woensdag 20 januari 2021

Zonder als'en en maar'en: de vrije meningsuiting

 

Zonder als’en en maar’en: de vrije meningsuiting

 

(Doorbraak, 20 januari 2021)

In Doorbraak lees ik dat de gewaardeerde Waalse geleerde Jules Gheude (“Sociale media en de vrijheid van meningsuiting”, 17/01/2021) stelling neemt vóór inperkingen op de vrije meningsuiting. Hij vertolkt maar wat talloze stemmen uitspreken, genoeg om het beleid in nagenoeg het gehele Westen in de door hen gewenste richting te sturen: naar meer censuur. Wij gebruiken Gheude’s woorden om deze vloedgolf van mening-inperkende meningen weer te geven.

Inzake vrije meningsuiting is men ofwel absolutist, ofwel tegen. Daar gaat het echter al mis: ‘Ik ben vóór vrije meningsuiting, maar…’ Aldus in Gheude’s woorden: ‘Zoals iedereen weet mag men alles zeggen en schrijven op voorwaarde dat men niet tot haat of geweld aanzet, geen negationistische of racistische uitlatingen doet, niet beledigt of tergt’.

Op gevaar af goedkoop te zijn, stel ik vast dat die tallozen op dezelfde lijn zitten als Hitler en Stalin. Die vonden meningsuitingen best OK, mits die niet tegen hun eigen partijlijn ingingen. Het is echter niet voor die toestand, met toegelaten tegenover verboden meningen, dat de term ‘vrije meningsuiting’ is uitgevonden.

Vrijheid van meningsuiting betekent altijd ook de vrijheid van de andersdenkenden. Dat inzicht wordt zelfs aan Rosa Luxemburg toegeschreven, hoewel het bij haar alleen communistische andersdenkenden betrof. Liever verwijzen we hier naar George Orwell: ‘Vrijheid is het recht om te zeggen wat men niet wil horen.’ Je kan nog altijd tonen wat een goeie antiracist je wel bent ook als je racistische meningen duldt.

Wat aanvallen tegen een persoon betreft: het uiten van beledigingen of ‘tot haat aanzetten’ is onbeleefd, maar moet niet het voorwerp van een wettelijk verbod zijn. Het staat ons vrij onze afkeuring zelf te laten blijken en het gedrag van de belediger in gunstige richting te beïnvloeden. ‘Haat’ is een mening, en wie de vrije meningsuiting belijdt, steunt het recht om aan haat uiting te geven. Of wou hier iemand een slachtoffer van verkrachting het recht ontzeggen om de dader te haten? Ethici zullen misschien zeggen dat vergiffenis hoogstaander is dan haat, maar dat is wat anders dan haat te verbieden.

Bij aanvallen op personen is ‘aanzetten tot geweld’ een bijzonder geval, dat zonder schending van het recht op vrije meningsuiting toch kan verboden worden. Zeggen dat iemand hatenswaardige dingen gedaan heeft, is een mening; maar zeggen: ‘Schiet hem neer!’ is dat niet. Meningen staan spraakkundig in de aantonende wijs (indicatief), oproepen in de gebiedende wijs (imperatief). Meningen hebben een tegendeel: tegenover ‘hatelijk’ staat de beoordeling ‘niet hatelijk’. Pleitbezorgers van censuur voeren vaak aan dat in een vol theater ‘brand!’ roepen toch óók verboden mag worden, ‘dus’ dat meningen niet boven censuur verheven staan. Maar hebt u al ooit ‘geen brand!’ horen roepen? ‘Brand!’ is geen mening doch, naar betekenis, een gebod, namelijk een oproep tot paniek.

Dat sommige menselijke geluiden niet de kwalificatie ‘mening’ verdienen, is een standpunt dat de censuurliefhebbers zelf al ingenomen hebben. Zij rechtvaardigen het verbod op racistische uitingen met de leuze: ‘Racisme is geen mening, racisme is een misdaad!’ De verdedigbare kern daarin is de erkenning dat niet elke menselijke uitingen als mening kan gelden; maar dat is niet het element ‘racisme’. Tegenover, om maar de vandaag gebruikelijkste uiting van racisme te noemen, de inschatting dat een personeelsbestand (bijvoorbeeld dat van de steden Gent en Brugge) ‘te blank’ is, staat de tegenmening dat het ‘niet te blank’ is. Het is dus wel degelijk voorwerp van een debat, hoe gedempt ook, en bijgevolg een gezichtspunt, een mening.

Tegen de parlementaire aanvaarding van de muilkorf tegen racisme in 1981 was er een minderheid van tegenstemmers, met name de Volksunie. De negationismewet werd in 1995 echter met bijna-unanimiteit goedgekeurd, ook door het Vlaams Blok (al zou Karel Dillen die goedkeuring bij zijn afscheid in terugblik als een fout veroordelen), alleen de CVP-er Herman Suykerbuyk onthield zich. Niemand durfde de joodse gemeenschap voor het hoofd te stoten, als vanzelf aannemend dat die zulke muilkorf zou steunen. Welnu, toen Tony Blair als premier aan de Brits-joodse gemeenschap voorstelde om ook een negationismeverbod in te voeren, wees die dat af (in de plaats kwam een gedenkdag voor de Holocaust): zij verklaarde, altijd juist gedijd te hebben onder het Britse liberalisme.

Het criterium voor vrijheidsliefde voor politici, en bij uitstek voor liberale politici, is dat zij onmiddellijk de afschaffing van alle muilkorfwetten doen goedkeuren. Dat zal hun (en ook de auteur van onderhavig pleidooi) tijdelijk een storm van linkse verontwaardiging opleveren. Hun pleidooi voor spreekvrijheid zelfs voor racisten zal ongetwijfeld zelf als een racismebelijdenis geduid worden. Tja, wij hebben ook nooit gezegd dat je vrijheid gratis krijgt: er is soms een redelijk beetje moed voor nodig, en het trotseren van laster.

Alleszins, de welhaast terloopse aanvaarding van het voldongen feit van een wettelijk verbod op racistische en negationistische meningen schreeuwt om een rechtzetting. Dat verbod is, hoewel door de hoogste rechtsorganen ad hoc goedgekeurd, ongrondwettelijk.

Tegen de grondwet en het vrijheidsbeginsel roept Gheude de volkswil in: ‘Sommigen, zoals met name Éric Zemmour, veroordelen elke censuur en roepen de soevereiniteit van het volk in.’ Maar de censuur is juist ingevoerd door ‘de wetgever, te weten dus de parlementsleden die wettelijk verkozen zijn …door het volk’. Tja, dat opent dan een ander debat, dat over rechtstreekse versus vertegenwoordigende democratie. De stemming over een EU-grondwet toonde zowel in Frankrijk als in Nederland een ruime meerderheid pro bij de volksvertegenwoordiging maar een afgetekende nee-meerderheid bij het referendum: de politici ‘vertegenwoordigen’ de volkswil niet. Een volksstemming over pakweg het stoemelings ingevoerde taboe op ‘blanke’ en ‘neger’ (in alfabetische volgorde) zou allicht geen democratische meerderheid opleveren.

 

Op één punt heet Gheude echter gelijk: de sociale media        hebben het recht om talloze conservatieve stemmen tot en met de VS-president te censureren, ook al is daar veel verontwaardiging over. Zij zijn immers private firma’s, niet gebonden door het grondwettige verbod op censuur door de overheid. De technologiegiganten hebbend klinkend getoond waar zij ideologisch staan, en het is aan de vrije markt om het resulterende onrecht recht te zetten. Maar dat gebeurt dan ook, en prompt, getuige de grootschalige verhuizing naar MeWe, Gab, Telegram, Signal en andere mededingers op de ICT-markt. Mogelijk zal het socialemediaveld opnieuw, zoals in de beginjaren, een vrijplaats voor meningsuitingen worden. Zoals Hugo Schiltz het zei: gedaan met treuren en zeuren!

woensdag 13 januari 2021

Rechts over Trump

 

Rechts over Trump

 

(Doorbraak, 12 januari 2021) 

Links begrijpt zeer weinig van zijn grote boeman, Rechts. De beoordeling van de zeer tijdelijke bezetting van het Capitool in Washington op 6 januari, 'staatsgreep' en al, geeft weer eens een scheefgetrokken beeld van wat er echt gebeurd is. Wij steken liever ons licht op bij de intelligente rechterzijde in de VS, eerstehands.

         Robert Spencer, beheerder van de islamkritische webstek Jihadwatch, heeft in 2020 een boek over een heel ander onderwerp geschreven: Rating America’s Presidents, een vergelijkende inschatting van alle VS-staatshoofden. Hij beoordeelt Donald Trump op basis van zijn beleidsresultaten als één van de beste. De nasleep van het Capitool-incident vergelijkt hij met de manier waarop de nazi’s van de Rijksdagbrand gebruik maakten om de oppositie te vernietigen: ‘Niemand kan enige uitspraak van president Trump aanwijzen waarin hij zijn supporters oproept om het Capitool te bestormen, laat staan een coup te plegen tegen de VS-regering, maar dat doet er niet meer toe.’ (‘The Left is enjoying its Reichtstag fire moment’, PJ Media, 9 jan.) Het Bestel en de media hebben immers anders beslist.

 

         Feitenbasis

        Een feitenbasis onder de antiracistische beroering over George Floyd, met tientallen doden, ontbrak (er was geen enkele aanwijzing voor een racistische beweegreden), en idem voor de tornado van verontwaardiging over Trumps verantwoordelijkheid voor de bestorming. Hij had opgeroepen tot een betoging, wat gewoon toegelaten is, en heeft nadien de bezetting en het geweld veroordeeld.

         Hem valt formeel geen verantwoordelijkheid aan te wrijven: ‘Nu de Democraten in het Congres besloten hebben dat wat president Trump op de 'Save America'-betoging tot een rel aanspoorde, is het een goed idee, te zien wat hij eigenlijk gezegd heeft. Vraag jezelf dan af welke woorden jou ertoe gebracht zouden hebben, in het Capitool in te breken en dingen te vernielen?’ (Victoria Taft: ‘Which of these words spoken by Trump would cause you to riot?’, PJ Media, 11–1)

        Dat pleit hem juridisch wel vrij, maar in andere opzichten geldt hij wel als politiek schuldig. Dat is ten eerste zo voor zijn eigen fans. Die simpele geesten die niet boven het niveau van personencultus uitstegen maar wel onmiskenbaar loyaal, heeft hij ‘onder de bus gegooid’ door zich meteen na de gebeurtenissen koudweg van hen te distantiëren. Ook zonder de dramatische afloop was de betoging voor de deelnemers trouwens teleurstellend: ze was niet opgevat als deel van een grotere beweging, waarin kraampjes hen opwachtten en e-mail-adressen verzameld werden om verdere agitatie te organiseren. Het ging alleen over Trump.

Ideologisch meer afgetekende types bij het online medium VDare.com wijden een artikelenreeks aan The Stupid Party, de Republikeinen die zich steeds weer in de voet schieten (de Democraten zijn dan The Evil Party). Het gaat minder tegen het ruggengraatloze partijbestuur, dat de slippen van de Democraten draagt in de aanval op Trump, wel tegen Trump en zijn aanhangers zelf.

 

Doelloos 

David Cole stelt de vraag aan alwie de inval in het Capitool steunde: 'Wat had er moeten gebeuren?... Wat had het eindspel moeten zijn? Vier betogers stierven, één (een veterane) door de stadspolitie. Agenten werden geslagen, één van hen stierf... Okee, Dat was het slechte resultaat, maar wat was het gewenste? “Niets zal ons tegenhouden”, schreef de veterane uren vóór ze doodgeschoten werd bij haar poging om door een gebroken venster het Capitool in te klimmen. “Ons tegenhouden” van wat? Wat was het doel van de hele stunt?' (‘Well, That Went Great’, Takimag, 12-1)

Soms valt zelfs bij een mislukking eer te behalen, niet echter bij zulk doelloos doch dodelijk kinderspel. En dat lag niet aan een snel-verzonnen Antifa-infiltratie, noch werd het goedgepraat doordat Antifa-BLM-betogingen ‘het óók doen’ (bv. 60+ agenten gewond bij de belegering van het Witte Huis eind mei), toch niet bij een beweging die zich als het antwoord op de linkse anarcho-tirannie presenteert. Cole noemt het 'een explosie van dwaasheid die voor een generatie aan de rechterzijde zal blijven plakken'.

Om een oorlog te winnen heb je een leger nodig. Dat betekent niet wapens meebrengen, wel discipline, gemeenschappelijk doelgerichtheid. De Romeinen prezen de individuele moed van de Gallische krijgers maar versloegen hen wel wegens hun eigen falanx-organisatie. Dat is bij de extremen het verschil tussen links en rechts, met figuren die door hun alleengang de rechtse zaak veel schade toebrengen. Hier had je er die de politie aanvielen of vice-president Mike Pence bedreigden, niet op bevel maar uit eigen temperament. Zij zoeken niet de overwinning, wel hun emoties uitleven.

 

Ann Coulter

In de uren vóór de raid schreef Ann Coulter haar eindoordeel over dit presidentschap: 'The election is over. Here’s the truth about Trump.' (Takimag, 6-1) Dat was net na de nipte Republikeinse nederlaag in de senaatsverkiezingen in Georgia: 'Wanneer we werkelijk alle hens aan dek nodig hadden in Georgia, was Trump een sloopkogel. Hij kwam er iedereen beledigen en weigerde over iets anders te praten dan zichzelf.' 

Hij heeft deze verkiezing doen kantelen ten voordele van de Democraten. Na het presidentschap ging nu ook de senaatsmeerderheid voor de Republikeinen verloren, met enorme gevolgen in de cultuurstrijd. 'Wellicht zijn de Amerikanen doodsbang voor de Democraten, maar ze zijn ook Trump kotsbeu.'

Ja, zegt Coulter, ‘de Democraten fraudeerden. (…) Misschien had iemand daartegen moeten ingrijpen voor de verkiezing. (…) Het gebruikelijke probleem met Trump is dat hij vol praatjes is, maar geen daden. Hij praatte over de massieve fraude die uit het stemmen per post zou voortkomen (…) maar deed niets. Hij praatte over “wet & orde” toen steden platgebrand werden, maar deed niets. Hij praatte over de muur’, enzovoort.

Nochtans had Trump de wind in de zeilen: populaire thema’s die anderen niet aandurfden, toegewijde volgelingen, in zijn eerste twee jaar een meerderheid in het Huis en de Senaat: ‘Trump had een massief populaire president kunnen zijn, met gemak herkozen, als hij maar zijn kiesbeloften trouw gebleven was. (…) Trump heeft iedereen verkocht die ooit trouw aan hem was.’ Zij maakt de vergelijking met Ronald Reagan’s overweldigende herverkiezing in 1984: ‘Maar Reagan hield zijn beloften.'

Heel soms heeft Trump zich eens voor de cultuurstrijd ingezet (brandmerken van Antifa, benoemingen in het Hooggerechtshof), maar als het erop aankomt, denkt hij niet aan het Trumpisme, alleen aan Trump. Er is in de Republikeinse Partij een levensgrote vacature voor volksleider.

 

(genoemde personen: Donald Trump, Robert Spencer, George Floyd, Victoria Taft, David Cole, Mike Pence, Ann Coulter, Ronald Reagan)

vrijdag 8 januari 2021

De Brexit-democratie

 

 

De Brexit-democratie

 

(Doorbraak, 6 januari 2101)

 

Na een moeilijk bevallingsproces is de boreling onherroepelijk ter wereld gekomen: de Brexit. Vooraleer één aspect daarvan te belichten, wil ik eerst openheid van zaken geven, of zoals ze dat in de Moeder der Parlementen zeggen: I declare my interest. Zoals de meeste Vlamingen, zeker van de oudere generaties, ben ik altijd vóór een sterke Europese integratie geweest, en heb ik nooit een reden gezien waarom het Verenigd Koninkrijk er niet zou bij horen.

Ik betreur ook het terugtreden van de Tory-partij uit de Europarlementsfractie van de European Conservatives and Reformers. Ik was een vaste klant op hun seminariezittingen, die zeer interessant waren; bijvoorbeeld de Blue-Green Summit, die veel doeltreffender oplossingen voor de ecologische problemen bood dan de Groene Partijen zouden kunnen. Merk op dat haar eigen stroming terloops ‘blauw’ ingekleurd werd, de Tory-kleur, niet die van andere aangesloten partijen zoals de gele N-VA. Dat tekende de verhoudingen: de locomotief van de ECR waren de Tories, de andere partijen slechts aanhangsels. Ik vind het dus jammer dat de Tories, met hun sterke traditie van vrijheid en democratie, er niet meer zijn om leiding te geven aan het zwakkere en minder beginselvaste broertjes uit het vasteland.

En toch was ik blij met de referendumuitslag. Juist toen was ik toevallig in de Engelse stad Bath, en na de Brexitzege had ik er overal een laaiend succes toen ik me voorstelde: ‘I am from Brussels.’ En vooral ben ik blij met de uitvoering van de referendumuitslag.

 

 

Democratie

De strijd voor de Brexit was op gang gebracht door Nigel Farage. Geen held, hij liet zijn UK Independence Party in de steek toen zij het islamprobleem in haar agenda opnam om via de Brexit Party verder te strijden, maar hij had toch de verdienste om toenmalig EU-‘president’ Herman Van Rompuy de wacht aan te zeggen. Dat die als ‘natte dweil’ ontmaskerd werd, is bijzaak, maar Farages vraag aan hem ging helemaal naar de kern van het probleem: ‘Who are you?’ Met andere woorden: hoe komt het dat de EU-burgers geleid worden door iemand die ze niet kennen, want nooit hebben kunnen verkiezen?

Brendan O’Neill, hoofdredacteur van de online krant Spiked, één de Britse tegenhangers van Doorbraak, legt uit: ‘Ja, zoals Spiked gedurende zijn 20-jarig bestaan geargumenteerd heeft, is de Europese Unie een bedreiging voor de democratie in Europa. Ze bestaat precies om nationale elites af te schermen van  druk vanwege het publiek en om een ruimte te scheppen waarin wetten, reglementen en prioriteiten kunnen bepaald worden ver van de gekmakende massa’s stembusgangers en burgers. Haar inherent anti-democratisch opzet kan gezien worden in haar dagdagelijkse beleidvoering, waarin een niet-rekenschapsplichtige commissie wetten maakt en een bloempotparlement deze bezegelt, en in haar autoritaire furie in antwoord op elk Europees volk dat tegen haar durft stemmen. De Ieren, de Fransen, de Nederlanders, de Grieken — allen hebben hun eigen democratische stem tegen de EU-grondwet, verdragen of soberheidspakketten zien genegeerd worden, afgeschreven alsof zij het onbeduidende geklets van een ongeschoolde menigte was.” (“The war for democracy is only beginning”, Spiked, 1-1-2021)

De Britse kiezer had nochtans een bij uitstek democratische daad gesteld. De stemming was kantje-boordje, en wat de weegschaal had doen overhellen, was Angela Merkels eigenmachtige beslissing om een miljoen Syrische of pseudo-Syrische asielzoekers extra binnen te laten, in Duitsland maar daarmee ook in de hele EU. Het gebrek aan controle over de toegang tot het nationale grondgebied was één van de belangrijkste oorzaken voor het terugverlangen naar de nationale soevereiniteit van de Britten, en deze eenzijdige beslissing van Merkel was de druppel die de emmer deed overlopen. Door tegen Merkels opengrenzenbeleid te stemmen, gaven zij niet alleen, zoals hun democratisch recht was, uiting aan hun eigen onderbuikgevoel; maar keurden zij meteen ook, heel politiek bewust, Merkels overtreding van een eigen EU-regel af, want de Duitse premier had met haar eigengerechtige beslissing ook het EU-Verdrag van Dublin geschonden.

 

 

De volkswil overtroeven

         De Remainer-elites die vóór en vooral ná het referendum de Brexit-gedachte trachtten te smoren, hebben dan ook alle vuile EU-truken uit de kast gehaald. Tot de ultieme EU-tactiek, om de door Fransen en Nederlanders weggestemde grondwet onder een andere naam (Verdrag van Lissabon) toch in te voeren, leende de situatie zich niet. Maar zij wilden het referendum wel overtroeven door een nieuw referendum, precies zoals de EU de Denen en de Ieren in de maag had gesplitst: als u fout stemt, stemt u maar opnieuw tot u juist stemt. Ze noemen dit overrulen van de duidelijke meerderheidsstem in 2016 warempel de ‘People’s vote’, alsof juist de gewraakte stembusuitslag dat niet geweest was. Toen zelfs de Labour-leiding in deze tactiek meeging, hebben vele Labour-kiezers dat afgestraft door deze keer voor Boris Johnson te stemmen. Ook de Belgische truc om een rechtsgeldige en wetgevende stem af te doen als een ‘signaal’ dat de regentenklasse naar believen mag duiden en dus de facto ook negeren, was in de media te horen. Maar de vastberadenheid van de massa om ook in de EU-parlementsverkiezingen van 2018 en de Britse van 2019 pro-Brexit te stemmen, heeft de taaie Remainers uiteindelijk aan de kant geschoven.

         We moeten onze hoed afdoen voor de democratische gezindheid van een beslissend deel van de Britse heersende klasse, die wél uitvoering wou geven aan de volkswil, bijvoorbeeld van Theresa May die de ondankbare taak op zich nam om het Remainer-parlement van 2017-19 te trotseren hoewel zijzelf tegen de Brexit gestemd had. Die democratische vastbeslotenheid was al gebleken bij het Schotse referendum in 2014: dat toenmalig premier David Cameron de Schotten smeekte om niet tegen de Unie te stemmen (al eens een Guy Verhofstadt de onwillige kiezers horen smeken?), kwam doordat hij wist dat hij ook een tegenvallende uitslag zou eerbiedigen.

         Of de Brexit een juiste beslissing was, zal de toekomst uitwijzen. Maar onmiskenbaar was het een democratische beslissing. Dat zijn we in de EU niet gewend, maar het goede nieuws in deze moeilijke tijden is dat er nog landen zijn waar de democratie wél de bovenhand haalt.

 

 

(genoemde personen: Nigel Farage, Herman Van Rompuy, Brendan O’Neill, Theresa May, Angela Merkel, Boris Johnson, David Cameron, Guy Verhofstadt)

maandag 4 januari 2021

Bart De Wever, de moslims en de islam

  

Bart De Wever, de moslims en de islam

 

(Doorbraak, 30 december 2020)

 

Eddy Daniëls stelt vast dat Antwerps burgemeester Bart De Wever ervan verdacht wordt, de islam te onderschatten. Die voelt zich door onder meer zijn persoonlijke vriendschap met een moslim gehinderd om de rigoureuze islamkritiek van zijn gemeenteraadslid Sam Van Rooy onder ogen te zien.

Daniëls zelf laat zich op een zekere deskundigheid voorstaan. Hij heeft namelijk een lijvig boek geschreven over de kern van de islam, voornamelijk het voor moslims normscheppende leven van de profeet, De kwestie M. Een gekaapte godsdienst. Niet min, want volgens Etienne Vermeersch zaliger was dat het beste Nederlandstalige boek over Mohammed. Maar welk besluit trekt hij uit die kennis voor de onderhavige probleemstelling, namelijk de inschatting van de islam door Bart De Wever?

Hij relativeert het oorlogszuchtige beeld van Mohammed, dat de hedendaagse ‘modale moslim in verwarring brengt’. Vooraleer terzake te komen, neemt hij een lange omweg via een beschouwing over de Hebreeuwse Bijbel. Die bevat ook oorlogszuchtige passussen, zoals: ‘Gelukkig degene die vergeldt wat jij [Babylon] ons misdeed, gelukkig degene die jouw kinderen grijpt en tegen de rots verplettert’, aldus Psalm 137:8-9, toegeschreven aan koning David. 

Of Ezechiël 16 en 23, die verbintenissen tussen Israëlische en vreemde partners veroordelen, een racisme dat voor bijbelvaste protestanten zoals de Afrikaners de Apartheid rechtvaardigde, en ook in de joodse gemeenschap voor een sterke weerstand tegen gemengde huwelijken (zelfs onderling, tussen Sefardische en Asjkenazische joden) gezorgd heeft. Zie ook de Bijbelse veroordeling van de stam van Ham, die voor joodse en christelijke slavenhandelaren de negerslavernij goedpraatte; daar waar de Arabieren die ook wel beoefenden maar tenminste niet hun Schrift voor die kar konden spannen.

Of nog, I Samuel 15, waarin Jahweh koning Saul vervloekt om diens ongehoorzaamheid aan zijn bevel om de Amalekieten uit te roeien: hij had de vrouwen en kinderen in leven gelaten om hen te verkopen op de slavenmarkt. Dat laatste is wat Mohammed doet met de joodse stam Banu Quraiza: de mannen doden, de rest als slaaf verkopen. Dus de erecode van Jahweh overtreft die van Mohammed nog in bloedlust: hij laat, als een Heinrich Himmler avant la lettre, ook vrouwen en kinderen uitroeien. Of Deuteronomium 25:15-69, waarin Jahweh zijn uitverkoren volk 'onverbloemd Auschwitz aanzegt als straf voor ontrouw aan Hem', aldus Daniëls.

De implicatie ligt voor de hand, namelijk dat de islam niet alleen staat in de kwalijke teksten: ‘In zeer vele religieuze tradities (ook de Indische) treffen we passages aan die haaks staan op ons modern aanvoelen, en inspireren tot haat, geweld en sadisme. Ook de christelijke kerken erkennen nog steeds de perverse Hebreeuwse geschriften als heilig. (…) de kruisvaarders en conquistadores deden dan ook steeds een beroep op het Oude Testament om hun wandaden goed te praten.’

In hoeverre dit in ‘zeer vele religieuze tradities’ voorkomt, ook die buiten het monotheïsme, is echter maar de vraag. De Indiase, die ik een beetje ken, staan bol van oorlog en broedertwist, maar roepen nooit op tot strijd tegen andersgelovigen als zodanig. (Eén onverwachte soort-van-uitzondering: de mythische halfgod Hiraṇyakaśipu wordt gedood omdat hij, precies als Jahweh, een ‘jaloerse god’ is die de verering van andere goden niet duldt.) Wanneer Alexander de Grote Egypte veroverde, sloeg hij de tempels niet aan stukken, zoals bij moslimveroveringen, maar ging hij er offeren om de plaatselijke goden te vriend te houden.

Maar goed, mensen met een joodse of christelijke achtergrond kunnen beter voorzichtig zijn met hun veroordelingen, want hun eigen geschriften zijn soms ook bedenkelijk. Echter, daarin is er nog een belangrijk verschil met de islam. De Bijbel bevat enkele passussen die het Woord van God zouden zijn, zoals de Tien Geboden, maar worden verder erkend als mensenwerk; terwijl de Qur’ān in zijn geheel geopenbaard heet te zijn. Daarom geldt hij als veel dwingender en letterlijk te nemen.

De Bijbel is voor het grootste deel verhalend, niet rechtstreeks normscheppend: je hoeft Mozes, met zijn uitmoording van de vereerders van Baäl (het Gouden Kalf), niet na te bootsen. Daarentegen, zoals vele islamitische rechtsgeleerden geschreven hebben: de islam is niet ‘aql, ‘rede’, maar naql ‘nabootsing’. De ultieme grond voor sjari’a-rechtsregels is het precedentgedrag van Mohammed. Dat geldt tot in de kleinste bijzonderheden, zoals de typische ‘baard van de profeet’ waaraan je talloze moslims van Mindanao tot Marokko kan herkennen.

Reeds vóór de moderniteit gaven Bijbelgetrouwen blijkt van bereidheid tot evolutie. Een bekend voorbeeld uit Mohammeds leven: in de joodse gemeenschap van Medina ging een geval van overspel gestraft worden, namelijk door de schuldigen achterwaarts op een ezel en met pek en veren door de stad te paraderen. De profeet hoorde hiervan, ontbood de joden en eiste om de betreffende Schriftpassage te zien. De joodse wet legde hier de doodstraf door steniging op, maar de joden waren die barbaarse bestraffing ontgroeid. Niets van, zei Mohammed, stenigen! En dan wordt de steniging beschreven: hoe de man de vrouw nog met zijn lichaam trachtte te beschermen, tot beiden bezweken.   

Daarom zou ik niet te vlot meegaan in Daniëls inschatting: ‘Het louter bestaan van die onheilige traditie betekent niet dat de religies die daaruit groeien zich in de praktijk niet kunnen zuiveren. Het christendom is daarin, gelouterd door onder andere het schuldgevoel na de Holocaust, voor een goed stuk in geslaagd en er is geen enkele reden om niet aan te nemen dat iets dergelijks ook sommige islamitische stromingen zal lukken.’ Het kan inderdaad, maar in het geval van de islam is de weerstand tegen die modernisering een stuk taaier.

Daarom is het echt nodig dat politici hier een zeer beginselvaste houding aannemen en een strategie uitwerken die op maat van de islamitische uitdaging gemaakt is. ‘Inclusie in onze samenleving van die moslims die oprecht tot onze samenleving willen behoren, en waakzaamheid voor de wolven in schaapsvacht, bij hen en bij ons’, wat De Wevers programma zou samenvatten, blijft een juiste leidraad. Maar, zoals Daniëls terecht opmerkt, ‘dit gaat niet vanzelf’.

 

zondag 27 december 2020

Goedbedoeld racisme

 

Goedbedoeld racisme

 

(Doorbraak, 23 december 2020)

 

Nee, het communisme met zijn honderd miljoen doden was niet het ergste, want dat is het ‘racisme’. Het is bij Vlamingen bovendien een probleem van ras, want het zit hun in de genen, aldus de Knack-hoofdredacteur.

Welnu, racisme is niet zo zwart-wit. Op de klassering van menselijke gemeenschappen baseerde men zowel positieve als negatieve beleidslijnen, zowel binnen als buiten Europa. Wij halen hier het geval boven van  de confuciaanse doch utopische denker Kang Youwei (康有為1858-1927). Ik gebruik hier onderzoekswerk van mijn vroegere medestudente en nu hoogleraar Sinologie, Carine Defoort; die, naar ik op een congres in Beijing heb kunnen vaststellen, onder Chinese geleerden als de wereldtop geldt. Vlaanderen zendt zijn dochters uit!

In 1898 gaf de zittende Guangxu-keizer aan Kang de vrije hand om bestuur en samenleving te moderniseren. Met name trachtte hij de Qing-dynastie om te vormen tot een grondwettige monarchie naar Brits model. Was dat gelukt, dan had hij China een eeuw van revolutionaire ellende bespaard. Helaas, de reactionaire partij onder keizerin-weduwe Cixi wist na honderd dagen de hervorming terug te draaien (tot eigen schade, zo zou bij de republikeinse revolutie van 1911 blijken), en de leiders van de Hervorming van 100 Dagen moesten vluchten. Veel van Kangs hervormingen, bijvoorbeeld de voeteninbinding afschaffen, werden pas door de Republiek of de Volksrepubliek uitgevoerd.

Tijdens zijn verblijven bij de Chinese diaspora werkte hij twintig jaar aan Het Boek van de Grote Gelijkheid (大同書 Datongshu), pas postuum gepubliceerd in 1935 en nog altijd niet in zijn geheel vertaald. Zelf zou ik tong eerder als ‘gemeenschappelijkheid’, ‘gelijkgerichtheid’ of ‘in dezelfde boot zitten’ vertalen, bv. een tongxue 同學is een ‘medestudent’, 同情tongqing beduidt ‘medeleven’, wat je ook met een meerdere of mindere kan doen. Gelijkheid is een typisch moderne waarde, niet waar Confucius aan dacht wanneer hij een geïdealiseerde voortijd als datong voorstelde. Wel kan Kang bij zijn eigen invulling van die antieke waarde beïnvloed zijn door het opkomende westerse gelijkheidsdenken, en hij pleit dan ook voor verregaande gelijkheid.

Zijn voorstellen zijn volgens prof. Defoort ‘enerzijds verbazend profetisch, anderzijds griezelig gestoord’. Hij wilde in alle opzichten grenzen slopen, want goed bedoelde instellingen zoals de staat en de familie waren juist oorzaak van lijden geworden, dus moest men ze ontbinden. Hij pleitte voor gelijkheid van man en vrouw, voor een wereldregering en een eenheidstaal. De aarde zou een bestuurlijke indeling in willekeurige rechthoekige districten krijgen, zonder patriottisme. We focussen hier op zijn wens om met name de grenzen tussen rassen uit te schakelen.

Racisme was in China niet onbekend (Koenraad Elst (Nederlands): Rasdenken in China (koenraadelstnl.blogspot.com)), maar het was nooit een uitgewerkte levensbeschouwelijke stroming zoals het juist toen in het Westen werd. Kangs richtinggevende ervaring was een radicaal antiracistische invulling van de confuciaanse medemenselijkheid, ren. Op zijn twintigste had hij een visioen van resonantie tussen alle voelende wezens: ze leefden met elkaar mee, en voor het welzijn van elkeen was het welzijn van allen nodig. Alle hindernissen voor dat gemeenschappelijk welzijn wou hij voortaan slopen, ook de rasgrenzen.

Prof. Defoort vat samen: ‘Met een enorm eugenetisch programma wil hij ongewenste rassen met verloop van tijd wegwerken zodat er in de wereld van de Grote Gelijkheid nog één overblijft en iedereen de kans krijgt om even blank, mooi, groot, welriekend, gezond en verstandig te zijn.’

Ziedaar het kleurenblinde doel waar Kang naartoe wil. Maar de hedendaagse rassensituatie beoordeelt hij minder gunstig. In zijn eigen woorden: ‘De zwarten, met hun ijzeren gezichten, zilveren tanden, flitsende blik, opgeheven bovenkaak, hangende onderkaak, [zijn] uiterst suf en extreem dom, hatelijk en angstaanjagend om te zien. Hun waarde verschilt enorm van blanke en gele mensen, zoals helse duivels verschillen van hemelse goden.’

Klinkt dit als een aanhef voor volkerenmoord? Bij hem niet, hij heeft een subtielere ‘oplossing’, maar wel één die een eeuwen volgehouden inspanning op wereldschaal vergt. Aan de VN-definitie van volkerenmoord beantwoordt alleen een uitzonderingsmaatregel voor ‘bruine en zwarte mensen met een té slechte inborst’, namelijk de sterilisatie. Dan zal ‘dit lelijke ras van onbenullige zwarten er niet voor kunnen zorgen dat onze mooie rassen in chaos degenereren’. Maar behalve voor deze uitzondering biedt hij andere beleidsideeën.

Gelijkberechtigende wetgeving is niet voldoende, want ook tussen formeel gelijke burgers blijft ras een bron van wrijving, zo meende Kang. Dus moet de overheid hopen geld uitgeven aan een rassenbeleid.

Ten eerste moeten de donkere rassen uit hun ongezonde evenaarslanden weggehaald worden: zet ze in de grote lege ruimte van Canada of Siberië, en ze zullen veel hygiënischer en hardwerkender worden. De VB-kiezer mag dan over inwijkelingen zeggen: ‘Dat ze ginder blijven!’, maar zo zag Kang het niet. Klimaat is de oorzaak van rasverschillen, dus doe wat aan het klimaatverschil.

Ten tweede, en doortastender: vermeng ze. Tussen blank en geel zal het wel gaan gezien hun betrekkelijke gelijkwaardigheid: ‘De blanken zijn sterker, de gelen wijzer.’ Maar wat met hetgeen onze racisten de ‘modderrassen’ noemen? Van ‘mooie blanke vrouwen’ kunnen we moeilijk verwachten dat zij leven en bed delen met ‘monsterlijk lelijke zwarten’, dus moeten we hen omkopen. Wel, we geven de offerbereide blanke en gele vrouwen een medaille van rashervormer met het inschrift ‘goed mens’.

Dus ook in China floreerde het racisme, maar evengoed wekte het daar verontwaardiging. Wat betreft het samenbestaan van racisme en antiracisme is er weinig verschil tussen de rassen.

Deze vreemde combinatie van het ideaal om de rassen te vermengen met een racistische inschatting van de huidige mensengemeenschappen vinden we in het westen terug bij onder meer Rudolf Steiner (1861-1925), stichter van de antroposofie en de biodynamische landbouw, en Richard graaf Coudenhove-Kalergi (1894-1972), de Oostenrijks-Japanse pionier van de Europese eenmaking die nog een sterk koloniale verbinding met Afrika nastreefde. Steiner is recent in opspraak gekomen wegens de beweerd racistische elementen in de in zijn scholennet gebruikte handboeken. Coudenhove-Kalergi wordt daarentegen als de grote samenzweerder achter open grenzen, migratie en rasvermenging gezien. Wat bij de racist Kang ook werkelijk het geval was.

 

(genoemde personen: Carine Defoort, Kang Youwei, Confucius, Cixi, Rudolf Steiner, Richard Coudenberg-Kalergi)

vrijdag 18 december 2020

Jezus etnisch geprofileerd

 

Etnische profilering van Jezus


(De Nieuwe Zuil, 16 december 2020) 

De Vlaams tekstwetenschapper Willie van Peer (München, Cambridge) vraagt zich een boek lang af hoe Jezus eruit zag. De kwestie is weer actueel nu alle historische figuren op het rooster van de raciale correctheid gelegd worden en progressieve christenen het verblijfsrecht voor Syrische asielzoekers bepleiten met als argument hun gelijkrassigheid met Jezus. Zij hebben zulke lage dunk van hun Heiland dat ze hem aan de eigentijdse ras-obsessie willen onderwerpen.

Het rassenvraagstuk is eenvoudig beslecht: niets wijst erop dat hij verschilde van de hedendaagse bevolking van Galilea. In gelovige afbeeldingen wordt dat echter vaak afgebogen naar het uiterlijk van het plaatselijke publiek: een donkere Jezus in de Ethiopische Kerk, een Jezus in toga bij de Romeinen, een Noord-Europese Jezus bij Jan Van Eyck. Tijdens de kolonisatie aanbaden bekeerlingen vaak nog een Jezus die op de kolonisatoren geleek, maar sindsdien zijn er volop Chinese enz. Jezusfiguren bijgekomen. De iconografie trekt zich weinig aan van het Schriftwoord. Geschiedkundig is dat minder juist, maar theologisch is het volledig in orde: in Jezus is God één van ons geworden.  

Een coverfoto in Time Magazine toonde ooit de gelaatsreconstructie van een in Palestina gevonden schedel. (hier op p.84) Die ging de wereld rond als “Jezus’ echte gezicht” en werd bij papenvreters zeer populair wegens zijn geëxalteerde, weinig ingetogen blik: zie je wel dat Jezus maar een ordinaire dronkaard was?! Van Peer beklemtoont dat dat slechts een gemiddelde Palestijn was, niet noodzakelijk Jezus,-- wiens schedel volgens de Schrift trouwens mee ten hemel gevaren moet zijn.

Vroege portretteringen uit Palestina zijn er niet, mede door het joodse taboe op afbeeldingen. Het begint pas wanneer de generatie die hem mogelijk nog gezien heeft, al lang uitgestorven is: in het Syrië van 233, “in Dura Europos, een naam die klinkt als muziek in het oor van archeologen en oudheidkundigen”. (p.23) In een huiskerk, wereldwijd de oudst bekende kerk, staat Jezus afgebeeld zonder baard (wat alvast afwijkt van het gebod voor Joodse mannen) en met kort haar, maar in de vertrouwde rol van Goede Herder. Dat was echter een titel die vorsten in Mesopotamië al enkele millennia gebruikten.

Van Peer overloopt dan de hele geschiedenis van de christelijke iconografie. In het Griekse christendom werd de verrezen en verheerlijkte Christus afgebeeld, de strenge Pantokrator, “Heer van het Al”. In het Latijnse werd dat de rondtrekkende wonderdoener, brenger van een zachtmoedige boodschap, doorgaans langharig omdat dat toen in Europa gangbaar was. Nochtans was hij zeker geen softie: gezien zijn afkomst als stielman en zijn rondtrekkende levenswijze zal hij eerder verweerde handen gehad hebben.”

En daarmee stuurt de auteur zijn lezers op weg: “Jezus was zeker geen doetje. En zijn leer is dat evenmin.” (p.85)

Willie Van Peer: Hoe zag Jezus eruit? Davidsfonds, Leuven & Standaard Uitgeverij, Antwerpen 2020, 89 pp., ISBN 978 90 02 26902 8, €

 

dinsdag 8 december 2020

Hemelse tekens voor een messias en een profeet



Hemelse tekens voor een messias en een profeet

 

(Doorbraak, 16 december 2020) 

In het zicht van de kerstdagen kunnen we ons weer aan bespiegelingen over de Ster van Betlehem verwachten. Het zou om een Jupiter-Saturnus-samenstand in Vissen in het jaar -7 gaan, om een Jupiter-Venus-Regulus-samenstand in juni van het jaar -2, of andere configuraties waaraan sterrenwichelaars veel betekenis hechten. Onder de vele auteurs die er hun licht over hebben laten schijnen noemen we de Vlaamse wetenschappers (en in dit opzicht tegenpolen) Ronnie Martens, skeppticus, en Jos Verhulst, antroposoof. Aan die bespiegelingen gaan we hier niets toevoegen. We hebben het wel over wat die sterrenstand, welke hij ook mag geweest zijn, in de godsdienstgeschiedenis kan betekend hebben.  

 

 

Driekoningen

De zogenaamde Ster van Betlehem duidt er voor de meeste sterrenduiders op dat de geboorte van Jezus iets heel bijzonders was. Het is redelijk aan te nemen dat die samenstand binnen het astrologisch wereldbeeld, dat in de Babylonische en Hellenistische cultuur toonaangevend was, als uitzonderlijk betekenisvol gold (daarom wordt er onder de hedendaagse erfgenamen van dat wereldbeeld nu volop gespeculeerd over de komende winterzonnewende, wanneer Jupiter en Saturnus zullen lijken te versmelten). De Romeinen wijdden zelfs munten aan sensationele planeetstanden, op de keerzijde van ‘s keizers beeltenis, zonder overigens ooit naar ene Jezus te verwijzen.

Want wat heeft Jezus ermee te maken? Na een lezing van Verhulst over het beweerde gastoptreden van de door hem uitverkoren sterrenstand in enkele schilderijen van Pieter-Pauwel Rubens, hoorde ik een paar ex-katholieken in het publiek mompelen dat er precies toch iets bijzonders aan die Jezus moet geweest zijn, aangezien zijn geboorte met zulke gunstige constellatie samenviel.

Het zwakke punt is dat men daar de sprong maakt van een beweerdelijk unieke planetenstand naar de persoon Jezus. Dat neemt men van generaties christelijke auteurs over, te beginnen met de evangelist Mattheüs en zijn Driekoningenverhaal (merk op dat de andere evangelisten dat onvermeld laten, wat ook niet voor zijn historiciteit pleit). Tientallen jaren na de sterrenstand in kwestie, en een gelijkaardig aantal jaren na Jezus’ geboorte, legde hij een verband tussen die twee gebeurtenissen, voor zover bekend als eerste.

 

 

Christelijke sterrenduiding

         Vele hedendaagse christenen beschouwen sterrenduiding als afgoderij en staan weigerachtig tegenover de gedachte dat christenen belang kunnen gehecht hebben aan planeetstanden. Dat was echter wel het geval, vooral in de eerste eeuwen en ook tijdens de Renaissance. Of het klopt wat mijn nonkel pater zaliger uit zijn studiejaren in Rome getuigde, namelijk dat men bij bisschopsbenoemingen horoscopen raadpleegde, durf ik niet bevestigen. Maar in de opstelling van de Kerkelijke kalender is duidelijk met de Dierenriem rekening gehouden: ofwel omdat men er echt in geloofde, ofwel omdat men op de Grieks-Romeinse gevoeligheden wou inspelen.

De band van Kerstmis en Pasen met de winterzonnewende resp. de lente-evennacht is het bekendste voorbeeld: deze data waren in omzeggens alle antieke culturen van belang, en de jonge Kerk wou daar niet voor onderdoen. De plaatsing van het dodenfeest Allerheiligen / Allerzielen in de periode van het doodsteken Schorpioen is er een ander. Pinksteren als feest van communicatie en veeltaligheid beantwoordt aan de astrologische betekenis van zijn teken Tweelingen. Op 8 december vieren katholieken de Onbevlekte Ontvangenis van Maria, en ook dat is om astrologische redenen. Negen maanden na een ontvangenis volgt een geboorte, dus op 8 september viert men de geboorte van Maria, doelbewust in het sterrenteken Maagd. Ook het Mariafeest van OLV-Tenhemelopneming viel bij zijn instelling rond het jaar 600 in de Juliaanse kalender ongeveer samen met het beginmoment van de Maagd-periode. De katholieke feestkalender is doordrenkt van heidense sterrenduiding.

Het kan evengoed dat de evangelist, gretig om ook de astrologie voor de kar van zijn nieuwe leer te spannen, van de opwinding onder hellenistische sterrenduiders over deze uitzonderlijke samenstand gehoord had en deze willekeurig op Jezus betrokken heeft. Van de meeste mensen van niet-koninklijke komaf was het geboortemoment niet of niet meer bekend, zeker niet tegen de tijd waarin ze het op eigen kracht tot beroemdheid geschopt hadden. Men kon dus later een geboorteverhaal verzinnen dat bij hun uiteindelijke status paste.

 

 

Mohammeds geboorte

Er is een gelijkaardig geval bekend: de geboorte van Mohammed. Zoals christenen Kerstmis vieren, en wel op een uitgekozen datum die waarschijnlijk meer inspeelde op de bestaande feestkalender dan dat hij een historisch geboortemoment weergaf; zo vieren moslims elk jaar de geboortedag (miladoe’n-nabi) van de Profeet. Alleen, ze pretenderen niet de datum te kennen, dus ze vieren zijn geboorte op zijn sterfdag, die wél bekend is. Dat wat de precieze dag betreft, maar belangwekkender in dit verband is het jaar.

Moslimbronnen plaatsen Mohammeds geboortejaar onder een gelijkaardig prestigieuze hemelse vingerwijzing: het Jaar van de Olifant. Een glorierijk ogenblik in de Arabische geschiedenis was de mislukking van de belegering van Mekka door een met olifanten uitgerust Ethiopisch invasieleger. Dat werd genoopt om zich terug te trekken, niet door Arabische wapenfeiten maar door een zogenaamde hemelse tussenkomst. De teksten gewagen van een soort stenenbombardement door vogels, maar in het echt betrof het waarschijnlijk een epidemie.

Toen men Mohammeds leven na diens dood in 632 ging beschrijven, was de Olifant-generatie praktisch uitgestorven, maar het prestige van de gebeurtenis galmde nog na. Mohammed was geboren in 570, maar de belegering moet rond 555 plaatsgevonden hebben. Het was echter allemaal lang geleden en vaag geworden, dus ging men de inmiddels prestigieus geworden geboorte van de profeet aan het prestigieuze Jaar van de Olifant koppelen. Als hij in 555 geboren zou zijn, was hij al een oude man toen hij Arabië veroverde, dus 570 was realistischer, en het was het Olifantjaar dat opgeschoven werd. Het jaar waarin Allah zich met de lotsbestemming van Mekka had ingelaten, had hij de stad niet alleen van een belegering ontzet, maar haar ook een profeet geschonken, zo werd geïmpliceerd.

Alleszins, de twee gebeurtenissen werden pas post factum verbonden, en daartoe nam men vrijheden met de kalender. Ziedaar wat met de koppeling van Jezus’ onbekende geboortedatum aan een opvallende sterrenstand moet gebeurd zijn.

 

(Genoemde personen: Ronnie Martens, Jos Verhulst, Jezus, Pieter-Pauwel Rubens, Mattheüs, Maria, Mohammed, Allah)