dinsdag 13 februari 2018

Revisionisten sluiten de boeken

Revisionisten sluiten de boeken

Nucleus (Brugge), april 2002


Toen ik begin jaren negentig aan het publiek wou uitleggen hoe grotesk en leugenachtig de dominante witwassende geschiedschrijving over de uiterst bloedige en destructieve bewindsperiode van de islam in India wel is, maakte ik steevast de vergelijking met het westerse “revisionisme”, in de zin van “holocaust-ontkenning”. Die vergelijking was heel accuraat in zoverre de islamwitwassers inderdaad massamoorden door moslims op niet-moslims ontkennen.

Als belangrijkste verschil erkende ik het feit dat de holocaust-revisionisten marginalen en verschoppelingen zijn, terwijl ontkenning van de islamitische misdaden daarentegen een uiterst profijtige carrièrezet is. Nu is het, naar het woord van Oscar Wilde, niet voldoende als bewijs voor de juistheid van een doctrine dat een of andere gek bereid is er zijn leven voor te geven. Uit de aanzienlijke zelfopoffering van de holocaust-ontkenners volgt dus niet dat zij gelijk hebben, maar qua karakter zijn zij alvast van een ander kaliber dan de islam-goedpraters.

Toen ik tien jaar geleden eens een lezing voor een VB-publiek gegeven had, vroegen linkse kennissen mij hoever ik het eigenlijk nog ging drijven, de omgang met extreem-rechtse kringen. Ik zei toen dat ik in principe met eender wie wil praten, aangezien niemand slechter wordt door juiste inzichten over troebele problemen als de islam te vernemen (“la vérité est bonne”); maar dat er in de praktijk toch wel grenzen waren. Als nec plus ultra van knettergek extreem-rechts franje waarmee ik me in geen geval zou encanailleren, noemde ik dan de revisionisten.

Mijn enige informatiebron over de holocaust-ontkenning in het pre-internet-tijdperk was de eerste editie van het (recent geactualiseerd heruitgegeven) boek De uitbuiting van de holocaust van Gie van den Berghe. De titel slaat op het tweede deel van het boek, dat over de beweerde uitbuiting van het holocaustgegeven door de staat Israël handelt, en dat hem vanwege Philo Bregstein het etiket “antisemiet” opleverde. Het mag wel even gezegd dat een Vlaming dit thema op genuanceerde manier behandelde lang voor Norman Finkelstein er in zijn boek The Holocaust Industry een rel mee schopte. Volgens Van den Berghe is er een correlatie tussen holocaust-uitbuiting en holocaust-ontkenning, voeden de twee mekaar en moeten zij samen bestreden worden.


Vrijheid


Wat overigens bij hem en bij Finkelstein onvoldoende aandacht krijgt, is de niet-joodse uitbuiting van de holocaust, bijvoorbeeld door de Belgische linkerzijde. In België is nauwelijks een “joodse lobby” actief en is er helemaal geen joodse dominantie in de media, en toch vind je hier een gelijkaardige instrumentalisering van de holocaust als in de VS, ondermeer in het demoniseren van het Vlaams-nationalisme. Het waren niet-joodse voormannen van extreem-links en corrupt links die in Frankrijk 1990 resp. België 1995 het initiatief namen om een wet op het revisionistisch opiniedelict in te voeren.

De bedoeling van links was evident: een dubbele standaard in de beoordeling van linkse en rechtse massamoorden (voor hen geldt Hitler immers als rechts) wettelijk te betonneren. Noteer wel dat de rechterzijde, onnozel als meestal, haar ja-stem aan de revisionismewet gaf, ondanks de protesten van onverdachte historici. Dit was enigszins verschoonbaar in het geval van het VB, kwestie van politiek lijfsbehoud, maar zeker niet voor de andere partijen. Toen cultuurminister Bert Anciaux vorig jaar zijn plan bekend maakte om alle iet of wat revisionistische boeken (inbegrepen het genoemde boek over het revisionisme van Van den Berghe) uit de bibliotheken te laten verwijderen, zeiden Karel De Gucht en andere liberale tenoren terloops tijdens interviews dat zij tegen censuur waren. Wel, het staat hun vrij om de opheffing van de revisionismewet in het parlement ter stemming voor te leggen.

Dat zal wel niet gebeuren, want het is gemakkelijker om een stuk vrijheid te verkwanselen dan om het te heroveren. Het vergde niet bijzonder veel moed om de wet in 1995 te blokkeren: onze parlementsleden zijn zeer bedreven in vertragings- en verdagingsmaneuvers. Als ze dat al niet durfden, zullen ze zeker de moed niet hebben om het veld met een nieuw en tegengesteld wetsvoorstel te betreden. Ze zijn ondermeer bang dat de linkerzijde, die wel in de feiten de verdrijving van de joden uit Palestina steunt, hen voor antisemiet zal uitschelden. Zij moeten echter beseffen dat belangrijke joodse opinieleiders zich tégen revisionisme-muilkorfwetten uitgesproken hebben, van Simone Veil tot Noam Chomsky. Zelfs Deborah Lipstadt, die begin 2000 in Londen het proces wegens laster won dat revisionistisch historicus David Irving haar aangedaan had, verklaarde tegen zulke muilkorfwetten gekant te zijn: “Irving should have the freedom to make a fool of himself.” 

De recent overleden hoofdredacteur van de Jewish Chronicle, Chaim Bermant, ried Tony Blair (met succes) het idee van een muilkorfwet af, met het argument dat geen enkele vrije en democratische samenleving een wet kan dulden die haar voorschrijft wat zij moet denken. Zo hoort u het eens uit onverdachte hoek, mijnheer De Gucht: de stem van uw partij heeft er mee voor gezorgd dat wij in een onvrije en ondemocratische samenleving wonen; maar het is ook door uw wetgevend initiatief dat we morgen misschien weer in een vrij en democratisch land kunnen ontwaken. Bermant herinnerde zijn joodse lezers eraan hoe de joodse emancipatie en het joodse succesverhaal van de jongste eeuwen slechts mogelijk waren in vrijheidslievende open maatschappijen. Niet alleen universele normen maar ook specifiek joodse belangen op langere termijn pleiten tegen de muilkorfwet. Men moet dus niet vrezen dat men zich aan antisemitisme schuldig maakt als men de ongebreidelde menings- en onderzoeksvrijheid herstelt.   


Manipulatie                                   


Het is pas eind 1999, tijdens de aanloop naar het proces van Irving tegen Lipstadt, dat ik via het internet eerstehands de eigen stellingnamen van de revisionisten ben gaan lezen. David Irving verloor zijn proces, maar liet niet na om op de rechter en op de onbevooroordeelde lezer indruk te maken met zijn enorme dossierkennis. Ik moest vaststellen dat Van den Berghe in zijn boek op zeker één punt onrecht doet aan de revisionisten.

De systematische bronnenmanipulatie die revisionisten vaak aangewreven wordt, blijkt althans bij de leidende auteurs behoorlijk mee te vallen. Na alle voetnoten uit al Irvings publicaties nagetrokken te hebben, vond de verdediging van Lipstadt amper een handvol gevallen waar Irving bronnen door selectieve aanhaling echt iets anders laat zeggen dan wat men uit de oorspronkelijke teksten zou opmaken. Irving heeft een beter palmares dan de gemiddelde historicus (zelfs van niet-controversiële thema’s) wat betreft het publiek en uit eigen beweging corrigeren van eerdere onjuiste conclusies. Zo had hij aanvankelijk het aantal van 250.000 slachtoffers in het bombardement van Dresden gesteund, tot hij erachter kwam dat de bron waarop dit cijfer gebaseerd was, een vervalsing was. Hij vestigde in een brief aan een krant de aandacht op een recenter aan het licht gekomen bron, die veeleer een schatting van 60.000 doden ondersteunt, dichter dus bij het Geallieerde cijfer van minder dan 40.000.

Bij het voetvolk (bijvoorbeeld in de National-Zeitung) is bronnenmanipulatie wèl een probleem. Zo wordt vaak het zinnetje van Martin Broszat geciteerd, dat “er in Duitsland geen vernietigingskampen waren” alsof daarmee hun bestaan ontkend zou zijn,-- dit uit een brief waarin Broszat uitlegt dat de vernietigingskampen zich namelijk in Polen bevonden. Dat soort krasse manipulatie van laag allooi is de jongste jaren echter goeddeels uitgewied dankzij het internet. Dit verhoogt immers de onderlinge feedback en zelfcorrectie binnen het revisionistische kamp, en dwingt de revisionisten regelmatig tot confrontatie met anti-revisionistische uitdagers die als ongenode gasten aan discussies op hun weblists komen deelnemen.

Sommige schijnbare manipulaties zijn in discussies onder historici een normaal procédé. Soms moeten beweringen uit hun context gerukt worden. Soms moeten zij in isolatie opnieuw bekeken worden, los van het bredere verhaal waarin de verteller het feit ingepast heeft.

Dit kan bijvoorbeeld nodig zijn om het essentiële van het bijkomstige te scheiden. De waarheid of betekenis van een bewering wordt dan niet in vraag gesteld, maar wel in reliëf geplaatst. Tijdens haar ondervraging verklaarde het Britse schandaalmeisje Christine Keeler dat minister John Profumo haar “geld gegeven had voor mijn moeder”, die erg onbemiddeld was. Meisjes van lichte zeden hebben vaak een goed hart dat het zondige gewin met de minder aantrekkelijke medemens wil delen. Maar dat Christine dat geld aan haar moeder zou doorgeven, was helemaal niet het punt. De ondervrager rukte het essentiële uit de context die zij errond geweven had: “Hij gaf je geld.”

Het gesmade “uit de context rukken” kan ook nodig zijn om zoalniet de juistheid dan toch de betekenis en de kennelijke implicaties van een bewering in vraag te stellen of in een ander licht te bekijken. In het voortschrijdend historisch onderzoek is het niet ongewoon dat men een inmiddels conventioneel geworden verklaring van een bepaald feit eens tussen haakjes plaatst, dat men het basisfeit loskoppelt van zijn ingeroeste verklaring om het in zijn frisse naaktheid helemaal buiten de overgeleverde context opnieuw te analyseren. In detectiveverhalen is dit trouwens een klassieke wending: Hercule Poirot of Endeavour Morse herinnert zich het relaas van een getuige die een gebeurtenis vertelde en ze meteen langs conventionele lijnen verklaarde, en de speurder haalt daar dan één zinnetje uit, waarvan hij inziet dat het ook binnen een alternatief verklaringsscenario kan passen. Historici doen dit wanneer nieuwe relevante gegevens opduiken, maar ook wanneer zij een verklaringsmodel dat in een bepaalde periode populair was (wegens ideologische mode of toenmalig niveau van onderzoekstechniek) door recentere ontwikkelingen zijn gaan wantrouwen.

Zo citeren revisionisten graag een zinnetje van Arno Mayer: “Bronnen voor de studie van de gaskamers zijn zowel zeldzaam als onbetrouwbaar.” Dat zou dus moeten betekenen dat er geen voldoende bewijs voor de gaskamers voorhanden is, zoals hier toegegeven door een vooraanstaand orthodox historicus. Anti-revisionisten citeren dan weer graag die aanhaling als een schoolvoorbeeld van een “uit de context gerukt” en daardoor van betekenis veranderd citaat. Mayer gaat immers verder: “Hoewel Hitler en de nazi’s geen geheim maakten van hun oorlog tegen de joden, vernietigden de SS-uitvoerders stipt alle sporen van hun moorddadige handelingen en instrumentarium.” Mayer stelt in dit vervolg een verklaring voor van het vastgesteld gebrek aan bewijsmateriaal: dit zou vernietigd zijn. De twee tekstgedeelten hebben dus een verschillend statuut: in de openingszin wordt een feit vastgesteld, in het vervolg wordt een (weliswaar zelf uit andere feiten afgeleide) verklaring voor dat feit geopperd.

In zulk geval hoeft dat “uit de context rukken”, namelijk van een feit uit een daarrond opgebouwde theorie, niet noodzakelijk een “manipulatie” of teken van kwade trouw te zijn. De in isolatie aangehaalde openingszin wordt hierdoor niet van betekenis gewijzigd. Zowel voor Mayer als voor de revisionisten betekent hij dat er een gebrek aan bewijsmateriaal is; Mayer voegt daar één verklaring aan toe, de revisionisten een andere, maar de basisvaststelling is gewoon dezelfde..

Men moet bovendien voor ogen houden dat de persoonlijke fouten van één der partijen, van onschuldige redeneerfouten tot en met zuiver bedrog, uiteindelijk zonder belang zijn voor de ware toedracht van het besproken dossier. De antirevisionisten mogen nog zoveel betogen en misschien zelfs terecht betogen dat de revisionisten monsters zijn, dat zal niemand overtuigen die alleen van de materiële bewijzen uitsluitsel verwacht. Eens de twijfel gezaaid is, kan hij alleen door de presentatie van het authentieke bewijsmateriaal ongedaan gemaakt worden. Slechte geschiedschrijving kan men alleen counteren met degelijke geschiedschrijving.  


Zelfbedrog


Uit vijandige teksten had ik begrepen dat de revisionisten een zootje halfgetikte amateurs zijn, en ik was dan ook verrast te moeten vaststellen dat hun kennis van eerstehandse bronnen van damals zeer groot is. Uit de debatten in het Irving-proces kan men leren dat er wellicht geen enkele historicus Irvings gelijke is in het opsporen en plaatsen van eerstehandse documenten, die hij overigens aan alle partijen ter beschikking stelde, ook aan instituten die hem vandaag de toegang tot zijn eigen archief weigeren. Dat neemt niet weg dat Irving soms vreemde redeneerfouten lijkt te maken: zo volgt uit de afwezigheid van een bevel tot genocide door Hitler niet dat er nooit een geweest is, noch dat Hitler onwetend was van wat de SS uitrichtte (wel lijkt vast te staan dat hij zich op de oorlogvoering concentreerde en de andere, inbegrepen de vuile karweien aan zijn luitenants overliet). Maar de anti-revisionisten bewijzen hun eigen geloofwaardigheid geen dienst door hun tegenstander mordicus zwarter te willen voorstellen dan nodig. Zoals de meeste intellectuelen ziet Irving de feiten door een verkleurende en vervormende ideologische bril, maar dat maakt hem nog niet tot een bedrieger en evenmin tot een “pseudo-historicus”. 

Wat mij in een eerste verkennend overzicht van de toonaangevende revisionistische literatuur opgevallen is, zijn de gevallen niet van bedrog maar van een eigenaardig soort zelfbedrog in de interpretatie van de teksten. Een bekend voorbeeld is de poging van sommige revisionisten (zoals Carlos Porter in zijn inleiding bij Heinrich Himmlers Posen-speech) om te ontkennen dat het woord ausrotten “uitroeien” betekent. Zij proberen niet het gebruik van die toch wel veelzeggende term te ontkennen of buiten beeld te houden, een procédé dat echte manipulatoren typisch wèl gebruiken (bv. de islam-witwassers over de effectieve betekenis van djihaad). Dat hoeft geen teken van grotere eerlijkheid te zijn, het zou ook gewoon kunnen dat de voor de revisionisten vervelende bewijsstukken nu eenmaal veel bekender en dus moeilijker weg te moffelen zijn dan de getuigenissen ten laste in andere dossiers. Hoe dan ook, in plaats van de bewijzen van een nazi-intentie tot “Ausrottung” der joden weg te moffelen, proberen de revisionisten ons te overtuigen van een blijkbaar oprecht gemeende doch evident verwrongen interpretatie van die term.

Een ander voorbeeld is Irvings lezing van een document waarin Hitler over een jodentransport het bevel geeft: “Nicht erschiessen”. Irving leidt daaruit af dat Hitler “de beste vriend van de joden in nazi-Duitsland” was, dat hij het doden van joden afkeurde. Nochtans had zulk bevel kennelijk maar zin als het neerschieten van joden gebruikelijk was; hoe kan hij dat nu niet beseft hebben? Het is zelfs onder geleerden echt niet ongewoon om eender welke feiten altijd weer als bevestiging van de eigen vooropgestelde mening te lezen, in het genoemde voorbeeld dus door de verheffing van één (wellicht uitzonderlijk) geval tot algemene regel. Dat hoeft geen bedrog te zijn en helemaal geen misdaad, maar het is wel het soort psychologische valstrik waarvoor de historicus zich moet hoeden.

Nog een voorbeeld van een gretige interpretatie in het voordeel van de eigen theorie betreft een memorandum van Heinrich Himmler uit 1940 over het lot van de Polen. Daarin overweegt de SS-chef de verschillende opties, zoals deportatie en behoud ter plaatste in een soort lijfeigenschap. De optie om de Polen fysiek uit te roeien wijst hij echter resoluut af als zijnde “on-Germaans” en “bolsjevistisch”. Revisionisten leiden hier graag uit af dat de nazi’s dus tégen genocide waren en bijgevolg zeker ook de joodse genocide niet konden georganiseerd hebben. Die interpretatie is op zichzelf niet onredelijk, maar toch is ze onjuist: je kan immers de wendingen van Himmlers beleid in 1941-42 onder kritieker wordende oorlogsomstandigheden niet afleiden uit een mijmering in 1940 toen alles voor Duitsland naar wens verliep.

Men kan deze tekst beter anders lezen: de gedachte aan genocide rijpte slechts stapsgewijze, met het wenkende voorbeeld van het mega-moorddadige bolsjevisme als lichtbaken aan de horizon. Dat lijkt mij de belangrijkste les uit dat document te zijn: de cruciale rol van het bolsjevisme in de deshumanisering van politiek en oorlogvoering na 1917. Het nazisme is maar kunnen groeien op een bodem die door het bolsjevisme vergiftigd was. Het is, deels reactief en deels imitatief, schatplichtig aan het bolsjevisme. Zonder Oktoberrevolutie geen Holocaust.


Antirevisionistische polemiek


Het veronachtzamen van documenten die niet in het eigen kraam passen is allerminst beperkt tot de revisionisten. Ik heb in discussies met verdedigers van het communisme (lang niet alleen communisten) wel krassere staaltjes meegemaakt. De revisionisten zelf vestigen graag de aandacht op dergelijke gevallen in de literatuur van hun tegenstanders. Dit geldt uiteraard voor de vulgaire versies van de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog, bijvoorbeeld het wijdverbreide idee dat de joodse genocide al van in de jaren ’20 gepland was en tot de kern van de nazi-doctrine behoorde. Die voorstelling van zaken negeert massa’s bewijsmateriaal voor heel andere nazi-plannen, zoals het van oorsprong Poolse plan om de joden naar Madagascar te evacuëren, dat in 1939-41 de dominante nazi-beleidslijn op langere termijn ten aanzien van de joden was. In dat soort literatuur ziet men ook hoe men zich vastklampt aan strohalmen die zwaar tot een bewijsstuk overgeïnterpreteerd worden, bv. Hitlers verwijzing naar het gebruik van gifgas in de Eerste Wereldoorlog geldt daarin als een aankondiging van het gebruik van gaskamers. Ook dat is een procédé dat men altijd juist aan de revisionisten verwijt.

Zelfs de betere historici geven zich weinig rekenschap van bewijsstukken die schijnbaar in strijd zijn met hun reconstructie van de geschiedenis. Specifiek antirevisionistische auteurs verspillen zelfs bijzonder veel adem aan scheldpartijen en persoonlijke verdachtmakingen jegens de revisionisten, adem die zij beter aan de bespreking van de primaire bronnen zouden besteden. Zo maken de meeste historici (inbegrepen zij die expliciet het revisionisme willen weerleggen, zoals Deborah Lipstadt, John Zimmermann en Michael Shermer & Alan Grobman) geen melding van Irvings favoriete Schlegelberger-document. Daarin meldt ambtenaar Franz Schlegelberger dat minister Hans Lammers hem gezegd heeft dat Hitler hem meermalen bezworen heeft om “de oplossing van het joodse vraagstuk” tot nà de oorlog uit te stellen. Dat getuigenis is maar moeilijk met de officiële geschiedschrijving te rijmen, vandaar blijkbaar dat men het liever buiten beeld houdt. Maar moeilijk gaat ook: de functionaris kan Hitler verkeerd begrepen hebben, hij kan gelogen hebben, Hitler zelf kan over dit onderwerp van gedacht veranderd zijn, de SS kan (zoals Irving denkt, maar zonder de genocide te ontkennen) de genocide zo aangepakt hebben dat de vereerde Hitler er zijn geest niet mee hoefde te belasten, enzovoort. Het gaat hier om één enkel, eigenlijk derdehands getuigenis, en dat is echt onvoldoende om ons tot een herschrijving van de geschiedenis te dwingen.   

De toevlucht tot lage polemische trucs en aanvallen ad hominem, die Van den Berghe en anderen de revisionisten aanwrijven, lijkt ook nogal mee te vallen, toch in vergelijking met wat in polemieken überhaupt gewoon is. Het blijkt in ieder geval wederkerig te zijn: de anti-revisionistische polemiek wordt evenzeer ontsierd door overmatig heftige persoonlijke aanvallen.

Zo wordt systematisch beweerd dat Fred Leuchter, de Amerikaanse expert in terechtstellingstechnieken die de gaskamers in twijfel trok, zich valselijk de titel “ingenieur” aanmat. De rechter verplichtte hem om een verklaring te ondertekenen waarin hij van aanspraak op die titel afzag. Volkomen terecht zei Leuchter: “Ik doe hiermee afstand van iets waarop ik nooit aanspraak gemaakt heb.” Immers, de Amerikaanse term engineer is niet het equivalent van de academische titel “burgerlijk ingenieur”, het betekent veeleer “technicus”; zelfs een treinmachinist wordt engineer (letterlijk “machine-man”) genoemd. Het pleit niet voor de anti-revisionistische polemisten dat zij dit terminologisch misverstand steeds weer gebruiken als bewijs dat de revisionisten een zootje bedriegers zijn. Het wekt zelfs de gevaarlijke indruk dat men met argumenten ad hominem het inhoudelijk debat uit de weg wil gaan.

Op dezelfde manier hamert men graag op de omschrijving van David Irving als “pseudo-historicus”: de arme man bezit namelijk geen diploma in de Geschiedenis. Dit soort ezelsvel-chauvinisme is iets voor pas afgestudeerden, niet voor ernstige vaklui: zij weten immers uit ervaring hoe de universiteit krioelt van gediplomeerde halfbekwamen, en hoe anderzijds veel baanbrekend onderzoek verricht is door mensen die in strikt formele zin buitenstaanders zijn. Ook de kwakkel dat Irving zichzelf in zijn studententijd als een “gematigd fascist” omschreven zou hebben (omschrijving die van een vroege tegenstander komt), blijft steeds weer opduiken in de boeken van mensen die lesjes willen geven in echte geschiedschrijving. Men maakt Irvings verdiensten, bijvoorbeeld in de ontmythologisering van de figuur van Winston Churchill, in ieder geval niet ongedaan door hem tot zijn fouten te reduceren. Maar men geeft daarmee wel een erg venijnige indruk van zichzelf.


Politieke motieven


Een punt waarop Van den Berghe, praktisch als enige auteur over dit onderwerp, de revisionisten wèl recht doet, is in de vaststelling dat zij helemaal niet met “extreem-rechts” kunnen vereenzelvigd worden. Qua politieke overtuiging vertegenwoordigen zij een breed spectrum. In Frankrijk heeft een extreem-linkse groupuscule onder de naam La Vieille Taupe het voortouw genomen in de verbreiding van de revisionistische stellingen. Vooral onder trotskisten heeft men er iets tegen dat de Holocaust een moreel verschil schept tussen wat marxistisch gezien twee varianten van het kapitalisme waren, namelijk de Angelsaksische democratie en het nazisme, waarbij de eerste zichzelf als de “goede” vorm van kapitalisme voorstelt. Daarnaast vindt men onder Franse revisionisten ondermeer een veteraan van de anti-apartheidsbeweging, Serge Thion. Hun pionier, Paul Rassinier, was een actief socialist en oud-kampgevangene. Hun huidige kampioen, de literatuurwetenschapper Robert Faurisson, beleed vooraf als enig ideologisch engagement het militante atheïsme, wat in de Franse cultuurkring als progressief geldt.

De (niet intellectueel maar wel numeriek) omvangrijkste steun vindt de holocaust-ontkenning onder moslims. Aldus leidt de Marokkaanse balling (ontsnapt na deelname aan de mislukte coup van generaal Oufkir) Ahmed Rami vanuit Zweden de revisionistische Radio Islam. Pas een maand of wat geleden legde het Centrum voor Gelijke Kansen en Racismebestrijding klacht neer tegen een islamitisch centrum in Molenbeek wegens revisionistische propaganda. Er zijn verder apolitieke revisionisten, ondermeer de excentriekelingen die zich nu eenmaal tot een onorthodoxe theorie aangetrokken voelen. Er zijn mensen bij die de nazi-agenda geheel of grotendeels verwerpen, maar die de overdrijvingen van het Nuremberg-vonnis (dat bv. de mythe van de “zeep uit jodenvet” bevestigde) menen te moeten bestrijden. Onder hen vooral nationalisten die nooit onder Hitlers dictatuur hadden willen leven, maar die wel vinden dat de demonisering van Hitlers “nationalisme” negatief op hun eigen beweging afstraalt en daarom best wat getemperd mag worden. Irving is maar de meest radicale onder de Britse historici die een rekening willen vereffenen met Churchill, wiens confrontatiepolitiek tegen Hitler volgens hen de oorzaak van de ineenstorting van het Britse Rijk was. De meesten willen ongeacht hun politieke overtuiging hun onderzoekswerk scherp gescheiden houden van elk politiek activisme: om die reden brak de staf van het Californische Institute for Historical Review met de stichter dezes, Willis Carto, die aan het revisionisme wèl een politieke boodschap wou verbinden.

Er zijn natuurlijk ook echte nazi’s bij, zoals Ernst Zündel, auteur van het boek The Hitler we loved. Maar dat zijn dan wel mensen die een niet-genocidale Hitler vereren, wat toch al een maatje minder erg is dan zij die Hitler zijn genocide gunnen en hem desondanks toch blijven ophemelen. Jammer voor hen lijkt mij vooral dat hun inspanningen, zelfs in geval van een volledige bevestiging van de revisionistische stellingen, nog altijd een weinig glorieus systeem dienen. Zelfs al pleegde het nazisme geen genocide, zelfs al was het nazisme in 1938 blijven steken, dan nog was het een systeem van mentaal uniformisme, verafgoding van staat en leider, biologisch materialisme. Men moet het nazisme niet zwarter maken dan het al was, maar zelfs zonder genocide was het alleszins nog behoorlijk duister. 

Zijn revisionisten jodenhaters? Ook die veralgemening blijkt voorbarig. Nu moslimjongeren in onze straten gedemonstreerd hebben wat jodenhaat eigenlijk is, valt toch op dat de revisionisten zich alvast niet aan anti-joods geweld schuldig maken. Maar sommigen, zoals Zündel (wiens huis en archief door onbekenden platgebrand is) en Faurisson (die door enkele joodse jongeren het ziekenhuis ingeslagen is), maken geen geheim van hun vijandelijke relatie met “de joden”. David Irving blijkt zijn dubbelzinnige uitdrukking “the traditional enemies of free speech” steeds weer op joden toe te passen. Anderzijds had de Duitse revisionistische sterauteur Germar Rudolf zich in tempore non suspecto nostalgisch uitgelaten over de Duits-joodse symbiose in het Pruisische en Habsburgse rijk. Een aantal revisionisten stellen formeel niets met jodenhaat te maken te hebben, en laten zich ook niet op anti-joodse uitspraken betrappen, zelfs niet subtiel of impliciet. Linkse dieptepsychologen zullen natuurlijk beweren dat zij hun ware opvattingen verborgen houden, maar wij laten dat tot nader order in het midden.

Joods revisionisme


Merkwaardig is alvast dat ook een aantal joden argumenten geleverd hebben voor het revisionistisch betoog. Wijlen J.G. Burg, pseudoniem van Josef Ginzburg, magistraat in Duitsland in de naoorlogse jaren, beweerde in zijn boek Majdanek in alle Ewigkeit? (1979) dat vele overlevenden die hij ondervraagd had, formeel het bestaan van gaskamers en van een systematisch moordprogramma ontkenden (de rechter verordende een psychiatrisch onderzoek voor de auteur en de vernietiging van het boek). David Cole is de auteur van een revisionistische studie over Auschwitz, maar trok zich na bedreigingen uit het debat terug.

Het joodse volk is rijk aan schrandere excentriekelingen, wat al voor een deel het verschijnsel van joodse holocaustontkenning verklaart. Er is soms ook een ideologisch motief, vooral bij trotskisten, die samen met de holocaust ook de grondslagen van het zionisme willen onderuit halen. Er zijn immers antizionistische joden, zowel van links als van rechts. Ook bij hen leeft sterk de gedachte dat de holocaust een pijler onder het zionisme geworden is. Het zionisme dateert echter van vóór de nazi-tijd. Zelfs als de revisionisten gelijk zouden krijgen en er nooit een genocide geweest was, blijft mijns inziens gelden dat het joodse volk in een wereld van natiestaten het recht op een eigen staat moet hebben.

Hoe zit het in Vlaanderen? Door een speling van de actualiteit kwamen we op het idee om de duivel zelf te gaan interviewen: de 60-jarige Antwerpenaar Siegfried Verbeke is stichter van het revisionistisch genootschap Vrij Historisch Onderzoek v.z.w. In februari jl. is die v.z.w. van overheidswege ontbonden en haar postbus verzegeld wegens het niet-betalen van een boete. Die was opgelegd, na klacht door André Gantmann, wegens plagiaat: Verbeke had een affiche voor een tentoonstelling over dissidente drukkers in de zestiende eeuw (oude prent met brandstapel) gebruikt op het schutblad van een publicatie over dissidente drukkers in de twintigste eeuw. Want inderdaad, het blijkt dat van veel revisionistische werken, vooral in Duitsland maar ondermeer ook in Frankrijk, de volledige oplage en de drukplaten op gerechtelijk bevel fysiek vernietigd worden. De veroordeling wegens plagiaat is overigens apert ongerechtvaardigd: er is geen copyright op eeuwenoude prenten, tenzij de organisatoren kunnen bewijzen dat zij het copyright van Plantyn c.s. gekocht hebben.

Hoe dan ook, Verbeke’s v.z.w. is nu gereduceerd tot een feitelijke vereniging, Vogelvrij Historisch Onderzoek. Zijn webstek (www.vho.org) functioneert nog wel, en is wegens zijn Amerikaans E-adres trouwens buiten bereik van de Belgische rechtspraak. Een geplande huiszoeking bij Verbeke werd zopas in extremis afgelast toen TV-camera’s de speurders opwachtten. Maar hij heeft nog enkele afspraakjes met de rechter in zijn agenda. 

Verbeke vindt zichzelf geen antisemiet, maar hij beschouwt de joden wel als “een bizar volk, dat zelf lijdt onder zijn bizarre geloof in zijn eigen uitverkorenheid”. Des te meer waardeert hij die joden die de revisionisten halfweg of zelfs helemaal tegemoet komen: “Zo las ik het artikel ‘De mythe van de efficiënte massamoord’ van de Leidse, van afkomst Pools-joodse politoloog Michel Korzec in Intermediair (15 december 1995), waarin hij de genocide wel bevestigde maar de rol van gaskamers daarin fel minimaliseerde. Hij deed wat spottend over de revisionisten maar pleitte uitdrukkelijk tegen de muilkorfwetten. Ik heb hem toen wat van onze literatuur opgestuurd, en hij nodigde mij uit om voor een lokale zender in Amsterdam een debat te voeren. Maar de presentator die het debat had moeten modereren, krabbelde terug, zo van: ‘U, meneer Korzec, bent joods, u kan zich dit veroorloven. Maar ik ga het professioneel niet overleven als ik een forum bied aan het revisionisme.’ Korzec schertste: ‘Kijk, meneer Verbeke, dat is nou het verschil tussen Arische domheid en joodse slimheid.’ En hij verontschuldigde zich omstandig dat ik zo ver voor niets gekomen was, maar aan hem had het dus niet gelegen.” 

(Bij Korzec, zeker een van de scherpste breinen die ik gekend heb, volgde ik zelf destijds aan de KUL de cursus Hedendaagse Politiek in China. Hij is al enkele jaren weg uit Leiden, en ik kon hem niet bereiken voor commentaar op het bovenstaande.)

Oradour


Toevallig treffen we in Verbeke’s gezelschap de Franse chemicus en revisionist Vincent Reynouard. Ook hij heeft ruime ervaring met gerechtelijke vervolging. Een boek van hem is pas aan de verbranding ontsnapt dankzij een juridische spitsvondigheid. De Franse rechter had het in beslag laten nemen, wat met een loutere formaliteit kan in het geval van buitenlands gepubliceerde boeken, maar in het geval van inheemse publicaties een serieuze procedure gevergd zou hebben. Die “discriminatie” tussen Frans en niet-Frans blijkt door de EU verboden, en daardoor is de rechterlijke ingreep ongedaan gemaakt en het boek terug vrij in omloop.

Reynouard meent te kunnen bewijzen dat de dood van de dorpsbevolking van Oradour-sur-Glane in 1944 niet het werk was van de Duitsers, maar het gevolg van de ontploffing van explosieven die de weerstand verborgen had in de kerk waar de mensen bijeengedreven waren: “Het is overduidelijk eens men gaat kijken. Bij een brand zouden de biechtstoelen en ander houtwerk verbrand moeten zijn, maar dat is niet zo. De gezichten van de slachtoffers zouden onherkenbaar geworden zijn, maar op de foto’s van toen zijn de gezichten goed bewaard. Wel zijn vaak ledematen afgerukt, maar dat kan niet het effect zijn van brand, wel van een ontploffing. Anders dan de officiële versie wil doen geloven, was er felle weerstandsactiviteit in Oradour. En het was heel gebruikelijk voor de weerstand om kerktorens als wapenopslagplaatsen te gebruiken. Na de Bevrijding heeft men dan de mythe van de massamoord als strafoefening tegen de weerstand gelanceerd: zoals de joden de Holocaust hadden, zo kregen de Fransen Oradour. Mijn werk over Oradour valt overigens niet onder de Franse revisionismewet (die het ontkennen bestraft van misdaden die voorwerp waren van een veroordeling tijdens het Nuremberg-proces), het heeft ook niets met de joden te maken. Zelf voel ik me totaal niet betrokken in de animositeit van sommigen tegen de joden. Mijn revisionistisch werk betreft andere aspecten van de oorlog, bijvoorbeeld over La furie des bellicistes, zoals een boekje van mij heet, de Franse weigering in 1939-40 om de oorlogsverklaring aan Hitler in te trekken ook toen die heel redelijke vredesvoorstellen deed.”

Ziedaar een heel ander soort revisionisme: de stelling dat een compromisvrede beter geweest was voor de mensheid dan het verklaren en voortzetten van de oorlog tot aan de onvoorwaardelijke overgave van Duitsland. Vandaag geldt de Tweede Wereldoorlog als een heilige oorlog, een goede oorlog. Met verwijzing ernaar rechtvaardigt men trouwens steeds nieuwe oorlogen tegen Milosevic, Saddam Hoessein en elke volgende “nieuwe Hitler”; bezwaren tegen zo’n oorlog worden dan van tafel geveegd met spottende verwijzing naar “de geest van München”, het Frans-Britse compromis met Hitler in 1938. Er zijn nochtans argumenten voor de stelling dat men de joden had kunnen redden door vrede te sluiten met nazi-Duitsland (wat mijns inziens behalve vredeswil ook de opbouw van een militaire afschrikkingsmacht gevergd had, waar juist de linkerzijde toen tegen gekant was). Dat levert dan een scenario waarin Anne Frank samen met Hitler 1946 gehaald had: zelfs als idee al schokkend. Tenslotte was het maar in zeer specifieke oorlogsomstandigheden dat Duitsland het beleid van joodse emigratie omgooide tot een beleid van deportatie naar Polen en massamoord.

Wie in 1939-40 op oorlog aanstuurde, deed dat zeker niet uit bekommernis om de joden in het Duitse machtsgebied: zij werden door de oorlog immers Hitlers gijzelaars. In weerwil van wat Hollywood en een resolutie van het Vlaams Parlement willen doen geloven, was het lot van de joden helemaal niet de inzet van de Tweede Wereldoorlog. Het kreeg zelfs geen vermelding in de oorlogsretoriek van Winston Churchill of Charles de Gaulle, noch zelfs in hun memoires. Dat bewijst natuurlijk niet dat er geen jodenmoord geweest is, zoals sommige revisionisten voorbarig besluiten, wel dat ze niet tot de bekommernissen van de Geallieerde oorlogsleiders behoorde.


Gedaan ermee


We treffen Verbeke op een voor hem belangrijk moment. Hij heeft net besloten om zijn revisionistische activiteiten te staken: “Ik weet niet waarom ik voort zou doen. Ik ben erg teleurgesteld in mensen die mijn medestanders zouden moeten zijn, vooral in Duitsers. Ik heb hier bijvoorbeeld een dure uitgave gedaan, speciaal voor de Duitse markt, en Duitse pro-revisionistische bladen vertikken het om de recensie-exemplaren die ik hun toegestuurd heb, te bespreken. Ik heb dit werk gedaan voor het eerherstel van de Duitsers van destijds, maar de Duitsers van nu? Dan liever de Palestijnen, dat zijn nog dappere mensen, en Osama bin Laden. En met de Vlamingen valt al helemaal niets aan te vangen. Dit is een erg sektarisch milieu. Bijvoorbeeld, ik ben atheïst, maar nu ik samenwerk met Vincent, die katholiek is, wil een van mijn sponsors niks meer geven. Het is financieel niet vol te houden.”

Er is het maatschappelijk ostracisme, dat een zware last vormt voor revisionisten en hun gezin. De typische revisionist is zijn werk en zijn vrouw kwijt. Enkelen zijn het mikpunt van aanslagen geworden. Anderzijds moet het probleem niet overdreven worden, zegt Reynouard: “Het Systeem ziet ons niet als gevaarlijk. Niet dat we het gemakkelijk hebben, ik ben werkloos, maar ze doen alvast niets om mij mijn werkloosheidsuitkering af te nemen. En fysiek bedreigd voel ik me helemaal niet. Het Systeem weet wel wie zijn gevaarlijke vijanden zijn, en ik ben daar blijkbaar niet bij.”

Maar de gerechtelijke problemen eisen ook hun tol, zegt Verbeke: “Daarbij komt het aanstaande Europese aanhoudingsbevel. Dan zullen ze mij aan Duitsland kunnen uitleveren, waar draconische muilkorfwetten gelden. Kijk, ik kan mij best verdedigen voor een rechtbank. Ik ontken immers de genocide niet, die is gebeurd, ik ontken wel de gaskamers. Maar ze kunnen me daar een jaar of langer in voorarrest houden. Nee, dan trek ik me liever terug. Er zit nog één brochure in de pijplijn met het overzicht van alle revisionistische argumenten, en dan is het gedaan. Je moet dat onder ogen kunnen zien: maatschappelijk hebben wij de strijd verloren.”

Reynouard bevestigt: “Het revisionisme interesseert praktisch alleen oudere mensen, en die sterven natuurlijk uit. Dit onderzoek over Oradour heb ik met plezier gedaan, maar het zit erin dat ik spoedig iets heel anders ga doen.” Is dat het nakende einde van het revisionisme? Verbeke: “Ik vrees het wel. De officiële versie zal weldra de enige bekende zijn. Iedereen zal erin geloven. De meeste mensen hebben er niet eens last van.”


Debat


Dat betekent niet dat Verbeke aan het gelijk van het revisionisme is gaan twijfelen. Maar daarover met een revisionist het debat aangaan is onbegonnen werk voor wie de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog niet uit eerste hand bestudeerd heeft. Eind jaren ’70 dachten Franse journalisten Faurisson gauw even als een bedrieger te ontmaskeren, maar hij bleek de relevante feiten en documenten veel beter te kennen dan zijzelf. Toch waag ik een poging: de bekende speech van Heinrich Himmler in Posen (Poznan) op 4 oktober 1943 zegt toch uitdrukkelijk over de joden dat “wij het plicht hadden om dit volk, dat ons naar het leven stond, uit te roeien”? Op het proces van Nuremberg is zelfs een geluidsopname van die speech als bewijsmateriaal ingebracht.

Verbeke is niet onder de indruk: “Dat was een vervalsing. Hoorspelacteurs waren goed in het imiteren van stemmen. De radio-speeches van Churchill waren door een acteur ingesproken, zoals men inmiddels toegeeft. Er waren enkele honderden mensen aanwezig op die zogenaamde Geheimrede van Himmler. Sommigen zijn over die speech ondervraagd en hebben ontkend dat die uitspraak erin voorkwam. Nee, Himmler heeft dat nooit gezegd.”

Zo zijn we gauw uitgepraat, natuurlijk. Hoe bewijs je als leek nou dat een geluidsopname uit 1943 echt is? Om zulke revisionistische stellingen te weerleggen is een gedetailleerde eerstehandse kennis van het hele bewijsdossier onontbeerlijk. Enkele auteurs hebben zich eraan gezet, ondermeer Michael Shermer (hoofdredacteur van The Skeptic, Los Angeles), maar de vooraanstaande historici halen er hun neus voor op. Mij lijkt dat een onjuiste houding. Als op een ander domein een stevig gevestigde theorie door outsiders aangevallen wordt, dan gaan de topspecialisten inderdaad niet meteen tijd vrijmaken om een weerlegging te schrijven; maar wel zullen ze van die weerlegging een geschikte opdracht maken voor een thesis van een van hun studenten.

En als de uitdaging hardnekkig is en maatschappelijk belangrijk (in dit geval zelfs zodanig dat er wetten tegen gestemd worden), dan zullen de specialisten wèl uit hun pijp komen om de dissidente opdondertjes op hun plaats te zetten. Toen de jongste jaren buitenissige theorieën over oorsprong en ouderdom van de sfinx gelanceerd werden, haalden de egyptologen er eerst de schouders voor op. Maar toen het gerucht bleef aanhouden, staken zij toch maar de koppen bijeen om in een gezaghebbend dossier de puntjes op de i te zetten.     

Soms dagen de revisionisten de gevestigde historici uit tot een debat. Gie van den Berghe, die voorstander is van de beslechting van de revisionismekwestie door stevige historische argumentatie en niet door muilkorfwetten, heeft zich ooit bereid verklaard om met Verbeke in debat te gaan. Na een telefoongesprek nam hij dat voorstel terug omdat Verbeke van zulk “laag niveau” bleek te zijn. Verbeke: “Ja, ik spreek plat Antwerps. Ik ben welbeschouwd ook geen goede spreker, in mijn geval zou een debat best schriftelijk gevoerd worden. Maar ik vrees dat het toch allemaal geen zin meer heeft.” 


Uitsterven


Hoe staan de revisionisten tegenover het Vlaams Blok en zijn typische thema’s? Van de partij als zodanig moeten ze natuurlijk niets weten sedert die de revisionismewet mee goedgekeurd heeft. Het VB-wantrouwen jegens de islam delen ze ook niet, want de islamwereld is hun enige bondgenoot. De Zwitserse revisionist Jürgen Graf kreeg na zijn veroordeling tot een gevangenisstraf asiel in het Iran van de ayatollahs (wat ons als Europeanen ongeacht ons oordeel over Grafs ideeën niet tot fierheid moet stemmen). De meeste revisionistische auteurs hebben hun sympathie uitgesproken voor de Palestijnse zaak en de uiteindelijke schuld voor de aanslagen van 11 september bij de Israëlische greep op het Amerikaans buitenlands beleid gelegd.

Volgens Verbeke moet men zich van die islamsteun ook niet teveel voorstellen: “Jürgen Graf mocht in de Teheran Times een artikelenreeks publiceren om het revisionisme voor te stellen. Die is halfweg stopgezet want de hervormers in de regering daar willen terug aansluiting vinden bij de wereldeconomie. In Libanon is vorig jaar een revisionistische conferentie afgelast door het dreigement om miljardenkredieten aan het land in te houden. Graf zit nu in Rusland, getrouwd met een Russische. Door dit laatste kan hij tenminste niet het land uitgezet worden, want Poetin staat natuurlijk evengoed onder druk om het revisionisme te vervolgen. Roger Garaudy heeft na zijn veroordeling wegens revisionisme zijn boete door een oliesjeik laten betalen, maar hij is een bekeerling tot de islam. Niet-moslims hebben uit die hoek nooit financiële steun gekregen. In de jaren ’80 is er wel geprobeerd om steun te krijgen van Kadhafi, maar meer dan verbaal is zijn sympathie nooit geworden.”

Zelfs de dagdagelijkse afkeer van de Marokkanen in Antwerpen deelt Verbeke niet: “In mijn zaak heb ik nog nooit met Marokkanen last gehad. De Marokkaanse meisjes zijn zelfs erg voornaam. Het echt vulgaire volk hier in Borgerhout, dat is de Vlaamse onderklasse die voor het Vlaams Blok stemt.” In ieder geval kunnen we maar beter aan de Marokkaanse aanwezigheid wennen want, zegt Verbeke: “Het is hier gedaan. Je ziet toch de demografische ontwikkeling, daar is gewoon geen weg terug.” Reynouard klinkt zelfs niet pessimistisch in zijn bevestiging, hij schijnt de verdwijning van het Frankrijk waarin hij opgegroeid is, te aanvaarden: “Ik voed mijn kinderen katholiek op, maar ik maak me geen begoochelingen. Het wordt hier een overwegend muzelmaanse samenleving. Op straat is het al zo ver: onze jeugd zit binnen met haar computerspelletjes, de Maghrebijnse jongens beheersen de straat.”

Voor mij is de kennismaking met enkele levende revisionisten dus niet zonder verrassingen. Dit zijn duidelijk niet de zegslieden van de nationaal-populistische partijen zoals het VB, hoewel die samen met hen in de zak van “extreem-rechts” gestopt worden. De discrepantie tussen de werkelijkheid en de gebruikelijke voorstelling van het revisionisme bevestigt wel mijn algemene indruk van het dominante linkse discours over rechts: het is gebaseerd op amalgaam en de projectie van enkele simpele stereotypes, niet op eerstehandse feitengegevens. Linkse opiniemakers kauwen hun lezers of kijkers een vlot haatbaar vijandbeeld van rechts voor, en dan gaan ze dapper tegen die zelfgeprojecteerde windmolen ten strijde. De show van strijd tegen het rechtse monster is wat hun bezighoudt, niet de juiste weergave van een stroming of ideeëngoed. Respect voor de waarheid is inderdaad een zeldzame deugd.






Lezersbrief van Siegfried Verbeke, Nucleus nr. 6, juni 2002, p. 16.


Revisionisme


Met interesse las ik de bijdrage van Koenraad Elst, die een unicum is, want tot dusver werd het revisionisme in de Vlaamse media nog nooit op een onvooringenomen wijze benaderd. Toch enkele bemerkingen. Ik begrijp dat uw medewerker vanwege de beperking van de vrije meningsuiting niet op de kern van het dispuut kon ingaan.
Zijn artikel geeft daarom de verkeerde indruk, alsof het dispuut enkel berust op tegenstrijdige subjectieve interpretaties van documenten en gebeurtenissen. Er is veel meer, want revisionisten gaan in de eerste plaats uit van exacte waarneembare en meetbare feiten, in tegenstelling tot de ‘holocaustgelovigen’, die het praktisch uitsluitend moeten hebben van ooggetuigenverklaringen.

Uw medewerker rangschikt David Irving onder de revisionisten, wat Irving niet graag zal horen, want deze distantieert zich uitdrukkelijk van hen. N.a.v. zijn klacht tegen Deborah Lipstadt, werd hem door verschillende revisionisten alle mogelijke wetenschappelijke ondersteuning toegezegd, maar hij heeft die pertinent geweigerd. Indien hij bijv. Germar Rudolf als deskundige had laten getuigen, dan had Irving waarschijnlijk het proces niet verloren. Nu moet hij ca. 160 miljoen BEF gerechtskosten aan de tegenpartij betalen, en wordt zijn kapitale woonst in Londen in opdracht van dhr. Shylock deze week in beslag genomen.

Wat betreft de impact van het woord ausrotten stellen de meeste revisionisten niet dat dit woord niet ‘uitroeien’ betekent, maar wel dat dit woord niet altijd mag geïnterpreteerd worden als ‘fysieke uitroeiing’. Het is te vergelijken met de titel van het boek van de Joodse Amerikaan Kaufmann, Germany must perish. Hij bedoelde daarmee ook niet, dat de VS de intentie hadden Duitsland uit te roeien. Overigens is in oorlogstijd ruige taal gebruikelijk, en hoeft men er niet meer in te zien dan verbale krachtpatserij. De holocaustgelovigen zijn te kwader trouw wanneer ze dgl. citaten gebruiken als genocidebewijs.

„Nicht erschiessen”. Bij lezing van deze episode, krijgt de lezer de indruk dat Hitler het bevel zou hebben gegeven de Joden niet te executeren. En daaruit leidt Koenraad Elst af, dat erschiessen dus wel gebruikelijk moet geweest zijn. Het gaat hier niet om een Hitlerbevel, maar om een dagboekaantekening door Goebbels, nadat Hitler had vernomen dat het eerste transport van Berlijnse Joden in Riga door de Esten geëxecuteerd was. Hieruit afleiden dat er een politiek van genocide was, is een grote stap.

Himmlers Geheimreden te Posen. Hoelang gaat deze onzin nog meegaan? Ten eerste moet Himmler superdom geweest zijn, om een Geheimreden te houden voor honderden aanwezigen, en hen hoogst onaangename dingen te vertellen waar ze geen zaken mee hadden. En, simplex simplicissimus, laat Himmler van zijn Geheimreden een fonoplaat maken! In Antwerpen zeggen ze dan: „met alle chinezen maar niet met den dezen”. Bovendien, werden die uitlatingen door aanwezigen nadien bevestigd? Neen.

Op de afwezigheid van een Hitler-genocidebevel wordt geantwoord dat dit daarom niet wil zeggen dat er nooit een geweest is. Echter, moest er één geweest zijn, dan zouden er honderden bevelen op lager overheidsniveau moeten terug te vinden zijn, die naar dit Hitlerbevel verwijzen. Men schijnt te vergeten dat de n.s.-maatschappij erg gehiërarchiseerd was, en niemand wat op zijn eentje improviseerde, laat staan slachtpartijen zou durven aanrichten, zonder door een hogergeplaatste gedekt te zijn.

In dezelfde sfeer: „Hitler liet de vuile karweien over aan zijn luitenants.” De werkelijkheid was anders. Hitler nam de volle verantwoordelijkheid van wat hij beval, ook voor de ‘vuile karweien’, zoals het Kommissarbefehl in 1941 en, in het laatste oorlogsjaar, het bevel tot executie van geallieerde piloten die bij terreurbombardementen waren afgeschoten. Hij gaf ook het bevel tot executie van gevangen genomen commandosoldaten die achter de linies sabotagedaden of aanslagen uitvoerden. Hitler was furieus toen hij vernam dat deze bevelen door de Wehrmacht gesaboteerd werden. Hierbij wil ik ook vermelden dat Himmler geen enkele bevels- of beleidsbevoegdheid had. Het is absurd om te veronderstellen dat Himmler op eigen houtje zou hebben gehandeld.

„Het echt vulgaire volk in Borgerhout” (Vlaams Blok) klinkt denigrerend, maar is in feite niet zo bedoeld, omdat ikzelf in de ogen van sommigen tot deze maatschappelijke onderklasse behoor. In feite is bedoeld dat in Borgerhout enkel de Belgische onderklasse is achtergebleven, samen met de ‘oude Belgen’ (die weg zouden willen, maar niet meer kunnen) en een hele groep agalevers en aanverwanten.

Tenslotte spreek ik geen plat-Antwerps, maar gekuist Antwerps…

Siegfried Verbeke

zondag 24 december 2017

De Vrijheid Om Te Dwalen

PDFPrint
“Waaraan kan je zien dat Guy Verhofstadt staat te liegen?” – “Zijn lippen bewegen.”


Liegen is geen strafbaar feit. In De Zevende Dag van 12 september beweerde Guy Verhofstadt bijvoorbeeld dat “Geert Wilders zegt dat alle moslims terroristen zijn”. In werkelijkheid heeft Wilders dat nooit gezegd en het vaak uitdrukkelijk ontkend (de wisselwerking tussen een betrekkelijk kleine strijdende voorhoede en haar brede maar betrekkelijk passieve achterban is immers wel wat ingewikkelder dan dat, zoals welbekend sedert Mao’s en Che’s theorie en praktijk van de guerrilla). Maar niemand sleept Verhofstadt omwille van deze zoveelste leugen voor de rechter.
Enkele jaren geleden, na de veroordeling van Siegfried Verbeke wegens Holocaust-ontkenning, legde CGKR-advocaat Paul Quirynen dat door hem bedongen vonnis aldus uit: vrije meningsuiting moet er natuurlijk wel zijn, maar “liegen mag niet”. Dat was wat hij voor de mediamicrofoon ten behoeve van de verkleuterde tv-kijker zei, maar in de rechtszaal had hij daarmee nooit een rechter kunnen overtuigen. De toen door hem ingeroepen revisionismewet, in 1995 met alle stemmen min één (CVP-er Herman Suykerbuyk) goedgekeurd, zegt ook niets over liegen. Zij veroordeelt alleen het ontkennen, minimaliseren of goedpraten van de volkerenmoord op de Europese Joden door de nazi’s en hun bondgenoten in 1939-45. En om die dingen te doen, hoeft men niet te liegen.

“Liegen” betekent dat men doelbewust iets zegt waarvan men meent te weten dat het onwaar is. Iemand die weet of gelooft dat de Holocaust plaatsgevonden heeft, maar zegt dat er nooit zo’n Holocaust geweest is, die liegt. Er is echter geen enkele aanwijzing dat Verbeke, of de zojuist op grond van dezelfde wet veroordeelde oud-VB-senator Roeland Raes, in dat geval is. Alle bekende feiten over hen zijn consistent met de hypothese dat zij echt geloven wat zij zeggen. Je kan hun standpunt een vergissing noemen, in kerkelijke termen een dwaling, maar geen leugen.

Wie de persoonlijke lotgevallen van de revisionisten bekijkt, zal onmiddellijk inzien dat niemand zich zulke ellende op de hals haalt voor een bewering waaraan hij zelf geen geloof hecht. Integendeel, de uitsluiting, de gevangenisstraffen, de fysieke agressie die zij moeten trotseren, nemen zij erbij omdat zij juist hartstochtelijk in hun boodschap geloven. Ook al is wat zij zeggen niet de waarheid, het is wel hun oprechte overtuiging. En bijgevolg geen “leugen”.

Wie met het revisionisme uitpakt, gooit niet alleen zijn eigen ruiten in, maar brengt ook maar schade toe aan elke beweging waarmee hij zich associeert. Raes bezorgt er zijn partij veel last mee. “Roeland Raes is een ezel”, schreef Mark Grammens na de eerste moeilijkheden die Raes ondervond als gevolg van zijn luchthartige uitspraken over omvang en intentionaliteit van de Jodenvervolging door de nazi’s en over de beweerde onechtheid van het dagboek van Anne Frank. Ten eerste wist de senator dat hij daarmee een wet overtrad, ten tweede kan hij niet anders dan geweten hebben dat de interviewers maar wat graag een revisionistische “bekentenis” uit zijn mond wilden optekenen om die tegen hem en zijn partij te gebruiken. Natuurlijk zou hij in een democratie alle recht hebben om zulk standpunt te verkondigen, en waar dat recht niet geldt, zou het als daad van democratisch verzet te rechtvaardigen zijn om tegen de wet in toch zulk standpunt te uiten. Maar een politicus moet weten wat hij wil. Als een partij mede de architect van de toekomst wil zijn, moet zij haar toekomstproject niet opofferen aan een debat over het verleden, en dat debat aan historici overlaten.

De wet die nu een strop om Raes’ hals legt, is door zijn eigen partij mee goedgekeurd. Naar verluidt had Raes in de bespreking vooraf in het partijbestuur ook geen bezwaar gemaakt tegen die goedkeuring. Het stemgedrag van het VB had toch geen invloed op de al of niet goedkeuring, en een pro-democratische nee-stem tegen de instelling van het revisionistisch opiniedelict zou toch maar als “bewijs” van nazi-gezindheid gebruikt zijn. Dus, in het belang van de Vlaamse onafhankelijkheid en andere VB-doelstellingen, toch maar die verwerpelijke wet slikken. Op die keuze viel veel af te dingen, maar het was wel de gemaakte keuze, en het zou maar consistent geweest zijn om zich dan verder van revisionistische uitspraken te onthouden. Niemand vroeg aan Raes om dingen te verklaren waarin hij niet geloofde, hij hoefde alleen maar “geen commentaar” te zeggen.

Waar vinden we een democratische meerderheid, d.w.z. een politieke meerderheid van democratisch-gezinden, om deze (en principieel alle) muilkorfwetten te herroepen? De anti-revisionistische historici zouden, zoals in Frankrijk, de eersten moeten zijn om de politieke wereld hiertoe onder druk te zetten. Deze uitzonderingswet inzake de geschiedenis van WO2 schept immers een taboesfeer die elk debat over dat onderwerp hindert. Zij wakkert ook het antisemitisme aan, i.c. de beeldvorming over de oppermachtige Joodse hand, dus ook Joodse milieus hebben er belang bij, hun stem pro democratie en contra dit opiniedelict te laten horen.

Wat de politieke partijen betreft, uit VLD-hoek hebben we meerdere stemmen gehoord tegen het muilkorfprincipe, alleen is het wachten op een wetsvoorstel dat de moeder aller muilkorfwetten ongedaan maakt. Verder lijkt het VB klaar om op zijn tactische ja-stem uit 1995 terug te komen. Maar vooral is het uitkijken naar een initiatief van de partij die in 2007 met de leuze “freedom of speech” triomfantelijk het parlement binnentrok, de LDD. Nu die partij tot spoedig verdwijnen gedoemd lijkt, kan zij haar plaats in de geschiedenis nog verdienen door één zinnetje uit de eveneens gedoemde Brabançonne nieuw leven in te blazen: “het woord getrouw dat g’onbevreesd moogt spreken…”


(Brussels Journal, 23 sep 2010)

Radhabinod Pal

 

Radhabinod Pal
Koenraad Elst[1]

(Ars Aequi, Nijmegen 2010) 

            Radhabinod Pal was een Indiase rechter die de geschiedenisboeken gehaald heeft met zijn uitzonderlijke stellingname als rechter tijdens het proces van Tokio tegen de Japanse oorlogsleiders in 1946-1948. Hieronder volgt een schets van zijn leven, zijn eigen houding en die van het Indiase volk tegenover de oorlog, en zijn rol tijdens het proces.

India tijdens en tegenover de Tweede Wereldoorlog: een achtergrondschets
India behoorde formeel tot het winnende kamp in de Tweede Wereldoorlog, maar de sympathieën van de bevolking waren allerminst solide aan de geallieerde kant, die vereenzelvigd werd met de Britse kolonisator. Op het militaire front heeft India een merkwaardig buitenbeentje geleverd aan de cast van Tweede-Wereldoorlogsterren: Subhas Chandra Bose, tot 1939 leider van de linkervleugel van het Indiaas Nationaal Congres en nadien oprichter van pro-Duitse en pro-Japanse collaboratielegers. In 1941 ontsnapte hij uit huisarrest in Kolkata via Kabul naar Moskou. De USSR was ondanks haar anti-koloniale retoriek niet met de Britten in oorlog, maar stuurde hem onder het Hitler-Stalin-pact naar Berlijn door.  Daar zegde buitenlandminister Joachim von Ribbentrop Bose een zekere diplomatieke steun voor de Indiase vrijheidsstrijd toe, en kreeg hij de toestemming om een Indiaas collaboratielegertje samen te stellen, gerekruteerd uit Brits-Indiase soldaten die bij Duinkerke en in Noord-Afrika in Duitse handen gevallen waren. Deze troep van maximaal drieduizend man was een tijdje in Nederland gelegerd en vocht tijdens de bevrijding tegen de geallieerden in Frankrijk.
Toen Adolf Hitler echter zijn steun aan de anti-koloniale strijd weigerde en er ook niets kwam van de plannen om het Midden-Oosten te veroveren en om vandaar naar India door te stoten, liet Bose zich begin 1943 per duikboot naar Japan overbrengen. Hij ronselde er ruim veertigduizend Brits-Indiase soldaten die zich bij Singapore aan de Japanners overgegeven hadden, en vormde het Azad Hind Fauz(‘vrij India leger’) of Indian National Army. Dit leger vocht met succes in Birma en stootte door tot in het Indiase grensgebied. Daar werd het door het Brits-Indiase leger gestuit, en terwijl de Japanse posities achter hen instortten, moest Bose de terugtocht bevelen. In 1945 kwam hij tijdens een vliegtuigongeval in Taiwan om het leven.
Subhas Bose is in India altijd razend populair gebleven. Toen zijn luitenanten in 1946 door de Britten wegens hoogverraad berecht werden, bood Jawaharlal Nehru, de latere premier en Bose’s vroegere tegenstander, aan om hen te verdedigen. Een luchthaven, sportstadions en andere publieke plaatsen zijn naar hem (of naar zijn titel Netaji, ‘leider’) genoemd, vooral in zijn thuisstaat West-Bengalen. De partij die hij, tegen de softe lijn van Mahatma Gandhi in, kort voor zijn vlucht uit India had opgericht, het Forward Bloc, zit tot vandaag in de door de communisten geleide linkse regeringscoalitie in de deelstaat West-Bengalen.
Indiërs letten daarbij niet op de Westerse associatie van de Asmogendheden met het absolute kwaad. Zij eren gelijkelijk Subhas Bose, die onder Duits-Japanse patronage tegen de Britten vocht, en Vinayak Damodar Savarkar, de hindoe-nationalist die de hindoes in september 1939 opriep om aan Britse zijde te strijden. Savarkars bedoeling was dat zij als soldaat krijgservaring zouden opdoen zodat de parate inheemse legermacht na de oorlog alleen al door haar bestaan de Britten tot vertrek zou manen (drie van de zeven hindoe-nationalistische samenzweerders in de moord op Mahatma Gandhi waren veteranen van de Brits-Indiase inzet in de Tweede Wereldoorlog).[2] Het Indiase volk waardeert de identieke wil van beide leiders om India met viriele middelen, afstekend tegen Gandhi’s weinig effectieve pacifisme, te bevrijden. Wat voor de nationale herinnering telt, is niet hun tegengestelde tactische keuze in een oorlog die uiteindelijk niet die van India was, wel hun gemeenschappelijke strategische visie om die oorlog te gebruiken als opstap naar India’s onafhankelijkheid.

Radhabinod Pal
Het sluitstuk van de oorlog speelde zich af op een ander front: de rechtszalen van Neurenberg en Tokio, waar de overwinnaars de verliezers aan hun vonnis onderwierpen. Op het proces van Tokio stal een andere Indiër de show, rechter Radhabinod Pal. Hij verraste de wereld door als enige de vrijspraak van de Japanse oorlogsleiders te bepleiten.
 Radhabinod Pal (spreek uit: ‘raadhaabinood paal’) werd op 27 januari 1886 geboren in het Bengaalse dorpje Salimpur, nu in Bangladesj. Na een leergang wiskunde aan het befaamde Presidency College te Calcutta (nu Kolkata) studeerde hij rechten aan het Law College van de University of Calcutta. Daar zou hij van 1923 tot 1936 ook zelf doceren. In 1941 werd hij rechter aan het Calcutta High Court, in 1944 rector van de University of Calcutta, tot 1946. Sinds 1927 was hij ook juridisch adviseur bij de Brits-Indiase regering, die hem in 1946 als rechter op het proces van Tokio benoemde. Zijn positie als dienaar van het Britse Rijk had hem overigens nooit belet om de gerapporteerde successen van Subhas Bose te bewonderen.
 Van 1952 tot 1966 was hij nog lid van de UN International Law Commission. Inmiddels probeerde hij nog carrière te maken in de deelstaatspolitiek van West-Bengalen. In 1952 dong hij voor de Congrespartij zonder succes naar de federale parlementszetel voor Calcutta-zuidoost toen die door de dood in gevangenschap van de hindoe-nationalistische partijvoorzitter Shyam Prasad Mookerjee vrijkwam. In 1955 werd hem gevraagd een onderzoekscommissie te leiden naar de niet geheel opgeklaarde dood van Subhas Bose, maar premier Nehru benoemde uiteindelijk een eigen vertrouweling. Pal kreeg ook India’s hoogste onderscheiding, de Padma Vibhushan.
In 1966 bezocht Pal Japan, waar hij openlijk verklaarde dat hij Japan sinds jonge leeftijd bewonderd had omdat het de enige Aziatische natie was die zich met het Westen durfde te meten. Keizer Hirohito verleende hem de Orde van de Heilige Schat eerste klasse. Pal stierf kort nadien, op 10 januari 1967.
 In 1973 schonk Japan aan de University of Calcutta een bronzen beeld van Pal, dat echter in een kelder opgeborgen werd tot het in 2006 ter gelegenheid van verwacht bezoek uit Japan weer tevoorschijn kwam. Hij wordt geëerd door Japanse nationalisten, die in 2005 een monument voor hem inwijdden in het omstreden Yasukuni-schrijn, het heiligdom voor de oorlogsleiders. Zij verwijzen volop naar zijn dissidente verdict, vaak in verdraaide vorm, om bijvoorbeeld op zijn gezag de (door hem nochtans erkende) Verkrachting van Nanjing te ontkennen.
Samen met de sage van Subhas Bose was Pal’s dissidentie een factor in de beslissing van Delhi om in het vredesverdrag met Japan van 1952 uitdrukkelijk af te zien van herstelbetalingen. Op 14 december 2006 verklaarde de Indiase premier Manmohan Singh tijdens een rede in het Japanse parlement:‘Het beginselvaste oordeel van rechter Radhabinod Pal na de oorlog herinnert men zich ook vandaag nog in Japan. Die gebeurtenissen tonen de diepte van onze vriendschap en onze wederzijdse steun tijdens kritieke ogenblikken in onze geschiedenis.’[3]
Tijdens zijn staatsbezoek aan India in 2007 trok de Japanse premier Abe Shinzo tijd uit voor een visite bij Pals zoon Prasanta (of Bengali: Proshanto) Pal.[4] In Japan, waar toen net een boek van Watanabe Shōichi over en pro Pals verdict ophef maakte, drukten de mainstream-media hun bezorgdheid uit over deze flirt met het oorlogsrevisionisme.[5] Plannen voor een film over Pals leven zijn voorlopig op de lange baan geschoven.

Het proces van Tokio
Talloze rechtsgeleerden, toen en later, hebben veeleer negatief geoordeeld over de juridische correctheid van het Neurenberg-proces. Die twijfels zijn geformuleerd door buitenstaanders, vaak ook pas lang na de gebeurtenissen. Het proces van Tokio, officieel het Internationaal Militair Tribunaal voor het Verre Oosten, van april 1946 tot december 1948, werd echter tijdens de zittingen zelf reeds bekritiseerd door één van de zetelende rechters.
De rechtbank was samengesteld uit telkens één vertegenwoordiger van Canada, Nieuw-Zeeland, Australië (voorzitter William Webb), China, de USSR, de Verenigde Staten, Frankrijk, Nederland, het Verenigd Koninkrijk, de Filippijnen en India. Vanaf het begin van de procesgang viel de Indiase rechter Radhabinod Pal uit de toon door elke morgen een beleefde buiging te maken naar de Japanse beschuldigden. Op de dag van de voorlezing van het vonnis was hij één van de vijf rechters die een aparte opinie bekendmaakten.
De Filippijnse rechter Delfin Jaranilla, een overlevende van de Bataan-dodenmars, vond de straffen niet streng genoeg: een aantal officieren ontsnapte immers aan de doodstraf en zou in 1958 worden vrijgelaten.[6] Voorzitter Webb en de Franse rechter Henri Bernard protesteerden tegen de Amerikaanse beslissing om keizer Hirohito niet te dagvaarden (op aandringen van bezettingsgouverneur Douglas McArthur, die een bloedige volksopstand verwachtte in geval van Hirohito’s afzetting of vernedering), daar het Duitse staatshoofd Karl Dönitz in Neurenberg wél gevonnist was. De Nederlandse rechter Bernard Röling vond dat complexe feitelijke vragen, bijvoorbeeld wie juist op welk ogenblik de vrede verbrak en de oorlog begon, onvoldoende uitgeklaard waren. Later zou hij in een nabeschouwing instemmen met oorlogspremier Tōjō Hideki’s protest dat het om “overwinnaarsrechtspraak” ging, althans op sommige punten.[7]
Rechter Pals minderheidsrapport, 1235 bladzijden, bevatte veel fundamentelere kritiek en de publicatie ervan werd de volgende zeven jaar door de VS-bezettingsmacht verboden.[8] Inhoudelijk valt het uiteen in twee argumentatielijnen: één over de feiten en één over de wettelijkheid van het proces.
Inzake het feitelijke relaas van de oorlogsgebeurtenissen gaat Pal een aantal keer uit de bocht met vergezochte witwasconstructies. Hij erkent bijvoorbeeld dat oorlogsmisdaden zoals de ‘Verkrachting van Nanjing’ plaatsgevonden hebben, maar vervolgens betwijfelt hij de schuld van de bevelvoerders, die achteraf immers maatregelen hadden genomen om herhaling van zulke ongedisciplineerde uitspattingen te voorkomen. In ieder geval behoorden zulke wreedheden volgens Pal tot de oorlogsmisdaden van klasse B of C, terwijl de 25 beschuldigden van het Tokio-proces terecht stonden voor misdaden van klasse A, namelijk de nieuwe categorieën ‘misdaden tegen de vrede’ en ‘misdaden tegen de menselijkheid’.
Net als de andere rechters behandelt hij vooral de mishandeling van de krijgsgevangenen, die hij echter minimaliseert door deze af te wegen tegen de imperialistische schuld van hun respectieve landen. Daarbij veronachtzaamt hij dat Japan niet alleen gevangen Chinese, Britse of Amerikaanse soldaten mishandelde, maar veel meer nog de burgerbevolking van niet-imperialistische landen zoals China. Aan de zieligste slachtoffercategorieën, zoals de vele duizenden (vooral Koreaanse, maar verder onder meer ook Nederlandse) seksslavinnen of ‘troostmeisjes’, besteedde hij geen woord, maar het officiële vonnis deed dat evenmin.
De Japanse ‘misdaden tegen de vrede’ wuift hij allemaal weg. Nederland en het Britse rijk kwamen in oorlog met Japan omdat ze het zelf de oorlog verklaard hadden na Pearl Harbor. De aanval op Pearl Harbor was volgens Pal het resultaat van tergende Amerikaanse provocaties, zoals het olie-embargo, gerechtvaardigd als een protest tegen de Japanse agressie in China maar ‘eigenlijk’ gewoon een poging om een industriële concurrent te fnuiken. Volgens Pal zou zelfs Monaco aan de VS de oorlog verklaard hebben als het een dreigement van dezelfde strekking zou hebben ontvangen als het Memorandum van Secretary of State Cordell Hull (de ‘Hull Note’) dat het State Departmentkort vóór Pearl Harbor naar de Japanse regering had gestuurd. De inval in China verklaart hij als een noodzakelijke zet tegen de Sovjet-penetratie van China. Niet dat hij iets tegen communisme had, maar in dit verband beschouwde hij de USSR vooral als opvolger van het in 1905 door Japan verslagen tsarenrijk: een ‘blanke’ mogendheid. Die uitleg was weinig overtuigend: als Japan de Russen of het communisme had willen bestrijden, dan zou het in juni 1941 de Duitsers vervoegd hebben in hun invasie van de USSR, een project met veel betere zegekansen dan de aanval op de VS in december 1941. Duitsland toonde zich na Pearl Harbor wél solidair met Japan door tegen zijn eigen belang in de oorlog te verklaren aan de VS.
Veel sterker is het tweede luik van rechter Pals argumentatie: dit proces was een farce, concreet omdat allerlei rechtsnormen genegeerd of overtreden werden, en principieel omdat het ‘overwinnaarsrechtspraak’ betrof. De rechten van de verdediging werden geschonden; advocaten van de verdediging hadden slechts beperkte toegang tot de dossiers; niet-Engelssprekende verdachten en getuigen moesten verklaringen in het Engels ondertekenen; bekentenissen of getuigenissen ten laste van medegevangenen werden afgedwongen onder foltering of met valse beloften; de criteria voor geldigheid van bewijsmateriaal waren streng voor de verdediging, laks in het geval van het dossier ten laste. En vooral: er werd vervolgd op grond van retroactieve wetten. Toen de Japanse oorlogsleiders hun besluiten namen en hun bevelen gaven, bestond er niet zoiets als ‘misdaden tegen de vrede’ en ‘misdaden tegen de menselijkheid’, dus hun bestraffing schond het rechtsbeginsel nullum crimen sine lege. In een Amerikaanse rechtszaal zouden zulke procedurefouten ruim voldoende zijn om een beklaagde van vervolging te doen vrijstellen. Pal bepleitte daarom effectief de vrijspraak voor alle beklaagden.
Tenslotte, dit proces was overwinnaarsrechtspraak omdat er aparte normen golden voor overwinnaars en overwonnenen. De geallieerde legers functioneerden evengoed volgens het principe: ‘Befehl ist Befehl’, maar hun officieren werden niet vervolgd voor daden die slechts de uitvoering waren van een bevel van hogerhand. Japan was niet vertegenwoordigd onder de rechters, en geallieerde oorlogsmisdaden werden niet vervolgd. Rechter Pal was de enige die de Atoombommen op Hiroshima en Nagasaki ter sprake bracht: zelfs al zouden zij onrechtstreeks vele mensenlevens gered hebben, zoals men vaak beweert, dan nog beantwoordden zij onmiskenbaar aan de definitie van ‘oorlogsmisdaad’, namelijk omdat zij bewust burgerdoelwitten viseerden.
Sinds de Vrede van Westfalen (1648) was er hard gewerkt om het verschijnsel oorlog te humaniseren en om het recht van de sterkste door een echt internationaal rechtssysteem te vervangen door middel van  het sluiten van onder meer de conventies van Den Haag en Genève en door de onpartijdige werking van het Rode Kruis. De processen van Neurenberg en Tokio markeerden geen verdere stap voorwaarts in deze ontwikkeling, maar juist een breuk, zelfs een stap achteruit. Volgens Radhabinod Pal vormden zij een ‘barbaars wraakritueel’, een cynische gerechtelijke façade waarmee de overwinnaars brutaal hun wil oplegden en zichzelf een extra rechtvaardiging voor hun eigen oorlogsmisdaden verschaften.

(gepubliceerd als aflevering in een reeks over merkwaardige rechters, in het in Nijmegen uitgegeven rechtskundig tijdschrift Ars Aequi, september 2010, p.636-640)

[1] Dr. K. Elst (°Leuven 1959) is oriëntalist, ondermeer bekend om zijn onderzoek over het raakvlak tussen religie en politiek in het subcontinent. Recent publiceerde uitgeverij Aspekt zijn boek Mahatma Gandhi, een evaluatie van Gandhi’s politieke loopbaan aan de hand van een ontleding van de zelfrechtvaardiging die diens moordenaar tijdens zijn proces uitsprak.
[2] Meer details hierover in K. Elst, De Moord op de Mahatma, Leuven: Davidsfonds 1998, tweede ed.: Mahatma Gandhi, Aspekt, Soesterberg 2008, hf. 4.2.2. en 4.2.8.; en K. Elst, Return of the Swastika, Voice of India, Delhi 2006, hf.2.
[3] M. Singh, Prime Minister’s Speech to the Japanese Diet on December 14, 2006, Embassy of India in Japan.
[4] Onishi, Norimitsu: “Decades After War Trials, Japan Still Honors a Dissenting Judge”, The New York Times, 31 augustus 2007, zie: www.nytimes.com/2007/08/31/world/asia/31memo.html (laatstelijk geraadpleegd op 27 juni 2010).
[5] S. Watanabe, Radhabinod Pal’s Judgment, Tokio 2006.
[6] De dodenmars van Bataan, april 1942, was de geforceerde mars van 75.000 Amerikaanse en Filippijnse krijgsgevangenen, die zich na de Slag bij Bataan op de Filippijnen na belofte van correcte behandeling overgegeven hadden, over 98 km naar een kamp. Naar schatting 10.000 gevangenen overleefden de wreedheden van hun bewakers niet, en een nog groter aantal stierf in het kamp aan de gevolgen.
[7] B. Röling, A. Cassese (red.), The Tokyo Trial and Beyond: Reflections of a Peacemonger, Polity Press, Cambridge UK, 1993, p.87. Rölings bijdragen aan en nabeschouwingen over het proces van Tokio worden in ere gehouden door de Röling Foundation: http://www.rolingfoundation.org/tokyo.htm.
[8] R. Pal,‘Judgment’, in: B.V.A. Röling & C.F. Rüter (red.), The Tokyo Judgment: The International Military Tribunal for the Far East (IMTFE) 29 April 1946 - 12 November 1948, Amsterdam: APA-University Press Amsterdam, 1977. In Japan apart gepubliceerd als R. Pal,  In Defense of Japan's Case 1 & Case 2, Kenkyusha Modern English Readers 17, Tokyo, Japan: Kenkyusha Syuppan Co.

zondag 3 december 2017

Rasdenken in China


PDF Print E-mail

 


De lichamelijke dimensie

            Toen Japan de VS naar de kroon stak, bestudeerden Westerse bedrijven Japanse managementtechnieken. Vandaag kunnen we de invoer van stukjes Chinese bedrijfsvoering verwachten. In Chinese zakenmedia vinden we vreemde dingen zoals kantoor-fengshui (hoe gunstige geldaanzuigende energiecirculatie op te wekken door plaatsing en oriëntatie van meubilair en sierstukken) en xiangmian oftewel gelaatkunde. Gaat u solliciteren bij een Chinese firma, zorg dan dat uw gezicht in de juiste plooi ligt, want daarvan kan uw aanwerving afhangen.
            De vorm en grootte van delen van het gelaat en de aan- of afwezigheid van verkleuringen en vlekken daarop geven informatie over je gezondheidstoestand, verantwoordelijkheidszin, betrouwbaarheid, vermogen tot samenwerking, aanleg om nieuwe wegen te verkennen, je neiging tot drank- of druggebruik. Net als bij handlezen baseert men er ook voorspellingen op, met dit voordeel dat het gezicht permanent een open boek is terwijl je om een blik in de handpalm zou moeten vragen. Een moedervlek vooraan op de wang zou erop wijzen dat je beste vriend er met je dierbare vandoor gaat. Een aanstaande echtscheiding kan voor de personeelschef belangrijke informatie zijn, want je verwerking daarvan kan je prestaties of de goede naam van de firma schaden. Scherpe gelaatsvormen wekken achterdocht want verraden een sterk individualisme, Chinezen verkiezen zachte vormen die op gemeenschapszin wijzen.
            Geld is in dat verband natuurlijk belangrijk, en je omgang met geld blijkt onverbergbaar uit de “keizer van het gelaat”, de neus. Als je van voren recht de neusgaten kan inkijken, dan heb je te maken met iemand die financieel niet op eigen poten kan staan. Een grote lange neus geeft het meest aanleg om geld binnen te rijven. Al van lang vóór ze met joden te maken kregen, hadden de Chinezen besloten dat een joodse neus op financieel talent wijst, een “neus voor geld”.  En dat een negerneus met breed uitwaaiende neusgaten op een ontspannen houding tegenover geld wijst, zodat het vlot binnen en weer buiten rolt. Michael Jackson heeft zijn oergezonde neus die hem rijkdom voorspelde, chirurgisch laten verhaspelen tot een schriel wipneusje waar je zó naar binnen kijkt, dus geen wonder dat hij financieel diep in nesten geraakt is.
            Dat brengt ons bij een heikel punt. Althans heikel voor ons, want de Chinezen zitten er niet mee. Als lichaamskenmerken met een bepaalde aanleg of karakter overeenstemmen, en gegeven het feit dat lichaamskenmerken erfelijk en in rasgroepen min of meer gelijk zijn, volgt uit de leer van de gelaatkunde dat mensengroepen van een bepaald fysiek type ook bepaalde karaktereigenschappen, talenten en gebreken gemeen hebben. En dat valt tegenwoordig binnen de steeds maar uitdijende definitie van racisme.
            Je hoeft niet eens lang in China te verblijven om het wantrouwen tegen rasvreemde vreemdelingen aan te voelen. En dan zit je als blanke nog redelijk goed, want zwarten en bruinen staan echt onderaan de ladder. Herinner je de rellen tegen zwarte gaststudenten in Nanjing in 1988-89. Oost-Aziaten hebben een heel geringe lichaamsgeur en vinden dat de rest van de mensheid stinkt. Maar behalve indrukken op het eerste gezicht telt ook het historisch palmares van volkeren. Blanken hebben toch maar de wereld gekoloniseerd, en al heeft dat niet eeuwig geduurd, het is toch een prestatie of misdaad die voorlopig niemand hen nagedaan heeft. Wij zijn dat bijna vergeten, maar de rest van de mensheid associeert ons ten goede of ten kwade nog steeds met dat verleden. Omgekeerd hebben de donkere volkeren zich láten koloniseren, en dat wekt minder respect maar ook geen rancune.
            Een witte huidskleur geldt enerzijds als ongezond, teken van geringe vitaliteit, en besmet door nare herinneringen zoals de opiumoorlog. Bovendien hebben blanke vrouwen nogal hoekige vormen. Anderzijds is wit op zich wel mooi. Traditioneel zagen Chinezen de tegenstelling tussen henzelf en Europeanen niet als een van huidskleur, want zij zijn niet donkerder dan Europeanen van de overeenkomstige klimaatzone. Het verschil zit hem in het haartype, vorm en grootte van de neus, en vorm en kleur van de ogen. Voor zichzelf prefereerden de Chinezen van ouds een zo wit mogelijke huid. Keizerlijke haremvrouwen plachten hun huid met rijstpoeder te witten.
Omgekeerd verketterden de maoïsten, vooral tijdens de Culturele Revolutie, een witte huidskleur als feodaal of bourgeois, want alleen de van de zon afgeschermde bureaucraten en salondames konden zich een bleke huid veroorloven.  A contrario werd een bronzen teint een badge van proletarische rechtzinnigheid.  Na de wende naar het kapitalisme is blank echter helemaal terug.
Net als in Zuid-Azië en Latijns-Amerika bestaat in China een dubbel racisme: enerzijds is er de trots op het eigen ras tegen de voormalig dominante blanken en tegen plaatselijke etnische rivalen, maar anderzijds is er een schier universeel streven om er zo Europees mogelijk uit te zien. De vervaardiging van middeltjes om de huid te bleken of kroeshaar te rechten is wereldwijd een goudmijn. Bleke kandidaten halen een hogere prijs op de huwelijksmarkt dan donkere. Chinese vrouwen betalen veel voor “oogcorrecties”, d.i. de spleetogen rechttrekken, en zelfs pijnlijke ingrepen als de verlenging van de benen. Het racisme in China gaat echter verder dan de individuele esthetiek. Nu de Olympische Spelen van Beijing 2008 vergelijkingen oproepen met die van München 1936, mag men ook wijzen op de gelijkenissen (naast de verschillen) in rasdoctrine en eugenetisch programma.


Racisme versus beschaving in China

            Het premoderne Chinese denken over vreemde volkeren beweegt zich tussen twee polen: soms etno-racisme, meestal beschavingsuniversalisme. Dit laatste is het confuciaanse ideaal: de beschaving van het midden integreert geleidelijk alle stammen uit het randgebied, de si yi of “vier (windstreken-) barbaren”.  Deze benadering van de barbaren heette yong xia bian yi, “de Chinese (zeden) gebruiken (om) de barbaren te veranderen”.  De binnenlandse minderheden hanhua, “worden Chinees”, de vreemdelingen laihua, “komen en veranderen”.
De buitenstaanders hebben in deze visie geen noemenswaardige identiteit behalve dat ze niet Chinees of slechts beginnend Chinees zijn. Als alles goed verloopt, zal de hele mensheid uiteindelijk deel hebben aan de beschaving. De wereldharmonie zal dan een feit zijn, en iedereen gelukkig. Ik zal het er maar meteen bij zeggen: ik vind dat scenario lumineus. Mutatis mutandis kunnen wij die aanpak zelf toepassen als oplossing voor onze eigen ongemakkelijke relatie met minder beschaafde buurvolkeren en immigranten.  Het Romeinse keizerrijk heeft trouwens een gelijkaardig beleid gevoerd tegenover de Germanen, Sarmaten en andere ongeschoren ruiters.
Het grote historische voorbeeld van een geslaagde integratie van barbaren in de Chinese beschaving is de Zhou-dynastie (12de tot 3de eeuw v.C.).  In het tweede millennium v.C. waren zij een barbaarse stam aan de westgrens die verchineesden terwijl zij de Chinese Shang-keizer dienden als bewaker van het rijk tegen de pure barbaren.  In Europese leenroerige termen was de Zhou-vorst dus een markgraaf.  Toen de Shang decadent werden, pleegden de Zhou een staatsgreep, een episode die de achtergrond vormt van het bekende orakelboek de Yijing (I Tjing, Boek der Veranderingen).  Het beginnende Zhou-regime zou later voor het feodaal-conservatieve confucianisme het ideaal van een geordende evenwichtige samenleving worden. 
Maar niet elk barbarenvolk liet zich zomaar domesticeren.  Sommige bleven eeuwenlang op de grenzen inbeuken, zoals de Hunnen tegen wie de Chinese Muur gebouwd werd. Andere slaagden erin delen van het rijk te bezetten, en twee konden zelfs heel China onderwerpen: de Mongolen die de Yuan-dynastie (1277-1367) vormden, en de Mantsjoes die de Qing-dynastie (1644-1911) leverden.  Beide voerden destijds als heersende kaste een soort apartheidspolitiek tegenover de Chinezen (al worden ze in de Volksrepubliek in snel tempo verchineest, een promotie die ook de Tibetanen toelacht).  In tijden van langdurige strijd met of bezetting door vreemde volkeren ontwikkelde zich wel iets als een rasbewustzijn.  Dan werd de koppeling tussen vreemd uiterlijk en gebrek aan Chinese cultuur gemaakt: “Niet van ons ras, dan is hun hart/geest anders”, zegt een feodale kroniek uit de 4de eeuw v.C.
Barbaren in de Chinese invloedssfeer werden met een eigen etnische naam aangeduid, of collectief als de “gekookte barbaren”; die daarbuiten, de “rauwe barbaren”, heetten gewoon “duivels” of “beesten”. In het karakterschrift voegde men aan hun naam de wortel “reptiel” toe bij zuidelijke barbaren, “geit” of “hond” bij noordelijke. Dit laatste deden de Japanners en hun Chinese collaborateurs tijdens WO2 ook met de karakters Ying (Engels) en Mei (Amerikaans). Eigenlijk zette dit de universele primitieve gewoonte voort om alleen het eigen volk als menselijk te beschouwen.  
Soms werden de barbaren met lichaamskenmerken aangeduid.  Voor zover het om kleuren ging, was wit als huidskleur (naast zonnegeel als symboolkleur voor het midden) de kleur van de Chinezen.  Zwart of anderszins donker beduidde de diverse barbaren: donkere zuiderlingen uit Indonesië, na de Portugese slavenimport ook die uit Afrika; maar evengoed Centraal-Aziaten die nauwelijks donkerder zijn dan de Chinezen, ondermeer de robuuste en voor Chinese boekenwurmen wat angstaanjagende Tibetanen.  De kleuretiketten waren wat fantasierijk, bv. mensen uit Zuid-India en Arabië werden als “paars” beschreven.  Slaven van eender welk ras die in volle zon buiten werkten, heetten “roetkoppen”.  Blanken werden beschreven als koud, groot, behaard, baardig, roodharig, “wit als asse” en “met gekleurde ogen”.  Soms werden volkeren naar kleuren genoemd die niet hun uiterlijk maar hun windstreek beduidden: blauwgroen oost, rood zuid, wit west, zwart noord, geel midden.  (Omdat de Mongolen dit schema in hun rijk ook gebruikten, zou de naam “Wit-Rusland” eigenlijk “West-Rusland” kunnen betekenen.)
Behalve militaire invasies door vreemdelingen was ook de vreedzame introductie van het Indiase boeddhisme aanleiding tot vijandige speculaties over rasverschillen.  Volgens woordvoerders van het daoïsme was het boeddhisme ongeschikt voor de Chinese volksaard.  De Boeddha had zulke strenge regels tegen gewelddadigheid, hebzucht en onkuisheid moeten invoeren omdat zijn eigen volk nu eenmaal wild was en geen maat kende, daar waar de Chinezen uit zichzelf zin voor maat en harmonie hebben.
Kortom, net als de rest van de mensheid vertonen ook de Chinezen een neiging tot raciaal onderscheid maken.  In de 19de en 20ste eeuw zou dit onsystematisch gelegenheidsracisme overgaan in een quasi-wetenschappelijk rasdenken.


Modern racisme in China

Tijdens het ultieme verval van de Mantsjoe- of Qing-dynastie (1644-1911) bestond de Chinese oppositie uit enerzijds confuciaanse hervormers geleid door Kang Youwei, die een constitutionele monarchie wilden en een combinatie van traditionele cultuur en moderne wetenschap; en anderzijds republikeinse revolutionairen geleid door Sun Yixian, die een radicale breuk met het eigen verleden nastreefden.  Net als in Europa bloeide het racisme niet bij de conservatieven maar bij de radicalen.  De eersten waren traditioneel vóór rasvermenging, opname van barbaarse randvolkeren in de Chinese beschaving door gemengde huwelijken.  Gezien de numerieke overmacht van China zou dit voor het Chinese ras weinig verschil maken, terwijl de barbaren erin zouden opgaan en hun eigenheid verliezen.  De republikeinen daarentegen namen uit het Westen het idee van raszuiverheid over, en doorzochten vervolgens hun eigen literatuur om sporen van een inheems denken over raszuiverheid te vinden.
De confucianen verwierpen het racisme als zijnde een vorm van relativisme: meerdere rassen zouden immers gelijkwaardig een eigen identiteit hebben, in plaats van allemaal satellieten van China te zijn.  Maar de politieke wekelijkheid maakte het verlies van China’s centrale positie onvermijdelijk.  In 1903 vond in het Japanse Osaka een tentoonstelling plaats over de barbaarse rassen, te vergelijken met het toenmalige Kongolese dorp in Tervuren.  Tot hun verbazing vernamen de Chinezen dat zij er ingedeeld werden bij de Maleiers, Mongolen en andere wilden.  Tot kort tevoren hadden de Japanners juist opgekeken naar China als bron van hun eigen beschaving.  Maar natie of ras had de beschaving als referentiepunt vervangen, terwijl technologie de klassieke cultuur verdrong.
De nationalistische Chinezen voelden zich niet alleen vernederd, maar ook bedreigd.  Terwijl Europa zich zorgen maakte over het “gele gevaar”, waakten zij tegen het “blanke gevaar”.  De blanken hadden de inheemse volkeren van de nieuwe wereld en delen van Afrika bijna uitgeroeid, een strijd tussen hen en de gelen was onvermijdelijk.  Wanhopig waren de nationalisten echter niet: als het erop aankwam, zou het gele ras het blanke wel aankunnen.  Dat bleek uit de Japanse zege tegen Rusland in 1905.  Maar voor alle zekerheid zouden de Chinezen er volgens Kang Youwei goed aan doen om zich eugenetisch met de blanken te vermengen, want rasgemengde inwoners van Hong Kong en Singapore bleken het beste van beide rassen te combineren (een voorschot op de omstreden studie IQ and the Wealth of Nations van Tatu Vanhanen en Richard Lynn, die in die stadsstaten het hoogste gemiddeld IQ ter wereld aantroffen).  De nationalisten daarentegen zetten Chinese emigranten in Amerika onder druk om zich niét te vermengen.
Sun Yixian (of Sun Yat-sen), leider van de nationalistische partij Guomindang en eerste president van de Republiek China, werd gevolgd door drie leiders die zich op zijn erfenis beriepen terwijl ze om de macht streden: zijn rechterhand Wang Jingwei, leider van de linkse pro-communistische vleugel van de Guomindang en van een collaboratieregering tijdens de Japanse bezetting; zijn rechtstreekse opvolger als nationalistisch partij- en staatsleider, Jiang Jieshi (Tsjiang Kai-sjek); en communistisch partijleider Mao Zedong.  Alle vier waren overtuigd van de superioriteit van het Chinese ras.
Van verklaarde nationalisten zal dat wel niet verrassen, maar ook Mao, in naam internationalist, was een Han-chauvinist.  Eens aan de macht betuigde hij lippendienst aan de rassengelijkheid om bij de gekoloniseerde kleurvolkeren in het gevlij te komen.  In zijn jonge jaren was hij echter lid van de “studiekring Wang Fuzhi”.  Wie was Wang Fuzhi?
Zoals gezegd zochten en vonden Chinese racisten inheemse precedenten voor de Darwiniaanse vormen van racisme die onder de blanken hun hoogbloei beleefden.  Wang Fuzhi (1619-92) had een mislukte opstand geleid tegen de Mantsjoe-bezettingsmacht, trok zich dan terug en wijdde zich verder aan de ideologische strijd.  Hij ontwikkelde een rassentheorie die de onderscheidende raskenmerken vanuit het leefmilieu verklaarde.   De barbaren waren gevormd uit onzuivere energie, de Chinezen uit zuivere.  Om de kwaliteit van het Chinese ras te bewaren, moest men dus alle rasvermenging vermijden.  Hij gebruikte de bij racisten overbekende beelden uit het dierenrijk over een eeuwige strijd, bv. van de zwarte tegen de rode mieren.  Tot dan, en bij de meeste auteurs nog tot eind 19de eeuw, heerste een statisch beeld van de mensenrassen, terwijl men na Darwin een sterke rassendynamiek onderkende: rassen konden zich vermengen, door aardrijkskundige of maatschappelijke scheiding uiteen groeien, door verovering of grotere vruchtbaarheid mekaar verdringen of uitroeien.  China had geen last van theologische bezwaren tegen de evolutieleer, en het beginsel van de “overleving van de geschikste” ging er vlot in.
Een andere racist avant la lettre wiens herinnering men in ere ging houden, was Lü Liuliang (1629-83), die vanuit een boeddhistisch klooster pamfletten over de rassenstrijd tussen Chinezen en barbaren schreef.  De Qing-regering maakte hem in 1728-32 postuum tot hoofddoelwit van een campagne tegen xenofobe geschriften.  Dat krijg je zo met “vreemden als meesters in ’t land”: een antiracisme van staatswege.  China was Europa vóór, ook in het bedenken van een geschikte repressie tegen zulke foute denkers.  In 1733 werd Lü’s lijk opgegraven en onthoofd.  Geen zielenrust voor nationalisten!


Pekingmens en blanke mummies


In Europa wordt veel geleuterd over de vraag naar de definitie van Europa.  Is Europa alleen een werelddeel?  Of is het een stelsel van “waarden”?  (Niet “normen en waarden”, dat klinkt te conservatief, alleen “waarden”, nl. de Mensenrechten.)  In China zitten ze niet met dat soort twijfels.  Men stelt er de mens centraal, dus China, dat zijn de Chinese mensen.  Een gezworen fan van Confucius als schrijver dezes mag nog zo dwepen met Chinese waarden, dat zal niet maken dat hij zich in China thuis kan noemen.  China, dat zijn de Chinezen. Daarom bemoeit de overheid zich met allerlei historische en paleontologische dossiers die een invloed kunnen hebben op de vraag naar de definitie van het Chinese volk.
De Chinese overheid volgde sedert Darwin met grote belangstelling de wetenschappelijke vooruitgang in de fysieke antropologie.  Chinezen waren voortaan een kleinneuzig breedschedelig mensentype.  De ontdekking van de Homo Erectus Sinensis of “Peking-mens” in 1923 werd verwelkomd als bewijs dat de mens in China ouder is dan in Europa.  De Chinezen zouden immers rechtstreeks afstammen van de Homo Erectus, die de typische vorm van het gebit had waardoor de hedendaagse Chinezen zich nog steeds van blanken en zwarten onderscheiden. Tot voor kort weigerden Chinese geleerden om de dominante theorie te aanvaarden dat de Homo Sapiens zich rond zestigduizend jaar geleden vanuit Afrika over Eurazië verspreid heeft. Pas het recentste genetisch onderzoek heeft hen ervan overtuigd dat zij uit diezelfde emigratiegolf uit Afrika voortgekomen zijn. Althans voor het grootste gedeelte, want zelf de genetica laat duidelijk de mogelijkheid open voor een zekere vermenging van deze migranten met inheemse Homines in Oost-Azië, net als met de Neanderthalensis in Europa.
            Een andere raciaal heet hangijzer betreft veel jongere vondsten, vanaf begin 20ste eeuw, namelijk van de “blanke mummies” van het Tarim-bekken in Xinjiang. Op Euro-nationalistische websites wordt door erg opgewonden over gedaan, want dat zou het bewijs zijn dat het blanke meesterras lang vóór de koloniale tijd al de hele wereld met zijn beschavingswerk bevruchtte.  In China kan men er minder mee lachen.  Daar luidt het dat de blanke rovers, die in datzelfde deel van China al talloze kunstschatten geroofd hebben, nu ook de Chinezen hun geschiedenis willen ontstelen.
            Hoewel aan die mummies niet te zien is welke taal zij spraken, nemen Victor Mair en andere onderzoekers aan dat dit het Tochaars was, een taal waarvan boeddhistische teksten uit de eerste eeuwen n.C. in die streek teruggevonden zijn; deels misschien ook Skythisch Iraans. Mede door de etnische twisten met de huidige Wigoer- en andere niet-Chinese volkeren is de Chinese overheid erg gevoelig voor de mogelijke implicatie dat niet-Chinezen, i.c. blanken, inheems zouden zijn in deze streek, en de Chinezen zelf latere invallers. De genetische ontleding van de mummies wordt dan ook met argusogen gevolgd.
De mummies blijken kenmerkende genen te delen met de bevolking van het Indus bekken, Centraal-Azië en vooral Oost-Europa. De hedendaagse Wigoers, in de 9de eeuw uit Mongolië gekomen, vertonen nog steeds een Europide component in hun verschijning, blijkbaar het resultaat van de vermenging van Mongoloïde vaderlijke genen met de genen van plaatselijke vrouwen die deels van de gemummificeerde Europide bewoners afstamden. Maar waren die “westerlingen” van destijds inheems of vroege kolonisatoren? China put hoop uit de vondst van rasgemengde lichamen uit dezelfde periode met een blanke afstamming in vaderlijke en Chinese in moederlijke lijn. Die zouden aan het bekende scenario beantwoorden van mannelijke kolonisatoren die inheemse vrouwen trouwen, dus was de Chinese component inheems. En die raciale voorgeschiedenis kan dan weer de blijvende aanhechting van Xinjiang rechtvaardigen.


(2008)

dinsdag 28 november 2017

De grensoverschrijdende Draak -- De buitenlandse politiek van China

(Doorbraak, 27 november 2017)







Een prettig neveneffect van mijn tijd als senaatsmedewerker voor buitenlandse politiek was de ontdekking van de wereld van denktanks waaraan Brussel (hoofdstad van Vlaanderen, België, de EU en Noord-Atlantis) rijk is, onder meer het European Institute for Asian Studies. Anderzijds is "de buitenlandse politiek van China" belangrijk genoeg om er zelfs in Brussel een conferentie aan te wijden. Dus: allen naar de komende bijeenkomst over de Grensoverschrijdende Draak.





Het vorige evenement specifiek daarover dat ik mocht bijwonen, was rond 1976. Ik was nog tiener en een fan van de charismatische spreker en, naar mij toen toescheen, meester-denker Ludo Martens, voorzitter van Amada (Alle Macht aan de Arbeiders), de huidige PvdA. Die nam de debathandschoen op tegen Swa Vercammen van de trotskistische RAL (Revolutionaire Arbeidersliga). Het onderwerp was toen belangwekkend genoeg om de Leuvense Alma 2 te doen vollopen. China's buitenlandse politiek had in de toen nog talrijke linkse rangen wat vertwijfeling doen ontstaan. Deze voorhoedestaat had namelijk kazak gekeerd inzake de verketterde Navo. Toen de Sovjet-Unie de vijand van China werd, ging China het anti-Sovjet-bondgenootschap Navo als feitelijke bondgenoot beschouwen. Het was een schok voor onze linkerzijde, die van: "België uit de Nato, de Nato uit België!" Maar daar zou de allesverklaarkunde van de Kleine Roerganger wel een Mao aan passen.





Ergens rond 1988 debatteerde diezelfde Martens over Tibet tegen Frans Boenders. Dat steekspel heb ik toen door andere verplichtingen moeten missen, maar achteraf vertelde Boenders het mij na, met als slotsom: "Met communisten valt niet te praten." Die brave Boenders dacht warempel dat het in communisme om praten gaat. Van dat misverstand was ik toen al lang verlost. Het schrikbewind van Pol Pot in Democratisch Kampuchea (1975-79) heeft daarbij geholpen, maar ook dit. Tijdens een Amada-bijeenkomst had ik een vakbondsman horen reageren op een destijdse SP-uitspraak over "speldenprikken" tegen het grootkapitaal: "De revolutie maken we niet met speldenprikken, maar met mokerslagen!" (Immers, ter attentie van die laffe reformisten die met de bourgeoisie getrouwd zijn: “We willen niet een deel van de koek, ook niet heel de koek, maar heel de bakkerij!”) Jaja, al hebben onze revolutionairen niet veel bereikt, wat waren ze toch woordkunstenaars.





Ook rond die tijd, juni 1989, werd op het Tiananmen-plein in Beijing een protestbeweging voor democratie in het bloed gesmoord. Uitbundige verontwaardiging ("euforie" noemden onze maoïsten het) in de bourgeois-media en, bij monde van Ernest Mandel, onder de trotskisten. In het hoofdartikel van het partijblad Solidair diende Ludo Martens deze Mandel van antwoord, ongeveer aldus: "Trotskisten als hij zijn er niet in geslaagd hun Permanente Revolutie te verwezenlijken in een land zo groot als Liechtenstein. Hem komt het natuurlijk toe, een land met een miljard inwoners de les te spellen."



Een half jaar later hergroepeerden de uit China weggeraakte democratie-ijveraars zich voor een strategische conferentie in warempel mijn thuisstad Leuven, in de Kleine Aula, Maria Theresia-College: "Dadao gongchanzhuyi!" ("Weg met het communisme!") Ik had inmiddels Chinees gestudeerd en was daar zeer welkom, al was het maar omdat ik me als tolk nuttig kon maken. Daar waren ook enkele buitenlandse opponenten van het communistisch bewind op uitgenodigd, onder meer de Londense voorzitter van de "Free Tibet"-campagne. Dat was toch wel een miskleun, want alle Chinezen keerden zich fel tegen hem. De verstandigste onder hen trachtte de gemoederen te bedaren om de bijeenkomst niet te laten mislukken, dus stelde hij een "redelijk compromis" voor: OK, een onafhankelijkheidsreferendum, maar dan in de hele Volksrepubliek... Waarmee mooi aangetoond was hoe nationalistisch de Chinezen, ongeacht politiek standpunt, verenigd zijn rond de trouw aan het ondeelbare moederland.





Het oproer van 1989 is doodgebloed, maar het communisme is eigenlijk wel ten val gekomen. Een fluwelen val, want alle partijprinsen zijn goed terecht gekomen, maar van communisme is onder de Hamer en Sikkel van het conferentiepodium anno 2017 niets meer te merken. Geen Mao-pakjes meer (eigenlijk decennia eerder dan de Revolutie door de vader des republikeinsen vaderlands Sun Yixian gelanceerd), de partijleiders dragen nu een maatpak, zijnde het bourgeois-uniform van de westerse duivels. Men sprak er nog over een "modern socialisme met Chinese kenmerken", maar die lippendienst heeft vooral als functie, de institutionele continuïteit en de oppermacht van de partij te verzekeren en de chaos die een Michaïl Gorbatsjov destijds over het Sovjet-grondgebied afgeroepen heeft, te vermijden. In China reikt de Staat het Kapitaal de hand. En nu het bezoek van Donald Trump aan sterke man Xi Jinping door de Chinezen uitgelegd wordt als het hofbezoek van een leenman aan zijn leenheer, gaat het in China uitgestippelde beleid ons allen aan.





Voorsmaakje van het vervolg: European Institute for Asian Studies, Wetstraat 26 Brussel, donderdag 30 november 2017, 9-12 u. Gratis, allen welkom.