s neemt. Wel zullen ze je graag bijbrengen hoe het voelt om als het vuil van de straat behandeld te worden. Dan liever kersvers Nobelprijswinnaar Mohammed Yunus van de Grameen Bank in Bangladesj: “Er zijn geen kredietonwaardige mensen, alleen mensonwaardige banken.”

Dus: natuurlijk mag de staat als politieke arm van de natie beperkingen opleggen aan de markt. Libertariërs zeggen: “De markt is moreel”, maar dat gaat uit van een utopisch en onjuist mensbeeld. Ik zou daartegenover een diepchristelijke observatie over de menselijke aard willen stellen: “De baas is een smeerlap.” (Lukas 18:25, of was het Volksgazet?)

Geschokt, iemand? Kijk, wij zijn allemaal zondaars, ook de baas. Bovendien gaat de baas zelf zeer openlijk uit van de veronderstelling: “De werkman is een smeerlap.” Waarom al die camera’s die tegenwoordig de arbeiders bespieden, of ze niet lanterfanten of iets pikken? Waarom de prikklok? De baas meent te weten dat zijn werknemers (van wie Harry Mulisch ooit opmerkte dat zij in feite de werkgevers zijn) bij de minste gelegenheid materiaal of werktijd zullen stelen. Natuurlijk maakt de gelegenheid de smeerlap, in het kamp van de arbeid maar evenzeer in dat van het kapitaal. Het grote verschil is dat de kapitaalzijde veel meer gelegenheid heeft om het spel vals te spelen. Daar mogen wij dus wel iets aan rechtsmiddelen en actievormen tegenover stellen.

Het conservatisme voorbij

(Nucleus, mei 2009)



Wie zich tegenwoordig “conservatief” noemt, behoort nog steeds tot de oppositie, maar is niet langer eenzaam. Nu we met genoeg zijn om te kaarten, kunnen we eens overwegen of we die term niet achter ons moeten laten.

Conservatisme is natuurlijk geen ideologie, en dit zowel om een fundamentele reden als door een historische omstandigheid. Om met die laatste te beginnen, wijzen we op het gebruik onder Amerikaanse (paleo-)conservatieven om de Republikeinse Partij te betitelen als “the stupid party” en de Democratische Partij als “the evil party”. Bedoeld is dat de Democraten een agenda van afbraak hebben, of wat zij “vooruitgang” noemen, terwijl de Republikeinen te stom zijn om daar iets geloofwaardigs tegenover te zetten. Hun beleid bestaat alleen uit reageren op de projecten van de Democraten, soms door zich er voor een tijdje tegen te verzetten, vaak door ze in verdunde vorm over te nemen.

Behalve Ronald Reagan, en dan nog alleen op sociaal-economisch gebied, hebben de naoorlogse Republikeinen nooit veel anders gedaan dan de Democraten op enige afstand nalopen, onder het motto “me too”. De ene kandidaat na de andere verklaarde: “De Democraten zeggen dat ze voor gelijkheid zijn. Ook ik ben daarvoor, maar…” Vandaag bv. pleiten de meeste Republikeinse leiders voor een verwaterde versie van de Democratische opengrenzenpolitiek, en stupid als ze zijn maken ze zichzelf daarbij, tegen alle cijfergegevens in, wijs dat al die nieuwkomers uit dank Republikeins zullen stemmen. In Frankrijk werd in de jaren 1920 al opgemerkt dat de rechterzijde weinig meer deed dan de linkerzijde wat afremmen, zonder er echt tegenin te gaan of er een alternatieve agenda tegenover te stellen. Blijkbaar hebben conservatieven weinig ideologische wortels, zij laten zich door elke nieuwe ideeënwind omverblazen, alleen een beetje langzamer dan de apolitieke vlottende massa.

In eigen land zien we hetzelfde verschijnsel al een halve eeuw bij de CVP/CD&V. Terwijl linkse partijen zichzelf trouw blijven, is deze ooit vaak als conservatief of rechts aangeduide partij altijd met nieuwe ordewoorden meegestapt, zij het met vertraging. De progressieve BSP/SP/SP.a en PVV/VLD zijn al die tijd op hun permissieve koers gebleven wat betreft de ethische vraagstukken, terwijl de CD&V alleen beschaamd kan wegkijken wanneer zij aan haar vroegere standpunten herinnerd wordt. De opiniewind ging immers de permissieve kant uit, dus kon de partij van het brave Vlaamse kerkvolk niets anders bedenken dan schoorvoetend te volgen. De braafheid die de CVP-ers ooit in het gareel van de kardinaal hield, doet hen nu even gedwee meestappen in de tredmolen die door nieuwe gezagsinstanties als de media gedicteerd wordt. Zelfs van het VB zou men kunnen zeggen dat het op afstand de progressieve trends naloopt, zoals in de verschuiving van een terugkeerbeleid om Vlaanderen raszuiver te houden naar een integratiebeleid om Vlaanderen althans cultureel homogeen te houden of te maken. 

Sommigen zullen dat gewoon gezond verstand noemen. Conservatisme is, zeggen zij, iets anders dan zich vastklampen aan stellingen die nu eenmaal onhoudbaar geworden zijn. Extremisme is de echt conservatieven vreemd, zij kiezen immers voor de gulden middenweg. Kan zijn, maar wat die middenweg wel is, wordt dan in feite gedicteerd door degene die de positie bepaalt van de extreme waarden waartussen de middenweg halverwege ligt. Ooit durfde geen enkele linkse partij het idee van homoadoptie opperen (in communistische landen gold homoseksualiteit trouwens als een geval van “bourgeois-decadentie”), terwijl de CVP nooit aan het homohuwelijk zou hebben durven denken. Naarmate links op dat stuk permissiever is geworden, is de CVP-gematigdheid mee opgeschoven, zodat de partij vandaag wel nog aarzelt bij homoadoptie maar althans het homohuwelijk voluit aanvaardt. Nogmaals, het is een open debat waard of dit niet gewoon de beste koers geweest is, maar “conservatief” kan men het moeilijk noemen. En toch is die evolutie typisch voor de meeste conservatieven.

Naarmate dat wat de conservatieven ooit wilden bewaren, verdwijnt, en naarmate dat wat zij ooit als een doemscenario bestreden, de norm geworden is, krijgt de concrete agenda van conservatieven een eerder revolutionair karakter. De Franse nationalist Pierre Vial roept zijn volgelingen tegenwoordig op om zich in de werken van revolutionairen te verdiepen, ook van anti-rechtse zoals Mao en Che, om zich de mentaliteit en de strategische ernst van de revolutionaire strijd eigen te maken. In de VS spreekt de christelijke rechterzijde met voorbarig triomfalisme van de “Christian revolution” tegen het rijk van de Antichrist in Washington en Hollywood. 
Zijn zij ontrouw aan het conservatieve ideaal? Wel, eigenlijk bestaat “het” conservatisme niet. Let wel, ik wil hier niet meedoen aan de postmoderne campagne tegen het “essentialisme”, dat bv. ontkent dat “de” islam een “essentie” heeft, een definitie die objectief bepaalt wie erbinnen valt en wie erbuiten. In de praktijk is dat gewoon een argumentatieve verstrooiingstactiek, namelijk om kritiek op “de” islam buitenspel te zetten, maar er is wel een ernstige theoretische onderbouw voor denkbaar, alleen is die onjuist. “De” islam bestaat immers wel degelijk, elke moslim zal het trouwens bevestigen, hij is “het geloof dat er geen God is behalve dé God (Allah) en dat Mohammed Gods profeet is”. Het conservatisme daarentegen is moeilijk in zulk een leerstellige definitie te vatten.

Het conservatisme is geen leerstelsel of geloof waaraan men trouw zweert. Ziedaar dan de fundamentele reden waarom het conservatisme geen ideologie kan zijn. Toen men de ontlinksende Gorbatsjov een “vernieuwer” noemde en zijn behoudsgezinde tegenstanders in de Sovjetleiding “conservatief”, trof dat als paradoxaal omdat die harde communisten zelf de term “conservatief” als een vloek hanteerden, op gelijke voet met “de reactie”. Maar die paradox is inherent aan het begrip conservatisme. Het is een wantrouwen tegen veranderingen waarvan de gevolgen onoverzienbaar (óf voorzienbaar schadleijk) zijn. Het is in de eerste plaats een attitude, en heeft een sterke gevoelsmatige component. Zoals men zegt: je hebt geen theorie nodig om je moeder graag te zien, en hetzelfde geldt voor het vaderland en voor de voorouderlijke zeden en gewoonten.

In de 19de eeuw werden ook de Britse Conservatieven door hun Liberale tegenstanders reeds “the stupid party” genoemd. De reden daarvoor was deels dezelfde als nu bij de Republikeinen, maar vooral toch het niet-ideologische karakter van het conservatisme. De pleitbezorgers van de Vooruitgang baseerden zich op een welbepaalde analyse van de samenleving en articuleerden op die basis een uitgewerkt politiek project, een doel om naar te streven. De in 1834 door Sir Robert Peel officieel ingevoerde naam “Conservative Party” verwees formeel wel naar iets als een ideologie, maar naarmate nieuwe partijen, zoals de her en der verrijzende socialistische partijen, zich scherp ideologisch gingen profileren, groeide de indruk dat conservatieven vooral gemotiveerd waren door emotionele aanhankelijkheid aan kerk en koning en door de rauwe (niet eens ideologisch ingeklede) klassenbelangen van de gentry, eerder dan door enige specifieke visie op de samenleving. Conservatisme werd door progressieven meewarig bekeken als iets sentimenteels, iets van onnadenkende mensen die gewoon gehecht waren aan het bekende en nooit de verbeelding opbrachten om zich een verbetering voor te stellen.

En zij hadden een punt. “Conservatisme” is vandaag wel leuk als geuzennaam, maar een echt inspirerende gedachte is het niet. De meesten die er echt met hun hart bij zijn wanneer ze zeggen iets te willen behouden, zullen er ook bij zeggen wát specifiek zij behoudenswaard vinden. Christenen bv. zullen zich bij voorkeur christen noemen. In een bepaald tijdsgewricht kan het hooghouden van christelijke idealen met conservatisme samenvallen, maar dat is niet noodzakelijk. “Progressieve christenen” zijn in mijn ervaring vooral meelopers, mensen die op goede voet met de heersende opinie willen staan, maar er bestaan zeker situaties waarin christen-zijn impliceert dat men bestaande gewoonten en instellingen afbreekt.

Eén ideologische stelling die we vandaag bij alle conservatieven horen, is dat progressieven zondigen door een “utopie” na te streven en zich de samenleving als “maakbaar” voor te stellen. Het komt mij echter voor dat belangrijke denkers die vandaag tot het conservatieve pantheon behoren, wel degelijk ook een utopie nastreefden. Confucius dacht in die richting, hij wilde de samenleving via de individuele mensen vervolmaken. Alleen zag hij revolutie en afbraak niet als het middel daartoe, wel het positief bevorderen van alles wat bijdraagt tot de deugd en maatschappelijke harmonie. Niet breken met het verleden, maar organisch voortbouwen op het verworvene. Wil een boom tot in de hemel groeien, dan moet hij niet van zijn wortels ontdaan worden (al kan het snoeien van minder essentiële uitgroeisels wel nuttig zijn), maar gewoon bovenop zijn gegeven grootte blijven omhooggroeien. Daarbij worden de mens en de structuren door Confucius zelfs enigermate als maakbaar beschouwd, als vatbaar voor verbetering, ondermeer door de kracht van het voorbeeld van de superieure mensen die aan hun minder ontwikkelde medemensen leiding geven.

Het confucianisme, en analoog ook het hindoeïsme, kan men wel echt conservatief noemen in deze zin dat zij in hun geschiedenisvisie geen enkele breuk vooropstellen: geen in de toekomst die nagestreefd moet worden, maar ook geen in het verleden. Christenen daarentegen, en joden en moslims, gaan wel uit van zo’n breuk. Zij zien de rol van Mozes, Jezus of Mohammed als een revolutie, als een verregaande breuk met het verleden, één die de geschiedenis onherroepelijk in twee deelt, en die ook de mensheid opdeelt in revolutionairen en contrarevolutionairen, in partijgangers en tegenstanders van de revolutie van Mozes, Jezus of Mohammed. Datgene wat zij vandaag willen conserveren tegen de opdringende vloed van de moderniteit was ooit de inzet van een revolutie. Zij kunnen zich alleen in heel voorwaardelijke en voorlopige zin “conservatief” noemen.

En waarom ook niet? Het is best goed en karaktervormend om zich conservatief te noemen wanneer je daarmee de heersende ideeënmode trotseert. Maar als we nu eens écht over de grond van de zaak nadenken, moeten we de relativiteit van die prettige geuzennaam durven inzien.



Solzjenitsyn adviseert de sovjetleiders


PDFPrint


Een van de nagenoeg vergeten werken van Aleksandr Solzjenitsyn (1918-2008) is zijn Open brief aan de sovjetleiders uit september 1973. In het Nederlands is het toen gepubliceerd bij Baarn samen met een open brief aan de sovjetburgers uit februari 1974 welks titel wél nog vaak geciteerd wordt: Leef niet met leugens.

De Open brief is, naar Solzjenitsyn’s eigen zeggen in het voorwoord bij de publicatie, “ontstaan uit één enkele gedachte: hoe moeten we de ons bedreigende nationale ramp vermijden?” Welke ramp kan een volk nog treffen dat “in de 20ste eeuw meer geleden heeft dan alle andere volkeren van de wereld” en dat behalve de talloze oorlogsslachtoffers “alleen al door de interne politieke en economische liquidatie van vijandige klassen 66 miljoen mensen verloren heeft”? Extra paradoxaal is dat de USSR toen geopolitiek juist op het toppunt van haar macht scheen te staan: Indochina en een aantal Afrikaanse landen waren het pro-westerse kamp aan het verlaten en kwamen in handen van communistische of pro-communistische partijen. De schrijver is niet onder de indruk van deze winst, die voor de sovjetbevolking vooral een extra last betekende: meer nieuwe elites die op sovjetkosten hun macht vestigen. Toch kan hij er niet naast kijken dat het tsarenrijk op zijn hoogtepunt nooit zulk een wereldmogendheid was als de Sovjet-Unie na 1945, één waarvoor in 1973 “hert Westen op de knieën” gaat. Maar ze is een reus op lemen voeten, uiterst kwetsbaar voor twee gevaren.

De eerste dreiging die Solzjenitsyn behandelt, is die van het wild moderniserende westen, niet als militaire vijand maar als aanstekelijk voorbeeld. Net als de 19de-eeuwse slavofielen (een term die zij in hun naïeve goedigheid van hun honende tegenstanders overnamen) wantrouwt hij nog steeds de alzijdige afbraak die door de “westerse” industrialisering veroorzaakt wordt: Hij bepleit “een eigen weg” voor zijn volk, aangezien de hele mensheid geen uniform ontwikkelingspatroon hoeft te volgen. Het zal vele fans van de schrijver misschien tegenvallen dat hij niet alleen de zedelijke en culturele afbraak aan de kaak stelt, maar ook de ecologische. Hij verwijst zelfs naar het toen sensatiewekkende rapport van de Club van Rome. Hoewel vele doemvoorspellingen van dat rapport fout gebleken zijn, blijft het principe onweerlegbaar: er zijn “grenzen aan de groei”. Daar is niks links aan, integendeel: nu leren we “wat iedere dorpsgrootvader al sinds mensenheugenis begrepen had en aan de progressieve publicisten had kunnen uitleggen, als ze zich van hun koortsachtige bezigheden hadden kunnen losrukken: dat een dozijn wormen niet eindeloos aan een en dezelfde appel kan blijven knagen; dat als de aarde een begrensd voorwerp is, ook haar ruimte en haar hulpbronnen begrensd zijn; en dat de eindeloze, onbegrensde vooruitgang die ons door de dromers van de verlichting in het hoofd gestampt is, niet kan plaatsvinden.”

De andere dreiging is een oorlog met China.Sinds 1962 was de rivaliteit tussen de Volksrepubliek en de Sovjet-Unie een publiek geheim dat zelfs de communistische partijen wereldwijd moeilijk konden blijven ontkennen, en dat hen uiteindelijk tot een keuze zou dwingen.Na de reis van VS-president Richard Nixon naar China voelde China zich, of zo vreesden toch de sovjetstrategen, ingedekt en sterk genoeg om een militaire confrontatie met de USSR aan te gaan. De schrijver verwacht niet dat dat een kernoorlog wordt: net zoals weinigen na WO1 nog gifgas op het slagveld gebruikten, zal de ervaring van Hiroshima de oorlogvoerende regeringen er wellicht van weerhouden, dit ultieme wapen in te zetten. Maar evengoed zal dit een uiterst moordende oorlog worden.
Eén deel van de oplossing lag in 1973 voor de hand: de strijd om het leiderschap over het wereldcommunisme zou vanzelf ophouden als de Sovjet-Unie haar funderende ideologie zou afstoten. Er was niet veel kans dat partijsecretaris-generaal Leonid Brezjnev die aanbeveling ter harte zou nemen, maar Solzjenitsyn doet ze toch. Er is echter een niet-ideologische dimensie aan het conflict, toen en nog steeds: de gebiedshonger van het dichtbevolkte China naar het uitgestrekte en grondstoffenrijke Siberië. Vanuit Chinees standpunt is dat een koloniaal wingewest van Moskou, één dat even legitiem tot China zou kunnen behoren.

Nu Siberië ontvolkt raakt, althans door Russen, terwijl Chinezen zich er in groten getale vestigen, is deze kwestie vandaag acuter aan de orde dan destijds. Vandaag geldt nog meer dan toen Solzjenitsyn ze citeerde, de waarschuwing die minister-president Pjotr Stolypin tijdens een debat in de Doema over de Amoer-spoorweg in 1908 uitsprak: “Als we nog langer in onze lethargische slaap gedompeld blijven, zal dit land doordrenkt worden met vreemde sappen en als we wakker worden zal het misschien alleen nog in naam Rusland blijken te zijn.” In het spoor van Stolypin spreekt Solzjenitsyn zich dus uit voor een versnelde ontwikkeling van het Russische verre oosten.

De regering in Moskou moet “het middelpunt van de staatsplanning en de staatsactiviteit (het middelpunt van de bevolkingspolitiek en de ondernemingszin van de jongeren) van verre continenten en zelfs van Europa, zelfs van het zuiden van het land overbrengen naar het noordoosten.” Het zou een technologisch huzarenstuk zijn om zulk bar koud gebied tot een bevolkingscentrum om te vormen, maar de moderne wetenschap, de soms zo verfoeide vooruitgang dus, zou het voor mekaar kunnen krijgen. In de winter zijn Moskou en evenzeer Beijing ook al diep bevroren, dus een nieuw centrum in Werchojansk zou misschien ook wel kunnen. Het zou alleszins een gebaar zijn richting China om de Russische aanspraak op dit gebied te bevestigen. Een voorwaartse verhuizing, dat is de politiek die tot nadeel van uitgerekend de Russen door Kazachstan gevoerd wordt: om de Kazachse aanwezigheid in het overwegend Russische noorden van het land te versterken, is de hoofdstad van het zuidelijke Almaty naar het noordelijke Astana verlegd. Beide hoofdsteden zijn ooit door Slavische kozakken gesticht, maar worden nu bastions van de Turkse Kazachen. Als Rusland dezelfde politiek volgt in zijn grondstoffenrijke noordoosten, kan het dat gebied voor het Russische volk behouden. Sommigen betwijfelen of dit vandaag nog haalbaar is, gezien de demografische neergang. In dat geval wordt Solzjenitsyn postuum de onheilsprofeet naar wie niet tijdig geluisterd werd, namelijk toen de sovjetleiders nog de begoocheling koesterden over een ongenaakbaar duizendjarig rijk te heersen dat spoedig de hele wereld zou omvatten.

Voor het overige bevat de Open Brief tal van terloopse suggesties die Solzjenitsyn bevestigen in zijn profiel als wat men in de VS een “paleoconservatief” noemt. Terwijl een groot deel van de Amerikaanse rechterzijde de militaire uitgaven, de militaire ontplooiing in het buitenland en de militaire dienstplicht steunde, groeiden paleo’s of oerconservatieven hiervan weg. Joseph Sobran getuigt bv. hoe hij als koude-oorlogs-conservatief de Vietnamoorlog en de dienstplicht steunde, maar door verdieping van zijn begrip van de conservatieve uitgangspunten, en vooral door de schadelijke gevolgen van de neoconservatieve interventiepolitiek, geëvolueerd was naar standpunten die hij vroeger als links zou weggewuifd hebben. De Russische schrijver pleit eveneens tegen de dienstplicht en voor een heroriëntering van de nationale energie van buiten- naar binnenlandse initiatieven. Hij wil een einde maken aan de subsidies voor bodemloze putten in Cuba en andere cliëntstaten, onder meer in het Midden-Oosten: “En laten we de Arabieren aan hun lot overlaten, zij hebben de islam, zij redden zichzelf wel.” Uiteraard wil hij “vroeg of laat onze bevoogding van Oost-Europa opgeven”. Als Slavisch patriot wil hij blijkbaar een Slavische unie (al gebuikt hij in zijn geschriften uit de sovjettijd die term nog niet) inbegrepen de inheemse volkeren die inmiddels met het Russische geassimileerd zijn maar zonder die randvolkeren die zich gevangen voelen: “Ook kan er geen sprake van zijn dat wij een of andere perifere natie met geweld binnen de grenzen van het land houden.” Solzjenitsyn was een Russisch patriot maar geen imperialist, integendeel, hij predikte de zelfbeheersing en zelfbeperking, ethische principes die in de politieke sfeer net zo belangrijk zijn als in de persoonlijke.

Tenslotte stelt Solzjenitsyn de vraag of het autoritaire systeem dat Moskou zowel vóór als na 1917 kenmerkte, vervangen kan worden. In tegenstelling met het cliché is Rusland niet altijd autoritair bestuurd geweest, in de middeleeuwen had het zelfbesturende dorps- en stadsraden, en er is niets in de Russische ziel dat democratie per se onmogelijk maakt. Hij voorziet echter geen spoedig einde aan het autoritaire bewind, maar vindt dat geen beletsel voor een positief engagement: “Niet het autoritaire zelf is onverdraaglijk als wel de ideologische leugen waarmee we iedere dag mee doodgegooid worden.” Daarom vraagt hij de sovjetleiders om alvast, ongeacht hun verdere economisch en buitenlands beleid, en ongeacht hun politiek centralisme, de geestelijke vrijheid toe te laten, “eerlijke concurrentie – niet om de macht! om de waarheid! – tussen alle ideologische en ethische stromingen, in ’t bijzonder tussen alle religies”. Zolang het systeem niet verandert, kan desondanks wel de ziel van de leiders veranderen: “Laat er een autoritair systeem zijn, maar dan niet gebaseerd op de onuitputtelijke klassenhaat maar op menslievendheid.” Stalin had geleerd dat goedaardigheid het grootste gevaar is voor het communisme, laten we dus Stalin begraven en goed zijn voor elkaar.


(Nucleus, oktober 2008)