zondag 1 mei 2022
Waarom is links zo eigengerechtig?
dinsdag 19 april 2022
Burgerraden als zoethouder
donderdag 3 februari 2022
Het debat over de Oerheimat
Het debat over de Oerheimat
(Doorbraak, 13 januari 2022)
Vandaag en volgende week gaan we nader in op een debat onder vakgeleerden dat eigenlijk alles heeft om centraal te staan in het modieuze dekolonisatievertoog. Toch wordt het daar vermeden omdat het tot onvoorziene contradicties leidt. Vandaag behandelen we vooral de Europese poot van het debat, volgende week de Indiase.
In 1767 zond Gaston-Laurent Coeurdoux, Frans jezuïet in India, een "mémoire" naar de Parijse Académie waarin hij de verwantschap van de Noord-Indiase en de belangrijkste Europese talen aantoonde. Hij onderkende de talloze lexicale en structurele gelijkenissen van Sanskrit met Grieks en Latijn; en met Perzisch, Germaans, Keltisch, Slavisch, en uiteindelijk ook met Baltisch, Albanees en Armeens. Aldus Sanskrit dva voor “twee”, Grieks en Latijn duo. De gelijkenis wordt groter naarmate men verder in het verleden teruggaat, bv. het klassieke Sanskrit woord rātri heeft geen verband met nacht, zijn Nederlandse vertaling, maar in de oudere Ṛg-Veda vinden we daarvoor nog het woord nakta.
Deze "Indo-Europese" taalfamilie werd internationaal op de kaart gezet door William Jones, Brits rechter in Kolkata, in 1786, die het Sanskrit prees als volmaakter dan Latijn en Grieks. Deze vertonen immers al een aantal vereenvoudigingen, bv. verlies (behoudens enkele restanten) van het tweevoud en van 2 of 3 van de 8 naamvallen. In dit beginstadium vereenzelvigde men de oertaal, de gemeenschappelijke grootmoeder van alle Indo-Europese talen, nog met het Sanskrit. Het stamland van de taalfamilie werd dan ook in India gelegd.
De eerste die er culturele implicaties aan verbond, was Voltaire. Hij schreef in 1775 dat de oorsprong van de Europese beschaving aan de oever van de Ganges lag (wat voor hem vooral betekende: lekker niet in de Bijbelse wereld). Hij was heel representatief voor degenen die uit Coeurdoux' tekst afleidden dat de "oerheimat" van de taalfamilie in India lag. Zo ook Immanuel Kant, Johann Herder, Jules Michelet, en, in zijn invloedrijke boek Sprache und Weisheit der Indier (1808), Friedrich Schlegel. Deze gebruikte als synoniem voor “Indo-Europees” het woord “Arisch” (van Sanskrit ārya, in de Veda’s “volksgenoot, wij”, later “edel”). Dat onze talen uit India kwamen, of wat tegenwoordig de Out-of-India Theory (OIT) genoemd wordt, was een consensus tot omtrent 1840.
In 1834 stelde August Schlegel (broer van) echter de Kaukasus voor als Oerheimat. Tot dan had “Arisch” een louter taalkundige betekenis, ter aanduiding van een taalgemeente die deels blank en deels bruin van huid was. Onbedoeld droeg Schlegel met deze situering echter bij aan de raciale associaties die het Arische vertoog vanaf ca. 1860 zullen beduvelen, want de geleerde Christoph Meiners had in 1785 de Kaukasus aangewezen als het stamland van het blanke ras (vanwaar het Amerikaanse gebruik van “Caucasian” voor “blank”). Later zullen andere gebieden buiten India volgen, zoals de Duits-Poolse vlakte of Anatolië, om uiteindelijk de jongste decennia opnieuw tot een consensus te komen: de steppen ten noorden van Kaukasus. Daar bevond zich in het 4de-3de millennium v.C. de Jamnaja- of putgrafcultuur, en de meeste bronnen hieromtrent zullen je dan ook vertellen: “De Indo-Europese talen zijn gevormd in de Jamnaja-cultuur en vanaf een 3700 v.C. naar oost en west uitgezwermd.”
Vanuit een Oerheimat buiten India kunnen de “Ariërs” maar in India terechtgekomen zijn door een invasie (tegenwoordig ook preuts-geweldloos doch onrealistisch een “immigratie” genoemd), getimed rond 1500 v.C. Daarom heet die hypothese in India de Aryan Invasion Theory (AIT). In de beginjaren werd zij fel bestreden door OIT-getrouwen, zoals Mountstuart Elphinstone, die er onder meer op wees dat de Veda’s geen enkele aanwijzing voor een buiten-Indiase oorsprong bevatten (daar waar de recentere Scandinavische Edda wel nog een herinnering aan een immigratie bevat). Dat argument hoort men vandaag nog steeds, met de toevoeging dat er echter wel emigraties uit India naar het noordwesten in vermeld worden.
Spoedig won de AIT echter het pleit, zodat de OIT tot recent in winterslaap ging. Het wetenschappelijk doorslaggevende argument was dat ook Sanskrit niet de “Proto-Indo-Europese” oertaal had kunnen zijn. Men kon bijvoorbeeld aantonen dat Sankrit aṣṭa (“acht”) al wijzigingen had doorgemaakt sedert zijn oervorm, die beter bewaard was in Latijns-Grieks okto. Uit “Sanskrit was niet de oertaal” leidde men dan, niet geheel logisch, af: “dus India was niet de oerheimat”. De culturele achtergrond die de verschuiving van India naar Oost-Europa in de hand werkte, was de aan gang zijnde demotie van India: van een rijk raadselachtig land in de verte naar een louter kolonie. Dat de studie van de taalfamilie nu niet meer berustte bij westerse in India verblijvende geleerden, maar voortaan gedirigeerd werd vanuit Berlijn en Oxford, verklaart mede het toenemend eurocentrisme.
De inmiddels voortschrijdende racialisering van het taalkundige begrip “Arisch” (tevergeefs bestreden door de oriëntalist Friedrich Max Müller) leidde tot het zoeken en “vinden” van raspassussen in de Veda’s. Het sterkste voorbeeld is het Vedische verslag van de “Slag van de Tien Koningen”, waar de vijanden als asiknī viśa beschreven worden. Men vertaalde dat als “de zwarte stam”, dus zie je wel: de donkere oerbewoners! Nochtans wordt elders in betreffende tekst duidelijk gezegd dat zij van de vallei van de Asiknī komen, de “Zwarte (rivier)”, de huidige Chenab in Pakistan: de Asiknī-stam. Zo werd elke geïnteresseerde westerling op het verkeerde, geracialiseerde been gezet.
De raciale duiding viel bij de Britse kolonisator wel in de smaak. 1. De dynamische blanken veroveren het land van de indolente donkerhuidigen. 2. Bekommerd om hun raszuiverheid stellen zij het kastestelsel in als een soort raciale Apartheid. 3. Helaas trad toch een zekere rasvermening op, waardoor de Ariërs degenereerden. 4. Gelukkig voor hen werden zij gezegend met een orde-brengende kolonisatie door hun raszuiver gebleven kozijns, de Britten.
Die evolutie zou culmineren in het nationaalsocialistische wereldbeeld, dat in de AIT zijn volmaakte illustratie vond. In Adolf Hitlers eigen woorden: “We weten dat de hindoes een mengvolk zijn van de edele Arische inwijkelingen en de donkere oerbewoners, en dat ze tot vandaag de gevolgen dragen: het is een slavenvolk dat er bijna als een tweede jodendom uitziet.” (Warum sind wir Antisemiten?, 1920)
Zo: de Arische-Invallen-Theorie, in onschuld geboren, werd spoedig ingepalmd door kolonialisme en nazisme. Dat zou voor het “dekoloniale” en antiracistische woke volkje toch vanzelfsprekend een neer te halen boeman moeten zijn? Wel, nee, het zijn eerder de critici van die AIT die door uitsluiting en doodzwijgen getroffen worden. Want het Indiase luik van het debat maakt de zaak wat ingewikkelder.
De Oerheimat in India
(Doorbraak, 23 januari 2022)
Nadat de Britten de Arische-Invallentheorie (AIT) ingevoerd hadden, aanvaardden vele Indiërs ze, hoewel hun eigen literatuur geen melding van een buitenlandse oorsprong maakt. Dat omdat ze hen tot verwanten van de Britse heersers verklaarde, of gewoon uit kritiekloos ontzag voor de westerse wetenschap. Sommigen voegden er eigen argumenten aan toe: Balagangadhara Tilak, onafhankelijkheidsstrijder, duidde Vedische zinnetjes over dag en nacht als verwijzingen naar de poolnacht, vandaar zijn boek Arctic Home in the Vedas (1903). Ook Indiase nationalisten dus: de stichtingsmythe van zo veel naties begint met een immigratie of verovering, dus waarom geen Arische invasie? Anderen (Sri Aurobindo, Bhimrao Ambedkar) verwierpen de AIT maar konden tegen het gezag van de westerse academici niet op. Pas in 1982 zouden nieuwe inzichten de Out-of-India Theory (OIT, term van de Amerikaanse oriëntalist Edwin Bryant, 1997) nieuw leven inblazen.
De wereld was inmiddels veranderd. In 1865 schreef Charles Darwins leerling Thomas Huxley: "Tenzij filologen het anders kunnen aantonen, vergt een verandering van taal ook een verandering van bloed." De volgende decennia werd de Indo-Europese taalkunde overwoekerd door raciale interpretaties, synchroon met de opkomst van schedelmetingen in de antropologie. Die bereikten begin 20ste eeuw een hoogtepunt bij Gustav Kossina, die het Noord-Europese type als de "echte" Ariërs aanwees, zodat donkerblanke en bruine Ariërs rasgemengde geassimileerden van de zegevierende noorderlingen moesten geweest was. Na 1945 raakte deze uitdrukkelijke vereenzelviging van taal met ras echter in onbruik. Maar.
De mentaliteitswijziging die in Europa op de implosie van het nationaalsocialisme volgde, ging aan India voorbij. Bijvoorbeeld, Winston Churchill, hier als verzetsleider tegen de nazi's verafgood, blijft in India gehaat wegens zijn openlijk racisme en medeschuld aan de Bengaalse hongersnood van 1943. Dat de vrijheidsstrijder Subhas Chandra Bose (alias Netaji, "Führer") zich bij de Asmogendheden aansloot, is nooit een bezwaar geworden: Kolkata noemt een luchthaven naar hem, en zijn politieke partij is na 1945 blijven bestaan als coalitiegenoot van de Communisten is het Bengaalse deelstaatbestuur. De gelukbrengende swastika, elders taboe geworden, siert er onverminderd de tempelmuren en bruiloftsaankondigingen. Het begrip "nationalisme" werd hier door het Duitse beroep daarop negatief geconnoteerd, terwijl zowel de Congrespartij als de hindoe-activistische partijen zich onbeschroomd nationalist blijven noemen. India voelde zich niet betrokken bij de Europese oorlogsthema's.
Het rasdenken over de Indo-Europese kwestie ging onverminderd door. De officiële geschiedenisversie is tot vandaag onder uiteenlopende regeringen in de geschiedenisboeken (en officiële websites) hernomen. De implicaties van de AIT voor India waren nochtans verdelend: de “inheemse” Dravidiërs, lagere kasten en tribalen tegen de “Arische” Noord-Indiërs, hoge kasten en niet-tribalen. Ze staat centraal in elk separatistisch of oproerig vertoog. Het AIT-wereldbeeld is de bestaansreden van enkele partijen, maar leeft ook in de Congrespartij. In 2015 riep fractieleider Mallikarjuna Kharge in het parlement tegen Noord-Indiase kabinetsleden: "Jullie Ariërs horen niet thuis in India!" Behoorlijk ongerijmd: mensen het burgerschap weigeren omdat hun voorouders 4000 jaar geleden elders woonden. Maar in India is het bittere ernst.
In onafhankelijk India werd de AIT alleen maar belangrijker en schadelijker. Toch heeft, in tegenstelling tot wat je vaak hoort, de regerende BJP (Indiase Volkspartij), doorgaans als "Hindoe-Nationalistisch" omschreven, helemaal niets ondernomen om de AIT te counteren, niets geïnvesteerd in onderzoek, noch de geschiedenisboeken herschreven. Nochtans is daar aanleiding toe: de AIT prikkelt tot diverse separatismen, terwijl nieuwe gegevens de AIT tegenspreken.
Een handvol vorsers, meestal werkend buiten hun formeel domein, hebben zich ten persoonlijken titel op de kwestie gestort. De belangrijkste is Shrikant Talageri, recent gepensioneerd als klerk in een bank. In zijn werk The Rigveda, a Historical Analysis (2000), toont hij aan dat India’s oudste boek genoeg feitelijke gegevens bevat om een migratiegeschiedenis voor het 4de-3de millennium vC te reconstrueren.
Hoofdpunten daarin: 1) de Vedische hymnen, later in heel India verspreid, waren oorspronkelijk een stamtraditie van de Paurava’s, gestart door hun koning Bharata en zijn hofpriester Bharadhvaj. 2) Hun perspectief verschuift van het Ganga-gebied westwaarts naar hun historisch hartland Haryana, dan westwaarts expanderend naar Panjab en soms penetrerend tot in Afghanistan; deze westwaartse gradiënt is tegengesteld aan de oostwaarts immigratie geponeerd door de AIT. 3) Hun centrale levensader is de Sarasvati-rivier, waarlangs de belangrijkste concentratie van steden uit de Harappa-beschaving (2600-1900 vC) gevonden is, maar die rond 1900 vC tot een beekje verschrompeld is. 4) De Paurava's verdrijven nauwverwante buurstammen naar Afghanistan: de Druhyu's, dan de Anava's. 5) De Anava's of Dasa's, wier nederlaag en vlucht beschreven wordt, zijn via hun namen en godsdienst herkenbaar als de Iraniërs; hun eigen verslag van de beslissende veldslag in de Avesta komt sterk met het Vedische verslag overeen.
De archeologie bevestigt dit scenario: de tijd van de geponeerde Arische inval vertoont geen nieuw type aardewerk of klederdracht of uitvaartgebruiken, in tegenstelling met Europa, waar de invasie vanop de steppen uit een volledige omslag in materiële cultuur blijkt. Ook het snel toenemende genetische bewijsmateriaal vertoont dit contrast: in Europa een heuse omvolking, in India continuïteit.
In het taalkundige debat zijn de Indiërs praktisch afwezig, maar in de exacte wetenschappen schitteren ze. Aanvankelijke beweringen dat genetisch onderzoek een influx vanuit Centraal-Azië bewijst, zijn weerlegd door onder meer Abhijit Chavda en Raj Vedam. Het significantste gen hier, R1a1, kenmerkt de bevolking van Oost-Europa, de Altai-streek, en India, en schijnt verenigbaar met een migratie van Oekraïne naar India. Maar het gen blijkt ouder en gedifferentieerder in India. De genetica van begeleidende dieren blijkt nog duidelijker: muizen, die de kruimels van migrerende mensengroepen volgden, blijken deels uit India te stammen; en het vee in Oekraïne en Syrië heeft zeboe-voorouders.
Enzovoort: er beweegt iets in dit debat. Normaal zou dat ter linkerzijde geestdrift wekken: de "koloniale, racistische" AIT ligt onder vuur. Echter, de OIT-bis-bedenkers worden (bij sommigen ten onrechte, maar meestal verdedigbaar) tot "the Hindu Right" gerekend. Dat blijkt voor het woke volkje, hoogleraren inbegrepen, voldoende om deze hernieuwde theorie te verketteren en zo lang mogelijk dood te zwijgen. Verschillende westerse professoren (Joanna Nichols, Claus Peter Zoller) hebben taalkundige ontdekkingen gedaan die impliciet tegen de AIT pleiten, maar hebben onder druk van collega's hun bevindingen deels ingeslikt. Op dit ogenblik geniet de AIT de patronage van het woke Bestel en is de OIT het dissidente standpunt. Maar ook die slinger zwaait wel terug.
dinsdag 7 december 2021
Satire, niet voor doetjes
(kortere versie op Doorbraak, 15 november 2021)
Nu Johan Sanctorum over de
pensioenleeftijd heen is, vat hij de opgedane kennis van een hele loopbaan
samen in enkele boeken die wel een tijd een vaste referentie over hun onderwerp
zullen blijven: de lange mars door de instellingen van de achtenzestigers (een
ontwikkeling die zich precies over zijn volwassen leven uitstrekt), de
manipulatie van de media, en het cultuurmarxisme. Zijn nieuwste uitgave Terug
naar Malpertus behandelt het spanningsveld tussen stoute humor en de
opdringende meningdictatuur bekend als woke. Het rolmodel dat hij
hanteert is de rebelse vos Reynaert, die vanuit zijn “burcht” Malpertus de
draak stak met koning Nobel en diens gevolg.
"Satire is niet voor
doetjes" (p.84), bezweert hij ons. In dat opzicht was het een goede
leerschool dat hem aan het begin van zijn loopbaan een doctoraatstitel ontzegd
is, namelijk toen uitkwam dat zijn vader heel erg fout geweest was in de
oorlog. Ook toen al speelden twee elementen van de vandaag helemaal ontketende woke-golf:
cancel culture ofte uitsluiting van ongewensten uit fatsoenlijke
platformen, en de onmogelijkheid van verlossing eens je uit een fout nest
blijkt voort te komen. De nazi’s noemden dat laatste Sippenhaftung, en
een hedendaagse toepassing is de aansprakelijkverklaring van alle blanken aan
de misdaden (hoewel niet de verdiensten) van sommige blanken uit het verleden.
Alleszins, Sanctorum heeft ervan geproefd lang voor de huidige orgie van woke
(zelf)beschuldigingen.
Woke is dan ook een karikaturale uitvergroting, bijna een
zelfsatire, van handelwijzen en attitudes die al veel langer bestaan. Vandaag
afficheert het zich vooral als links, maar het is bijvoorbeeld niet eens zo
lang geleden dat de katholieke onderwijskoepel als grootste werkgever van
Vlaanderen zijn werknemers al voor kleine afwijkingen van de rechte leer
broodroofde en op de zwarte lijst zette.
Vandaag is het echter onmiskenbaar
dat links, na meedogenloze hoogtepunten van spot in de nasleep van 1968 (toen
het satirische blad Hara Kiri door Charles de Gaulle verboden werd en,
in toespeling daarop maar onder een onheilspellend gesternte, hersticht werd
als Charlie Hebdo), een zure vijand van alle politieke humor geworden
is, “humorloos” (p.91). Satire geldt nu als rechts, iets voor ’t Pallieterke
en ’t Scheldt (waarvan hij het humorgehalte bij alle verdienstelijke
onthullingsjournalistiek toch maar pover vindt). Spot via de nieuwe taal van de
memes geldt meteen als “far-right humour” (p.80). Komieken die links
begonnen zijn, gaan nu de hete onderwerpen uit de weg (bv. Kamagurka, naar
eigen zeggen), óf zijn, parallel met vele ernstigere denkers, zelf een eind
naar rechts opgeschoven. Aldus bv. Urbanus, volgens zijn huidige critici een
“rechtse zak”.
Een eindeloze bron van vermaak is
het “ultrafeminisme” (p.50) uitgedragen door een heir van gesubsidieerde
vrouwen en af en toe een “excuusguus” (p.52). Wie daar tegenin gaat met
uitspraken die vroeger aan de toog gemeengoed waren, zoals Jeff Hoeyberghs,
wordt nu met zijn “spontaneïstische satire” (p.80) het middelpunt van
controverse. Het illustreert de wetmatigheid dat satire onverwacht opduikt,
niet langs formele kanalen waar het Bestel via de uitlaatklep van brave humor
door beroepscomedians (Geert Hoste) de controle probeert te behouden: “Grappen
met het opschrift 'dit is humor' zijn waardeloos als kritisch genre.” (p.66)
Dit boek is elitair: weliswaar heeft
iedereen het recht om humor af te scheiden, zelfs kritische humor ofte satire,
maar in de feiten zijn de satiristen in ons land op enkele handen te tellen.
Huichelen past niet voor een hekelschrijver, en Sanctorum laat onbeschroomd
verstaan dat hij tot die keurploeg behoort, maar de meeste lezers niet.
Inderdaad, voor velen zal dit een eerste kennismaking zijn met het gezichtspunt
van een vakman, die alleen de collega’s die er hun leven voor gelaten hebben,
moet laten voorgaan.
Er is bij de massa wel een
democratisering van het gecensureerd worden en van het geklaag daarover: mensen
die knus achter hun scherm en vaak zelfs onder schuilnaam meninkjes ten beste
geven. Deze “gratispolitiek op de meningenmarkt” (p.85) doet hen dan een onschadelijk
klein beetje proeven van wat voor anderen een doodvonnis, een daadwerkelijke
terechtstelling of op zijn minst broodroof zou betekenen: ze worden door
Facebook geband. Want inderdaad, wat in de beginjaren een rijk van de vrijheid
leek, een vrijplaats waar je rond de gevestigde media heen stoute standpunten
kon verkondigen, staat vandaag zelf bekend om zijn ingrepen tegen fout geachte
meningvorming, zowel subtiele (shadow-banning) die dagjesmensen niet
eens door hebben, als brutale. Daar kunnen ze dan erg over doen: “Ik ben in de
Facebook-gevangenis gezet!” Sanctorum is niet onder de indruk.
Over de carnaval in “Ojlst” (p.87)
is hij uitgesproken pro het recht op ongebreidelde spot, inbegrepen de
praalwagen die internationaal als antisemitisch weggezet werd. Inderdaad,
evenmin als andere meningsuitingen moet satire gebreideld worden, maar de vraag
die hier niet gesteld wordt, is: was dit wel satire? Werd er een wantoestand
gehekeld? Hadden de joden iets gedaan waarmee nu maar eens ongezouten de draak
moest gestoken worden? Bij mijn weten was het alleen een uitvergrote toespeling
op het “sabbatjaar” waartoe de groep besloten had. Het was geen opstap tot
volkerenmoord, wel een grap zonder pointe.
Sanctorum acht de satire zelfs in
staat om de islam te doen “afbrokkelen” (p.100). Wie weet, maar tot nu toe
heeft de islam een grote voorsprong is het toebrengen van slagen en
verwondingen aan zijn hekelaars: regelrechte moorden, halfgeslaagde of mislukte
pogingen daartoe, uitsluiting of broodroof via zijn woke handlangers, en de
verspreiding door overheden van islamvriendelijke smoezen. Ik vrees dat de
gewenste ontmanteling van de islam er maar zal komen door het verspreiden van
harde kennis over de problematische theologie en geschiedenis van de islam.
Anderzijds kunnen we het ook lezen als een oproep tot steeds betere satire,
zodat moslims zich belachelijk gaan voelen zolang ze Mo achterna blijven lopen.
Alleszins gaat de islam ons
paradoxaal genoeg voor in het darwinisme (p.117), in zijn moderne vorm gewraakt
door moslims die het uit de biologielessen geweerd willen zien. Door
ongelovigen “apen en varkens” te noemen, poneert de profeet alvast de dierlijke
basis van veel menselijk handelen. Zoals auteur “Willem die Madocke maeckte” in
zijn Van de vos Reynaerde doet.
Over de taal heb ik wel een paar
opmerkingen. Op p.83 staat: "Voor elke verboden spotprent is er een
cartoonist die hem toch tekent, al doen er 99 collega's het in hun broek: het
gaat om die ene." Inhoudelijk geen probleem: er is inderdaad een soort adel
van de satiristen, namelijk de weinigen die de grenzen aftasten, onderscheiden
van het talrijkere plebs dat binnen zijn comfortzone blijft. Maar heeft “de
spotprent”, vrouwelijk, als voornaamwoord “hem”? (Niet alleen voor de wokes
zijn voornaamwoorden belangrijk.) Dat zou als hollandisme kunnen begrepen
worden, een akte van onderdanigheid vanwege de Vlaamse uitgever, want in het
noorden is het vrouwelijk nagenoeg verdwenen (al komt het langs de achterdeur
terug binnen als het geslacht van collectiviteiten: “het land en haar
inwoners”). Een zelfde verschoningsgrond geldt dan voor “rede”, hem. (p.91).
Maar niet meer voor de inpalming van onzijdige woorden door het mannelijk: “het
verleden”, hem. Drukfout?
Bij dat woord “verleden” vergist de
auteur zich ook van woordafleiding: het betekent niet “van leed ontdaan”
(p.111). Laten we het zo eenvoudig mogelijk uitleggen, zonder er Oud-Germaans
of Gotisch bij te halen. Je kan de grondbetekenis van lijden deduceren
uit zijn causatief “leiden”: doen gaan. “Lijden” betekent dus “gaan”, vandaar
de Duitse vertaling van verleden als Vergangenheit. De daaruit
gegroeide betekenis ondervinden kunnen we begrijpen door analogie met
het tweede lid van ondergaan, of door het synoniem ervaren, uit varen.
Het verschil met het woord leed, waarvan Frans laid, “lelijk”,
zelf trouwens uit ledelijk, zien we in het Engels, waar *lide
niet meer bestaat maar zijn causatief lead wel. Nu moeten we het
verschil beseffen tussen de tandklanken in Engels, Nederlands en Duits: th-d-d,
bv. thief-dief-Dieb, en d-d-t, bv. dance-dans-Tanz; dus wat in zowel Engels als
Duits twee verschillende klanken zijn, th/d resp. d/t, vallen in
het Nederlands samen als d. De eindstamklank van de tegenhanger van leed,
namelijk loath, verschilt van die van lead. We krijgen daar de
tripletten loath-leed-leider (“spijtig”) versus lead-leiden-leiten. Om het
extra verwarrend te maken, is lijden later toch beïnvloed geworden door
de betekenis van leed, dus “leed ondervinden”, echter zonder dat die
betekenisverschuiving overgegaan is op het afgeleide woord verleden.
Zo, daarmee heb ik de
recensentenplicht vervuld van ook wat kritiek te geven. Voor de rest wil ik het
boek en zijn boodschap zeer aanbevelen, ook al omdat ik me kan aansluiten bij
Sanctorums besluit: “Ik ben heel optimistisch. We zullen deze woke-tijden
overleven, net vanuit de wildernis. Vanaf dan is er geen weg terug en kunnen
zelfs fatwa's de dijkbreuk niet stoppen" (p.125) De internettechnologie is
immers zodanig dat men tegen alle censuurpogingen in toch altijd sluipwegen kan
vinden om het Bestel uit te dagen, een nieuw soort guerrilla. "Alle wegen
van de vrijheid leiden naar het internet" (p.92), waar moderne versies van
straatfilosofen als Socrates en Diogenes hun pret niet opkunnen.
Ten afscheid klopt hij zich op de
borst dat hij de lezer “het credo geleerd heeft”, zoals Reynaert bij
koningsgezant Cuwaert de haas deed. Maar wat die onschuldig ogende uitdrukking
hier betekent, daarvoor zult u het boek zelf moeten lezen.
Johan Sanctorum: Terug naar
Malpertus. Over humor in woketijden, Doorbraak, Antwerpen 2021, ISBN 978
949 3242425, 126 pp.
woensdag 2 juni 2021
Neoracisme versus islam in Antwerpen
Neoracisme versus islam in Antwerpen
(Doorbraak,
31 mei 2021)
Via
haar webstek verspreidt de stad Antwerpen, in feite de heersende coalitie, een
aantal cultuurmarxistische geloofspunten. Om het probleem niet te overdrijven, erkennen
we dat het in de mond van de schrijfsters een softe variant van het
woke-vertoog geworden is. Het had erger gekund: ‘Wij gebruiken in onze
vormingen de benaming “wit privilege” niet. Wij spreken liever van
privileges, zonder het woord “wit” eraan te verbinden. We moeten zorgen dat we
door het uitspreken van de woorden “wit privilege” geen wig gaat drijven tussen
mensen. We moeten proberen om woorden zoals “slachtoffers” en “schuldigen” te
vermijden. We moeten er over praten, maar op een constructieve manier.’
Je kan het natuurlijk ook anders zien, in een
bredere woke-strategie. Een softe voorhoede is nuttig om de weerstand te
ontwapenen en in verwarring te brengen, zodat in een volgende fase de agressie
des te effectiever kan toeslaan. Zij kan des te beter enkele basis-wokismen
ingang doen vinden, zoals de woordkeuze ‘wit’. Maar de inschakeling van deze dames
in een overkoepelende strategie laten we, tot bewijs, liever aan de
samenzweringsdenkers over. Het effect blijft echter hetzelfde: velen die aan
een robuustere versie aanstoot zouden nemen, laten de softere versie door.
Kijk
eens naar deze bewering: ‘Een wit persoon die een aanslag pleegt wordt vaak
omschreven als “psychisch ziek”, iemand met een andere huidskleur wordt dan
eerder omschreven als “terrorist”.’
Dat
is gewoon niet waar. De schoolmoorden die in vooral de VS soms het nieuws halen
(vooral als de dader blank is; mediaconsumenten weten niet dat kleurlingen hier
ook een ruim aandeel in hebben) wijzen natuurlijk op een psychisch probleem,
zowel bij blank als zwart. Wanneer er geen ideologische beweegreden aanwijsbaar
is, gebruikt men noch bij blank noch bij zwart de term ‘terrorisme’. Wel zou
men het vroeger bij Afro-Amerikanen een kwestie van een ‘cultuur van geweld’
genoemd hebben, wat overeenkomt met de veel hogere geweldgraad tussen zwarten
onderling. (Nu houdt men het gewoon op doodzwijgen: geen enkele mediaconsument
heeft er bijvoorbeeld al van gehoord dat de BLM-opflakkering voor een gevoelige
stijging van het stedelijk geweld en het moordcijfer gezorgd heeft.)
De
term ‘terrorist’ wordt niet voor mensen ‘met een andere huidskleur’ gereserveerd:
onmiskenbare terreurdaden zijn in de VS al gepleegd door blanke Tsjetsjenen,
Levantijnen en inheemse bekeerlingen tot de islam. Maar ook niet-islamitische
gemotiveerde ‘blanke’ terreurdaden in Oslo en Christchurch (extreemrechts) of
door de UNA bomber (eco-extremisme) zijn bij de juiste naam ‘terrorisme’ genoemd.
Zwarten die aan ideologisch gemotiveerd geweld doen, bv. de moord op Malcolm X
door de Nation of Islam, zien hun daden al eens als ‘terreur’ omschreven, maar
meestal ontsnappen zij aan die categorisering. Het geweld van Black Lives
Matter wordt juist niét zo genoemd, enerzijds omdat de media er in geen geval
een negatief etiket op willen kleven, anderzijds omdat het te wild en
ongecoördineerd is om aan een bewust opzet toe te schrijven.
Wie
op wereldschaal kijkt, ziet dat islamitisch terrorisme zich weinig van
huidskleur aantrekt. Dit jaar is het Westen redelijk gespaard, maar zijn er wel
pas nog een vijftigtal Afghaanse schoolmeisjes door de Taliban omgebracht. Het
zwaartepunt van de islamterreur ligt momenteel in zwart Afrika, waar het in
vooral Nigeria en Mozambique sinds januari al duizenden vermoord heeft. Wanneer
zelfs de media gedwongen zijn om tegen hun zin toch over islamterrorisme te
berichten, bv. over de Paasaanslagen in Sri Lanka 2019 waar bruine moslims 267
bruine christenen vermoordden, maken zij normaal geen onderscheid naar huidskleur.
Alleen onder de Europese klokkentoren poneren zij een ongerijmde tegenstelling
tussen ‘wit en moslim’.
De
factor islam laat zich niet in een huidskleurenvertoog wegmoffelen. Moslims
zijn door de eeuwen heen in de praktijk vervaarlijke racisten geweest, onder meer
in de miljoenvoudige blanke en zwarte slavernij. En nu nog zijn ze veel
openlijker racistisch, ginds omdat ze onze conditionering om racistische
uitingen achterwege te laten, nooit gekregen hebben; en hier omdat ze goed
weten dat dat antiracismevertoog voor de Vlamingen bedoeld is terwijl zijzelf
van de slachtofferbonus mogen genieten. Maar de islam als leerstelsel is
nauwelijks racistisch.
Onze
woke vrienden zouden aanstoot kunnen nemen aan de Koran-voorspelling dat de
verdoemden bij het oordeel een zwart gelaat zullen krijgen en de hemelgangers
een blank (3:102/106), maar strikt genomen zegt die passus niets over wie
vandaag zwart of blank is, ‘alleen’ dat blank gunstig is en zwart het
tegendeel. De echte tegenstelling is die tussen ongelovigen en gelovigen, en in
de laatste categorie probeert men iedere ongelovige in te lijven, ongeacht
huidskleur. De islam als leerstelsel past niet
in de kinderlijk-eendimensionale denkschema’s van de neoracisten.
Nog
zo’n flutbewering waarmee het Antwerps stadsbestuur u opvoedt: ‘Het feit dat je vrouw bent, een religieus teken draagt en
ook nog eens gekleurd bent, maakt dat je op de allerlaatste trede van de
privilege-ladder staat.’
Nee,
een Tibetaanse vrouw in volkseigen en geafficheerd boeddhistische klederdracht
zal daar onder Vlamingen geen nadeel van ondervinden. Integendeel, men vindt
dat kleurrijk en exotisch, een bron van nieuwsgierigheid. Geldt dat ook voor
vrouwen met hoofddoek? In sommige contexten wel: toen ik in 1988 voor het eerst
met Gulf Air naar de Emiraten vloog, zag ik de nieuwigheid van tientallen
vrouwen in Niqaab, een sluier die alleen de ogen vrij laat. Dat vond ik wel
exotisch en interessant -- in Arabië; en ik maakte me de bedenking dat die ogen
zo veel verleidelijker worden. Maar in het Vlaamse straatbeeld krijgt de
hoofddoek een heel andere betekenis: hij benadrukt doelbewust de kloof tussen
moslims en de rest. Hij legt aan ongelovige mannen de islamnorm op dat moslims
voor hen onaanraakbaar zijn: afblijven! Hij doet, om het in woke-jargon te
zeggen, aan ‘othering’.
Als
de hoofddoek wantrouwen opwekt, is dat niet omdat de Vlamingen zulke bekrompen
angst voor het exotische koesteren, zoals arglistige diversiteitsprofeten en
hun domme meelopers het voorstellen, maar wél omdat men er terecht een teken
van vijandigheid in ziet. En nog minder heeft het met huidskleur te maken: ook
de Vlaamsgeboren gesluierde weduwe van een Syrië-terrorist wekt dat wantrouwen
op. Pogingen om het islamprobleem binnen het bereik van het huidskleurvertoog
te trekken, zijn een blijk van ofwel dom zijn ofwel het publiek als dom
bejegenen.
Persoonlijk
verkies ik de confrontatie met moslims boven die met neoracisten. Die met
moslims prikkelt tot debat en het bovenhalen van gegevens en inzichten die voor
de islamleer problematisch zijn, en tot discussie op hetzelfde niveau, met
mensen die ideologie, ook al hebben ze er een tegengestelde mening over,
alleszins evenzeer belangrijk vinden, en die hun tegenspeler proberen te
overtuigen. Met neoracisten daarentegen is geen echt gesprek mogelijk: ze
hebben geen niveau, en vooral, voor hen ben je al door je geboorte veroordeeld.
Kortom:
niemand heeft voor de N-VA gestemd omdat hij nood had aan zulk beledigend betuttelracisme. Wanneer
gaat zij het zelfrespect hervinden?
(Genoemde personen: UNA bomber [=Theodore Kaczynski], Malcolm X.)
Een verslag uit het Waterman-tijdperk
Een verslag uit het
Waterman-tijdperk
Welkomveld:
herinnering en inzicht. Verslag van een spirituele ontdekkingsreis (Welkomveld,
Den Haag 2014) is een soort autobiografie van de schrijver, Geert-Jan Balvert
(°1958-). Deze oud-hippie is nu cultuurwetenschapper, leraar Duits, en
spiritueel coach. Na veel omzwervingen is hij in Den Haag gaan wonen, gelukkig getrouwd met een oer-Hollandse schone.
Hun kennismaking en toenadering vormt de gelukkige afloop van dit boek. Maar
voor het zo ver is, moet de held van het verhaal van alles doormaken. Als je
ooit wil weten hoe de denkwereld van een spirituele zoeker eruit ziet, dan mag
je dit boek niet ongelezen laten.
Bhagwan
Op het eerste gezicht is de as waarrond deze ontdekkingsreis
draait, zijn zeer actieve betrokkenheid bij de beweging van Bhagwan Shree
Rajneesh (1931-90), alias Osho, precies samenvallend met de jaren ‘80. Daarin
werd de Indiase overlevering van verzaking aan de wereld gekoppeld aan de
westerse humanistische psychologie met haar ideeën van zichzelf worden, taboes
doorbreken en zich laten gaan. De Indiase buren van Bhagwans hermitage in Pune
dachten er het hunne van, maar het soort westerlingen dat daar samentroepte was
enerzijds vrank en anderzijds erg onwetend van de beschaving waaruit hun goeroe
voortkwam. Levenslustige jongelui die zich daar van hun remmingen kwamen
bevrijden (anders gezegd: rondneuken), noemden zich sannyasin, “verzaker”, “alles-weggooier”, hoewel hun levensstijl
het tegendeel was van wat Indiërs zich bij die term voorstellen.
Dit boek geeft dan ook een beknopte inside-geschiedenis van de opkomst en ondergang van de Bhagwan.
Begonnen als een kruising van allerlei Oosterse spirituele technieken met een
modern-Westerse levensstijl van vrijheid-blijheid, kwam zijn beweging in handen
van zijn privé-secretaresse Ma Anand Sheela (een echt Indiase naam, °Sheela
Patel, Baroda 1950-, door huwelijk Silverman, later Birnstiel), die er een
dictatuur van maakte. Vooral de verhuis van de Indiase stad Pune naar de Amerikaanse
staat Oregon, waar op een uitgestrekt ranchterrein de stad Rajneeshpuram
gebouwd werd, 1981-85, was onzalig en liep op een ramp uit. Geert-Jan Balvert
had er naar eigen zeggen van het begin geen goed oog in. Hij noemde het
zelfbewierokende weekblad Rajneesh Times
“de Pravda” en beschrijft hier hoe de stad gaandeweg een totalitaire
samenleving werd, met stelselmatige telefoontap, een paranoïde politiemacht en
zelfs moordaanslagen. Het is vooral vreemd dat juist een beweging die haar
succes aan haar zeer anarchistische benadering van de spiritualiteit te danken
had, toen zo dictatoriaal uit de hoek kwam. Anderzijds is het zeer snel tot
stand komen van een heuse stad wel een voorbeeld van hoe religieus enthousiasme
mensen tot grootse daden kan motiveren. Zeg gewoon: “Work is worship”, en ze voelen zich extatisch terwijl ze zich
gratis uitsloven.
Terloops vernemen we dat een Bhagwancentrum in Portland, de
hoofdstad van Oregon, in 1983 doelwit werd van een moslimbomaanslag. De moslims
haten hindoes, ook westerse quasi-hindoes, veel feller dan christenen. Maar ook
de christenen waren verontrust door de kennelijke geloofsafval van zoveel
westerse jongeren. Toch was, achteraf gezien, het experiment met de als
utopisch bedoelde Bhagwanstad een godsgeschenk voor de Kerken: het besmeurde de
Indiase religie waar vele ex-christenen mee dweepten, als een letterlijk
gevaarlijke sekte.
Balvert woonde een tijdje in Rajneeshpuram, maar ging ervan
walgen en trok er weg. Wel bleef hij nog enkele jaren binnen de beweging. Hij
woonde opeenvolgend in een aantal Bhagwancommunes in Nederland en Zuid-Afrika. In
1985 ging Rajneeshpuram in schande ten onder, de Bhagwan keerde zich tegen zijn
luitenants, en enkele kopstukken gingen drie jaar de gevangenis is. Bhagwan
zelf kreeg ook zijn beurt: hij werd samen met talloze volgelingen wegens
immigratiefraude de VS uitgezet. Na wat omzwervingen dook hij opnieuw in Pune
op. Daar kwam Balvert opnieuw in de sfeer, maar na een tijdje had hij er ook
daar genoeg van, en dit keer definitief.
Intuïtie
In feite blijkt de Bhagwan-fase slechts een trigger voor
iets diepers en in de kiem veel ouder binnenin onze schrijver, die al vroeg een
merkwaardige (om niet te zeggen paranormale) intuïtie had. Zo “voelde” de nog
piepjonge Balvert, toen hij en zijn Amerikaanse gelegenheidsvriendin in Marokko
door hun gastheer een drankje voorgezet kregen, dat er iets niet pluis was. Zijn
plotse en schijnbaar irrationele actie redde haar van een weinig
benijdenswaardig lot. Op reis in Peru stapte hij door een voorgevoel op het
nippertje niet op de trein die even later door een aanslag van het Lichtend Pad
zou ten onder gaan.
Met name kon hij heel wat informatie zichtbaar maken over de
vorige levens van zijn naasten en hemzelf. Ik neem het voor wat het waar is,
want hoewel ik zowel hier als in Azië voortdurend tussen reïncarnatiegelovigen
vertoef, heb ik nooit iets meegemaakt dat op reïncarnatie wijst. “Als we dood
zijn, is het gedaan”, zeggen vrijzinnigen, en wat mij betreft is dat evengoed
mogelijk. Bij Balvert ligt dat heel anders.
Nog voor hij zich van de reïncarnatiedoctrine bewust was,
merkte hij bij zichzelf al aandachtspunten en denkgewoonten die, naar hij later
ging beseffen, eigenlijk naar zijn vorig leven verwezen. Ook eerdere levens
daagden, ondermeer als Inca-krijger die door de Spaanse conquistadores gedood
werd. Hij herkent een vriendin als zijn eigen bevelhebber in de Inca-militie. Als
klein kind in de Achterhoek vlakbij Duitsland kreeg hij het gevoel, aan de
verkeerde kant van de grens geboren te zijn. Als volwassene gaat hij zich dan
gaandeweg herinneren dat hij een welbepaalde officier in de Wehrmacht in WO2 was.
Het Duitse leger, dat was nu niet de SS of de nazi-partij,
maar toch behoorlijk gewaagd om daar in het New-Age-milieu
mee uit te pakken. Er zijn er tientallen die hun graantje van het
Holocaustkrediet willen meepikken door te verklaren dat ze in een vorig leven
een kampslachtoffer waren; maar aan de foute kant gestaan hebben, dat was nog
niet eerder vertoond. Het heeft wellicht met de evoluerende mentaliteit te
maken: dertig jaar geleden zag men de oorlogsjaren nog zeer zwart/wit, vandaag
is er meer oog voor de vele grijstinten, bv. een gedenkteken voor de Duitse
soldaat die met zijn eigen leven enkele Nederlandse kinderen redde.
Balverts huidige leven wijst er ook helemaal niet op: beide
ouders waren los van elkaar weerstanders in de oorlog, hijzelf was on the road sedert hij op zijn zestiende
met school stopte, hij heeft bij Joden verbleven en behandelt hen nog steeds
als vrienden, en hij heeft in Zuid-Afrika een tijd met een kleurlinge gevreeën
toen dat onder de Apartheid nog verboden was. En dan de vrijheid-blijheid
waarin hij veel consequenter was dan de meeste Bhagwan-adepten, die
rechtvaardigingen bedachten voor zijn autoritaire marsrichting: politiek zou je
hem op zicht ergens tussen D’66 en Groen
Links situeren. Niet echt hoe je je een Pruisische sabelsleper voorstelt.
Het is nog wachten op de zelfverklaarde herboren Adolf
Hitler of Heinrich Himmler (die op zijn beurt naar eigen zeggen de wedergeboren
keizer Heinrich II was), maar nu hebben we toch al een Mof die nog bij Arnhem
gestreden heeft. Zijn vereenzelviging met een Duits officier is, wars van de
tijdsgeest, eigenlijk wat te verwachten was: er moeten tenslotte miljoenen
mensen gestorven en wederbelichaamd zijn die destijds aan het nazibewind of aan
de Duitse oorlogsinspanning meegewerkt hebben. Het opent wel perspectieven. Nu
de vraag op het VS-immigratieformulier “Hebt u deelgenomen aan de
oorlogsinspanning van nazi-Duitsland of zijn bondgenoten?” stilaan zonder
voorwerp wordt, kan daar een vraag aan toegevoegd worden: “Ook niet in een
vorig leven?”
Eigenlijk heeft Balvert ook aan die mogelijkheid gedacht, al
meteen toen hij pas zijn vorige identiteit was gaan beseffen. Maar de prille
sannyasin werd door een gezel gerustgesteld: de rechters zouden zich geremd
voelen door de vraag wat zijzelf allemaal in een vorig leven hadden
uitgespookt. Bij het lezen gaat men zich gaandeweg afvragen: en ik, wat zou ik
geweest zijn en gedaan hebben?
De grote vragen
De schrijver is wel een geluksvogel. Dit in de gewone zin:
hij komt uit een welgestelde en liefhebbende familie, weet van aanpakken, komt
altijd goed terecht, en heeft in minder monogame tijden nogal wat vrouwen in zijn
bed gekregen, soms op hun eigen initiatief. Maar ook in occulte zin: zelfs de
meeste reïncarnatiegelovigen in het Bhagwanmilieu hadden geen weet van hun
eigen of andermans vorige levens, maar hijzelf begrijpt beter dan anderen
waarom welke persoon wat doet, want hij kent (soms) hun voorgeschiedenis. Tja,
het komt voor: de Boeddha beweerde zich al zijn vorige levens te herinneren, en
bij elk verhaal uit het verre verleden vertelde hij erbij in welke incarnatie
bij zich toen bevond. Zo ver gaat Balvert zeker niet, het is eerder een
langzaam ontdekken; maar uiteindelijk komt alles aan het licht.
Hij heeft ook een positievere opvatting van wedergeboorte.
De Boeddha beschouwde de wereld als een tranendal, en het doel van zijn
meditatie is, het wiel van wedergeboorte te doorbreken en aan deze tredmolen te
ontsnappen. Verder is de wet van karma een soort natuurwet: er is geen baardige
Sinterklaas daarboven die beloningen of straffen uitdeelt, alleen een wetmatig
gevolg van je eigen gedrag. Balvert daarentegen ervaart een lichtwereld, waar
oude liefhebbende zielen de gestorvene voorbereiden op zijn nieuwe incarnatie,
en waarin zielen een “levensplan” maken om “lessen te leren”. Van karma in de
gebruikelijke zin is weinig spoor: vorige levens bepalen grotendeels de aandachtspunten
van het huidige leven, maar van een compensatie voor goede of kwade daden is
kennelijk geen sprake. Zijn versie loopt sterk gelijk met wat westerse
regressietherapeuten en reïncarnatieonderzoekers rapporteren.
In de Bevrijding gelooft hij niet. Als je deze mengeling van
westerse psychologenjargon met oosterse meditatie volgt, kan je Bevrijd
definiëren als “zonder ego”; en zo gezien vallen de zogenaamd Bevrijde meesters,
of althans degene die hij gekend heeft, door de mand. In India, waar de notie
“Bevrijding” (of “Ontwaking”) ontstaan is, praat echter niemand over “ego”, een
Freudiaans begrip dat tot het gewone spraakgebruik doorgedrongen is en weinig
met de geestelijke weg te maken heeft. De westerse therapieën waarop vele
Bhagwanpraktijken gebaseerd waren (“encountergroepen”, “dynamic meditation” met
veel gespring en geschreeuw) waren erop
gericht, overspannen mensen weer normaal te maken, terwijl oosterse
meditatietechnieken erop gericht zijn, normale mensen tot de Bevrijding te
brengen. Ik denk niet dat je die twee dooreen moet mengen. Laat hij eens denken
aan Swami Premananda zaliger, bij wie hij verbleven heeft, of anderen die ginds
als Bevrijd gelden: hun status kan ik niet beoordelen, maar hun sterke
positieve uitstraling is onmiskenbaar. Balvert zal er vermoedelijk veel
gevoeliger voor zijn dan ondergetekende steenrots, maar zelfs ik kan ervan
getuigen.
Dat is dan ook mijn enige kritiek, oriëntalist zijnde, op
Balverts verhaal. Op het einde waagt hij zich aan een ontleding van het einddoel
van de spiritualiteit, en daar zie je de beperking van de school die hem het
meest getekend heeft. Het Bhagwan-denken trok postchristelijke westerlingen aan
omdat het zich, net als zijzelf, ergens halfweg bevond. Complexloze
westerlingen vonden het maar vreemd; zelfs zonder de misdadige uitwassen noemden
ze het een “sekte”. Oosterlingen vonden deze erg lichamelijke sannyasins gewoon
te weinig spiritueel. Ze mikten te laag, waren te veel met hun eigen
opwellingen bezig, aanvaardden de leefregels niet die met het geestelijke
streven nu eenmaal samenhangen. Zowel in het Oosten als in het Westen kon men
zich alleszins niet voorstellen dat een spirituele meester met een vloot Rolls
Royces uitpakt, zoals de Bhagwan deed.
Niemand hoeft louter op gezag Balverts getuigenis voor waar
aan te nemen; dat is wel het laatste dat hijzelf zou willen. Maar als
kennismaking met een zoektocht in de geestelijke wereld, met ontdekkingen in
een dimensie die voor de meesten van ons gesloten blijft, is dit boek beslist
een aanrader.