dinsdag 30 april 2019

Universalisme en heidendom


(rede op het heidens congres, Antwerpen 1998) 





1.   Probleemstelling  



In de nu volgende bijdrage zal ik een dissidente stelling poneren betreffende heidendom en universalisme. Mijn recht van spreken op dit heidens kongres is gebaseerd op mijn studie en praktijkervaring van enkele volwassen heidense tradities, nl. het boeddhisme, het taoisme en vooral het hindoeisme. Het is eigenlijk van daar uit, en mede op aanraden van de hindoe wijsgeer Raam Swaroep, dat ik me voor het inheemse heidendom ben gaan interesseren.  Zijn en nu ook mijn standpunt is dat, als het hindoeisme tot vandaag heeft kunnen overleven, er dan geen reden is om de verdwijning van het Keltische en Germaanse heidendom als een historische onvermijdelijkheid te aksepteren. Deze voorouderlijke religies hadden zich evenzeer tot vandaag kunnen ontwikkelen, iets waarin het Baltische heidendom trouwens effektief geslaagd is.  (Het is misschien nog onvoldoende bekend, maar de Romoeva-traditie in Litouwen, die expliciet haar nauwe Indo-Europese verwantschap met het hindoeisme erkent, is sinds de oudheid inderdaad ononderbroken als levende religie blijven bestaan.)  



1k heb dus een beetje rondgekeken om van dichtbij vast te stellen wat er reeds bestaat aan heidense herleving in de Keltisch-Germaanse gebieden.  En daar heb ik, eerlijk gezegd, vreemde dingen gezien. Het gaat meestal om een soort kinderziekten die het begrijpelijke gevolg zijn van de duizendjarige onderbreking in het leven van deze tradities.  Globaal komt het hierop neer dat men de vage notie “heidendom” invult met allerlei niet-authentieke inhouden: ten eerste, allerlei post-kristelijke ideeën uit vooral de l9de eeuw, zoals darwinisme, Romantisch anti-rationalisme, traditionalisme en nationalisme; en ten tweede, het kristelijke vijandbeeld van het heidendom.  



2.  Een verinwendigd vijandbeeld  



Om met dat laatste te beginnen: nogal wat nieuw-heidenen zijn in hun beeldvorming rond heidense postkristelijke spiritualiteit danig blijven steken in de kristelijke karikatuur van het Germaanse heidendom.  De meest extreme vorm van deze tendens is het satanisme, dat elke referentie aan het echte heidendom weglaat en zich uitsluitend uitleeft in het waarmaken van een kristelijke vijandbeeld. Zoals U weet is de duivel uit de kristelijke mythologie een demonizering van de "gehoornde god", een verwijzing naar zowel de "horens" van de wassende maan (heidense goden zijn vaak verpersoonlijkingen van hemellichamen) als naar de hoefdieren in wier gezelschap deze god vaak afgebeeld wordt (zie bv. de Keitische Cernunnos op de Gundestrup-ketel of de Indiase Sjiva op het Pasjoepati-zegel in Mohendjo-Daro).  



Maar ook in kringen die bij het echte heidendom zweren, merkt men deze verinwendiging van het kristelijk vijandbeeld. Zo ziet men in de visuele omkadering van nogal wat nieuw-heidense publikaties en evenementen een zeer gezwollen beeldentaal met woeste krijgers en ontketende natuurelementen.  En, zo heb ik vastgesteld, die prentjes zijn wel degelijk representatief voor een geestestoestand.  



1k hoorde hier eens een nieuw-heidense voortrekker de loftrompet steken van de Strijd.  Laat die weke kristenen maar over vrede praten, een echte Viking wil op het slagveld staande sterven. Hoewel die man er niet uitzag alsof hij al ooit op een slagveld gestaan had, bezwoer hij ons dat strijd iets goeds is, niet een noodzakelijk kwaad maar een na te streven goed. Voor verdoolde zielen is dienst nemen in het leger inderdaad een sinds eeuwen beproefde methode om een beetje zin te geven aan het leven; maar daaruit volgt niet dat dit voor normale volwassen mensen het hoogste ideaal moet zijn. In ieder geval beantwoordt deze verheerlijking van de strijd netjes aan het klassieke kristelijke beeld van de heidenen: de woeste Vikingen die onze streken plunderden en de kerken platbrandden, maar konstruktief niets te bieden hadden, die alleen vochten en vernielden uit ongetemd heidens vandalisme".

Er is diskussie over of dit beeld van de oude Germanen historisch wel Iclopt. “Gerrnaan” betekent letterlijk “speer-man” en de martiale wapenfeiten van de Oost- en West-Germaanse volksverhuizers in de 4de tot de 8ste eeuw en van de Denen en Noren in de daaropvolgende eeuwen zijn er nu eenmaal.  Anderzijds had de Viking-expansie ook een sterk merkantiele komponent, en had de expansie van de Zweden in Oost-Europa een relatief vrediger karakter.  In ieder geval, het feit dat andere volkeren zich van de Vikingen vooral het geweld herinnerden, zegt weinig over het eigenlijke kultuurgoed in het thuisland van deze geweldenaars; de Viettnamezen herinneren zich van de Amerikanen ook alleen de bommen en granaten, en veel minder de enorme kulturele produktie die in de VS plaatsvindt.  



Het is maar norrnaal dat de ruwere en spekulatievere elementen van de heidense kultuur bij de gekerstende nazaten van die kultuur in de herinnering voortleven, ten eerste omdat de kristelijke propagandisten het barbaarse van het heidendom dik in de verf zetten, maar ook omdat de subtielste elementen van een kultuur nu eenmaal het moeilijkste te bewaren zijn. Wanneer het lichaam sterft, rotten de hersenen veel sneller weg dan het gebeente. Het voor buitenstaanders direkt herkenbare silhouet van de Oud-Germaanse kultuur is gemakkelijk te rekonstrueren, maar het alleen bij ontwikkelde insiders bekende fijnere gedeelte van de Oud-Germaanse traditie is uit de aard der zaak veel moeilijker te achterhalen.  



Ook andere heidense kulturen worden ingepalmd door deze projektie van een sterotiepe obsessie met het martiale. Zo heeft Evola geschreven dat in de hindoe-kultuur de krijgerskaste hoger staat dan de priesterkaste, toevallig helemaal naar de zin van Evola's tijd- en geestesgenoten die erg met het martiale dweepten. Nu vindt men in echte heidense samenlevingen, bv. nog steeds bij bepaalde stammen in Afrika, dat de krijgers lager in rang zijn dan de wijzen, dat zij moeten gehoorzamen wanneer de raad van ouderlingen hen tot de orde roept; of zij zich hier altijd naar schikken is een andere vraag, maar de rituele orde is zeer zeker dat de uiteindelijke leiding van de samenleving niet aan driftige krijgers toevertrouwd wordt.  Om die reden stonden in de traditionele hindoe-samenleving de brahmanen ritueel het hoogst, hoewel zij niet de wapens noch het geld hadden.  Dat is door de insider Ananda Coomaraswamy in een weerlegging van Evola's bewering nog eens nauwkeurig aangetoond, maar ik ken helaas nogal wat nieuwheidenen die verveeld de andere kant opkijken als je die rechtzetting onder hun aandacht brengt; de stoere verheerlijking van het martiale is hun toch liever dan respekt voor de echte traditie.    



3.     Darwinistisch vitalisme  



Het moderne Darwinisme wordt er vervolgens bijgehaald om deze stoere jongensfantasieën wat meer body te geven. Strijd dient immers om de zwakken uit te wieden en aldus uitvoering te geven aan de zogenaamde "wetten van het leven", die de levensbekwame doen overleven ten nadele van de levensongeschikte. Ook Friedrich Nietzsche is dan dienstig, bv. met zijn uitspraak tegen de kristelijke deugd van het medelijden: “Wat op het punt staat te vallen, moet men niet trachten te redden, men moet het zelfs nog een stamp geven.”  



Nu wil ik niet ontkennen dat strijdbaarheid belangrijk, en dat sentimentele vredeswil zeer schadelijk kan zijn.  Maar elke kwaliteit moet in evenwicht gehouden worden door een andere, bv. strijdbaarheid door mededogen. Ook noties van de “gulden middenweg” behoren tot het heidense kultuurgoed.  (Ik noemde net het medelijden een “kristelijke deugd”, maar het is eerst en vooral een boeddhistische deugd, hoewel de boeddhisten heidenen zijn; toen Franciscus Xaverius vroeg om bij "geen Moren, maar door-en-door heidenen" te mogen missioneren, werd hij naar Japan gestuurd, waar het boeddhisme toen zeer floreerde. Het boeddhisme is trouwens ontstaan in de krijgersklasse in India, en was ook in Japan vooral bij de samoerai erg populair, hoewel het de strijd helemaal niet verheerlijkt, en wel omdat het de gekoncentreerde en onthechte geestestoestand aankweekt die in leven-of-dood situaties van pas komt.)  



Er is alleszins niets intrinsiek on-heidens aan vredelievendheid. Redelijk dicht bij huis zien we bv. het erg pacifistische Baltische heidendom, dat tegen het kristelijk geweld van ondermeer de Teutoonse ridders standhield, en dat op de krijgshaffige Germaanse tradities alvast deze kleinigheid voorheeft, dat het nooit uitgeroeid geweest is.  Volgens de theorie van de survival of the fittest is de vredelievendheid van de enige ononderbroken overlevende heidense traditie in Europa duidelijk superieur aan de neo-Vikingse stoerdoenerij.  



4.     Irrationalisme  



Onder de 19de-eeuwse ideeënmodes die nieuw-heidenen nogal eens op de voorouderlijke tradities projekteren, noem ik eerst en vooral het irrationalisme, de Romantische reaktie op de l8de-eeuwse Verlichting.  1k hoor in nieuw-heidense kringen erg laagdunkend spreken over rationaliteit, al is mij niet duidelijk waar men met dat standpunt dan wel naartoe wil.  Willen zij van de mens alleen de dierlijke dimensies in stand houden? De vereenzelviging van heidendom met irrationalisme is in ieder geval een zeer eigenaardige nieuwlichterij.

Het wetenschappelijk wereldbeeld is op poten gezet, in de Oudheid door heidense denkers, en in recentere eeuwen door agnostici en religieuze vrijdenkers die het met de bewakers der Bijbelse dogma's aan de stok kregen. Het herontwaken van de Rede tijdens de Renaissance en de Verlichting geschiedde, zoals iedereen toch wel weet, tegen de weerstand van de Kerk in. Kristelijke gezagsdragers zagen in het vrije onderzoek terecht een wederaanknopen met het antieke heidendom, weliswaar minder het Keltisch-Germaanse (dat toen nagenoeg onbekend was) dan het Griekse.  Hoewel de pioniers van het wetenschappelijk denken zelden formeel met de heersende godsdienst braken, introduceerden zij toch een vorm van in wezen pantheistische religiositeit die door de hoeders van de Kerk zeer terecht als heidens herkend werd.  



Zo stelde Galilei het Liber Mundi, het "Boek van de Wereld", tegenover de "geopenbaarde" Schrift. Hij noemde het Liber Mundi een betrouwbaarder weg om God te kennen, en wel omdat het universeel en verifieerbaar is, terwijl profetische openbaring via bevoorrechte individuen geschiedt en geenszins verifieerbaar is. Terecht wees hij op de tegenstelling tussen enerzijds de profetische openbaring, een irrationele fiktie die beroep doet op het menselijk geloof, en anderzijds de wetenschappelijke kennisverwerving die de menselijke rede inschakelt.

Na de definitieve doorbraak van de wetenschap hebben kristelijke apologeten het over een andere boeg gegooid  Zij zeggen nu dat de doorbraak van de wetenschap juist aan het kristendom te danken is, en met name aan het monotheisme: door God buiten de wereld te plaatsen en daarmede de wereld te "onttoveren" heeft het monotheisme de wereld eindelijk tot een geschikt onderzoeksobjekt gemaakt. Deze voorstelling van zaken is tegenwoordig erg populair in kristelijke kringen, en is recent ook in de islampropaganda overgenomen, maar is volkomen in strijd met de historische feiten.  Wij stellen namelijk vast dat de eerste vormen van wetenschappelijke kennis die werkelijkheidsdomeinen betrof die door bepaalde heidense milieus als goddelijk of toch als bevoorrechte woonplaatsen van het goddelijke opgevat werden.  



Onze astronomie danken we aan Mesopotamische priesters die de sterren als goden aanzagen; het Soemerische schriftteken voor “god” is een ster.  De eerste meetkunde, inbegrepen de zogenaamde stelling van Pythagoras, vinden we in de Baudhaajana-SjoelbaSoetra, een handleiding voor de konstruktie van het Vedische altaar, gekonstrueerd als een mikrokosmos.  Ook Pythagoras en zijn volgelingen legden zich maar toe op de wiskunde omdat zij een goddelijke openbaring zagen in getalsverhoudingen, de zogenaamde “muziek der sferen”.  De taalwetenschap is begonnen met de Sanskrit-grammatici, die juist de taal (de mantra's e.d.) als oord van het goddelijke zagen. De ontdekking van het magnetisme en de uitvinding van het buskruit danken wij aan de taoisten, die zich met natuuronderzoek vermeiden omdat zij juist in de natuur zelf een transcendente dimensie vonden.

Daar staat tegenover dat de eerste monotheisten juist opvielen door hun totaal gebrek aan belangstelling voor de ontluikende wetenschap.  Van farao Echnaton is mij geen enkele wetenschappelijke prestatie bekend, alleen dat hij -- heel monotheistisch -- de tempels sloot, de priesters en andersdenkenden vervolgde en hun geschriften verbrandde (of wegbeitelde).  De joodse natie heeft in de Oudheid evenmin iets tot de wetenschap bijgedragen, behalve op een gebied, maar daar is hun bijdrage dan ook baanbrekend: de geschiedschrijving, met name die van hun eigen volk.  De akkurate, zeer menselijke en vaak erg objektieve weergave van personages als koning David was inderdaad vrij uniek in de Oudheid, stukken ernstiger dan bv. het werk van Herodotos. Naar verluidt hadden zij het opzet om hun geschiedenis te schrijven aan de Hittieten ontleend, maar hun eigen verdienste is zeker niet gering.

Evenwel, ook deze bijdrage van verklaarde monotheisten tot de intellektuele vooruitgang der mensheid bevestigt de these van de “onttoverig door het monotheisme” niet. Als hun verwerping van de aanbidding van sterren en planeten als godheden nu een doorbraak in de sterrenkunde had teweeggebracht, dan zou dit het verband tussen monotheistische onttovering en wetenschappelijk onderzoek bewezen hebben (precies het omgekeerde is gebeurd:





het dominante kristendom heeft volle duizend jaar absoluut niets toegevoegd aan de goed vertrokken sterrenkunde van de antieke heidenen).  Maar het terrein waarop de joodse Bijbel-auteurs hun aandacht richtten, nl. hun nationale geschiedenis, was voor hen nu juist niet "onttoverd", niet van goddelijke aanwezigheid ontdaan, integendeel. De geschiedenis van hun eigen volk was voor hen het verhaal van Gods aanwezigheid, van Zijn betrokkenheid bij Zijn uitverkoren volk, en juist daarom bestudeerden ze die met maximale nauwgezetheid. Kortom, wanneer mensen een bepaald stuk van de wereld bijzonder met het goddelijke associëren, dan volgt daaruit niet dat ze er schroomvol de blik van afwenden, maar dan gaan ze het integendeel zo nauwkeurig mogelijk onderzoeken.  



Het is volstrekt onjuist dat het wereld-onttoverende monotheisme enige verdienste heeft aan het ontstaan van de wetenschap, zelfs niet van de geschiedschrijving.  Juist de doorbraak van het anti-rationele kristelijk monotheisme (credo quia absurdum - Augustinus) in het Romeinse Rijk maakte een einde aan het heidense pionierswerk in de wetenschap.  Voorzover het heidendom irrationele elementen bevatte, heeft het kristendom die door even irrationele tegenhangers vervangen, bv. het geloof in orakels door het geloof in de profetische openbaring of in het kerkelijk leergezag.  Echter met dit verschil, dat de irrationele elementen in het kristendom een verplichtend en dwingend karakter hadden. Het heidendom was pluralistisch en behield daardoor altijd minstens een zekere openheid voor nieuwe ideeën, de wetenschappelijke natuurexploratie inbegrepen.  



De kristelijke apologeten zijn er dus aan voor hun moeite. Gelukkig voor hen zijn er echter de nieuw-heidenen die dit verhaaltje nieuw leven inblazen, de laatste jaren vooral in het kader van het ekologisch discours. Het luidt dan dat het monotheisme door zijn onttovering de wereld tot een geschikt objekt voor technologische exploitatie gemaakt heeft.  Ook hier leert de geschiedenis ons iets heel anders: heidenen hebben het vuur in gebruik genomen, heidenen hebben bomen omgehakt om er paalwoningen mee te bouwen, heidenen hebben dieren getemd, het wiel uitgevonden en ondermeer ook de ploeg gesmeed om het land te bewerken, of wat in eko-heidense termen heet: om "Moeder Aarde te instrumentalizeren".  



Wat men ook mag zeggen over het kristelijk "antropocentrisme" versus het heidense respekt voor dieren, ik heb toch nog nooit gehoord van een ekologisch bewuste "nobele wilde" die dieren als zijn gelijke behandelde, bijvoorbeeld van een heidense Indiaan die uit gewetensbezwaar de instrumentalizering van het paard als rijdier afwees. (De enige dergelijke refleks die men in sommige heidense tradities aantreft, is het vegetarisme, de weigering om dieren als voedsel te instrumentalizeren; maar daarvoor vind ik bij de nieuw-heidenen in onze streken dan weer erg weinig belangstelling, want neo-Germanen zijn natuurlijk stoere binken die bv. de jacht verheerlijken en de konsumptie van braadworst als voorouderlijk gebruik willen hooghouden; zelfs de door Indianen beoefende verontschuldiging tegenover het gedode dier kan er bij hen niet af.) Het heidense respekt voor de natuur heeft de technologische omvorming van de natuur doorgaans niet in de weg gestaan.  



Kortom, de associatie van wetenschap en technologie met het monotheïstisch wereldbeeld is onhistorisch.  De associatie van heidendom met irrationalisme is behalve onjuist ook dwaas.  1k kan begrijpen dat men zulke voorstelling van zaken op de Evangelische Omroep verkondigt, maar nieuw-heidenen die zulke fantasieën verkopen gooien hun eigen ruiten in.  Alleszins geven ze blijk van de neiging om hun vage aanspraken op de voorouderlijk-heidense traditie met l9de-eeuwse Romantische ideeënmodes in te vullen.  De Evangelische propagandisten hebben niets liever dan dat het inheemse heidendom als potentiële konkurrent op de zieltjesmarkt zichzelf kompromitteert met dwaze of aangebrande gedachtenstromingen.  





4.  Aanhangsel 1. De monotheistische Schepper, vijand van de Rede  



Hoewel het geloof in bovennatuurlijke verschijnselen in de diverse heidense kulturen zeer wijdverspreid is, is het bovennatuurlijke in de profetisch-monotheistische religies van veel groter belang.  Het ontvangen van boodschappen vanwege God zelf is toch wel de paranormale claim bij uitstek, en het is juist daarop dat de religies van Mozes en Mohammed gebaseerd zijn. Stel dat morgen één van uw kollega's U meedeelt dat hij de stem van God gehoord heeft, zult U dan niet vermoeden dat hij zacht gezegd wat overspannen is? En wat zouden James Randi, Etienne Vermeersch en andere skeptici van zulke bewering zeggen? In jeder geval, het is op zulke beweringen van Abraham, Mozes en Mohammed dat het monotheistische geloof gebaseerd is. Het kristendom gaat nog een stapje verder en beweert dat een bepaalde Mensenzoon door God himself verwekt is. Bovendien schrijft men aan die man een hele reeks mirakels toe, inbegrepen het opwekken van anderen en van zichzelf uit de dood.  



Deze beweringen betreffende bovennatuurlijke gebeurtenissen door goddelijk ingrijpen zijn  centrale geloofspunten in de profetisch-monotheistische religies. Dat is het kruciale verschil met het heidendom.  In de premoderne tijd vinden we bij heidense samenlevingen ook allerlei irrationele praktijken, zoals het brengen van zoenoffers om vertoornde goden te sussen of het raadplegen van orakels, maar zij hebben niet het funderende en dogmatische karakter van de profetische geloofswaarheden.  Dat antieke denkers zoals Cicero de spot dreven met waarzeggers, maakt hen niet minder heidens. Dat de Chinese Zhou-dynastie de mensenoffers afschafte, maakt hen niet minder tot heidenen: daar zij niet in de Verlosser noch in de definitieve Profeet geloven, zijn zij volgens het Evangelie resp. de Koraan tot het eeuwig hellevuur verdoemd.  (De verwerping van mensenoffers wordt soms als een verdienste van Jahweh en Zijn profeten voorgesteld, maar feit is dat heidense kulturen zonder tussenkomst van Jahweh dezelfde stap gezet hebben.)  



Daarentegen heeft het heidendom in principe genoeg aan de natuur zelf. Radikale skepsis tegenover bovennatuurlijke gebeurtenissen is perfekt verenigbaar met de heidense spiritualiteit.  Wij zien dit het meest expliciet in het boeddhisme en het konfucianisme, die van een analyse van de menselijke bestaanswijze uitgaan en doelbewust het bovennatuurlijke buiten hun overwegingen en hun heilsmethodiek houden, zij het zonder te ontkennen dat er behalve de zichtbare wereld nog andere bestaansdomeinen kunnen zijn. Ook in de Germaanse kultuur was er een strekking die bewust afzag van de godenkultus om uitsluitend op eigen kunnen te vertrouwen.

Naast de genoemde tendenzen, die we in hedendaagse termen als agnosticisme kunnen bestempelen, is er binnen sommige heidense kulturen ook een expliciet atheisme ontstaan. De pioniers van het atheisme vinden we waarschijnlijk in de Vedische Mimansa-filosofie.  Dit waren zeer religieuze mensen, die offers brachten om de goden tot allerlei gunsten te bewegen: lang leven, sukses in zaken en in de strijd, e.d.  Zij bewerkten dus bepaalde wereldse resultaten via de omweg van de goddelijke tussenkomt, die zij konden afdwingen door de goden de juiste offers te brengen. Maar als de goden door menselijke handelingen tot de bewerkstelliging van bepaalde wereldse resultaten kunnen gedwongen worden, moeten we hen dan niet opvatten als louter mechanische radertjes in de machinerie van het lot, weliswaar radertjes van een ongewone orde, maar uiteindelijk toch entiteiten die niet met een eigen wil begiftigd zijn?  



De Mimansa-school aanvaardt dus wel een sfeer van het heilige, ze doet gewoon voort met de traditionele offerrituelen, maar ze verwerpt het geloof in goddelijke personen. Ze herdefinieert de Vedische goden als louter etiketten op de knoppen van het onpersoonlijke bedieningspaneel van het lot, een soort black-box waarin zich het onzichtbare deel afspeelt van het mechanische proces dat begint met het brengen van offers en strikt oorzakelijk leidt tot de materializering van de verhoopte resultaten. Merk op dat we hier een typisch heidense situatie krijgen, onbegrijpelijk voor zowel kristenen als moderne atheisten: enerzijds een religieuze praktijk kompleet met rituelen, maar anderzijds géén goddelijke persoon aan wie deze religieuze aktiviteit opgedragen wordt. Hetzelfde vinden we in het konfucianisme en de meest orthodokse varianten van het boeddhisme en het taoïsme: rituelen doen zonder verwijzing naar een goddelijke persoon.  



De Vedanta-filosofie definieert de goden als aangezichten van het bewustzijn, dat de goddelijke essentie is die gelijkelijk in alle bewuste wezens aanwezig is.  Ze schept ruimte voor devotie tot deze goden, met name het in Indiase tempels wijdverspreide systeem van de "vijf goden”  (Sjiva, Visjnoe met Zijn inkarnaties, Soerja de zonnegod, Ganesja de olifantgod, en, onder uiteenlopende benamingen, de Godin), maar stelt toch duidelijk dat het enige wat echt telt het onpersoonlijke Brahma is, zijnde het pure bewustzijn dat men bereikt door meditatie.  Zoals in de Rig-Veda (1:164:46) gezegd wordt:

   

"Zjj noemen Het Indra, Mitra, Varoena, Agni,

Ook die goddelijke en edel-gevleugelde Garoetman:

Het Ene Werkelijke benoemen de wijzen met vele namen;

Weze het Agni of Jama of Matarisjwan.  



Merk op dat de Ene Werkelijkheid hier als onpersoonlijk en spraakkundig onzijdig opgevat wordt.  Hetzelfde geldt voor het Germaanse woord “God” dat oorspronkelijk geen persoon beduidde, maar de hele sfeer van het heilige, dat wat ontzag inboezemt, dat waaraan geofferd wordt.  



Ook het atheisme is een legitiem standpunt binnen het heidendom.  De Sankhyafilosofie is expliciet atheistisch, en verklaart de wereld uitsluitend in termen van interaktie tussen verschillende elementen.  Een andere pionier van het zelfbewuste atheisme is het jainisme.  Deze scholen hebben ondermeer de stelling ontwikkeld en onderbouwd dat de wereld eeuwig en ongeschapen is.  Dat lijkt me wel een belangrijk element in elk gerijpt heidendom: de bevestiging dat, tot bewijs van het tegendeel, de kosmos kompleet en eeuwig is, niet afhankelijk van een wezen dat buiten de kosmos staat. Als je er eens over nadenkt, is het eigenlijk nogal evident dat het heelal alles omvat en niets buiten zich heeft, maar de profetisch-monotheistische godsdiensten zijn er toch in geslaagd om het tegendeel te beweren.  



Het grootste mirakel dat door de profetisch-monotheistische godsdiensten geponeerd wordt, en dat weliswaar ook in sominige heidense mythologieën voorkomt, is de schepping van de wereld.  Wanneer de heidenen het over “goden” hebben, bedoelen zij bepaalde aspekten of “aangezichten” van de kosmos; wanneer de monotheisten het over God hebben, bedoelen zij een wezen dat buiten de kosmos staat, dat reeds vóór de kosmos bestond en vervolgens uit niets de kosmos geschapen heeft.  Iets uit niets voortbrengen, of het tijdelijke uit het eeuwige voortbrengen, dat is toch wel een brutale schending van het kausaliteitsbeginsel en van de wet van het behoud van massa en energie, een overrulen van de natuurwetten.  



Het logische antwoord op het scheppingsgeloof is al oud maar nog steeds geldig:

wie stelt dat er een eeuwig Wezen moet bestaan dat de tijdelijke kosmos heeft geschapen, erkent daardoor reeds dat er een eeuwig wezen kan bestaan, en ontkent daarmee impliciet dat de kosmos noodzakelijk geschapen moet zijn.  Als er dan toch een eeuwig wezen nodig is, dan zou de kosmos zelf wel eens dat eeuwige ongeschapen wezen kunnen zijn. Hemel en aarde, of in moderner termen de natuurwetten en het kontinuum van materie en energie, zijn eeuwig. Dat is het in zekere zin pantheistische standpunt dat we impliciet of expliciet in heidense tradities terugvinden. Zij stelden, samen met de moderne natuurkunde, dat de wereld voortdurend onderhevig is aan transformaties van massa en energie, maar dat de totale hoeveelheid massa-energie gelijk blijft: “het heelal is een konstante”. (Ook de Oerknal is slechts een transformatie van het heelal van een uiterst gekomprimeerde toestand naar zijn huidige toestand, geen schepping uit het niets.)  Aristoteles is in kristelijke en islamitische landen eeuwenlang taboe geweest precies omdat hij de ongeschapenheid van de wereld leerde.  



Het beginpunt van de Bijbelse godsdiensten, vervat in de openingszin, "In het begin schiep God de hemel en de aarde", is reeds een onderwerping van de natuur aan iets bovennatuurlijks, aan de willekeur van een wezen dat buiten de natuur (= de kosmos) staat.  



Dit geloof in een buiten-kosmische Schepper vormt de rotsbodem van een intrinsiek irrationeel geloofssysteem: het geloof in een ingrijpen van een bovennatuurlijk wezen in de normale gang van de wereld.  



Omdat het kristendom een aantal irrationele heidense praktijken verbood, met name de magie en de waarzeggerij, stelt men het vandaag zo voor dat het kristendom eigenlijk een rationele godsdienst is, maar daarmee verdonkermaant men de veel fundamentelere irrationaliteit van het geloof in een Schepper die in Zijn schepping intervenieert.  Dit geloof in een goddelijke tussenkomst via profeten of de Verlosser is de rechtstreekse oorzaak geweest van wantrouwen tegen menselijke kennisvormen, evengoed tegen irrationele waarzeggerij als tegen rationeel wetenschappelijk onderzoek, omdat deze menselijke kennis in vergelijking met geopenbaarde "kennis" als inferieur en onbetrouwbaar geldt, en vooral als een vorm van hoogmoed, de ergste zonde van al.  Het verzet tegen het vrije onderzoek is een rechtstreeks gevolg van het geloof in een buitenkosmische Schepper die via bevoorrechte tussenpersonen in Zijn schepping tussenkomt.    



4.  Appendix 2. Heidense omduiding van de ene God  



Vanuit de Abrahamische godsdiensten zijn alle heidense religies in zekere zin atheistisch, want ze aanbidden aspekten van de kosmos in plaats van de Schepper van de kosmos zelf.  De Germaanse goden hebben bv. een stamboom, die niet verder teruggaat dan het vorm-krijgen van de wereld. Ook de Griekse goden komen samen met de wereld voort uit een onpersoonlijk beginsel, nl. het verlangen.  De goden zijn er net als de mensen onderworpen aan de anankè, de natuurwet of het noodlot. Het zijn mede-wezens, vrienden of vijanden, kwantitatief verschillend maar uiteindelijk deelgenoten in het leven van de kosmos.  



Heidense religies hebben in sommige gevallen wel één of meer mythen over een schepping uit het niets, maar verbinden daar geen konsekwenties aan. Als men nauwkeurig leest, stelt men doorgaans vast dat het niet echt om een schepping uit het niets gaat, maar veeleer om het vormen van specifieke schepselen uit een ongedifferentieerde oermaterie, dus een transformatie van een extreme naar een meer gedifferentieerde toestand.  Voor zover heidense tradities al een notie hebben van een buiten-kosmische Schepper, dan is dat een Deus Otiosus, een nietsdoende god die ooit het raderwerk van de wereld in gang gezet heeft en sindsdien op zijn lauweren rust (de deistische dieu horlogier); die er bv. niet aan denkt om de gang van de wereld te verstoren met goddelijke interventies via mirakels of profetische boodschappen of een Eniggeboren Zoon.  



Een typisch voorbeeld is Allah in het Arabische heidendom, vóór Mohammed hem herschiep naar Jahwehs beeld en gelijkenis tot een kolerieke jaloerse God.  Allah, "dé god", was een Deus Otiosus die nooit als ter aanbidding afgebeeld werd.  (Ook in het katholieke volksgeloof, deels een vermomd heidendom, zien we dat God in de achtergrond verdwijnt en de effektieve aanbidding gericht wordt op mindere goden, geschapen wezens, zoals Ons Lief Vrouwken en de heiligen.) Er was dus geen inbreuk op de wetmatigheden van het wereldgebeuren door Allah of enige andere god die boven de wereld stond.  



Ik heb hier het woord monotheisme gebruikt als tegenstelling met het begrip heidendom.  Ik wil dit echter nuanceren met de vaststelling dat er ook een heidens monotheisme bestaat, als één van de diverse zienswijzen die binnen het heidense gemenebest bestaansrecht hebben.  Ik denk daarbij in de eerste plaats aan het Visjnoeïsme, een tak van het hindoeïsme die Visjnoe en Zijn inkarnaties (vooral Rama en Krisjna) vereert. Dat is wat men een "inklusief monotheisme" zou kunnen noemen: geen jaloerse God die alle andere goden uit de weg wil ruimen, maar een breeddenkende God die in alle andere goden zichzelf herkent.  “Geen andere goden naast Mij aanbidden” heeft hier dus niet de ruziezoekende bedoeling van de Bijbelse Jahweh of de Koranische Allah, maar betekent juist het omgekeerde: welke god gij ook aanbidt, het is uiteindelijk altijd dezelfde ene God.  



Zelfs de idee van een "buitenkosmische God" heeft zijn verlichte heidense variant, en net als de kristelijke God is hij bovendien "geinkarneerd". Ra ra, waar is Hij? Het gaat dus om iets dat niets is, dat geen deel heeft aan de veranderlijkheid van alle kosmische substanties, geen afmetingen of hoedanigheden heeft, geen begin of einde: in die zin is het dus geen deel van de kosmos. Maar het is wel aanwezig in de kosmos, en wel in elk van ons: in die zin is het geinkarneerd.  Volgens de Vedische traditie is dit doodgewoon het bewustzijn, of wat men daar noemt: het Zelf, het zuivere bewustzijn los van alle individuele konditioneringen, de ontvankelijke leegte die bewustzijnsobjekten in zich opneemt.  Brahman is geluk aan Atman, God is niets anders dan het Zelf in alle bewuste wezens, en al die wezens zijn de miljarden ogen waardoorheen dit bewustzijn kijkt.    



5.     Traditionalisme  



Tegenover de vooruitgangsgedachte die eigen was aan de Verlichting, stelden Romantische zielen in de l9de eeuw het traditionalisme. Terwijl vooruitgang ofwel gelijk staat met degeneratie ofwel in het beste geval slechts een zeer oppervlakkig soort vooruitgang kan zijn, is de diepere waarheid sinds mensenheugenis bekend, en kan de moderne mens met zijn hoogmoedig doch beperkt verstand daar niets aan toevoegen; laat ons dus liever vrede nemen met wat onze voorouders ons overgeleverd hebben.  Men kent die opvatting in haar katholieke variant, de Ultramontanen die bij wijze van spreken hun tong uitstaken naar de vervaarlijk opzettende moderniteit, die vlakaf weigerden om een kompromis te maken met liberale nieuwlichterijen zoals de sekuliere staat en de gewetensvrijheid, en die op het Eerste Vatikaans Koncilie de afkondiging van extreem irrationele dogma's bedongen, zoals de onfeilbaarheid van de paus en de verheffing van Maria tot "koningin van de hemel".  



Heel anders van uitzicht, maar erg invloedrijk tot vandaag de dag, is wat ik met een pars pro toto de Theosofische variant van het traditionalisme zou noemen, waartoe ik ook de Antroposofie en diverse vormen van Okkultisme reken. De Theosofische beweging en aanverwanten zochten verschillende bestaande religies, zoals het kristendom en het Tibetaanse boeddhisme, als lokale vormen van een min of meer geheime, oeroude en universele “primordiale Traditie” op te vatten.  Men kan zich op twee punten vrolijk maken over de al te doorzichtige fouten van deze stroming.  



Ten eerste begrepen haar adepten allerlei doktrines en begrippen verkeerd, of waren zij gedwongen de inhoud ervan te verdraaien om alles in het grote schema te doen passen.  Een voorbeeld slechts: de Antroposofie van Rudolf Steiner tracht de leer van reïnkarnatie en karma te verenigen met de kristelijke leer van de verrijzenis. Deze twee ideeën zijn  echter intrinsiek onverenigbaar: verrijzenis betekent het ongedaan maken van de dood van het lichaam, wenselijk omdat de dood als de ultieme bron van lijden en als straf voor de zonde van Adam en Eva voorgesteld wordt; reinkarnatie daarentegen betekent dat de dood van het lichaam slechts een onbelangrijke gebeurtenis is, waaruit men straks vanzelf wel weer verrijst, alsof men zijn jas uittrekt om er morgen een nieuwe aan te trekken.  Wie reinkarneert, heeft totaal geen boodschap aan de verrijzenis.  Tot vandaag zijn er allerlei esoteristen die ditzelfde spoor volgen en pogingen doen om te bewijzen dat de eerste kristenen in reinkarnatie geloofden. Dit laatste is niet onmogelijk, maar het zou alleen bewijzen dat zij warhoofden waren die een kontradiktorisch geloof beleden.)  Globaal doet deze tendens om alles met alles te verenigen mij denken aan verwende kinderen die alles tegelijk willen, in dit geval geboren kristenen die de Oosterse karma-leer erbij willen nemen zonder van de daarmee strijdige verrijzenisleer afstand te willen doen.  



Ten tweede fantaseerden deze Theosofische traditionalisten er nogal op los, waarbij zij volop de tradities van de recent voor Westerlingen ontsloten Aziatische beschavingen plunderden en met 19de-eeuwse ideeën vermengden: Blavatski had het over “wortelrassen” (onmiskenbaar gebaseerd op het darwinisme, inbegrepen Blavatski's aanvaarding van de toen in alle ernst door biologen geopperde alternatieve hypothese dat de aap weleens van de mens kon afstammen) en over “Tibetaanse Meesters” die in het verborgene de mensheid leiden; Steiner vertelde over Atlantis en over levens op Saturnus, en in dit rijtje mag ik ook de soefisme-dweper graaf de Gobineau noemen, met zijn notie van het “Arische ras”.  In deze eeuw was er ondermeer nog René Guénon, die het wat ernstiger aanpakte maar toch de mist inging met zijn "Roi du monde" die vanuit Sjamballa in Tibet in het geheim de wereld zou besturen.  



Op dit punt is het moderne traditionalisme een heruitgave van het antieke hermetisme. Dat was een stroming onder Grieken die in de koloniale metropool Alexandrië over de inheemse Egyptische tradities fantaseerden; ze begrepen de hiërogliefen niet maar verzonnen er zelf iets bij, nl. de Geheime Leer van de Egyptische wijzen uit de voortijd, die reeds alle kennis bevatte. Typisch is natuurlijk dat de Egyptenaren die hun tradities levend hielden, er zelf niet zulke grootse dingen bij fantaseerden, het waren de Grieken die als buitenstaanders van de traditie het traditionalisme uitvonden, de verafgoding van de traditie. De vrijmetselarij en de Tarotkaarten (zogezegd een kryptische weergave van de initiatieke kennis van de Egyptisclie priesters) zijn de meest expliciete heruitgaven van dat antieke fantaisistische traditionalisme: vrij recente verschijnselen die zich een duizendjarige geschiedenis aanmeten. (Het omgekeerde, oude tradities die zich voor veel jonger uitgeven, komt ook voor: het soefisme beweert op de Koraan gebaseerd te zijn, maar zijn ideeën en praktijken zijn meestal een stuk ouder.)  



Ook in nieuw-heidense kringen, die het synkretisme van de theosofen verwerpen en oprecht aansluiting bij een authentieke traditie zoeken, heeft de mikroob van het traditionalisme toegeslagen. Ook daar ziet men wel eens de vervanging van echte traditie door fantasie-traditie, mede doordat de echte traditie een sinds lang weggerot lijk is waarvan niemand weet hoe het er bij leven precies uitzag. Zo stel ik er steeds weer een felle weerstand vast tegen kennismaking met de authentieke tradities, zowel inheemse als exotische, wanneer er een voorgekauwde “traditionalistische” versie voorradig is.  Nu er bv. heel wat meer kennis voorhanden is over het echte levende taoisme, willen sommigen toch mordicus vasthouden aan de denkbeelden van Julius Evola over het taoisme, liever dan zich met die chinoiserieën zelf bezig te houden.  



Het traditionalisme is in deze tijd vooral een reaktie op het vooruitgangsdenken, en is daarom erg blind voor het element vooruitgang in de schoot van de heidense tradities zelf. Nochtans zien wij binnen de heidense kulturen zeer zeker een vooruitgangskoncept aan het werk. Ik noemde reeds de afschaffing van de mensenoffers in China: deze werd door alle latere geschiedschrijvers unaniem als een stap voorwaarts beschouwd, van barbarij naar beschaving.  Hetzelfde geldt voor de afschaffing van de dierenoffers in India: wanneer men offers brengt volgens oeroude voorschriften, vervangt men de daarin genoemde dieren door kokosnoten en andere plantaardige goederen.  Heidenen waren levensbeschouwelijk verdraagzaam en pluralistisch, maar deden niet aan kultuurrelativisme: zij vonden niet dat eender wat moreel gelijkwaardig was met eender wat anders.  



Het kultuurrelativisme van zowel de linkse multikulturalisten als van de nieuwrechtse differentialisme, dat de gelijkwaardigheid en het recht op verschillend-zijn van de diverse kulturen verkondigt, is een typisch moderne nieuwlichterij, ondermeer door zijn egalitarisme: echt traditionele kulturen beschouwden sommige vreemde kulturen als hun gelijke, sommige als superieur (en daarvan namen ze dan welbewust elementen over), en andere als inferieur. Daarom herkenden zij in hun eigen geschiedenis eveneens inferieure en superieure elementen, en bijgevolg erkenden zij fasen van vooruitgang, wanneer inferieure elementen door superieure vervangen of aangevuld werden. Hoe de vooruitgang in een levende heidense traditie in zijn werk gaat, mag bv. blijken uit dit citaat van Coomaraswamy: "De literatuur van het Indiase denken (...) vertoont een kontinue ontwikkeling, en kent geen akute krisissen; of liever, de echte krisissen -- zoals de identifikatie van alle goden als één, en de ontwikkeling van de doktrines van de verlossing en de transmigratie -- worden niet gedetermineerd door namen en data, zij werden niet aangekondigd als de leer van één leraar, en ze werden slechts retrospektief als zodanig herkend.  Hier is een gradueel proces van 'luidop denken' (...)  Van animisme tot idealisme is er een direkte ontwikkeling, en het is om deze reden dat we primitieve terminologieën ontmoeten die met een nieuwe betekenis bekleed zijn; bovendien blijven de oude lagen onder de nieuwe lagen bestaan, en aldus zijn het niet alleen primitieve termen, maar ook primitieve gedachten die standhouden in het grote kompleks dat we brahmanisme noemen.  Maar dit betekent niet dat de hoogste van deze gedachten primitief is, het betekents alleen dat de historische kontinuiteit van het denken in het uiteindelijke systeem bewaard is, en dat systeem blijft aangepast aan de intel1igentie van verschillende geesten."  



Kortom, de belangrijkste filosofische inzichten die nu de kern van het hindoeisme vormen, zijn op zeker ogenblik door vernieuwers aan de traditie toegevoegd, echter zonder dat zij de oudere lagen van de traditie elimineerden. Mensen die in een levende traditie thuis zijn, stellen zich dus helemaal niet voor dat alle kennis reeds aan de voorouders gegeven was.  Anders dan de traditionalisten geloven zij wel degelijk in vooruitgang: zonder hun voorouders naar de hel te verwijzen, zoals de kristenen en moslims, zijn zij er zich zeer goed van bewust dat hun voorouders primitiever waren en zaken deden of geloofden die vandaag niet meer aanvaardbaar zijn.  



Mij dunkt dat we ons dus bij bepaalde ideeën of praktijken niet steeds moeten afvragen: is dit wel de traditie van onze voorouders?  Met die vraag zouden we alvast slechte navolgers van die vereerde voorouders zijn, want zijzelf hadden doorgaans minder last van die obsessie.  Sommige voorstellingen uit het antieke heidendom zijn gewoon verouderd, en zouden ook door de heidenen zelf allang opzijgeschoven zijn ook als er geen eeuwen kristendom tussengekomen waren. Zij vroegen zich veeleer af: werkt deze praktijk? Klopt deze voorstelling van zaken? Is dit de waarheid? Dat zijn de vragen die ook wij moeten stellen bij de beoordeling van nieuwe of uitheemse ideeën, niet of zij wel tot de beweerde "primordiale traditie" behoorden (wat trouwens in de praktijk alleen maar neerkomt op de vraag of zij het imprimatur van dwaallichten als Guénon en Evola hebben).  



Een goed punt moeten we wel uit het traditionalisme en haar notie van de "primordiale traditie" onthouden, nl. dat zij opgevat wordt (of kan worden) als een gemeenschappelijke grondslag van alle feitelijk bestaande tradities.  Zij fundeert het respekt voor verschillende tradities op een universalistische basis.  Die voorstelling van zaken heeft een serieuze kern van waarheid.  Heidense religies komen uiteindelijk allemaal uit algemeen-menselijke ervaringen voort, en ook heel specifieke motieven blijken een gemeenschappelijk erfgoed van alle heidense tradities, bv. de vergoddelijking van de sterrenhemel als absoluut gemeenschappelijk scherm waarop de regelmatige beweging van de hemellichamen als zichtbaar paradigma van de natuurwetten te zien is. Er is dus een eenheid achter de verscheidenheid, en het doel van traditionalisten moet zijn, die eenheid steeds meer aan het licht te brengen.



   

6.   Etnisch anti-universalisme  



Een laatste kinderziekte van het nieuw-heidendom die ik wil bespreken, is het antiuniversalisme.  In Vlaanderen is, zo heb ik kunnen vaststellen, de nieuw-heidense beweging sterk doordrongen van etnisch partikularisme. Er bestaat hier een zekere afkeer van het vreemde, dit in tegenstelling met bv. het neo-druidisme in Groot-Brittannie dat erg synkretistisch is en met name veel Aziatische elementen opneemt.  



Ik hoor hier bv. mensen hun keuze voor het heidendom rechtvaardigen met het argument: "Het kristendom is een Aziatische religie, ongeschikt voor de Europese mens." Of ook: "Ik heb niets tegen de islam, maar ze moeten ermee in Arabie blijven, want het is een religie van en voor de Arabieren."  Met permissie, maar de aardrijkskundige herkomst heeft met een zinnige beoordeling van kristendom en islam bijzonder weinig te maken. Zo leert de geschiedenis dat de islam even ongeschikt is voor Arabieren als voor Europeanen. Inderdaad, pas na een intense kampanje van oorlog en terreur zijn Mohammed en zijn opvolger Aboe Bekr erin geslaagd om aan de Arabieren de islam (een mengsel van halfverteerde flarden joodse en kristelijke theologie met Mohammeds eigen uitverkiezingswaan) op te leggen en hen hun heiligdom, de Kaa'ba in Mekka, afhandig te maken en van "heidense smetten" te zuiveren.  



Wat het kristendom betreft, volgens de genoemde redenering zou dit het meest geschikt moeten geweest zijn  voor het volk waar Jezus zelf toe behoorde, en toch vertonen de joodse geschriften alleen een meewarige desinteresse voor die fantasierijke jongeman en zijn slecht aangeschreven sekte; het was juist omdat hij bij de joden bot ving dat Paulus zijn geluk in andere milieus en in andere landen ging beproeven.  Het kristendom is in Azie precies even geschikt of ongeschikt als in Europa, gewoon omdat de bestaansvragen die het op wel of niet bevredigende wijze stelt en beantwoordt, universeel zijn.  



Omgekeerd zijn zogenaamd voorouderlijke tradities in feite uitheems. Of zoals ik in een Asatru-publikatie las: “De Asen kwamen uit Azie”. Zo is recent aangetoond dat de legende van koning Arthur eigenlijk uit Iran afkomstig is. Ik besef wel dat dit nogal "politiek korrekt" klinkt (zoiets als die kampanje die ons wil inpeperen dat de aardappel, grondstof van onze nationale frieten, "óók een migrant" is); maar de feiten zijn nu eenmaal de feiten.  



Aldus is ook het Germaanse heidendom goeddeels uitheems. Wij weten inmiddels met toenemende nauwkeurigheid dat de Germaans-sprekende bevolking een mengsel is van een Oud-Europese oerbevolking en een groep Indo-Europees-sprekende immigranten uit het Oosten. Hoever uit het Oosten -- Oekraine, Centraal-Azie, India? -- is nog steeds voorwerp van diskussie, maar in ieder geval een heel eind van hier.  De kernwoordenschat van het Gerrnaans, bij uitstek een bastaardtaal, bestaat voor zowat een kwart uit niet-Indo-Europese woorden (bv. drinken, schaap, eik, smaak) die blijkbaar door de oerbevolking in de door hen overgenomen taal van de dominante nieuwkomers binnengesmokkeld zijn.  Op kultureel en religieus gebied is ongetwijfeld hetzelfde gebeurd: de Germaanse tradities bestaan uit een mengsel van inheemse Oud-Europese en ingevoerde Indo-Europese elementen.  



Sta mij toe wat nader in te gaan op één voorbeeld van zo'n diskussie over de geschiktheid van een religieuze of kulturele praktijk in funktie van zijn aardrijkskundige herkomst.  Het is een nogal komisch voorbeeld.  De Noord-Nederlandse New-ager en runenfanaat Noud van den Erenbeemt propageert iets dat hij "runenjoga" noemt, d.w.z. met lichaamshoudingen de vorm van de runen nabootsen om aldus de karakteristieke "energie" van elke rune te voelen. Vlaamse runenfanaten noemen dat belachelijk, met als argument: "Runen zijn okee, maar die joga, dat is iets voor Oosterlingen."  



Nu is runenjoga inderdaad een twijfelachtige uitvinding, en wel omdat de jogalichaamshoudingen ontworpen zijn in funktie van hun fysiologisch effekt, en helemaal niet om enige vorm na te bootsen. Bv., de kobra-houding (op de buik liggend met de handen het bovenlichaam omhoogduwen) doet wel aan de gestalte van een kobra denken, vandaar dus de naam, maar ze dient helemaal niet om de "energie" van de kobra te voelen (zoals sjamanisten misschien zouden denken, die wel degelijk de energie van een bepaald dier zoeken op te roepen en te verinwendigen, bijvoorbeeld door letterlijk in de huid van een beer of een luipaard te kruipen).  De kobra-houding is, net als alle andere hathajogaoefeningen, een goed uitgekiende manier om een bepaalde ademhaling te bevorderen, om bepaalde organen inwendig te masseren, en dergelijke.  Dit fysiologisch effekt is door Indiërs in de praktijk vastgesteld, maar het blijft precies hetzelfde wanneer de oefening gedaan wordt door Westerlingen die nog nooit een kobra gezien hebben. Er is fysiologisch namelijk bijzonder weinig verschil tussen Oosterlingen en Westerlingen.  



De effekten van joga zijn universeel, en zijn de Indiërs niet meer of niet minder geëigend dan voor Westerlingen. Daarentegen is het onzinnig om veel effekt te verwachten van willekeurige lichaamshoudingen die als enige kenmerk hebben dat ze toevallig overeenkomen met de vorm van lettertekens. Niemand van u verwacht, zo vermoed ik toch, veel heil van lichaamshoudingen die de letters van het Latijnse alfabet nabootsen. Maar de onzin van dit uitbeelden van rune- of andere letters met het lichaam heeft dus niets met de aardrijkskundige herkomst van die letters te maken. Wat meer is: in het woord 'runenjoga' verwijst niet alleen het tweede maar ook het eerste lid naar een importprodukt. Het is welbekend dat het runenalfabet gebaseerd is op een Zuid-Europees alfabet (wellicht dat van de Etrusken), dat zelf weer uit het Noordwest-Semitische alfabet van Fenicie voortkomt.  Het runenschriff heeft weliswaar een duidelijk eigen karakter gekregen, maar is dan toch maar op een Semitisch schrift geinspireerd.  Onze Germaanse en Keltische voorouders hadden er blijkbaar geen moeite mee, dingen over te nemen die in hun materiële of spirituele kraam pasten.  



Zoals de eerste kristelijke polemisten terecht opmerkten, is synkretisme iets typisch heidens.  Het purisme waarmee sommige nieuw-heidenen “uitheemse” elementen verwerpen, is juist een nabootsing van de kristelijke waakzaamheid jegens ketterse korrupties.  In menige levende heidense traditie is er een zekere promiskuïteit met elementen afkomstig uit andere tradities.  In Chinese tempels zie je zowel beeldjes van Lao-tseu en Tsjwang-tseu als van de “keukengod”, van antieke keizers en generaals, van Konfucius en de Boeddha, en soms zelfs van Jezus en Maria.  Hetzelfde gold in het antieke Arabische heidendom: in de Kaaba stonden 360 godenbeelden voor alle goden van de diverse stammen die er op bedevaart kwamen, ook hier met de kristelijke "afgoden" Jezus en Maria verrijkt.

Het begrip “eigenheid” of "nationale identiteit" dat vele nieuw-heidenen blijkbaar bezighoudt, komt bij mijn weten in de Edda niet voor. Het komt alleszins totaal niet voor in de Veda's, de Tao Te Tjing, het Egyptische Dodenboek of andere heidense klassiekers. Door de geringere kommunikatie ontwikkelde men destijds vanzelf bepaalde verhaaltradities en uitingsvormen die typisch werden voor een bepaalde regio, maar dat was een louter spontaan verschijnsel en vormde geenszins een doel op zich.  Wanneer heidense tradities met elkaar in kontakt kwamen, versmolten zij vaak; en als ze zich tegen mekaar afzetten, dan was het op heel andere gronden dan de zorg om de “eigenheid” bv. omdat men onverenigbare opvattingen had over wat "goede zeden" zijn.  (Ook onder niet-heidenen komt het wel eens voor dat men bepaalde morele normen verwart met nationale eigenheid, bv. Eric van Rompuy die bepaalde kulturele uitingen “volksvreemd” noemt wanneer hij "zedeloos" bedoelt.) Er zijn ook vele voorbeelden van gemeenschappen die hun eigenheid expliciet afwierpen omdat zij de zeden en tradities van een andere gemeenschap superieur vonden.  



Doorheen de geschiedenis en overal ter wereld zien we dat heidenen hun eigen goden herkennen in die van buurvolkeren. De Romeinse en Griekse godennamen werden binnen enkele generaties van Griekse invloed in Rome gewoon synoniemen: Jupiter = Zeus, Saturnus = Kronos, enz.  Caesar beschrijft de Keltische goden met Romeinse namen en Griekse reizigers in India vereenzelvigden Krisjna met Herakles. Het bekendste voorbeeld zijn de weekdagen: alle betrokkenen herkenden in de Babylonische Mardoek de Romeinse Jupiter, vandaar Dies Jovis, en de Germaanse Donar, vandaar Donderdag; of in de Babylonische Isjtar de Romeinse Venus, vandaar Dies Veneris, en de Germaanse Freia, vandaar Vrijdag.  



De vóór-islamitische Arabische handelaars en zeelieden gingen in India offeren in Sjiva-tempels, zoals de Soomnaath-tempel op de Indiase noordwestkust; omgekeerd bezochten Indiërs de Kaaba in Mekka, een tempel toegewijd aan de Arabische godheid in wie zij Sjiva herkenden, de maangod Hoebal (aan wie de islam het maansikkel-symbool ontleend heeft). Beide groepen erkenden de Zwarte Steen in de Kaaba als ekwivalent met de Swajambhoe Sjivalingam, de zwarte ongeskulpteerde stenen die uit de Ganges geraapt worden en Sjiva voorstellen.  (Later trachtten de moslims, die het heidendom in Arabië vernietigd hadden, met alle geweld de Soomnaath-tempel te verwoesten omdat verteld werd dat de heidense goden en godinnen van Arabie in die Sjiva-tempel hun toevlucht gezocht hadden.)  



Deze universaliteit strekt zich verder uit dan het betrekkelijk oppervlakkige niveau van de godenfiguren. Er is bv. een interessante overeenkomst tussen het mensbeeld van de Germanen (voorzover dit gerekonstrueerd kon worden, m.n. door Stephen Flowers) en dat van het taoïsme, m.n. het idee dat het individu meerdere zielen heeft, waarvan eentje bij de dood sterft, eentje bij het dode lichaam blijft, eentje met de laatste adem mee de atmosfeer in gaat, eentje bij de nabestaanden blijft, eentje reinkarneert, enz.  Mij dunkt dat een nauwkeurige studie van diverse heidense tradities juist een grote konvergentie te zien geeft.  Bijgevolg, waar nieuw-heidenen vaststellen dat er in de traditie van hun voorouders belangrijke stukken ontbreken, hetzij omdat die kennis tijdens de kerstening verloren gegaan is, hetzij omdat ze in die kultuur gewoon nooit ontwikkeld geweest is, hebben zij er geen moeite mee, die elementen elders te gaan ontlenen.  Zo vind ik in Asatru-publikaties uit IJsland heel wat kompleksloze verwijzingen naar hindoe-boeddhistische inzichten.  Zoals de Jadzjoer-Veda (25:14) zegt: “Laat edele gedachten tot ons komen van overal.”,  



Het etnische partikularisme lijkt me dan ook typisch iets voor mensen die slechts oppervlakkig met hun hervonden voorouderlijke religie bezig zijn.  Vaak gaat het om mensen die in de eerste plaats nationalist zijn en dit in bijkomende orde wat religieuze franje willen geven door er Wodan bij te sleuren.  Welnu, religie dient niet om een nationale identiteit te kreëren, maar is een levenswaarde op zich.  Onze voorouders hielden zich met religie bezig ook toen hun etnische eigenheid geen thema was.  



Dit is een diskussie die momenteel ook woedt in het jodendom, toch een bij uitstek nationalistische religie: sekuliere joden erkennen dat het de religieuze joden zijn die de joodse identiteit in stand houden, en willen daarom hun kinderen toch een beetje religieuze opvoeding meegeven, niet omdat ze in de religie geloven, maar omdat dit de sleutel tot een gevoel van joodse identiteit is; religieuze joden (bv. Jacob Neusner) stellen daartegenover terecht dat religie een doel op zich is, dat niet ondergeschikt is aan kwesties van etnische identiteit.

Nieuw-heidenen associëren het woord "universalisme" met het tomeloze imperialisme van het kristendom, de islam en ook van de Franse Revolutie en het kommunisme, inderdaad bewegingen die de bekering van de hele wereld ambieerden. Maar universalisme en de drang om de wereld te veroveren zijn mij dunkt wel zeer verschillende dingen. Universalisme betekent dat men bepaalde waarden of waarheden algemeen geldig acht. Werkelijk universeel in haar aanspraken is bv. de wetenschap, in wier geschiedenis het ettelijke malen is voorgekomen dat verschillende individuen onafhankelijk van mekaar tot hetzelfde inzicht kwamen. Dat is iets dat voor het kristendom en de islam absoluut niet geldt: er is nog nooit ook maar één mens (behalve de oorspronkelijke bedenker) zelfstandig tot het inzicht gekomen dat Jezus de Verlosser is, of dat de Koraan het definitieve Woord van God is. Zulke waanideeën als de basisdogma's van kristendom en islam moet men ingelepeld krijgen, men kan ze niet spontaan ontwikkelen (ook volks- en tijdgenoten van de respektieve stichters konden dat niet), juist omdat ze niet universeel zijn.  



En dat is nu juist het verschil met het heidendom.  Het kristendom verspreidde zich via de steden, waar het zijn ideeën onder een groot publiek kon propageren. Degenen die buiten het aanvankelijke bereik van de propaganda vielen, waren de mensen van de buiten, van de heide, van de pagus: de pagani of heidenen. De term is veelzeggend, want hij onthult juist de tegenstelling tussen de natuurlijke religie die zich op de direkte levenservaring en de overlevering in de familiekring baseert, en de kunstrnatige religie die mensen via propaganda aangepraat moet worden.  



Bijvoorbeeld, elke heidense religie ter wereld, absoluut zonder uitzondering, heeft seizoensfeesten, expliciteringen van ons meeleven met de cyclische bewegingen in de natuur. (Het kristendom heefi sommige van deze feesten onder druk van de volksmassa overgenomen, maar zij hebben geen enkel kristelijk fundament, zodat sommige bijbelvaste protestanten weigeren om Kerstmis te vieren: er is wel vanuit heidens maar niet vanuit kristelijk standpunt enig verschil tussen de winterzonnewende-periode en enige andere tijd van het jaar.) Goed, er zijn detailverschillen, bv. dat wij hier, gezien het klimaat, geen feest hebben dat het regenseizoen verwelkomt.  Maar het algemene principe dat men de jaarlijks weerkerende seizoensgebeurtenissen viert, is wel degelijk universeel, gewoon omdat het op een universele menselijke ervaring gebaseerd is.  Er is geen missionaris nodig om je te vertellen dat de winter plaats maakt voor de lente, en dat dit een blijde en te vieren gebeurtenis is.

De heidense tradities van diverse gemeenschappen hebben inderdaad een zekere eigenheid, vanzelf, zonder dat men die moet kultiveren; maar veel centraler, veel meer in de hoofd- dan in de bijzaken, is er een gelijkgestemdheid over etnische grenzen heen. Nu die verschillende gemeenschappen veel meer dan vroeger met elkaar in kontakt komen en van elkaars tradities kennis nemen, is er een eenwordende wereldkultuur onvermijdelijk, een wederzijds herkennen van de gemeenschappelijke inspiratie.  Met “eenwordende wereldkultuur” bedoel ik niet de geslaagde wereldverovering waar missionarissen en moedjahedien van dromen, noch de "one world" van het wereldkapitalisme. Ik bedoel de hunkering naar echte zingeving die ik wereldwijd waarneem bij die talloze zoekers die zich aan de waan van het kristendom of de islam of het marxisme of het konsumentisme ontworstelen (veel van de aanwezigen zijn in zulk geval). Het is mathematisch zeker dat alleen een religiositeit die met op achterhaald openbaringsgeloof gebaseerd is, of wat wij heidendom noemen, het antwoord kan geven.  
 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten