zondag 3 december 2017
dinsdag 28 november 2017
De grensoverschrijdende Draak -- De buitenlandse politiek van China
(Doorbraak, 27 november 2017)
Een
prettig neveneffect van mijn tijd als senaatsmedewerker voor buitenlandse
politiek was de ontdekking van de wereld van denktanks waaraan Brussel
(hoofdstad van Vlaanderen, België, de EU en Noord-Atlantis) rijk is, onder meer
het European Institute for Asian Studies. Anderzijds is "de buitenlandse
politiek van China" belangrijk genoeg om er zelfs in Brussel een
conferentie aan te wijden. Dus: allen naar de komende bijeenkomst over de
Grensoverschrijdende Draak.
Het
vorige evenement specifiek daarover dat ik mocht bijwonen, was rond 1976. Ik
was nog tiener en een fan van de charismatische spreker en, naar mij toen
toescheen, meester-denker Ludo Martens, voorzitter van Amada (Alle Macht aan de
Arbeiders), de huidige PvdA. Die nam de debathandschoen op tegen Swa Vercammen
van de trotskistische RAL (Revolutionaire Arbeidersliga). Het onderwerp was
toen belangwekkend genoeg om de Leuvense Alma 2 te doen vollopen. China's
buitenlandse politiek had in de toen nog talrijke linkse rangen wat
vertwijfeling doen ontstaan. Deze voorhoedestaat had namelijk kazak gekeerd
inzake de verketterde Navo. Toen de Sovjet-Unie de vijand van China werd, ging
China het anti-Sovjet-bondgenootschap Navo als feitelijke bondgenoot
beschouwen. Het was een schok voor onze linkerzijde, die van: "België uit
de Nato, de Nato uit België!" Maar daar zou de allesverklaarkunde van de
Kleine Roerganger wel een Mao aan passen.
Ergens
rond 1988 debatteerde diezelfde Martens over Tibet tegen Frans Boenders. Dat
steekspel heb ik toen door andere verplichtingen moeten missen, maar achteraf
vertelde Boenders het mij na, met als slotsom: "Met communisten valt niet
te praten." Die brave Boenders dacht warempel dat het in communisme om
praten gaat. Van dat misverstand was ik toen al lang verlost. Het schrikbewind
van Pol Pot in Democratisch Kampuchea (1975-79) heeft daarbij geholpen, maar
ook dit. Tijdens een Amada-bijeenkomst had ik een vakbondsman horen reageren op
een destijdse SP-uitspraak over "speldenprikken" tegen het
grootkapitaal: "De revolutie maken we niet met speldenprikken, maar met
mokerslagen!" (Immers, ter attentie van die laffe reformisten die met de
bourgeoisie getrouwd zijn: “We willen niet een deel van de koek, ook niet heel
de koek, maar heel de bakkerij!”) Jaja, al hebben onze revolutionairen niet
veel bereikt, wat waren ze toch woordkunstenaars.
Ook rond
die tijd, juni 1989, werd op het Tiananmen-plein in Beijing een
protestbeweging voor democratie in het bloed gesmoord. Uitbundige
verontwaardiging ("euforie" noemden onze maoïsten het) in de
bourgeois-media en, bij monde van Ernest Mandel, onder de trotskisten. In het hoofdartikel van het partijblad Solidair
diende Ludo Martens deze Mandel van antwoord, ongeveer aldus: "Trotskisten
als hij zijn er niet in geslaagd hun Permanente Revolutie te verwezenlijken in
een land zo groot als Liechtenstein. Hem komt het natuurlijk toe, een land met
een miljard inwoners de les te spellen."
Een
half jaar later hergroepeerden de uit China weggeraakte democratie-ijveraars
zich voor een strategische conferentie in warempel mijn thuisstad Leuven, in de
Kleine Aula, Maria Theresia-College: "Dadao gongchanzhuyi!"
("Weg met het communisme!") Ik had inmiddels Chinees gestudeerd en
was daar zeer welkom, al was het maar omdat ik me als tolk nuttig kon maken.
Daar waren ook enkele buitenlandse opponenten van het communistisch bewind op
uitgenodigd, onder meer de Londense voorzitter van de "Free
Tibet"-campagne. Dat was toch wel een miskleun, want alle Chinezen keerden
zich fel tegen hem. De verstandigste onder hen trachtte de gemoederen te
bedaren om de bijeenkomst niet te laten mislukken, dus stelde hij een
"redelijk compromis" voor: OK, een onafhankelijkheidsreferendum, maar
dan in de hele Volksrepubliek... Waarmee mooi aangetoond was hoe
nationalistisch de Chinezen, ongeacht politiek standpunt, verenigd zijn rond de
trouw aan het ondeelbare moederland.
Het
oproer van 1989 is doodgebloed, maar het communisme is eigenlijk wel ten val
gekomen. Een fluwelen val, want alle partijprinsen zijn goed terecht gekomen,
maar van communisme is onder de Hamer en Sikkel van het conferentiepodium anno
2017 niets meer te merken. Geen Mao-pakjes meer (eigenlijk decennia eerder dan
de Revolutie door de vader des republikeinsen vaderlands Sun Yixian
gelanceerd), de partijleiders dragen nu een maatpak, zijnde het
bourgeois-uniform van de westerse duivels. Men sprak er nog over een
"modern socialisme met Chinese kenmerken", maar die lippendienst
heeft vooral als functie, de institutionele continuïteit en de oppermacht van
de partij te verzekeren en de chaos die een Michaïl Gorbatsjov destijds over
het Sovjet-grondgebied afgeroepen heeft, te vermijden. In China reikt de Staat
het Kapitaal de hand. En nu het bezoek van Donald Trump aan sterke man Xi
Jinping door de Chinezen uitgelegd wordt als het hofbezoek van een leenman aan
zijn leenheer, gaat het in China uitgestippelde beleid ons allen aan.
Voorsmaakje
van het vervolg: European Institute for Asian Studies, Wetstraat 26 Brussel,
donderdag 30 november 2017, 9-12 u. Gratis, allen welkom.
maandag 30 oktober 2017
Een conservatief herbront zich
Een conservatief herbront zich
(Doorbraak, 25 oktober 2017)
De
aartsvader van de conservatieve stroming in de moderne politiek, zo bestempelt
men de Iers-Britse wijsgeer en parlementariër Edmund Burke (1729-1797). Hij
zetelde nochtans voor de Whig-partij,
de “liberalen”, de toenmalige linkervleugel. Zijn blijvende faam heeft hij
vooral te danken aan zijn gedachten bij de Franse Revolutie, samengevat in het
boek Reflections on the Revolution in
France (1990), waarvan zopas een selectie in Nederlandse vertaling
heruitgegeven is als Franse Revolutie en
Engelse traditie bij Doorbraak. Zowel Burke’s grondtekst als Theodore
Dalrymple’s inleiding daarop zijn uitstekend vertaald en van verklarende
voetnoten voorzien door Marc Vanfraechem.
In
vergelijking met de massa marxistische en cultuurmarxistische geschriften zijn
er niet veel inleidingen tot het conservatisme. Daarom alleen al is deze
omstandige inleiding door Dalrymple op Burke’s grondtekst van deze belangrijke doch
onbekend-onbeminde politieke stroming welgekomen. Door eigen levenservaring tot
het conservatisme gekomen, belicht Dalrymple hier het boek dat onwillekeurig
tot zijn levensbeschouwelijke bron geworden is.
Dalrymple
was tot voor kort als arts werkzaam. Hij verwierf bekendheid met zijn schampere
maar zeer deskundige kritiek op de resultaten van decennia van pamperbeleid op
de arbeids- en gezinsethos van de onderklasse.
Sommige van zijn inzichten blijken meteen
citeerbaar in hedendaagse debatten, bv. over de projectie van een hedendaagse
waardenschaal op historische figuren. In Vlaanderen haalde hij de krantenkoppen toen de
opkomende politicus Bart De Wever zich tot zijn type gezondverstandsconservatisme
bekende.
Burke
Over Burke
geeft hij enkele tekortkomingen toe, zoals het ook bij de linkse kritiek
bekende feit dat hij erger jammerde over koningin Marie-Antoinette dan over de
armoede van de boerenstand, en dat hij de gebreken van het Britse stelsel onderschatte.
Verder was Burke hier en daar wijdlopig, al heb je daar in dit boek weinig last
van, want irrelevante en langdradige passussen zijn eruit weggeslecteerd.
En dan is
er nog het verstrijken van de tijdsgeest, wat hier en daar zorgt voor onverwachte
zienswijzen die in zijn tijd begrijpelijker waren. Bijvoorbeeld noemt hij een
wetmatigheid die we nu in de politiek zelden nog beseffen, namelijk het belang
van riddertrouw: een koning hoeft niet op samenzweringen tegen hemself berekend
te zijn als zijn mannen hun eed van trouw ernstig nemen (“trouw verdrijft vrees”, p.56), zodat hij niet zijn
toevlucht moet nemen tot “tirannie uit voorzorg”. Er is hier en daar ook wat sarcasme dat nu
niet meer als origineel zou gelden maar het toen wel was, bv.: de revolutionairen
“hebben Frankrijk vrijgemaakt op de manier waarop die oprechte vrienden van de
rechten van de mensheid, de Romeinen, de bevrijding van Griekenland, Macedonië
en andere volkeren hebben aangepakt.” (p.105)
Maar
alles bijeen blijft het nog steeds, ook na ruim twee eeuwen, een hoeksteen van
het politieke boekenlandschap: “Het is een mens niet gegeven, in alles gelijk
te hebben, en Burke maakte geen uitzondering op deze regel, maar over lopende
zaken en diepzinnig boek schrijven dat twee en een kwart eeuw later nog het
lezen waard is, en dat voor onze huidige precaire situatie doordringende
inzichten bevat, is een opmerkelijke prestatie die door maar een handvol . (p.21-22)”
Conservatisme
Burke
behoorde tot een milieu dat eigenlijk als geheel de bron van het conservatisme
mag heten, met onder meer woordenboekmaker Samuel Johnson (http://koenraadelstnl.blogspot.be/2017/10/dr-samuel-johnson.html),
geschiedkundige Edward Gibbon, econoom Adam Smith en wijsgeer David Hume.
Alleen al hun vriendschap zegt veel over het conservatisme, want ze overbrugde
ernstige meningsverschillen die bij links, en bij een middelmatiger variant van
rechts, tot verkettering zouden geleid hebben: anglicaans (Johnson en Burke) versus
vrijzinnig (Hume en Gibbon), Tory versus Whig, pro en contra de eisen van de
separatisten in de Amerikaanse koloniën.
Johnson
en Burke zijn allebei bekend om hun pleidooien vóór de inheemse belangen in de
overzeese gebieden: Johnson (die, kinderloos, zijn zwarte dienaar tot erfgenaam
maakte) deed schamper over de Amerikaanse autonomisten, die vooral af wilden
van de beperkingen die de Britse Kroon oplegde aan hun drang om de Indianen te
onteigenen en negerslaven te mishandelen, “liberty” zijnde het recht om te
veroveren. Burke daarentegen sympathiseerde met hen in hun kritiek op het
koloniale ondergeschiktheid, wat een ander soort anti-Britse stellingname. Burke
leverde scherpe kritiek op de East India Company en haar corrupte en
uitbuitende bewindvoering in Bengalen. Hun “going
native” is al één punt waarop hij en zijn vrienden niet beantwoordden aan
het stereotiepe beeld dat de linkerzijde van haar tegenstanders cultiveert.
De
vrijdenker Gibbon schreef over de anglicaan Burke, met wie hij de ontzetheid
over de Franse Revolutie deelde: “Ik bewonder zijn welsprekendheid, ik ben het
eens met zijn politieke zienswijze, ik ben vol van zijn ridderlijkheid, ik kan
hem zelfs zijn bijgeloof vergeven.”
Bescheidenheid
Burke
hamert op onze kleinheid in vergelijking met de enorme erfenis die wij torsen. Nationale
eigenheid behoort bijvoorbeeld tot dat erfgoed: “Ik kan niet vatten hoe iemand
zulke graad van aanmatiging kan bereiken dat hij zijn land beschouwt als niets
dan een blanco blad waarop hij kan krabbelen wat hem maar invalt.”
Wat
Burke daar tegenoverstelt, gaat niet om het hoera-patriottisme met zijn vlagvertoon.
Politieke conflicten worden hier niet in het Procrustesbed van begrippen als
“volksaard” gedwongen. De Britse kolonisten in Amerika hadden gewoon een belangenconflict
met het moederland, zij gelden hier niet als “a new nation”, zoals de nationalistische president Abraham Lincoln
het voorstelde. De Fransen waren evenmin door hun volksaard gedoemd tot het
revolutiescenario dat zich toen ontspon.
Progressief
staat gelijk met de leer van het “onbeschreven blad”, de maakbare mens die geen
vaderland heeft. En die geen andere dan een materiële dimensie heeft en passief
het herkneden door verlichte despoten moet ondergaan. Aldus bijvoorbeeld in
voorzitter Mao’s (op p.13 geciteerde) beeld van de boerenstand als een onbeschreven
blad waarop prachtige karakters kunnen geschreven worden.
Veranderen
om te behouden
“Een staat die de middelen
mist tot enige verandering, mist ook de middelen om zich te handhaven”, stelt
Burke (p.30). Ter linkerzijde stelt men het graag zo voor dat conservatieven
tegen elke verandering gekant zijn, vastgeroest in een verleden waarvan zij het
leven oneindig willen rekken. In werkelijkheid laveren zij op de wind, en zijn
zij best bereid hun zeilen bij te stellen naargelang de windrichting om hun
eigenlijke koers te kunnen handhaven.
Een voorbeeld van elders. Eind
19de eeuw voelden sommige leidende figuren in China wel aan dat niet
alleen de technologie maar ook de instellingen aan modernisering toe waren. De
literati Kang Youwei en Liang Qichao kregen van het keizerlijk hof carte
blanche om hervormingen door te voeren om uiteindelijk van het absolute
Qing-keizerrijk een grondwettelijke monarchie naar Brits model te maken. Die
formule zou continuïteit verzekeren en een geleidelijke modernisering
aanmoedigen. Gezien de bloedige 20ste-eeuwse geschiedenis van de
Republiek en de Volksrepubliek, met trage of negatieve economische
ontwikkeling, was dat wel de best mogelijke oplossing. Echter, de echt
reactionaire krachten binnen het keizerlijk milieu zagen die hervormingen niet
graag, en binnen honderd dagen werden die teruggedraaid.
Gevolg was een polarisatie die
het republikeinse kamp versterkte en in 1911 tot een revolutie leidde, met de
troonsafstand van de laatste keizer, Pu Yi, en de aanstelling van een eerste
president, Sun Yixian (Sun Yat-sen), en in het zog daarvan de instabiliteit en
de crisissen die de hervormers hadden willen voorkomen. Tekenende bijzonderheid
is de kwestie van de inbinding van de voeten bij elitevrouwen: daadwerkelijk
afgedwongen door het maoïstisch bewind, was dat verbod al afgekondigd onder de
Republiek en zelfs al onder het Keizerrijk, dat wel degelijk tot de
hervormingen bereid was die de revolutionairen achteraf als resultaat van hun
eigen machtsgreep voorstellen.
Tegeltjeswijsheden
Bij het afscheid geven we nog wat
wijsheden mee voor onderweg. Zo varieert Burke op Cicero “dat religie de basis
van een beschaafde samenleving is, de bron van alle goeds en troost”. (p.61) En
verder moeten filosofen niet de maatschappij naar hun eigen inzichten willen
inrichten: “Waren ze zich maar bewust gebleven van hun onlosmakelijke eenheid,
elk op zijn eigen plek!” (p.57) Wel ja, dat is het geheim: cuique suum, “elk het zijne”!
woensdag 25 oktober 2017
Dr. Samuel Johnson
zaterdag 21 oktober 2017
Herman Rasschaert wordt zalig
(Doorbraak, 20 oktober 2017)
Het Vaticaan wil een Vlaming zalig verklaren: Herman Rasschaert s.j. Hij stierf in 1964 toen hij te Gerda bij Ranchi, India, een groep moslims in een moskee trachtte te ontzetten die door een groep Garo-tribalen belaagd werd. Die hadden hen uitgekozen om hun wraak op te koelen wegens de moslim-moordpartijen op Garo's net over de grens in Oost-Pakistan. Velen van de daders waren vluchtelingen die deze bloedbaden van nabij meegemaakt hadden. In die tijd bestond de pro-islamitische censuur nog niet, dus anders dan nu bij de Rohingya's werd deze voorgeschiedenis van moslimschuld destijds niet weggemoffeld.
Zelf ben ik opgegroeid met het relaas van zijn martelaarschap. Hij was de broer van een klasgenote van mijn moeder. We hoorden het verhaal regelmatig, en als meest leesgrage thuis heb ik ook al de krantenknipsels en het Vlaamse Filmken terzake verorberd. Eén punt daarin was altijd een leugentje om bestwil, voor ons zielenheil: de bewering dat de wraakoefening het werk was van "hindoe" tribalen, niet van gekerstende tribalen.
Missionarissen beweren altijd dat "tribalen geen hindoes zijn". Behalve dan wanneer ze zich misdragen, dan zijn het plots "hindoe fanatici". In ieder geval waren zij maar een deel van de wraakexpeditie, want daarin zaten er ook gedoopte tribalen, die evenzeer woedend waren wegens de moslimterreur tegen hun volksgenoten. Nadat ze een steen tegen het hoofd van Herman Rasschaert gegooid hadden en hij bewusteloos op de grond doodbloedde, maakten ze hun werk in de moskee af, maar daarna hield de agitatie in de hele streek meteen en volledig op. De daders waren tot inkeer gekomen omdat ze hún pater gedood hadden. Natuurlijk hadden ook christenen zich aan de kant van de wraakoefening geschaard. We zullen nu zien of de Kerk het leugentje van destijds volhoudt.
Maar voor wat een zaligverklaring waard is: Rasschaert heeft ze zeker verdiend. Hij was een held, die de voorzichtige raad van zijn inheemse collega's trotseerde om mensenlevens te gaan redden. Zijn motto was: Fiat iustitia pereat mundus ("Recht, al barstte de wereld").
Die leuze werd tevens de titel van zijn biografie, 1995, van de hand van Robert Houthaeve. Bij de boekvoorstelling, in de afgeladen volle feestzaal van het college in zijn geboortestad Aalst, schitterde de leiding van de Vlaamse Kerk echter door haar afwezigheid. Rasschaert was daar namelijk een omstreden figuur door zijn Vlaamsgezindheid. Die kwam meer voor onder jezuïeten, zoals bij de woordenboekmaker Jozef Verschueren. Zij kleurde ook het werk van de jezuïetenmissie in de streek van Ranchi, in de 19de eeuw gesticht door Constant Lievens.
Inderdaad, in het verre India konden Vlaamse jongens hun flamingantisme gaan uitleven. Zij verstrekten er immers, net als hun collega's in Kongo, onderwijs in de volkstaal, daar waar bv. de Amerikaanse baptisten er voor het Engels opteerden. Zij ontwierpen de terminologie voor moderne begrippen. De tribale talen van die streek hebben hun voortbestaan daaraan te danken. Eén ervan, het Santali, werd in 2002 tot officiële taal opgewaardeerd. De politieke verdienste daarvoor ligt bij de partij die er lang voor geageerd had en die, eens aan de macht, er ook werk van gemaakt heeft, namelijk de Hindoe-Nationalistische BJP (die ook vandaag de regering vormt). Maar dat het Santali überhaupt in aanmerking kwam voor die officiële status, in plaats van een verdwijnende keukentaal geworden te zijn, is de verdienste van Vlaamse jezuïeten zoals Herman Rasschaert.
donderdag 19 oktober 2017
Vrije Meningsuiting onder druk
(In Flanders’ Fields, 20 oktober 2017)
Het had op
10 oktober eigenlijk een primeur voor de Debatclub moeten worden: Jean-Marie
Dedecker tegen Peter Mertens. Tussen diens welbespraakte voorganger, de
rechtlijnige maoïst Ludo Martens zaliger, en de eveneens goed van de tongriem
gesneden libertariër JMDD was het zeker vuurwerk geworden. Maar het huidige
halfslachtige socialisme van Mertens, dat zijn eigen partij ooit als
“reformisme”, “revisionisme” en “met de bourgeoisie getrouwd zijn” verketterd
zou hebben, is moeilijker te verdedigen. Hij is er tussenuit gekropen en dus moest
de Debatclub naar een ander duo pratende hoofden op zoek.
Het werd
dan Joël De Ceulaer, sterjournalist bekend van De Standaard, De Morgen en
Knack, tegen Sam Van Rooy, ingenieur, islamkenner in het zog van zijn vader
Wim, en nu VB-medewerker. Moderator was Doorbraak-hoofdredacteur
Pieter Bauwens.
Cordon médiatique
De Ceulaer
is een zelfverklaaard “spijtoptant van het cultuurmarxistische
politiek-correcte complex”. Hij heeft het de jongste tijd regelmatig voor een
onverkort vrije meningsuiting opgenomen, zonder valse doorzichtige uitvluchten
van het type: “Jamaar, haatspraak is geen mening, het is een misdaad en mag
gerust verboden en bestraft worden.” Hij
is daarin naar eigen zeggen “Amerikaanser” geworden: de overheid moet zich
minimaal met meningen bemoeien. Maar krijgt hij als opener de vraag of de vrije
meningsuiting nog bestaat, dan begint hij over het cordon médiatique dat niet meer zou bestaan. Zo blijkt Tom Van
Grieken vlot toegang tot knack.be te hebben.
Van Rooy
zet vanuit zijn eigen ervaring de puntjes op de i. De meeste van zijn
opiniestukken in Doorbraak zijn eerder
naar De Standaard en andere
mainstreammedia gestuurd en daar geweigerd, en zijn partijgenoten maken nog
onverminderd iets gelijkaardigs mee. Wat meer is: tientallen van zijn
contactpersonen getuigen dat ze zelfs op de sociale media gecensureerd zijn, enkele
jaren geleden nog bejubeld als een vrijplaats voor onorthodoxe standpunten. De
vrije meningsuiting staat meer dan ooit onder druk vanwege het heersende
cultuurmarxisme, en wordt toenemend bedreigd door de islam.
Daarmee is
het grote woord eruit, de olifant in de kamer. Het cultuurmarisme was al aan
onze vrijheden aan het knabbelen, en de islam was nog niet in het spel toen
beginselloze politici ons de negationismewet opdrongen. Maar daarover, bij
voorbeeld over de effectieve gevangenisstraf voor Siegfriend Verbeke (die onder
het publiek nog steeds wat aanhang heeft), ging het hier niet. De islam eiste
alle aandacht op.
Haatimams
Of Van Rooy
dan haatimams de mond wil snoeren? Of hij, anders dan de media, wél de
vrijheidsliefde aan de dag legt om ook zijn vijanden aan het woord te laten?
Hij aarzelt en geeft toe dat hij het daar moeilijk mee heeft: de klassieke
partijen hebben de islam geïmporteerd en ons daar met een probleem opgezadeld.
In Japan of Hongarije stelt zich de vraag gewoon niet. De Ceulaer erkent het
probleem van de “pleidooien voor de sjari’a en islamrechtbanken” onomwonden, en
vindt sinds zijn bekering tot de onverkorte uitingsvrijheid dat ook dat moet
kunnen. Immers, wat elders geldt, is ook hier van toepassing: die vrijheid is
ondeelbaar, en een mening verbieden jaagt ze maar ondergronds waar ze des te
gevaarlijker voortwoekert. Hoewel hij nooit de hoofddoek zegt verdedigd te
hebben, is hij dus consequent tegen een verbod.
Van Rooy
krijgt van De Ceulaer het verwijt dat hij niet de vrije intellectueel is die
hij lijkt, maar een partijman die de partijlijn moet verdedigen; en die
bovendien de geschiedenis van de partij slecht kent. En inderdaad, vroeger hing
zij sommige conservatieve strijdpunten aan die zij nu aan de islam kwalijk neemt.
Hij gaat niet op dat verleden in want de dreiging is nu zo groot geworden dat
het een frivole luxe is om nog over
vroeger te emmeren. Dat vindt De Ceulaer dan weer onnodig apocalyptisch.
Van Rooy
schiet terug: “Ik moet niets meer voorspellen, we zijn er al. Cartoonisten worden gecensureerd”, zoalniet door de
overheid, dan door hun oversten of door zichzelf. Of zie de schandalige
vervolging van de vals beschuldigde kleuterjuffrouw Magalie, en natuurlijk de
fysieke uiting van pro-islamitische meningen via aanslagen.
Reductio ad Hitlerum
Wanneer hij
daaraan een pleidooi voor een immigratiestop voor moslims verbindt, komt De
Ceulaers oude reflex echter boven: “Vervang ‘moslims’ door ‘joden’.” Van Rooy zet
deze hyperfocus op het nazi-verleden meteen op zijn plaats: wie om de joden
geeft, heeft juist alle reden om de islamisering krachtig tegen te gaan.
De Ceulaer,
nu in de verdediging gedrongen, begint echter niet met nu de censuur op zulke
anti-moslimstandpunten te rechtvaardigen, maar wijst integendeel op het voortschrijdend
inzicht en de onmiskenbaar toegenomen openheid van De Morgen: “Wij laten ook ex-moslims aan het woord.” De vrije meningsuiting wordt door beide
sprekerss als norm erkend. Ziedaar dan ook de echte winnares van dit debat.
Abonneren op:
Posts (Atom)


