Posts tonen met het label hindoeïsme. Alle posts tonen
Posts tonen met het label hindoeïsme. Alle posts tonen

vrijdag 29 maart 2019

Aangenaam


Aangenaam, de komst van het christendom?
(Doorbraak, 23 maart 2019)


De protestantse predikant Jan Peter Schouten is wat betreft de missie- en zendingsgeschiedenis (om zowel de katholieke als de calvinistische term te gebruiken) in India niet aan zijn proefstuk. Het onderwerp speelt op de achtergrond van zijn werk over ondermeer de hindoesekte van de Vīraśaiva’s (Revolution of the  Mystics, 1995) en over het positieve Jezusbeeld dat de hindoes met vele New-Age-postchristenen delen (Jezus als Goeroe, 2007). In het onderhavige boek wordt die geschiedenis het centrale onderwerp: Aangenaam kennis te maken. De ontmoeting van Europeanen met het hindoeïsme in India.



Peper en zielen

Voor de meeste lezers zal er niets negatiefs aan te merken vallen op dit boek. Het is vlot geschreven, onderhoudend, met uitgebreid bronnenmateriaal, zonder in het oog springende stijl- of redactiefouten, en vol nieuwe informatie over een kleurrijk onderwerp. Qua feitenrijkdom is dit boek engetwijfeld zeer goed. Het bevat talloze nieuw gepresenteerde weetjes, of zet bekende feiten eindelijk in hun context, die soms verrast.

Zo had ik altijd de klassieke formulering geleerd van Vasco da Gama’s antwoord toen een Indiër vroeg wat hij ginds kwam zoeken: “Peper en zielen.” Dat blijkt eigenlijk geweest te zijn: “Specerijen en christenen”, en het verschil is betekenisvol. Het sloeg niet op nog te kerstenen heidenen, dus een bekeringsproject (“zielen”), maar wel op al bestaande christenen die volgens de geruchtenmolen ergens in Azië zouden bestaan. Willem van Rubroeck had ze in het 13de-eeuwse Mongolië niet gevonden, maar da Gama was in 1498 precies bij die Aziatische christenen aan land gegaan, namelijk de Syrische volgelingen van de apostel Thomas in Kerala. (Om preciezer te zijn: Kozhikode/Calicut, waarvan kalkoen, Frans dinde, d.w.z. d’Inde.)

Een geschiedenis van de christelijk-islamitische ontmoetingen moet naast de indrukken van christelijke bezoekers (of anderszinse getuigen, goedschikse of kwaadschikse) over de islamwereld ook het omgekeerde relaas doen, van Arabieren en Turken die naar de christelijke wereld kwamen. Bij de hindoes geldt dat niet: vóór de moderne tijd schreef geen enkele hindoe een verslag over de christelijke wereld, en Schouten vermeldt er dan ook geen. Zelfs bij de christenen in hun midden toonden zij geen merkbare belangstelling voor de inhoud van dier godsdienst.

Hoewel, uit christelijke bronnen hebben wij omgekeerd wel weet van een vroege hindoe aanwezigheid in een toenemend christelijk milieu. Tot 304 stonden er, luidens Zenobius, in Syrië aan de Eufraat al minstens sinds de -2de eeuw twee hindoe tempels ten gerieve van de talrijke handelaars uit India. De eerste tastbare kennismaking van hindoes met christenen was de verwoesting van hun Mesopotamische tempels. Zo “aangenaam” was die kennismaking dus niet.



Bloedlaster

Meer geluk hadden de eerste christenen in hindoe-milieu. Voor zover geschiedkundig betuigd was dat een groep vluchtelingen uit 4de-eeuws Iran, waar de opmars van het christendom bij de Romeinse erfvijand tot verdenkingen leidde. Hun leider was ene Thomas van Kana. In de gemeenschap van Thomas-volgelingen was Thomas een favoriete naam (zoals Mohammed bij moslims en Maria in Spaanstalige landen), vandaar. Zij werden gastvrij ontvangen, net als eerder de joodse en later de zoroastrische asielzoekers, en als hoge kaste in de hindoe samenleving geïntegreerd.

De naam Thomas zou later foutief geduid worden als die van de apostel zelf. De enige historische bron die daarvoor kan aangehaald worden, de apocriefe Handelingen van Thomas, zeggen bij onbevangen lezing nochtans iets anders. Thomas ging inderdaad naar “India”, wat echter heel Azië beduidde. (Toen Columbus op een Caraïbisch eiland landde dat hij voor Zipangoe/Japan aanzag, noemde hij de inwoners Indios/Indianen, wat “Aziaten” betekende.) De beschrijving van de mensen en landschappen die hij daar aantrof, wijzen allerminst op het Dravidisch-sprekende kokospalmrijke tropische Kerala, wel op Iran-Afghanistan: woestijnachtig, Perzische namen, en leeuwen in plaats van tijgers. Bij mijn professor Vergelijkende Godsdienstwetenschappen, de jezuïet Frank Degraeve, leerde ik al dat het geloof in Sint-Thomas-in-Kerala onhoudbaar is. Ook kardinaal Ratzinger, de latere paus Benedictus XVI, zei met zoveel woorden dat Thomas in het westen van India (en dan nog ruim genomen) terechtkwam, “vanwaaruit het christendom het zuiden van India bereikte”. Zuid-Indiase christenen reageerden furieus en bekwamen dat het Vaticaan de tekstweergave op zijn webstek bijwerkte: “vanwaaruit hij het zuiden van India bereikte”.

Deze geschiedvervalsing wijst op iets anders dan vriendschappelijke betrekkingen. Zij vormt de sokkel voor de kernmythe van het post-Vasco Indiase christendom: dat Thomas er door brahmanen doodgemarteld werd. Dat verhaal vindt steun in een verkrampte lezing van de Syrisch-Aramese grondtekst van de Handelingen, waar staat dat Thomas be ruhme gedood werd, “met een speer”, maar in dat medeklinkerschrift kan men van b-r-h-m ook brahma maken. De context geeft echter uitsluitsel: hij werd op last van de Perzische koning gedood, namelijk met een speer, en na afwijzing van de minnelijke schikking om dan maar op te krassen, omdat hij zich, ondanks genoten gastvrijheid, aan herhaalde misdaden had schuldig gemaakt. Wel het soort misdaad waarvoor je een heilige moet zijn, onder meer via een mirakel een te trage wijnschenker doen sterven.

Desondanks wordt deze bloedlaster tegen de brahmanen, die vereeuwigd is in een martelaarskerk buiten Chennai, nog altijd volgehouden door de Indiase Kerken. Die zijn dan ook de motor achter het antibrahmanisme, een belangrijke beweging die in vele bijzonderheden de Indiase tegenhanger is van het antisemitisme.

Ziezo, dat had even niets met het boek te maken, ook niet met zijn titel, maar wel alles met zijn onderwerp en ondertitel: de ontmoeting...



De missie

De katholieke missie bij de heidenen begon nog vóór de koloniale periode, met een eerste verkenning door Marco Polo en vervolgens al formeler met het verblijf van pater Odorik van Podenone op de zuidwestkust van India in 1316-18. Dat prekoloniale perspectief kan men zich maar best eigen maken, nu de postkoloniale kritiek (niet dus de benadering van Schouten) die hele geschiedenis tot een dimensie van het koloniseringsproject probeert te herleiden. De kerkelijke collaboratie met de koloniale machten was slechts een fase, en wel in dienst van het eigenlijke streven van de Kerk, ook onder andere omstandigheden, namelijk de geloofsverbreiding. Die was de eerste eeuwen ook van de minderheidskerk in het machtige Romeinse rijk uitgegaan, en nog steeds in het postkoloniale India. De Kerk heeft haar eigen agenda.

Die agenda stond vijandig tegenover andere religies: zowel de islam (die Sint-Franciscus met predikingen in de moslimwereld geweldloos wilde te lijf gaan) als het heidendom: “Voor de eerste bezoekers uit de 13-14de eeuw was het duidelijk: ‘Dit volk vereert afgoden’, is het kenmerkende refrein van Odorik en zijn franciscaanse medebroeders.” (p.186)

Vandaar dat de Portugezen praktisch van bij aankomst een offensief openden tegen het heidendom: tempels werden verwoest, brahmanen gedood. De centrale figuur hier is de nauwelijks vermelde jezuïet van de eerste generatie, Franciscus Xaverius, een geestdriftig bestrijder van het heidendom in India alsook in Japan. Naar hem zijn in India veel meer hedendaagse katholieke instellingen genoemd dan naar eender wie die in dit boek wel besproken wordt. Toen de Portugezen de beperkingen van hun slagkracht inzagen en verdragen met naburige vorsten sloten, lieten die een clausule opnemen dat er geen brahmanen meer gedood mochten worden, wat niet blijkbaar een bestaande praktijk was. Schouten vermeldt dat belangrijke en eeuwen durende verschijnsel van strijd tegen het heidendom slechts heel terloops.

Wel is er volop aandacht voor de uitzonderingen op die regel. Er waren onder katholieken al spoedig ook breeddenkender duidingen van de vreemde hindoe denkwereld: “Wel heel opmerkelijk is dat al spoedig de gedachte opkwam dat achter die veelheid van goddelijke gestalten één God schuilging.” Niet toevallig was het een leek die in die ontwikkeling vooropging: “Het is de Venetiaanse koopman Nicolò de Conti die speculeert over een monotheïstische basis als hij een ochtendgebed weergeeft van een Oost-Indiaas volk, dat nadrukkelijk een ‘drieënige god’ aanroept.” (p. 186-187; hier wordt kennelijk het godendrietal Brahma-Sjiva-Visjnoe met de Drievuldigheid gelijkgesteld.)

De meeste ruimte wordt besteed aan een gelijkaardige maar veel verfijndere opstelling bij de missionaris van Italiaanse adel, Roberto de Nobili (+1656). De man was ongetwijfeld formidabel: zonder handboeken maakte hij zich grondig Tamil, Telugu en Sanskrit eigen, hij kleedde en gedroeg zich als een traditionele brahmaan, werd door hen aanvaard, en meer dan zijn orthodoxere tijdgenoten maakte hij vele bekeerlingen. Maar hij was wel een bedrieger, die de Bijbel als een herontdekte verloren Veda voorstelde, en het is dan ook wrang maar tegelijk ook terecht dat de hedendaagse, nog steeds naar bekeringen begerige Kerk tal van instellingen voor interreligieuze dialoog naar hem genoemd heeft.

Niet iedereen liet zich door hem overtuigen, maar volgens Schouten waren het slechts "kwaadwillige tongen" die de Nobili een "Parangi" noemden. Dat is de Tamil-uitspraak van Farangi, het tijdens de Kruistochten ontstane moslimwoord voor "Europeaan", komend van Frank, Fransman. De Nobili wás natuurlijk een Parangi, er is niets kwaadwillig aan om hem waarheidsgetrouw zo te noemen. Zelfs Schoutens poging om het woordbereik tot "Portugees" te versmallen (op dat ogenblik ongeveer de enige Europeanen in die streek), zodat een Italiaan daar buiten zou vallen, snijdt weinig hout (wat Schouten uiteindelijk wel toegeeft), want de Italiaan was daar als agent van de koning van Portugal.

Spijts zijn bekeringsdrang had de Nobili toch wel enige sympathie voor het hindoeïsme, of minstens een zekere herkenning. Dat blijkt nauwelijks uit zijn rapporten aan zijn oversten, die immers ijverig door de waakzame Inquisitie meegelezen werden. Wel uit zijn beleidsdaden, te beginnen met zijn vertaling van christelijke termen door bestaande hindoe termen, zoals Veda voor Bijbel, kovil (Tamil: tempel) voor kerkgebouw, of aanvankelijk Śiva voor God. Dat laatste vond hij (of zijn oversten) dan weer te ver gaan in de inculturatie, dus uiteindelijk werd het in het Tamil Carvēcuran, uit Sanskrit Sarveśvara, “heer van alles”. Maar Īśvara, “heer”, met al zijn samenstellingen (Yogeśvara, Maheśvara, āneśvara, en zeker ook Sarveśvara), wordt door alle hindoes sowieso erkend als hét epitheton van Śiva, dus eigenlijk bleef hij bij zijn keuze.

In 1623 bekwam hij van de paus de vrijheid om kaste-onderscheid binnen zijn kerk toe te passen. Zijn brahmaanse doelgroep was daar erg aan gehecht, ook uit bezorgdheid om hun standing bij niet-bekeerlingen, en lagere kasten hielden evenmin van vermenging. Sindsdien geldt er dus kerkelijke goedkeuring voor het verschijnsel dat vele kerken aparte ingangen voor gelovigen van hoge en lange kaste hebben, of een gordijn tussen de verschillende kastegroepen.

De laatste decennia wordt de Nobili daarvoor echter fel bekritiseerd door de Dalit-beweging (Dalit: “gebroken”, ex-onaanraakbare), de mouvance voor emancipatie van de laagste kasten. Deze hebben bij het pausbezoek in 1999 geprotesteerd tegen de blijvend kastediscriminatie in de Kerk. Zoals mijn katholiek geworden Dalit-buurman in Varanasi het zei: “Ik voel me als een kikker die uit een modderpoel gesprongen is en in een andere poel terecht gekomen is, die even modderig blijkt.”  

Schouten besteedt enig aandacht aan de ontdekking van de taalverwantschap tussen de meeste Europese en de meeste Noord-Indiase talen binnen de Indo-Europese taalfamilie. Als officieel geboortejaar wordt meestal 1786 genoemd, toen rechter William Jones deze ontdekking geestdriftig aankondigde in een rede voor de Asiatic Society of Bengal te Kolkata. Jones baseerde zich echter vooral op het werk van een Franse jezuïet en missionaris, Gaston-Laurent Coeurdoux (+1779). Een andere invloedrijke Franse missionaris, de hier uitvoerig besproken Abbé Jean-Antoine Dubois (1848), plagieerde diens werk echter en ging voor lang met de eer lopen. Zoals de Nobili leefde Dubois helemaal als een hindoe wereldverzaker, maar anders dan zijn rolmodel had hij er op het vlak van bekeringen geen succes mee.

Wie hier door de Hollandse focus niet aan bod komen, zijn de Vlaamse missionarissen, vooral de belangrijke jezuïetenmissie in Chotanagpur, de heuvelstreek bewesten Kolkata. Die werd gesticht door Constant Lievens (+1893; op zijn graf staat zijn West-Vlaamse leuze: “Vier moet branden”), die zich bij de tribale bevolkingsgroepen nuttig en geliefd maakte door rechtsbijstand tegen de grondonteigeningen gebaseerd op nieuw ingevoerd Brits eigendomsrecht. Dienstverlening in de scholings- en medische sectoren behoorden altijd al tot het missionaire lokaas; Lievens behoorde tot een nieuwe strekking die ook de sociale strijd voerde.

Tot de in India ruim bekende Vlaamse jezuïeten behoren de martelaar Herman Rasschaert (+1964, hier al besproken) en Kamiel Bulcke (+1982), die een gezaghebbende studie over de verspreiding van het Rāmāyaṇa-epos schreef. Dat christenen het tot leermeesters van de hindoes over dier eigen religie (of toch religieuze literatuur) gebracht hebben, zullen we ook bij de protestanten als trend terugvinden. Ik noem hier nog de Vlaamse ex-jezuïet Winand Callewaert, wiens definitieve uitgave en vertaling van de geschriften van religieuze leiders als Ravidās (+1522), Nānak (+1539, goeroe van de sikhs) en Dādu (+1603) hem beroemd gemaakt heeft bij hun volgelingen. Vlaanderen zendt zijn zonen uit! 



De zending

Aan protestantse zijde krijgen vooral een aantal zendelingen onder de vleugels van de Oost-Indische Compagnie aandacht. Onder hen François Valentijn (+1727), Jacobus Canter Visscher (+1735 “aldergrofste Heidenen die de alderschrikkelijkste monsters voor hun Goden eren”, p.87) , Philippus Baldaeus (+1671, “Nauwkeurige en waarachtige ontdekking en wederlegginge van de Afgoderij der Oost-Indische Heydenen”, p.85). De scherpe tegenstellingen tussen christenen en heidenen werd toen nog niet omzwachteld.

Daarentegen beschrijft Jan Huygen van Linschoten (+1611) al hoe de hindoes bij al hun verering van “afgoden” toch “geloofden dat er tenslotte één God was die alles geschapen had”. (p.187) Idem voor VOC-predikant Abraham Rogerius (+1649), wiens Open Deure tot het Verborgen Hedendom al een neutralere titel en inhoud had en lang als hét standaardwerk voor het hindoeïsme gold. Hij deed er een vertaling van de wijze spreuken van de 8ste-eeuwse dichter en filoloog Bharthari bij (ietwat te vergelijken met het Bijbelboek Spreuken of Prediker), wat ook al ongewoon ruimdenkend was. Hij pikt er hier wel enkele verlichte geesten uit, die hij omstandig beschrijft.

Ook de piëtistische lutheraan Bartholomäus Ziegenbalg (+ 1719) erkende een monotheïsme achter de veelheid. Hij “sprak wel over de verblindheid van deze heidenen” maar “had tevens oog voor het goede dat onder hen gevonden werd” (p.190). Eigenlijk was hij een voorttrekker van een trend die recenter het hele westerse (maar niet het Indiase) christendom zou aansteken, evenals miljoenen modernistische hindoes: “Voor moderne hindoes is het monotheïsme als diepste waarheid, al dan niet achter een veelheid aan goddelijke gestalten, vanzelfsprekend.” (p.188)

Ik signaleer er dan wel bij dat de meeste hindoes het begrip “monotheïsme” verkeerd verstaan: het betekent niet alleen de éénheid maar ook de enigheid van God, niet met insluiting maar met uitsluiting van alle anderen. Moderne hindoes beroepen zich graag op het vedische vers: “Ze noemen het Agni, Indra, Garutman enz.: de wijzen noemen het ene ware met vele namen.” Maar als dat de betekenis van monotheïsme was, dan zou Jahweh niet Zichzelf “een jaloerse God” genoemd hebben, maar wel gezegd hebben: “Vereren jullie maar lustig Baäl, Marduk, Osiris, Zeus, Mij om het even, want Zij en Ik zijn toch allemaal één.”  Dan was er nooit een inspanning tot bekering van de heidenen gekomen, want achter de vele gedaanten van het goddelijke vereren we nu toch al allemaal Dezelfde.

Georg Ferdinand Kittel (+1903) wordt hier nog vermeld als ook een belangrijke pionier van de inculturatie. Hij was een belangrijk pionier van de dravidologie, die enkele klassiekers uit het Kannada vertaalde maar ook en zelf boeken en talloze gedichten in het Kannada schreef. (Nooit van de taal Kannada gehoord? Vier keer groter dan het Nederlands, en de voertaal in de groeipool Bengaluru.) De Zuid-Indiase of Dravidische talen zijn vooral in kaart gebracht door weer andere protestantse/anglicaanse clerici, bisschop Robert Caldwell (+1891) en eerwaarde GU Pope (+1908).

De laatste paragraaf, “Beginnende dialoog” (p.190), onthult het hele opzet van het boek. Bij Portugese en Franse missionarissen vindt men veel kritiek, maar gering succes in het bekeringswerk, tot en met soms de wanhoop dat men deze heidenen gewoon niet kan bekeren. De iets positievere houding van een de Nobili of een Ziegenbalg was veel succesvoller, en daarom hebben alle niet-fundamentalistische Kerken inmiddels de weg van de inculturatie gekozen. Dit boek kan gelezen worden als een herschrijving van de geschiedenis zodat het gaat lijken alsof dat altijd al de dominante trend in de Kerken was.

Anderzijds, al was die trend meestal niet dominant, en vaak juist als ketters gewantrouwd, echt onorthodox was hij ook weer niet. Hij gaat namelijk terug op Paulus’s prediking bij het Atheense beeld “aan een onbekende god” en aan de inculturatiebeweging tegenover de Griekse wijsbegeerte. Die werd als Gods voorbereiding op het christendom gezien, en de Helleense intellectuele cultuur zou dan ook een vormende invloed hebben op de christelijke theologie. Dat is wat de Indiase Kerken nu ook met de hindoe cultuur en wijsbegeerte proberen te doen.



Afscheidsschot

Veel van de weetjes in dit boek, allicht volledig nieuw voor de gemiddelde lezer, waren mij al bekend, namelijk uit het standaardwerk History of Hindu-Christian Encounters (Voice of India, Delhi 1986) van de Indiase historicus Sita Ram Goel (+2003). Dat boek wordt uitgebreid besproken in het tot nu toe enige Nederlandstalige boek over hetzelfde onderwerp, namelijk mijn eigen boek Heidendom in India. Hindoes en Christenen: Dialoog onder Vreemden (Stichting Mens & Cultuur, Gent 2014). Echter, beide auteurs en beide boeken worden hier niet vermeld, zelfs niet in de index noch in de bibiografie. Het is extreem onwaarschijnlijk dat Schouten in zijn gedetailleerde zoektocht niet op deze titels gestoten is, dus vermoedelijk gaat het om een bewuste keuze. Alles is toegelaten in de oorlog en de liefde, maar het is toch maar beter om te weten dat het hier om oorlog gaat. De houding van het hedendaagse christendom tegenover het hindoeïsme is veel vijandiger dan die tegenover de islam, en is gewoon niet van aard om “aangenaam” gevonden te worden.

De auteur is dan ook onbeschroomd partijdig, namelijk pro-zending. Niet dat hij zich op leugens laat betrappen, helemaal niet, maar hij geeft een eenzijdige kijk door de pijnpunten buiten beeld te houden. Dat is niet erg, zolang je maar in gedachten houdt dat dit zeer informatieve boek geen neutrale weergave is.



Schouten, Jan Peter: Aangenaam kennis te maken. De ontmoeting van Europeanen met het hindoeïsme in India, Damon, Eindhoven 2018, ISBN 978 94 6340 141 8, 232 pp., 19,90 €.

donderdag 28 februari 2019

“Bereid om te wachten”: de inzet in Sabarimala






Twee vrouwen van nog net de vruchtbare leeftijd, Kanaka Durga (44) en Gaan Bindu Ammini (42), hebben in de zuidwestelijke Indiase deelstaat Kerala onder politiebescherming de Sabarimala-tempel voor de godheid Ayyappan betreden. Dat is pas sinds een vonnis van het Hooggerechtshof op 28 september 2018 toegelaten en wordt in de wereldmedia gevierd als een overwinning voor de vrouwenrechten. Maar waarover gaat het eigenlijk?







Ayyappan



Ayyappan is een hindoe godheid. Zijn naam wijst op hoe de Zuid-Indiërs de komst van Noord-Indiërs ofte Arya’s ervoeren: een appa, “broer, kerel”, die ayya is. Dat is een volkstalige vorm van Sanskrit Arya, “vedisch, gevormd, edel”, en beduidt zowel brahmanen (zie de Tamil brahmanennamen Aiyar en Aiyangar) als boeddhisten, afkomstig uit respectievelijk noordwest- en noordoost-India. Maar dat is een spoor voor geschiedkundigen, niet de invalshoek van zijn volgelingen.



Hij past als volgt in het pantheon. De god Sjiva had zich eens in nesten gewerkt met een demon, aan wie hij de macht had gegeven om iemand te vernietigen door de hand op diens hoofd te leggen. De demon wou toen Sjiva een aai over diens bol geven, maar Visjnoe was bereid om zijn collega er van tussen te helpen. Hij veranderde zich in een bekoorlijke vrouw, Mohini. We hadden al zijn nederdaling als Krisjna, ook genaamd Mohan, “de betoveraar”, maar nu wordt hij Mohini, “de betoveraarster”. Zij weet de demon ertoe te verleiden, tijdens een dans zijn hand op zijn eigen hoofd te leggen en daardoor zijn net verkregen vermogen in werking te stellen. Probleem opgelost, zo gaat Mohini aan Sjiva melden.



Maar wanneer die haar te zien krijgt, is hij door haar schoonheid betoverd en kan hij zichzelf niet meer bedwingen. Hij bevrucht haar, en het resultaat is Ayyappan. De hindoe mythologie is rijk aan moderne snufjes en stof voor diepe ethische debatten, met geslachtsveranderingen, embryotransplantaties en nageslacht uit ongewone paringen, hier van twee mannen.



Ayyappan kiest, ondanks een aanzoek vanwege de godin Malikapurathu Amma, voor het celibaat. Voor vele hindoe asceten betekent dat, de aanblik van vrouwen in de vruchtbare leeftijd te vermijden. Die regel wordt in acht genomen door onder meer de monniken van de Swaminarayan-sekte (tempels in Londen-Neasden en in Antwerpen) en door de huidige deelstaatpremier van UP (200+ miljoen inwoners), Yogi Adityanath: zij komen nooit in contact met vrouwen en betreden nooit een kamer waarin ook een vrouw aanwezig is. Dat is een beetje bij het haar getrokken, maar gezien de talloze gevallen van seksueel misbruik door geestelijken in alle religies is het wellicht een minste kwaad.



Wie naar de bijzonderheden verder vraagt, krijgt echter te horen dat hier een euhemerisch scenario achter schuilgaat, dit wil zeggen een historische gebeurtenis die later een apotheose tot godenmythe gekregen heeft. Ayyappan zou rond 1100 een prins geweest zijn uit het nabijgelegen koninkrijk Pandalam. Hij was als vondeling (en daar wordt dan het verhaal aangebreid dat hij door Sjiva en Mohini te vondeling gelegd was) door de koning van Pandalam geadopteerd en kreeg de naam Manikandan. Later als opgroeiende prins versloeg hij de Arabische invaller Vavar, die vervolgens zijn trouwste volgeling werd, en wiens schrijn in Erumeli een vaste halte is tijdens de bedevaart naar Sabarimala. (Ayyappan zou dus de patroonheilige van de de-islamisering kunnen zijn.)



Toen het tijd was voor de troonopvolging, verkoos zijn adoptiefmoeder haar eigen natuurlijke zoon en gaf ze Ayyappan een als dodelijk bedoelde test, namelijk tijgermelk bemachtigen als geneesmiddel voor een geveinsde ziekte. Hij slaagde in de test en bereed een tijgerin naar het paleis om haar daar uierverse melk af te tappen. Tijdens dat avontuur doodde hij terloops de duivelin Mahisji, of preciezer, de verslagen Mahisji boog voor hem omdat ze in hem de zoon van Sjiva en Visjnoe herkende, en gaf dan de geest. Hij herinnerde zich toen dat de goden haar toegezegd hadden dat geen van hen haar zou doden, of het zou “een zoon van Visjnoe en Sjiva moeten zijn”, dus schijnbaar onmogelijk. Maar ze wilden haar wel degelijk kwijt, en daarom hadden ze het bijzondere geboortescenario van Ayyapan beraamd: alleen hij zou de klus kunnen klaren. Niet dat ze iets kwaads in de zin hadden, ze wisten dat de duivelin een soort gevangenis was voor een beeldschone maar vervloekte vrouw, die bij Mahisji’s dood te voorschijn zou komen. En inderdaad, Malikapurathu Amma verscheen en vroeg haar doder/bevrijder meteen ten huwelijk.



Deze beschouwde zijn levensopdracht met de dood van de duivelin als voltooid. Hij zag af van verdere aanspraken op de troon en trok zich terug naar de tempel die, overeenkomstig zijn eigen aanwijzingen, op een steile bergtop in de wildernis gebouwd werd (een andere versie zegt dat de tempel toen al drie eeuwen oud was, maar in onbruik wegens zijn onherbergzame situering in een tijgerwoud). Op die plaats had duizenden jaren eerder de wijze Sabari de ascese beoefend, vandaar Sabarimala, “de Sabari-berg”. Hij wilde daar aan de wensen van zijn toegewijde bedevaarders voldoen.



Dus antwoordde hij aan de smachtende Malikapurathu Amma dat hij helaas andere prioriteiten had dan met haar te trouwen. Hij voegde er echter aan toe dat hij zou ja zeggen de dag waarop er geen pelgrims meer zijn gunsten zouden komen afsmeken. Dat vond zij goed en sindsdien is zij, in een tempel die ook op de bedevaartroute ligt, “bereid om te wachten”. Onthoud die zinsnede.



Bedevaarders moeten 41 dagen allerlei regels in acht nemen, waaronder een strikt celibaat. In aanmerking daarvoor komt elke man, elke klein meisje en elke oude vrouw ongeacht religie, mits ze maar de discipline en rituelen volgen. Hij of zij moet zich in het zwart kleden, de offergaven inpakken onder het (naar boeddhistisch model) cantileren van: “Ik neem toevlucht in u, zelfmeester Ayyappan”, die dan op zijn hoofd leggen, en onmiddellijk vertrekken.



Degenen die nu de tempelbetreding door jongere vrouwen toejuichen, hadden eerder al geëist dat de discipline voor de deelnemende vrouwen tot 14 dagen beperkt zou worden. Dus tóch niet zo gender-egalitair.







Beeldvorming



Het is schier onbegonnen werk om de fouten in de berichtgeving over India te corrigeren, niet alleen de detailfouten over die exotische wereld, maar vooral de onjuiste situering van politieke stromingen, de onjuiste karakterisering van personen, de weglating van beslissende factoren ten voordele van bijzaken, de overname van de onbegrepen en vaak onbesefte partijdigheid van geciteerde of onvermelde Indiase bronnen, en dergelijke. In dit geval is bijvoorbeeld de Belga-berichtgeving, basis van onder meer het Knack-artikel (“Twee vrouwen betreden Indische tempel en winnen veldslag voor gendergelijkheid”, 2 jan. 2019), nogmaals een illustratie van de totale onbekwaamheid terzake (of het zou doelbewuste leugenachtigheid moeten zijn) van de Vlaamse pers.



Ik wil hier niet uitpakken met betere kennis van exotische bijzonderheden, wel de aandacht vestigen op enkele duidingscategorieën die hier ten onrechte toegepast of door elkaar gehaald worden. Het gaat om mannen versus vrouwen, hindoes versus moslims en christenen, politiek hindoe-nationalisme (van de regeringspartij) versus andere partijen, religieus versus seculier, traditionele normen versus mensenrechten.


"Het" hindoeïsme verbiedt vrouwen helemaal niet om naar tempels te gaan. Maar er zijn enkele tempels, en religieuze feesten, waar alleen vrouwen toegelaten worden (mijn ex-vrouw en dochters hebben er een meebeleefd bij de Indiase gemeenschap in de Antwerpse diamantsector); en er zijn er waar het omgekeerde geldt. Ook voor de meeste Ayyappan-tempels geldt de "gendergelijkheid", maar in Sabarimala wordt de godheid geacht, zich als celibatair verre te houden van vrouwen in de vruchtbare leeftijd.



Het gaat in dit geval niet zozeer om het menstruatietaboe. Dat bestaat in de meeste religies: zo mogen bedevaarsters naar Mekka tijdens hun maandstonden niet aan de ommegang rond de Kaäba meedoen, een verbod dat allicht reeds van vóór Mohammed dateert. (Het christendom is hier de uitzondering, niet omdat het zo verlicht of egalitair zou zijn, maar omdat het met Paulus de gehele joodse wet afgeschaft heeft, waar ook de in het jodendom nog springlevende menstruatietaboes toe behoren.) Ook het hindoeïsme kent het in allerlei varianten. Hindoe vrouwen worden geacht zich uit zichzelf van tempelrituelen te onthouden, maar dat is niet de reden voor het bijzondere taboe in Sabarimala. Ook buiten de dagen van hun maandstonden kan van jonge vrouwen immers een bekoring uitgaan, en het is juist dat wat Ayyappan op afstand wil houden.







Vrouwen


De uitspraak door het Hooggerechtshof komt van vier mannen. De vrouw in het hof, Indu Malhotra, schreef een minderheidsrapport ter verdediging van het zelfbestuur van de tempel. De hindoe "traditionalisten" vanwie sprake, zijn vooral vrouwen. Een van de initiatiefneemsters tot hun agitatie was Anjali George; zoals haar familienaam al doet vermoeden, is zij van christelijke afkomst, maar bekeerd tot het hindoeïsme. (Zij is een persoonlijke vriendin. Ik vermeld het omdat ik mijzelf niet boven de waarschuwing verheven acht dat iemand die weet waarover hij spreekt, meestal ook al diep verweven is geraakt met één van de partijen in een gegeven controverse. Laat je niet vangen aan de verzekering dat een bewering wel objectief moet zijn omdat men ze uit Indiase bron heeft.) Zulke vrouwen worden niet aan de microfoon gevraagd en door de in alle media als deskundigen opgevoerde feministes als “patriarchale vrouwen” weggewuifd.



De mobilisatie van vrouwen ten gunste van de traditionele regeling heeft als motto: “Bereid om te wachten”. Zij spiegelen zich aan de door Ayyappan bevrijde godin Malikapurathu Amma, die in haar tempel al negenhonderd jaar wacht op om met Hem in zee te gaan. Dan kan die veertig jaar die een gewone stervelinge moet wachten, er nog wel bij.



De twee vrouwen die zich een toegang geforceerd hebben (of door de politie hebben laten forceren, want zelf hadden ze geen zin om veel tegenstand te trotseren) en hier toegejuicht worden, waren geen Ayyappan-vereersters en hadden in die tempel niets te zoeken. De in Knack vermelde Rehana Fathima, die eerder een poging deed, is een moslima, genoemd naar een vrouw van de profeet (namelijk de joodse die zijn harem ingedwongen werd nadat al haar mannelijke familieleden door hem vermoord waren). Het is overigens grappig om vrouwen in boerqa te zien meelopen in een door de Communistische Partij gedirigeerde agitatie voor een “gendergelijkheid” die hun eigen religie verwerpt, in een afgodentempel die zij van hun eigen religie niet eens mogen betreden.



Een voorbeeldje van hoe Indiase bronnen niet noodzakelijk de betrouwbaarheid verhogen. Al-Jazeera interviewde een Keralese communiste, een mevrouw Menon, die beweerde dat de zogezegd eeuwenoude tempeltraditie van een verbod op vrouwentoegang in feite slechts decennia geleden ontstaan is, wellicht toen het verbod in een (nu feitelijk geannuleerde) deelstaatwet gegoten werd ca. 1974. Maar haar links milieutje heeft een weinig vertrouwenwekkend palmares op dit gebied. In de tempel/moskee-betwisting te Ayodhya beweerde de Indiase linkerzijde, geestdriftig nagepraat door de westerse deskundologen, dat de eeuwenoude traditie dat er daar een tempel gestaan had die verwoest was en door een moskee vervangen, een recente uitvinding was. Archeologische en andere vondsten bewezen onomstotelijk de traditionele versie, zodat ze er maar het zwijgen toe deden, echter zonder ooit hun beweringen te herroepen of hun fout te bekennen. Zo ook hier: het staat superieur om een traditie tot “invented tradition” te verklaren, maar er is een Brits rapport uit 1820 dat het verbod al besschrijft. Maar dat heeft niemand tijdens dit debat vernomen, terwijl Menons leugenversie via al-Jazeera vele miljoenen bereikt heeft.







Hindoe-nationalisme



Opvallend beter dan de meeste verslaggevig in binnen- en buitenland is het artikel in De Standaard (3 jan. 2019): “Oorlog om de ‘bezoedelde’ tempel”. Auteur is Giselle Nath, gezien haar familienaam blijkbaar van hindoe-afkomst. Dat is niet noodzakelijk een aanbeveling: zoals zonet opgemerkt, hebben juist insiders of mensen die het proberen te zijn, zich vaak met één van de strijdende partijen vereenzelvigd. Ook kan het zijn dat ze zich beroepen op een Indiase bron die allerlei anekdotische weetjes en namen beter kent maar de grotere inzet niet begrijpt danwel bewust verdraait. In dit geval valt het echter nogal mee, ze is echt een aanwinst in deze berichtgeving.



Zij ziet het betreden van de tempel door twee vrouwen die onder het taboe vallen, als een episode in de “cultuurstrijd tussen hindoes en vrouwenactivisten”. Die vrouwenactivisten zijn doorgaans zelf geboren hindoes, maar dan in de zin dat de meeste Vlamingen gedoopt en dus katholiek zijn. Terecht geeft ze ook het woord aan elders zelden gehoorde skeptische waarneemsters zoals Amrita Arvind: “Dit is de luie variant van hervorming: haal een vonnis, gebruik de macht van de staat om het af te dwingen, en negeer alle negatieve gevolgen.” Ze is er zich immers van bewust dat de beste hervormingen organisch van binnenuit groeien, door bewustwording, en dat het vonnis en de agitatie de Keralese samenleving (met een modewoord) “polariseren”. Inmiddels is één van de pro-Ayyappan activisten door de Communisten gedood. 



Ze zit er echter een beetje naast waar ze “het hindoe-nationalistische middenveld” (de RSS, “nationaal vrijwilligerskorps”, waarvan de regerende BJP of Indiase Volkspartij de politieke emanatie is) vereenzelvigt met het verzet tegen de uitvoering van dit vonnis. Het zou de “BJP van premier Modi” zijn die zegt dat “Kerala de wraak van de god Ayyappa mag verwachten”. Of nog: ”Conflict tussen ‘moderne’ principes en bedreigde tradities is gesneden koek“ voor de verkiezingscampagne van de “op identiteit gerichte BJP”.



In 2006, bij het begin van de rechtszaak, hebben verschillende hindoe-nationalistische leiders zich vóór het opengooien van de tempeldeuren uitgesproken. Dat geldt zeker voor de nationale leiding, maar ook voor de plaatselijke leider P. Paramaswaram. (Ook een persoonlijke kennis, maar dan uit het andere kamp.) De hindoe-nationalistische beweging is begin 20ste eeuw grotendeels voortgekomen uit een 19de-eeuwse hervormingsbeweging tegen het kastestelsel, en is duidelijk onderscheiden van het traditionalisme, dat zich nu rond Sabarimala gemobiliseerd heeft.



Na het vonnis bleek de openbare mening in Kerala echter sterk weerstand te bieden aan deze overheidsbemoeienis met hun tempeltradities, en het is pas dan dat de plaatselijke afdelingen (samen met de plaatselijke Congrespartij, tegen de daar regerende Communisten) deze weerstand zijn gaan steunen. Zelfs premier Narendra Modi koos opeens ook voor de weerstand tegen het vonnis en twitterde dat inwendige organische hervorming te verkiezen is boven social engineering van overheidswege. (Niet alleen in Vlaanderen worden politici ervan beticht, op Twitter de held uit de hangen maar daar in hun beleid geen daden tegenover te stellen.) De nationale partijleiding blijft echter het vonnis steunen, tegen het volksverzet in. Het is dus niet “de hindoe-nationalisten tegen de rest”, nog minder “de hindoes tegen de rest”, want de hindoe samenleving én haar politieke organisaties zijn zelf verdeeld.






Seculiere staat



De implicaties van het vonnis zijn verreikend. Volgens de grondwet bestaat er verregaande godsdienstvrijheid “behalve waar zij strijdig is met de openbare veiligheid en zeden”. De traditionele regeling in Sabarimala is geen bedreiging voor de veiligheid, blijkbaar is zij wel strijdig met de zeden, namelijk met de Mensenrechten, want tegen de volstrekte gelijkheid van man en vrouw.



Goed, dat standpunt is niet onredelijk, hoewel toch wel zeer activistisch, want de Sabarimala-regeling stoort niemand in zijn leven: niemand is verplicht ernaartoe te gaan, niemand behoeft ertegen “beschermd” te worden. Maar waarom grijpt de overheid dan niet in in een veel ernstiger mensenrechtenschending, opgelegd aan miljoenen individuen met levenslange ongewenste gevolgen? Het gaat om de vrouwenbesnijdenis of vrouwelijke genitale verminking, opgelegd aan moslimmeisjes in vooral (in India) de Bohra-sekte van de islam. De beroering rond Sabarimala is nu eens geen hindoe-moslim-conflict, maar die dimensie zou er kunen bijkomen eens men de hier gehanteerde gerechtelijke logica ook op de islam gaat toepassen. En daar betreft de gender-ongelijkheid niet een eenzaam gebedshuis, maar de kern van de religie zelf.



Maar laten we het ons niet te gemakkelijk maken door weer eens op de problemen van de islam te focusen. Wat met het christendom? Hoe ketters de huidige paus Franciscus ook is, hij durft noch het verplichte priestercelibaat noch de wijding van vrouwelijke priesters zelfs maar op de agenda te plaatsen. Het Sabarimala-vonnis impliceert dat er geen concilie of andere intrakerkelijke procedure nodig is: de staat kan in naam van de egalitaire “mensenrechten” hervormingen opleggen, bijvoorbeeld het priesterschap voor vrouwen. Zopas is uitgekomen dat de feministische Sabarimala-agitatie door christelijke NGO’s gefinancierd wordt, kennelijk om lekker de hindoes te pesten, maar zij zouden wel eens kunnen schrikken van de gevolgen.



Zal het zo ver komen? Van hindoe-zijde valt zoiets amper te vrezen, zij hebben nooit de neiging vertoond, zich in de interne kwesties van andere geloofsgemeenschappen te mengen. Maar van dissidente groeperingen binnen de moslim- of christelijke gemeenschap zou het toch wel kunnen. Een groep moslima’s zegt al, de rechtbank te willen benaderen om de ongelijkheid binnen moskeeën aan te pakken. Hier is een blik wormen opengetrokken waar ook de politiek nog veel kopzorgen aan zal beleven.



Anderzijds is dat vanuit seculier oogpunt maar hoe het moet zijn. Waarom zou de moderne democratie haar normen niet opleggen ter vervanging van regels die uit oude culturen stammen en echt wel een actualisering kunnen gebruiken? We gaan hier nog van horen.