Posts tonen met het label Holocaust. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Holocaust. Alle posts tonen

maandag 6 april 2020

Negationisme in India



Negationisme in India

En in De Morgen

(Doorbraak, 5 april 2020)


De Morgen publiceert op 25 maart 2020 een dubbele bladzijde over “Hoe India geschiedenis herschrijft”, van de hand van Delhi-correspondente Aletta André, en noemt daarin prominent mijn naam. Laten we de gelegenheid gebruiken om een onwetend publiek enkele basisfeiten bij te brengen, want India is een domein waarover de desinformatie al te lang de toon aangegeven heeft.

Een inleidende algemene vaststelling, die ook de hoofdredactie niet kan ontgaan zijn, is de volkomen eenzijdigheid van het artikel. Er bestaat in India een debat over geschiedschrijving, en een krant kan zijn lezers een dienst bewijzen door daarover te berichten, liefst objectief. Dit stuk is echter geen berichtgeving over een debat, wel een luidspreker voor één van de twee strijdende partijen binnen dat debat. Elke poging om zelfs maar een schijn van onpartijdigheid te wekken, ontbreekt hier. Dat mag, maar je kan het als lezer maar beter beseffen.

Een andere vaststelling is dat dit soort artikel over de hindoe-nationalistische geschiedherschrijving een vast nummer is, dat ik sinds 1988 al vaak heb zien opduiken; maar dat het in zoverre origineel is dat het voor het eerst de tempel/moskee-betwisting in Ayodhya onvermeld laat. Daar stond de Babar-moskee op de plaats van de verwoeste geboortetempel van Rama, wat alle betrokken partijen wisten of toegaven, tot de communistische “eminente historici” eind jaren 1980 zonder enige grond gingen beweren dat daar nooit een tempel gestaan had. Ze werden prompt bijgetreden door de ter zake volkomen onwetende buitenlandse indologen en India-watchers in de media. Wie aan de aloude consensus vasthield, of nieuwe bewijzen voor de tempel presenteerde, kreeg van de Aletta’s van toen te horen (zoals ik nu, en trouwens ook destijds) dat “zijn bronnen ter discussie staan”, of andere dergelijke uitvluchten om zijn bewijsmateriaal te kunnen negeren.

Maar de bewijzen bleven zich opstapelen en werden door de rechtbank ernstig genomen. Die beval archeologisch onderzoek van de site, en de tempeloverblijfselen kwamen nu definitief aan het licht. De “eminente historici” mochten hun beweringen in de getuigenbank komen uitleggen en vielen één voor één door de mand: “Ik ben geen archeoloog”, “Ik ben nog nooit in Ayodhya geweest”, “Ik tekende die verklaring maar omdat mijn collega’s dat ook deden”. Na 69 jaar rechtsgang heeft het Hooggerechtshof in 2019 de betwiste site eindelijk aan de hindoes toegewezen zodat zij de Rama-geboortetempel kunnen heropbouwen.  De eminenties willen niet aan hun vals spel in het verloren geschiedkundig debat over Ayodhya herinnerd worden, en de bevriende media spelen nog steeds hun spel mee: dat debat is dus opeens in de vergeetput verdwenen, ook in dit DM-artikel. Het gold al die jaren als illustratie bij ronkende artikels als dit over “geschiedenisherschrijving”, en het illustreert inderdaad dat wetenschappelijke (als “hindoe-nationalistisch” belasterde) historiografie een herschrijving van de nu dominante versie vergt.   



Aurangzeb

Het verhaal begint anekdotisch met de geslaagde agitatiedoor hindoes voor het omdopen van Aurangzeb Marg (straat). Als historicus ben ik ook geen fan van die uitwissing van oude benamingen; maar anderzijds, nu er zoveel druk is om de naam Cyriel Verschaeve uit te wissen, die alleen maar fout was, en nu bondgenoot doch “oorlogsmisdadiger” maarschalk Foch uit het Leuvense straatbeeld verdwenen is, waarom dan niet de naam van Mogolkeizer Aurangzeb, die talloze duizenden over de kling gejaagd heeft?

Nou goed, het is maar een aanleiding om het werk over die Aurangzeb door prof. Audrey Truschke in het zonnetje te zetten. Daar heb ik in geschrifte al mijn gedacht over gegeven (zie hf. 13 en 18 van mijn boek Hindu Dharma and the Culture Wars, 2019, ook online: https://www.academia.edu/42411952/The_Aurangzeb_Debate en https://www.academia.edu/34223444/Academic_bullies?sm=b; zij had er geen ander antwoord op dan mij op Twitter te blokkeren), hier in het kort.

“Slechts bewijs voor een handjevol verwoeste tempels onder Aurangzeb”? Helemaal niet. Ten eerste is er der voortschrijdende aangroei van archeologisch bewijsmateriaal . Met de regelmaat van een klok vindt de Archaeological Survey of India overblijfselen van tempels in moskeeën. Onder het bewind van de Congrespartij kregen de opgravers dan verbod om er met een woord over te reppen, maar nu wordt er openlijk over gesproken, zoals het in een democratie hoort. (Zelfde verschijnsel voor terrorisme: als vroeger de politie een terreurnetwerk op het spoor was, werd zij van hogerhand gestopt of gesaboteerd, terwijl zij nu haar gang mag gaan; zodat India meetbaar een stuk veiliger geworden is.)

Ten tweede is het beste bewijs voor de tienduizenden tempelverwoestingen de hofkronieken van Aurangzeb zelf, die zowel de bevelen tot verwoesting als de rapporten over hun uitvoering bevatten. De meeste documentaire bewijsstukken over de islamitische beeldenstorm, vanaf de Chachnama over de Arabische verovering van Sindh in 712, zijn trouwens van moslimoorsprong en zijn heel openlijk over hun verdelging van de “afgoderij”. Vaak werden in de nieuwe moskeeën zichtbaar overblijfselen van de verwoeste tempels ingebouwd om de zege op de afgoderij te demonstreren. Het is pas sinds de 20ste eeuw dat een deel van de moslims onder modern-westerse invloed wat gegeneerd worden over hun eigen religieus fanatisme en dan hun eigen iconoclasme beginnen te minimaliseren of ontkennen,-- een negationistische trend waarvan dit artikel een uitloper is.

De poging om de islamkerfstok wit te wassen, is een geval van de hoofdzonde tegen de geschiedschrijving: de projectie van moderne waardenstandaarden op  een verleden waarin die niet golden. (Daarin speelt ook het moderne onvermogen om zich in te leven in de ernst van premoderne mensen over hun religie.) In moderne propaganda komt het slecht uit, te moeten erkennen dat je favoriete religie heel wat verwoestingen en slachtingen op haar geweten heeft. Dat is daarom precies hetgene waarvan Aletta de hindoes meent te moeten beschuldigen: “met hun eigentijdse vooroordelen de geschiedenis geweld aandoen”. Nee, als moslimveroveraars en hun kroniekschrijvers het over “duizenden” hebben, wat dan nog door de archeologie bevestigd wordt, dan is het “de geschiedenis geweld aandoen” als je beweert dat het er “slechts enkele” waren.

Verder heet het dat Aurangzeb “talloze tempels beschermde” (tegen wie?), of toch dat hij “duizenden andere tempels liet staan”. Veel belangrijke tempels zijn wel degelijk verwoest, en de moskeeën op hun plaats zijn staande bewijzen van Aurangzebs gewelddadige islamiseringsplitiek en evenzovele weerleggingen van Truschke’s witwasserij. Maar inderdaad, de minimis non curat praetor, een belangrijk man houdt zich niet met kleinigheden bezig, dus er zijn inderdaad wat garnalen kunnen ontsnappen. Door list plus omkoping hebben de hindoes zelfs de vooraanstaande doch afgelegen Jagannath Puri kunnen redden; voor Truschke is dat een tempel die Aurangzeb “liet staan”, maar hij stond wel op diens lijst van te vernielen cultuurgoed. Het hele argument is onzinnig maar wel nuttig voor strafpleiters: “Ja mijnheer de voorzitter, de feiten zijn bewezen, mijn cliënt heeft die moorden gepleegd. Maar! Toch zal u hem vrijspreken, want kijk eens hoe veel mensen hij in leven gelaten heeft!”

Wie op het aantal tempelverwoestingen wil afdingen, kan dat op wetenschappelijke wijze doen. Neem de duizenden gerenommeerde gevallen van islamitische tempelverwoesting en toon aan dat daar een ander scenario van toepassing geweest is. In 1990 verscheen het boek Hindu Temples: What Happened to Them door Sita Ram Goël, met een presentatie van de islamitische doctrine van de beeldenstorm vanaf Mohammed, maar vooral een nog zeer onvolledige lijst van 1846 verwoeste tempels. Er zijn er veel meer, en in de laatste 30 jaar zijn er nog veel ontdekt, maar laat ons met die lijst beginnen. Een wetenschappelijke uitspraak is falsifieerbaar, zo leerde ons Karl Popper. Welnu, daar heb je 1836 falsifieerbare uitspraken: erop los. Maar in die 30 jaar hebben noch Truschke noch eender wie er daarvan ook maar één kunnen (of zelfs durven proberen te) weerleggen.



“1200 jaar slavernij”

Aletta’s andere gezagsbron, Manu Pillai, probeert de overvloedige bewijzen te ontkrachten met twee in India overbekende smoezen. Eén is dat er destijds “niet gegeneraliseerd werd in termen van hindoes en moslims”, dus dat er vaagheid bestond over deze identiteiten. Je hebt al eens strijdige meningen, disputant doctores, met oprecht gemeende besluiten uit meerzinnige bronnen die bij nader onderzoek fout blijken; maar deze bewering van Pillai is werkelijk onzin waartoe geen enkele bron aanleiding geeft.

Er waren inderdaad soms tijdelijke transreligieuze bondgenootschappen, net als in de Kruistochten (bv. tussen de Tempeliers en de Assassijnen, allebei vijand van het Kalifaat) of de Reconquista, die desondanks onverminderd als voorbeelden van Heilige Oorlog gelden. Onder hindoes met hun traditie van pluralisme kwam zulke vaagheid al eens voor; maar er is geen enkele bron waarin onduidelijkheid bestaat over hindoe of moslim in hoofde van de moslimleiders.

Wel waren de moslims soms in verwarring over de vele verschillende hindoegemeenschappen (zo heetten de boeddhisten bij hen de “kaalgeschoren brahmanen”), maar het waren alleszins allemaal heidenen, bestemd voor de slavernij of de hel. Of toon mij eens een moslim die een moskee met een afgodentempel verwart. Als groot precedent dat de agressie tegen de hindoes en het hindoeïsme rechtvaardigt, gold steeds weer de profeet en diens iconoclasme, vooral de verwoesting van de 360 godenbeelden in de Kaäba te Mekka. Dat basisfeit van islamitische agressie tegen de ongelovigen sinds het funderende begin wordt door de Truschkes en Pillais stelselmatig verdonkeremaand, want het weerlegt hun gemakkelijke uitvlucht dat de conflictbeschrijving van de islamitische veroveringen “uit de Brits-koloniale tijd stamt”. Steeds weer proberen de islamofiele provinciaaltjes hun publiek oogkleppen op te zetten om de buitenlandse en prekoloniale dimensie van het islam-imperialisme niet te zien.

Daarom ook was er niets mis met Narendra Modi’s geciteerde verwijzing naar “1200 jaar slavernij”. (zie https://www.academia.edu/people/search?utf8=%E2%9C%93&q=%221200+years+of+slavery%22) De islamitische inval vond niet in heel India tegelijkertijd plaats, in die zin is de keuze van “1200” wat willekeurig, maar zijn punt was dat de kolonisering niet bij de Britse maar bij de islamitische invasie begon. En dat is volkomen juist. Het kalifaat, de sultans en de mogols hebben de hindoes zwaar onderdrukt (bv. win gewaarborgd je proces tegen je buur als je je tot de islam bekeert) en uitgebuit (gedoogtaks voor ongelovigen), miljoenen ook letterlijk als slaaf verhandeld, en beschouwden zichzelf altijd als buitenlander. Tot het einde van het mogolrijk in 1857 was de hof- en gerechtelijke taal Perzisch, en talloze moslimbestuurders spraken (anders dan naar India gedetacheerde Britten) geen enkele inheemse taal. Het verschil is alleen dat de Britten naast hun uitbuiting ook een aantal waardevolle nieuwigheden importeerden, wat van de Arabieren, Afghanen en Turken niet gezegd kan. Verder hebben de postkoloniale Britten aanvaard dat men hun vroegere kolonisering van India bij de naam noemt, terwijl de moslims (of althans hun zoollikkers) groot schandaal maken als je  de sultanaten als koloniale regimes kenmerkt.



Talikota

Verder is Pillai heel selectief in zijn historische bewijsvoering. Kundige desinformeerders laten zich niet op uitdrukkelijke leugens betrappen, zij zetten hun publiek op het verkeerde been door bijvoorbeeld sommige feiten buiten beeld te houden en werkelijk gebeurde feiten in een verkeerd licht te plaatsen. Het geciteerde tijdelijk bondgenootschap van keizer Aliya Rama Raya van Vijayanagar met sultan Adil Shah in 1558 lijkt voor naïevelingen misschien een overtuigend voorbeeld van multiculturele knusheid, maar het vormt in de echte wereld niet bepaald een argument voor de symbiose van hindoe en moslim, integendeel.  Want wat was het vervolg? Rama Raya nam twee moslim-eenheden op in zijn leger, voorbeeldig multicultureel. Maar in 1565 viel een verbond van sultans hem aan, en ze leverden slag in Talikota. Hij was de veldslag aan het winnen, maar toen begon het geweten van de twee moslimgeneraals te knagen. Zij liepen over, namen Rama Raya gevangen en onthoofdden hem. Dat komt ervan.

Een gelijkaardig geval waar een ontypische wazigheid over hindoe versus moslims noodlottig bleek, was de cruciale inbraak vanuit de randgebieden van India naar het hartland in 1191-92: koning Jayachandra van Kanauj trachtte zijn vete met koning Prthiviraj Chauhan van Delhi te beslechten door de hulp in te roepen van sultan Mohammed Ghori. Die verloor van Chauhan, kreeg echter gratie, kwam een jaar later terug, versloeg en onthoofdde Chauhan te Tarain, en een weinig later kwam ook Jayachandra aan de beurt. Die mocht dan tijdelijk zijn bondgenoot geweest zijn, hij was voor moslims vooral een heiden. De twee daaropvolgende jaren vond in de Gangesvlakte de grootste beeldenstorm uit de geschiedenis plaats, waarin onder meer de boeddhistische universiteiten (zowel gebouwen als geleerden) met de grond gelijk gemaakt werden. De onduidelijkheid tussen hindoe en moslim die Pillai ons tracht aan te praten, de onachtzaamheid op hun intrinsieke vijandigheid, is wat in de werkelijke geschiedenis tot de catastrofes van Tarain en Talikota geleid heeft.

Tenslotte kunnen de geschreven bronnen volgens Pillai al eens overdrijvingen bevatten:  de talloze moslimgetuigenissen over moordpartijen onder hindoes “dienden om de sultans de hemel in te prijzen”. Daaruit volgt niet dat ze onwaar zijn, dat is zonder enige aanwijzing uit de lucht gegrepen. Maar stel nu dat dat vleiend auteursleugentje inderdaad al eens gebeurd is: wat zegt dat dan over de ideologie die in dat milieu gold, namelijk de islam? Verdelging van de ongelovigen en hun heiligdommen is daar inderdaad glorieus, want een trouwe navolging van het voorbeeldgedrag van de Profeet.



Negationisme

Het hoge woord is gevallen: negationisme. Is die term, bekend van de Holocaust-ontkenning, werkelijk van toepassing, of is het maar een retorische overdrijving?

Het is inderdaad zo dat we in dit minimaliserend vertoog enkele typische technieken van de Holocaust-ontkenners terugvinden. Het bovenstaand argument dat Aurangzeb “er ook veel had gespaard”, vindt men frequent terug in ontkennersliteratuur: “Hitler kan moeilijk van de vernietiging van de Joden werk gemaakt hebben: zie hoeveel er nog zijn, met een eigen staat en al!”

Heel typisch is het veelvuldig omwisselen van regel en uitzondering. Holocaust-ontkenners trekken zich op aan kleine succesjes over randgebeurtenissen. Zo wordt sinds kort niet meer beweerd dat Hitler tijdens de Olympische Spelen een hand weigerde te geven aan de Amerikaanse atleet  Jesse Owens omdat die een neger was. Die urban legend hadden de negationisten altijd al ontkend, zeggen zij triomfantelijk. Mogelijk, maar die kleine correctie doet niets af aan het feit van de Holocaust. Zo zijn de gunstige elementen die Truschke weet te noemen omtrent Aurangzebs persoonlijkheid wel juist, bv. dat hij een asceet was en zeer zorgzaam omsprong met overheidsgelden (zo weigerde hij betaling uit de schatkist en nam hij zijn vader Shah Jahan diens geldverspilling aan prestigeprojecten als de bouw van de Taj Mahal kwalijk), maar die doen niets af aan zijn campagnes tegen het hindoeïsme. Integendeel, zij komen uit hetzelfde basismotief voort, namelijk zijn vroomheid: omdat die door de islam gekneed was, leidde zij niet tot liefdadigheid of yoga of zo, maar tot djihaad.

Ook gemeenschappelijk is dat de meesten weliswaar aantoonbare onwaarheid vertellen maar wel oprecht geloven wat zij zeggen. Het verschil zit hem alleen in de maatschappelijke aanvaarding. Holocaust-ontkenners marginaliseren zichzelf maar ze brengen dat offer gewillig omdat ze denken daarmee de waarheid te dienen. Zoiets als christelijke martelaren die liever hun leven gaven dan zich met het mes op de keel tot de islam of het atheïsme te bekeren: ongetwijfeld moedig en beginselvast, maar ook tragisch omdat hun “ware geloof” een begoocheling was die niet de waarheid werd doordat zij er hun leven voor gaven. Er was nu eenmaal geen verrijzenis, geen opheffing van de zonde en sterfelijkheid daardoor, geen maagdelijke geboorte. Het geloof waarvoor zij een heldhaftig offer brengen, is onverminderd een begoocheling. Die combinatie van waarheidsliefde en begoocheling verklaart ook waarom sommige negationisten na nadere studie toch nog van het negationisme weggroeien, hetzij van specifieke geloofspunten (velen zijn bv. teruggekomen van hun vroegere ontkenning van de massamoord in het Oekraïense Babi Yar onder invloed van nieuwe bewijzen) hetzij van de Holocaustontkenning als zodanig (bv. mijn collega-oriëntalist Christian Lindtner). Maar om het nog eens te beklemtonen, hun kennelijke oprechtheid doet niets af aan hun ongelijk.

Djihaad-ontkenners daarentegen baden in maatschappelijke erkenning en goedkeuring, zowel in India als internationaal. Misschien niet vanwege de numerieke meerderheid (de meeste Europeanen en de meeste hindoes doorzien de islamofiele smoesjes wel) maar wel vanwege de officiële kringen in politiek, onderwijs en media. Zij floreren en krijgen allerlei voordelen, beloningen en bevorderingen toegeschoven. De meeste mensen zijn conformisten en graviteren dan ook naar deze ongefundeerde doch goedgekeurde meningen pro islam, zonder goed te beseffen wat de ware toedracht in dit geschiedenisdispuut is. De logische structuur van hun ontkenningstechnieken is echter dezelfde als bij de Holocaust-negationisten.



Genocide

Maar: al is de ontkenning van de misdaden van moslimveroveraars en nazi’s dan dezelfde, zijn ook de betrokken misdaden daarom gelijkaardig? In India zijn er enkelen die van “hindoe genocide” of “the Hindu Holocaust” spreken. Toen de van oorsprong Franse journalist François Gautier in Pune een museum voor de vernietigingsstrijd tegen het hindoeïsme en het hindoeverzet daartegen oprichtte, waren er stemmen die het dat het Hindu Holocaust Museum wilden noemen. Uiteindelijk werd het naar de belangrijkste vrijheidsstrijder, Shivaji Bhonsle (17de eeuw), het Shivaji Museum genoemd, maar aanvankelijk behoorde die Holocaust-verwijzing tot de kanshebbers.

Ook mijn raad werd gevraagd, en ik drong er sterk op aan, die fout niet te maken. Ten eerste is het weinig diplomatiek, de Joden daarmee tegen de haren in te strijken. Hoewel de term “Holocaust” eerst de Armeense genocide betrof, is hij gaandeweg een soort eigendom geworden van de Joodse gemeenschap, die het kregelig zou opnemen als iemand anders ermee aan de haal zou proberen te gaan. Behalve de staat Israël hebben de hindoe-nationalisten bijna geen vrienden, dus je kan die maar beter ontzien. Ten tweede vestig je door die term weer maar eens de aandacht op andermans ervaring, terwijl de uniciteit van de hindoe ervaring nog steeds onderbelicht blijft. Er zijn inheemse termen, en het is nu nodig om één standaardterm te kiezen en die te promoten. Men heeft het onder meer over Hindu-vanśa-vicchédana of Hindu-saṁhāraṇa, “genocide op de hindoes”.

Omdat ik ook die term onnauwkeurig vind (zie https://www.academia.edu/16578319/Was_There_an_Islamic_Genocide_of_Hindus?sm=b), houd ik het op het algemenere Hindu-hatya, “slachting van de hindoes”. Die term volgt een oud stramien, bv. de Śākya-hatya, de slachting op de Śākya’s, het volk waartoe de toen hoogbejaarde Boeddha behoord had (door een in zijn eer gekrenkte kleinzoon van de Śākya-staatsleider, dus niet om leerstellige redenen). Hij laat in het midden wat precies de aard van die slachting was.

De uitmoording van hindoes heeft, blijkens de moslimkronieken zelf, zeker meer dan zes miljoen dodelijke slachtoffers gemaakt; en daarnaast nog miljoenen slaven, en allerlei andere vormen van persoonlijke beschadiging, en een enorme (niet zijdelingse maar zeer doelbewuste) culturele verwoesting. Je komt al in de buurt van de 5,3 tot 5,7 miljoen officiële doden van de Holocaust als je alleen al de 20ste eeuw beschouwt. Tijdens de Splitsing in 1947 (en in Bengalen breder uitgespreid over de volgende jaren) vielen al minstens twee miljoen doden, meestal hindoes; de officiële geschiedschrijving minimaliseert die cijfers en stelt ze als in wezen symmetrisch voor, wat volkomen onjuist is. De overlevende hindoe-sikh “migranten” waren allemaal echte vluchtelingen die hun geboortegrond slechts onder dwang of dreiging verlieten, terwijl de meeste moslims die naar Pakistan trokken, “migranten” (Mohajirs) waren naar het beloofde land dat zij zelf uitgekerfd en in zeer grote meerderheid in de stembus gesteund hadden.  In 1971 richtte het Pakistaanse leger met plaatselijke handlangers een bloedbad aan in Oost-Bengalen, met als slachtoffers zeker 80% in de hindoe-minderheid, en ook de moslimslachtoffers werden gedood om anti-hindoe redenen: zij droegen nog sari’s en geen moslimkledij, hun taal was niet gearabiseerd enz., dus zij golden nog als half hindoe. De dodentol was volgens de regering van de uit die oorlog geboren staat Bangladesj 3 miljoen.

Zeggen dat een massamoord meer dan zes miljoen doden maakte, voelt voor sommigen als een soort heiligschennis. Let maar eens op hoe conformistische bronnen als Wikipedia zich uitsloven om de Holodomor, Stalins massamoord in Oekraïne in 1932-33, die van gelijkaardige grootteorde was (Walter Duranty van de New York Times, die de Holodomor in het openbaar ontkende, schatte privé een 10 miljoen doden), per se het dodencijfer zo laag mogelijk willen houden. Goed, over de Holodomor-cijfers ben ik niet deskundig, die laat ik in het midden, maar moslims hebben alleszins ruimschoots meer dan 6 miljoen hindoes gedood. Historicus KS Lal schatte meer dan 50 miljoen tussen 1000 en 1526, wel erkennend dat demografische cijfers uit de middeleeuwen onvermijdelijk onnauwkeurig zijn. Dat schreef hij ruim 40 jaar geleden, en sindsdien is er geen verder onderzoek over gedaan, want de misdaden van de islam thematiseren zou een zeer slechte carrièrezet zijn.

Maar voor die dodentol hadden ze ruim dertien eeuwen, van de Arabisch-kalifale verovering van Sindh in 712 tot het terrorisme van de jongste jaren, en een zeer groot land met een enorme bevolking. De massamoord op de hindoes was dan ook veel minder intens dan de Holocaust. Zij die zeggen dat de Holocaust de ergste misdaad in de geschiedenis was, hebben in zoverre gelijk dat hij ongewoon grondig was. Bijvoorbeeld, Edith Stein was een katholieke non van Joodse afkomst, maar dat kon haar niet redden: de nazi’s maakten duidelijk dat alle geboren Joden geviseerd werden, zij konden aan hun ingeboren identiteit niet ontsnappen. Dat rechtvaardigt de term genocide: louter tot de Joodse geboortegroep behoren, volstond voor uitroeiing.  De hindoes daarentegen hadden, behalve in acute conflictsituaties, altijd de optie van de bekering. Zij waren niet de gevangene van hun biologie. De islam verordent niet om de heidenen lijfelijk uit te roeien, alleen van de djihaad tegen hen te voeren tot zij zich onderwerpen. Bij die djihaad mogen volop doden vallen, maar dat is niet het doel op zich, alleen zijdelingse schade bij het door de Koran vooropgestelde doel, namelijk de wereldheerschappij.

Aan een preciezere schatting van het dodental ga ik me niet wagen. Ik heb net als Audrey Truschke “Sanskrit en Perzisch” gestudeerd, maar ik heb al jaren mijn belangstelling voor de bijzonderheden aangaande het islambewind verloren, ik bespreek de islam alleen nog wanneer de actualiteit mij daartoe noopt. Het algemene beeld over de ideologische wortels van de islamitische misdaden is immers volkomen duidelijk, het gaat er alleen nog om, daar de juiste besluiten voor het beleid uit te trekken. Ik ga me dus niet verder bezighouden met het repertoriëren van moordpartijen en beeldenstormen, er staat in India gelukkig een nieuwe generatie geleerden klaar om dat werk te doen. Tot zover het onderwerp negationisme, dat De Morgen hier adverteert.



“Steeds radicaler”

De weergave van de hedendaagse context van die “herschrijving” van de geschiedenis vraagt ook om enkele rechtzettingen. In de boventitel gaat het hier over “het steeds radicalere hindoenationalisme”. Sedert die beweging in 1989 mijn aandacht trok, heb ik ze in de wereldmedia nooit anders weten beschrijven dan als “steeds machtiger” en “steeds radicaler”; zo rechtvaardigen perscorrespondenten de ruimte die zij bij hun hoofdredactie komen opeisen voor het onderwerp. Dat gold zelfs op haar dieptepunt in 2009, na de tweede verkiezingsnederlaag op rij, toen haar vijanden in India op haar lijk dansten en zelfs het nakende einde van het hindoeïsme voorspelden, een “post-hindoe India”, hun openlijk geafficheerde doel.

Het primaire feit in India’s religieus conflict is dat het hindoeïsme in zijn enige vaderland voor zijn overleven vecht, terwijl de “minderheden” (in feite de Indiase afdeling van machtige en steenrijke multinationals) er alleen naar een extra verovering hengelen. Daarbij gaat het hindoeïsme gestadig achteruit, ook numeriek, maar vooral doordat het, anders dan zijn uitdagers, geen strategie en geen ideologische ruggengraat heeft, en met name ook geen politieke leiding. Of er tegen die achtergrond van radicalisering sprake is, is nog maar de vraag.  

De hindoe-nationalistische partij BJP (Indiase Volkspartij)  is nooit machtiger geweest dan na haar verkiezingsoverwinning in 2019, althans in strikt partijpolitieke zin. Maar radicaler? Dat kunnen alleen leugenaars en hun onwetende papegaaien zeggen. Vergelijk het partijprogramma in de ontstaansjaren na 1951 met dat van nu, en je ziet het tegendeel. Destijds was er bijvoorbeeld sprake van een “hindoestaat” als doel. In marginale kringen behorende tot de massaorganisatie RSS (Nationaal Vrijwilligerskorps, die de BJP voortgebracht heeft) hoor je dat nog, maar niet bij hun leiders, en de partij heeft dat ideaal bij haar herstichting in 1980 afgevoerd. Tegenwoordig wordt zelfs het begrip “hindoe” in vraag gesteld: “Elke Indiër is een hindoe”, zegt de RSS-voorzitter. De BJP is nog steeds een nationalistische partij, en bijna alleen hindoes stemmen ervoor, maar programmatisch is het zeker geen hindoepartij meer.

Er zijn in de Grondwet een aantal discriminaties tegen de hindoes. Dat leest u goed: er zijn een aantal wettig vastgelegde voorrechten voor de minderheden en benadelingen van de hindoes. Dat betreft vooral het recht op stichting en beheer van eigen scholen en gebedshuizen, twee cruciale sectoren. Die van minderheden zijn onafhankelijk en onschendbaar, die van de hindoes kunnen op elk ogenblik genationaliseerd en door bureaucraten geplunderd worden. Daarom ook hebben een aantal hindoesekten met wisselend succes de rechtbank benaderd om zichzelf als niet-hindoe minderheid te laten erkennen – een koers naar de uitgang die bij de minderheden onbestaande is. In India zijn burgers naargelang religie niet gelijk voor de wet (het is dus niet, zoals hier beweerd wordt, een “seculiere staat”), en het is juist de meerderheid die benadeeld wordt. Een meerderheid die zich laat minoriseren: het is bittere werkelijkheid in de grootste democratie ter wereld, maar het is iets dat je in het buitenland niet uitgelegd krijgt. Dat verklaart overigens mijn eigen betrokkenheid bij dit kluwen: er was een Vlaming nodig om te begrijpen hoe een meerderheid achtergesteld kan worden en dat laat gebeuren.

Dat is des te merkwaardiger omdat andere maatschappijen met wettelik vastgelegde ongelijkheid daar een soort rechtvaardiging voor geven die in India niet geldt. In de VS genieten de zwarten het voorrecht van “affirmative action”, en het is betwistbaar of die een rechtvaardig en doeltreffend antwoord vormt op de historische onderdrukking van de zwarten,-- maar niemand betwist het feit zelf van die onderdrukking. Welnu, in India hebben de hindoes nooit de moslims (noch de christenen) onderdrukt, wel juist het omgekeerde. Hier krijg je dus de absurde situatie dat de meerderheid “compensatie” betaalt voor hun eigen onderdrukking aan de dadergemeenschap.

De regering-Modi heeft geen enkel initiatief genomen om deze ongelijkheid, vooral vastgelegd in grondwetsartikelen 25-30, recht te trekken (wel heeft zij artikel 370 strekkend tot de bevoorrechting van Kasjmir buiten werking gesteld, maar daarin komen te termen “hindoe” en “moslim” formeel niet voor). Eén van haar parlementsleden heeft in 2018 een wetsvoorstel in die zin ingediend, maar de regering heeft dat niet gesteund noch een daadwerkelijk draagvlak geschapen, en er is niets van gekomen. De reden is dat zij door decennia van “secularistische” propaganda zo gehersenspoeld is dat zij zich haar pro-hindoe oorsprong nauwelijks herinnert en ideologisch op de dool is. Oud-partijvoorzitter LK Advani toonde zich een ideologisch kerstekind door te verklaren dat “een partij geen ideologie behoeft, alleen het aanbod van goed bestuur”, de aloude dwaling dat bestuur ideologisch neutraal kan zijn.

Dat geldt ook op historiografisch gebied. Bij het einde van de eerste regering-Modi in 2019 kreeg de voor onderwijs bevoegde minister Prakash Jadevkar van enkele politiek bewusten in zijn achterban de vraag wat hij gedaan had aan de groteske scheeftrekking van de geschiedenis in de schoolboeken, en hij verklaarde toen, er fier op te zijn dat hij daarin geen letter veranderd had. Hij koos dus militant het anti-hindoe kamp, een voorbeeld van hoe BJP-leiders tegenwoordig geen hogere (hoewel vergeefse) ambitie hebben dan een schouderklopje vanwege hun vijanden. De geschiedenisherschrijving en de achterliggende hindoe radicalisering die voor Aletta de aanleiding tot dit artikel was, is gewoon onbestaande.



Hoe de geschiedenis herschreven werd

De hindoe mentaliteit is niet alleen tot een minderwaardigheidscomplex geconditioneerd door “1200 jaar slavernij”, het is vooral na de onafhankelijkheid dat er een stelselmatige ondermijning plaatsgevonden heeft, en een voortschrijdende uitschakeling van het hindoe verzet daartegen. Dat was vooral het werk van de eerste premier (r. 1947-64) Jawaharlal Nehru, een geboren hindoe die het hindoeïsme haatte (zoals de ex-katholieke papenvreters bij ons), diens onderwijsminister  Maulana  Abul Kalam Azad (moslimfundamentalist) en dochter premier (r. 1966-77 en 1980-84) Indira Gandhi, haar secretaris PN Haksar en haar onderwijsminister Nurul Hasan. Daarin was de herschrijving van de geschiedenis een centraal agendapunt.

Dat begon dus bij Nehru, die in zijn boek The Discovery of India enkele sterke staaltjes van negationisme ten beste geeft. Zo heeft hij het over Mahmud Ghaznavi, die rond 1000 een reeks raids in India organiseerde, annex tempelverwoestingen, en hij beweert: “Architectuur interesseerde Mahmud…” Dat verwijst naar diens verovering van de stad Mathura en de redevoering tot zijn leger wanneer ze het tempelcomplex rond Krisjna’s geboorteplaats bereikt hebben. Hij prijst het de hemel in: “Hier staan magnifieke tempels zo sterk als het geloof van de gelovigen. Een leger engelen heeft zeker jaren nodig gehad om het te bouwen…” In zijn gespeelde onnozelheid negeert Nehru het aperte sarcasme van die redevoering, die culmineerde in het bevel om al de tempels te verwoesten. Zo geschiedde. Later is de geboortetempel heropgebouwd, maar opnieuw verwoest door de hoger genoemde Aurangzeb, en door een moskee vervangen. Die staat er nog steeds, als een van de talloze “stille getuigen” van Truschke’s en Pillai’s kletterende ongelijk.

Het witwassen van de moslimheerschappij kwam in een hogere versnelling onder Nehru’s dochter Indira. In een machtsstrijd binnen de Congrespartij had zij de steun van de Communisten nodig, en die eisten en kregen in ruil de controle over cultuur en vooral onderwijs.  De allereerste prioriteit daarin was de vastlegging van een leerprogramma dat “de integratie tussen hindoes en moslims zou bevorderen”, namelijk door elke herinnering aan historisch conflict en onderdrukking uit te wissen. Alsof ze in Duitsland om iedereen te ontzien alle verwijzingen naar de misdaden van het nazi-bewind zouden schrappen. Een toenmalige onderwijsbureaucraat, de nu hoogbejaarde Kannada schrijver SL Bhyrappa, heeft me verteld hoe hij bij de eerste aankondiging van dat beleid protesteerde dat een geschiedenisboek nu eenmaal de feiten moet rapporteren; hij werd prompt weggepromoveerd.

De situatie sindsdien is dat de Indiase jeugd een zeer gestroomlijnde herschreven versie van de geschiedenis voorgeschoteld krijgt. In 2002 heeft bevoegd minister MM Joshi nog een onhandige poging tot correctie gedaan, maar die is zonder gevolg gebleven. De huidige regering heeft er niets aan gedaan en maakt er ook geen aanstalten toe. Zij heeft de bevoegde administratie gevuld met onbekwame RSS-BJP- gerontocraten die ze voor bewezen diensten met een sinecure wil bedanken, en die noch de vakkennis noch de dynamiek hebben om iets te veranderen. Aletta’s verontwaardiging over een “geschiedenisherschrijving” (eigenlijk een rechtzetting van de door de communisten herschreven geschiedenis, een glasnost) is gewoon zonder voorwerp.  



Besluit

De meeste India-watchers leven in een fantasiewereld, met India als seculiere staat (wat het niet is) bedreigd door een steeds monsterlijker hindoe-nationalisme. Om de vlam brandend te houden, brengen ze regelmatig een opschrikverhaaltje om de blozende maagden in een staat van verontrusting en haat tegen het weerstand biedende hindoeïsme te houden. Ze doen daarmee een goede carrièrezet, want ze maken zich daarmee tot woordvoerder van een belangensamenloop van de islamitische internationale, de missionaire lobby en het cultuurmarxisme, die elk om hun eigen reden de oorlog aan het hindoeïsme verklaard hebben. Mochten ze daarentegen een realistisch laat staan een gunstig beeld van het strijdbaar hindoeïsme geven, dan staat hun uitsluiting te wachten. De eeuwige wederkeer van artikels over de vermeende sluwe listen van de hindoe-chauvinisten zal dus nog wel even duren.

dinsdag 13 februari 2018

Revisionisten sluiten de boeken

Revisionisten sluiten de boeken

Nucleus (Brugge), april 2002


Toen ik begin jaren negentig aan het publiek wou uitleggen hoe grotesk en leugenachtig de dominante witwassende geschiedschrijving over de uiterst bloedige en destructieve bewindsperiode van de islam in India wel is, maakte ik steevast de vergelijking met het westerse “revisionisme”, in de zin van “holocaust-ontkenning”. Die vergelijking was heel accuraat in zoverre de islamwitwassers inderdaad massamoorden door moslims op niet-moslims ontkennen.

Als belangrijkste verschil erkende ik het feit dat de holocaust-revisionisten marginalen en verschoppelingen zijn, terwijl ontkenning van de islamitische misdaden daarentegen een uiterst profijtige carrièrezet is. Nu is het, naar het woord van Oscar Wilde, niet voldoende als bewijs voor de juistheid van een doctrine dat een of andere gek bereid is er zijn leven voor te geven. Uit de aanzienlijke zelfopoffering van de holocaust-ontkenners volgt dus niet dat zij gelijk hebben, maar qua karakter zijn zij alvast van een ander kaliber dan de islam-goedpraters.

Toen ik tien jaar geleden eens een lezing voor een VB-publiek gegeven had, vroegen linkse kennissen mij hoever ik het eigenlijk nog ging drijven, de omgang met extreem-rechtse kringen. Ik zei toen dat ik in principe met eender wie wil praten, aangezien niemand slechter wordt door juiste inzichten over troebele problemen als de islam te vernemen (“la vérité est bonne”); maar dat er in de praktijk toch wel grenzen waren. Als nec plus ultra van knettergek extreem-rechts franje waarmee ik me in geen geval zou encanailleren, noemde ik dan de revisionisten.

Mijn enige informatiebron over de holocaust-ontkenning in het pre-internet-tijdperk was de eerste editie van het (recent geactualiseerd heruitgegeven) boek De uitbuiting van de holocaust van Gie van den Berghe. De titel slaat op het tweede deel van het boek, dat over de beweerde uitbuiting van het holocaustgegeven door de staat Israël handelt, en dat hem vanwege Philo Bregstein het etiket “antisemiet” opleverde. Het mag wel even gezegd dat een Vlaming dit thema op genuanceerde manier behandelde lang voor Norman Finkelstein er in zijn boek The Holocaust Industry een rel mee schopte. Volgens Van den Berghe is er een correlatie tussen holocaust-uitbuiting en holocaust-ontkenning, voeden de twee mekaar en moeten zij samen bestreden worden.


Vrijheid


Wat overigens bij hem en bij Finkelstein onvoldoende aandacht krijgt, is de niet-joodse uitbuiting van de holocaust, bijvoorbeeld door de Belgische linkerzijde. In België is nauwelijks een “joodse lobby” actief en is er helemaal geen joodse dominantie in de media, en toch vind je hier een gelijkaardige instrumentalisering van de holocaust als in de VS, ondermeer in het demoniseren van het Vlaams-nationalisme. Het waren niet-joodse voormannen van extreem-links en corrupt links die in Frankrijk 1990 resp. België 1995 het initiatief namen om een wet op het revisionistisch opiniedelict in te voeren.

De bedoeling van links was evident: een dubbele standaard in de beoordeling van linkse en rechtse massamoorden (voor hen geldt Hitler immers als rechts) wettelijk te betonneren. Noteer wel dat de rechterzijde, onnozel als meestal, haar ja-stem aan de revisionismewet gaf, ondanks de protesten van onverdachte historici. Dit was enigszins verschoonbaar in het geval van het VB, kwestie van politiek lijfsbehoud, maar zeker niet voor de andere partijen. Toen cultuurminister Bert Anciaux vorig jaar zijn plan bekend maakte om alle iet of wat revisionistische boeken (inbegrepen het genoemde boek over het revisionisme van Van den Berghe) uit de bibliotheken te laten verwijderen, zeiden Karel De Gucht en andere liberale tenoren terloops tijdens interviews dat zij tegen censuur waren. Wel, het staat hun vrij om de opheffing van de revisionismewet in het parlement ter stemming voor te leggen.

Dat zal wel niet gebeuren, want het is gemakkelijker om een stuk vrijheid te verkwanselen dan om het te heroveren. Het vergde niet bijzonder veel moed om de wet in 1995 te blokkeren: onze parlementsleden zijn zeer bedreven in vertragings- en verdagingsmaneuvers. Als ze dat al niet durfden, zullen ze zeker de moed niet hebben om het veld met een nieuw en tegengesteld wetsvoorstel te betreden. Ze zijn ondermeer bang dat de linkerzijde, die wel in de feiten de verdrijving van de joden uit Palestina steunt, hen voor antisemiet zal uitschelden. Zij moeten echter beseffen dat belangrijke joodse opinieleiders zich tégen revisionisme-muilkorfwetten uitgesproken hebben, van Simone Veil tot Noam Chomsky. Zelfs Deborah Lipstadt, die begin 2000 in Londen het proces wegens laster won dat revisionistisch historicus David Irving haar aangedaan had, verklaarde tegen zulke muilkorfwetten gekant te zijn: “Irving should have the freedom to make a fool of himself.” 

De recent overleden hoofdredacteur van de Jewish Chronicle, Chaim Bermant, ried Tony Blair (met succes) het idee van een muilkorfwet af, met het argument dat geen enkele vrije en democratische samenleving een wet kan dulden die haar voorschrijft wat zij moet denken. Zo hoort u het eens uit onverdachte hoek, mijnheer De Gucht: de stem van uw partij heeft er mee voor gezorgd dat wij in een onvrije en ondemocratische samenleving wonen; maar het is ook door uw wetgevend initiatief dat we morgen misschien weer in een vrij en democratisch land kunnen ontwaken. Bermant herinnerde zijn joodse lezers eraan hoe de joodse emancipatie en het joodse succesverhaal van de jongste eeuwen slechts mogelijk waren in vrijheidslievende open maatschappijen. Niet alleen universele normen maar ook specifiek joodse belangen op langere termijn pleiten tegen de muilkorfwet. Men moet dus niet vrezen dat men zich aan antisemitisme schuldig maakt als men de ongebreidelde menings- en onderzoeksvrijheid herstelt.   


Manipulatie                                   


Het is pas eind 1999, tijdens de aanloop naar het proces van Irving tegen Lipstadt, dat ik via het internet eerstehands de eigen stellingnamen van de revisionisten ben gaan lezen. David Irving verloor zijn proces, maar liet niet na om op de rechter en op de onbevooroordeelde lezer indruk te maken met zijn enorme dossierkennis. Ik moest vaststellen dat Van den Berghe in zijn boek op zeker één punt onrecht doet aan de revisionisten.

De systematische bronnenmanipulatie die revisionisten vaak aangewreven wordt, blijkt althans bij de leidende auteurs behoorlijk mee te vallen. Na alle voetnoten uit al Irvings publicaties nagetrokken te hebben, vond de verdediging van Lipstadt amper een handvol gevallen waar Irving bronnen door selectieve aanhaling echt iets anders laat zeggen dan wat men uit de oorspronkelijke teksten zou opmaken. Irving heeft een beter palmares dan de gemiddelde historicus (zelfs van niet-controversiële thema’s) wat betreft het publiek en uit eigen beweging corrigeren van eerdere onjuiste conclusies. Zo had hij aanvankelijk het aantal van 250.000 slachtoffers in het bombardement van Dresden gesteund, tot hij erachter kwam dat de bron waarop dit cijfer gebaseerd was, een vervalsing was. Hij vestigde in een brief aan een krant de aandacht op een recenter aan het licht gekomen bron, die veeleer een schatting van 60.000 doden ondersteunt, dichter dus bij het Geallieerde cijfer van minder dan 40.000.

Bij het voetvolk (bijvoorbeeld in de National-Zeitung) is bronnenmanipulatie wèl een probleem. Zo wordt vaak het zinnetje van Martin Broszat geciteerd, dat “er in Duitsland geen vernietigingskampen waren” alsof daarmee hun bestaan ontkend zou zijn,-- dit uit een brief waarin Broszat uitlegt dat de vernietigingskampen zich namelijk in Polen bevonden. Dat soort krasse manipulatie van laag allooi is de jongste jaren echter goeddeels uitgewied dankzij het internet. Dit verhoogt immers de onderlinge feedback en zelfcorrectie binnen het revisionistische kamp, en dwingt de revisionisten regelmatig tot confrontatie met anti-revisionistische uitdagers die als ongenode gasten aan discussies op hun weblists komen deelnemen.

Sommige schijnbare manipulaties zijn in discussies onder historici een normaal procédé. Soms moeten beweringen uit hun context gerukt worden. Soms moeten zij in isolatie opnieuw bekeken worden, los van het bredere verhaal waarin de verteller het feit ingepast heeft.

Dit kan bijvoorbeeld nodig zijn om het essentiële van het bijkomstige te scheiden. De waarheid of betekenis van een bewering wordt dan niet in vraag gesteld, maar wel in reliëf geplaatst. Tijdens haar ondervraging verklaarde het Britse schandaalmeisje Christine Keeler dat minister John Profumo haar “geld gegeven had voor mijn moeder”, die erg onbemiddeld was. Meisjes van lichte zeden hebben vaak een goed hart dat het zondige gewin met de minder aantrekkelijke medemens wil delen. Maar dat Christine dat geld aan haar moeder zou doorgeven, was helemaal niet het punt. De ondervrager rukte het essentiële uit de context die zij errond geweven had: “Hij gaf je geld.”

Het gesmade “uit de context rukken” kan ook nodig zijn om zoalniet de juistheid dan toch de betekenis en de kennelijke implicaties van een bewering in vraag te stellen of in een ander licht te bekijken. In het voortschrijdend historisch onderzoek is het niet ongewoon dat men een inmiddels conventioneel geworden verklaring van een bepaald feit eens tussen haakjes plaatst, dat men het basisfeit loskoppelt van zijn ingeroeste verklaring om het in zijn frisse naaktheid helemaal buiten de overgeleverde context opnieuw te analyseren. In detectiveverhalen is dit trouwens een klassieke wending: Hercule Poirot of Endeavour Morse herinnert zich het relaas van een getuige die een gebeurtenis vertelde en ze meteen langs conventionele lijnen verklaarde, en de speurder haalt daar dan één zinnetje uit, waarvan hij inziet dat het ook binnen een alternatief verklaringsscenario kan passen. Historici doen dit wanneer nieuwe relevante gegevens opduiken, maar ook wanneer zij een verklaringsmodel dat in een bepaalde periode populair was (wegens ideologische mode of toenmalig niveau van onderzoekstechniek) door recentere ontwikkelingen zijn gaan wantrouwen.

Zo citeren revisionisten graag een zinnetje van Arno Mayer: “Bronnen voor de studie van de gaskamers zijn zowel zeldzaam als onbetrouwbaar.” Dat zou dus moeten betekenen dat er geen voldoende bewijs voor de gaskamers voorhanden is, zoals hier toegegeven door een vooraanstaand orthodox historicus. Anti-revisionisten citeren dan weer graag die aanhaling als een schoolvoorbeeld van een “uit de context gerukt” en daardoor van betekenis veranderd citaat. Mayer gaat immers verder: “Hoewel Hitler en de nazi’s geen geheim maakten van hun oorlog tegen de joden, vernietigden de SS-uitvoerders stipt alle sporen van hun moorddadige handelingen en instrumentarium.” Mayer stelt in dit vervolg een verklaring voor van het vastgesteld gebrek aan bewijsmateriaal: dit zou vernietigd zijn. De twee tekstgedeelten hebben dus een verschillend statuut: in de openingszin wordt een feit vastgesteld, in het vervolg wordt een (weliswaar zelf uit andere feiten afgeleide) verklaring voor dat feit geopperd.

In zulk geval hoeft dat “uit de context rukken”, namelijk van een feit uit een daarrond opgebouwde theorie, niet noodzakelijk een “manipulatie” of teken van kwade trouw te zijn. De in isolatie aangehaalde openingszin wordt hierdoor niet van betekenis gewijzigd. Zowel voor Mayer als voor de revisionisten betekent hij dat er een gebrek aan bewijsmateriaal is; Mayer voegt daar één verklaring aan toe, de revisionisten een andere, maar de basisvaststelling is gewoon dezelfde..

Men moet bovendien voor ogen houden dat de persoonlijke fouten van één der partijen, van onschuldige redeneerfouten tot en met zuiver bedrog, uiteindelijk zonder belang zijn voor de ware toedracht van het besproken dossier. De antirevisionisten mogen nog zoveel betogen en misschien zelfs terecht betogen dat de revisionisten monsters zijn, dat zal niemand overtuigen die alleen van de materiële bewijzen uitsluitsel verwacht. Eens de twijfel gezaaid is, kan hij alleen door de presentatie van het authentieke bewijsmateriaal ongedaan gemaakt worden. Slechte geschiedschrijving kan men alleen counteren met degelijke geschiedschrijving.  


Zelfbedrog


Uit vijandige teksten had ik begrepen dat de revisionisten een zootje halfgetikte amateurs zijn, en ik was dan ook verrast te moeten vaststellen dat hun kennis van eerstehandse bronnen van damals zeer groot is. Uit de debatten in het Irving-proces kan men leren dat er wellicht geen enkele historicus Irvings gelijke is in het opsporen en plaatsen van eerstehandse documenten, die hij overigens aan alle partijen ter beschikking stelde, ook aan instituten die hem vandaag de toegang tot zijn eigen archief weigeren. Dat neemt niet weg dat Irving soms vreemde redeneerfouten lijkt te maken: zo volgt uit de afwezigheid van een bevel tot genocide door Hitler niet dat er nooit een geweest is, noch dat Hitler onwetend was van wat de SS uitrichtte (wel lijkt vast te staan dat hij zich op de oorlogvoering concentreerde en de andere, inbegrepen de vuile karweien aan zijn luitenants overliet). Maar de anti-revisionisten bewijzen hun eigen geloofwaardigheid geen dienst door hun tegenstander mordicus zwarter te willen voorstellen dan nodig. Zoals de meeste intellectuelen ziet Irving de feiten door een verkleurende en vervormende ideologische bril, maar dat maakt hem nog niet tot een bedrieger en evenmin tot een “pseudo-historicus”. 

Wat mij in een eerste verkennend overzicht van de toonaangevende revisionistische literatuur opgevallen is, zijn de gevallen niet van bedrog maar van een eigenaardig soort zelfbedrog in de interpretatie van de teksten. Een bekend voorbeeld is de poging van sommige revisionisten (zoals Carlos Porter in zijn inleiding bij Heinrich Himmlers Posen-speech) om te ontkennen dat het woord ausrotten “uitroeien” betekent. Zij proberen niet het gebruik van die toch wel veelzeggende term te ontkennen of buiten beeld te houden, een procédé dat echte manipulatoren typisch wèl gebruiken (bv. de islam-witwassers over de effectieve betekenis van djihaad). Dat hoeft geen teken van grotere eerlijkheid te zijn, het zou ook gewoon kunnen dat de voor de revisionisten vervelende bewijsstukken nu eenmaal veel bekender en dus moeilijker weg te moffelen zijn dan de getuigenissen ten laste in andere dossiers. Hoe dan ook, in plaats van de bewijzen van een nazi-intentie tot “Ausrottung” der joden weg te moffelen, proberen de revisionisten ons te overtuigen van een blijkbaar oprecht gemeende doch evident verwrongen interpretatie van die term.

Een ander voorbeeld is Irvings lezing van een document waarin Hitler over een jodentransport het bevel geeft: “Nicht erschiessen”. Irving leidt daaruit af dat Hitler “de beste vriend van de joden in nazi-Duitsland” was, dat hij het doden van joden afkeurde. Nochtans had zulk bevel kennelijk maar zin als het neerschieten van joden gebruikelijk was; hoe kan hij dat nu niet beseft hebben? Het is zelfs onder geleerden echt niet ongewoon om eender welke feiten altijd weer als bevestiging van de eigen vooropgestelde mening te lezen, in het genoemde voorbeeld dus door de verheffing van één (wellicht uitzonderlijk) geval tot algemene regel. Dat hoeft geen bedrog te zijn en helemaal geen misdaad, maar het is wel het soort psychologische valstrik waarvoor de historicus zich moet hoeden.

Nog een voorbeeld van een gretige interpretatie in het voordeel van de eigen theorie betreft een memorandum van Heinrich Himmler uit 1940 over het lot van de Polen. Daarin overweegt de SS-chef de verschillende opties, zoals deportatie en behoud ter plaatste in een soort lijfeigenschap. De optie om de Polen fysiek uit te roeien wijst hij echter resoluut af als zijnde “on-Germaans” en “bolsjevistisch”. Revisionisten leiden hier graag uit af dat de nazi’s dus tégen genocide waren en bijgevolg zeker ook de joodse genocide niet konden georganiseerd hebben. Die interpretatie is op zichzelf niet onredelijk, maar toch is ze onjuist: je kan immers de wendingen van Himmlers beleid in 1941-42 onder kritieker wordende oorlogsomstandigheden niet afleiden uit een mijmering in 1940 toen alles voor Duitsland naar wens verliep.

Men kan deze tekst beter anders lezen: de gedachte aan genocide rijpte slechts stapsgewijze, met het wenkende voorbeeld van het mega-moorddadige bolsjevisme als lichtbaken aan de horizon. Dat lijkt mij de belangrijkste les uit dat document te zijn: de cruciale rol van het bolsjevisme in de deshumanisering van politiek en oorlogvoering na 1917. Het nazisme is maar kunnen groeien op een bodem die door het bolsjevisme vergiftigd was. Het is, deels reactief en deels imitatief, schatplichtig aan het bolsjevisme. Zonder Oktoberrevolutie geen Holocaust.


Antirevisionistische polemiek


Het veronachtzamen van documenten die niet in het eigen kraam passen is allerminst beperkt tot de revisionisten. Ik heb in discussies met verdedigers van het communisme (lang niet alleen communisten) wel krassere staaltjes meegemaakt. De revisionisten zelf vestigen graag de aandacht op dergelijke gevallen in de literatuur van hun tegenstanders. Dit geldt uiteraard voor de vulgaire versies van de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog, bijvoorbeeld het wijdverbreide idee dat de joodse genocide al van in de jaren ’20 gepland was en tot de kern van de nazi-doctrine behoorde. Die voorstelling van zaken negeert massa’s bewijsmateriaal voor heel andere nazi-plannen, zoals het van oorsprong Poolse plan om de joden naar Madagascar te evacuëren, dat in 1939-41 de dominante nazi-beleidslijn op langere termijn ten aanzien van de joden was. In dat soort literatuur ziet men ook hoe men zich vastklampt aan strohalmen die zwaar tot een bewijsstuk overgeïnterpreteerd worden, bv. Hitlers verwijzing naar het gebruik van gifgas in de Eerste Wereldoorlog geldt daarin als een aankondiging van het gebruik van gaskamers. Ook dat is een procédé dat men altijd juist aan de revisionisten verwijt.

Zelfs de betere historici geven zich weinig rekenschap van bewijsstukken die schijnbaar in strijd zijn met hun reconstructie van de geschiedenis. Specifiek antirevisionistische auteurs verspillen zelfs bijzonder veel adem aan scheldpartijen en persoonlijke verdachtmakingen jegens de revisionisten, adem die zij beter aan de bespreking van de primaire bronnen zouden besteden. Zo maken de meeste historici (inbegrepen zij die expliciet het revisionisme willen weerleggen, zoals Deborah Lipstadt, John Zimmermann en Michael Shermer & Alan Grobman) geen melding van Irvings favoriete Schlegelberger-document. Daarin meldt ambtenaar Franz Schlegelberger dat minister Hans Lammers hem gezegd heeft dat Hitler hem meermalen bezworen heeft om “de oplossing van het joodse vraagstuk” tot nà de oorlog uit te stellen. Dat getuigenis is maar moeilijk met de officiële geschiedschrijving te rijmen, vandaar blijkbaar dat men het liever buiten beeld houdt. Maar moeilijk gaat ook: de functionaris kan Hitler verkeerd begrepen hebben, hij kan gelogen hebben, Hitler zelf kan over dit onderwerp van gedacht veranderd zijn, de SS kan (zoals Irving denkt, maar zonder de genocide te ontkennen) de genocide zo aangepakt hebben dat de vereerde Hitler er zijn geest niet mee hoefde te belasten, enzovoort. Het gaat hier om één enkel, eigenlijk derdehands getuigenis, en dat is echt onvoldoende om ons tot een herschrijving van de geschiedenis te dwingen.   

De toevlucht tot lage polemische trucs en aanvallen ad hominem, die Van den Berghe en anderen de revisionisten aanwrijven, lijkt ook nogal mee te vallen, toch in vergelijking met wat in polemieken überhaupt gewoon is. Het blijkt in ieder geval wederkerig te zijn: de anti-revisionistische polemiek wordt evenzeer ontsierd door overmatig heftige persoonlijke aanvallen.

Zo wordt systematisch beweerd dat Fred Leuchter, de Amerikaanse expert in terechtstellingstechnieken die de gaskamers in twijfel trok, zich valselijk de titel “ingenieur” aanmat. De rechter verplichtte hem om een verklaring te ondertekenen waarin hij van aanspraak op die titel afzag. Volkomen terecht zei Leuchter: “Ik doe hiermee afstand van iets waarop ik nooit aanspraak gemaakt heb.” Immers, de Amerikaanse term engineer is niet het equivalent van de academische titel “burgerlijk ingenieur”, het betekent veeleer “technicus”; zelfs een treinmachinist wordt engineer (letterlijk “machine-man”) genoemd. Het pleit niet voor de anti-revisionistische polemisten dat zij dit terminologisch misverstand steeds weer gebruiken als bewijs dat de revisionisten een zootje bedriegers zijn. Het wekt zelfs de gevaarlijke indruk dat men met argumenten ad hominem het inhoudelijk debat uit de weg wil gaan.

Op dezelfde manier hamert men graag op de omschrijving van David Irving als “pseudo-historicus”: de arme man bezit namelijk geen diploma in de Geschiedenis. Dit soort ezelsvel-chauvinisme is iets voor pas afgestudeerden, niet voor ernstige vaklui: zij weten immers uit ervaring hoe de universiteit krioelt van gediplomeerde halfbekwamen, en hoe anderzijds veel baanbrekend onderzoek verricht is door mensen die in strikt formele zin buitenstaanders zijn. Ook de kwakkel dat Irving zichzelf in zijn studententijd als een “gematigd fascist” omschreven zou hebben (omschrijving die van een vroege tegenstander komt), blijft steeds weer opduiken in de boeken van mensen die lesjes willen geven in echte geschiedschrijving. Men maakt Irvings verdiensten, bijvoorbeeld in de ontmythologisering van de figuur van Winston Churchill, in ieder geval niet ongedaan door hem tot zijn fouten te reduceren. Maar men geeft daarmee wel een erg venijnige indruk van zichzelf.


Politieke motieven


Een punt waarop Van den Berghe, praktisch als enige auteur over dit onderwerp, de revisionisten wèl recht doet, is in de vaststelling dat zij helemaal niet met “extreem-rechts” kunnen vereenzelvigd worden. Qua politieke overtuiging vertegenwoordigen zij een breed spectrum. In Frankrijk heeft een extreem-linkse groupuscule onder de naam La Vieille Taupe het voortouw genomen in de verbreiding van de revisionistische stellingen. Vooral onder trotskisten heeft men er iets tegen dat de Holocaust een moreel verschil schept tussen wat marxistisch gezien twee varianten van het kapitalisme waren, namelijk de Angelsaksische democratie en het nazisme, waarbij de eerste zichzelf als de “goede” vorm van kapitalisme voorstelt. Daarnaast vindt men onder Franse revisionisten ondermeer een veteraan van de anti-apartheidsbeweging, Serge Thion. Hun pionier, Paul Rassinier, was een actief socialist en oud-kampgevangene. Hun huidige kampioen, de literatuurwetenschapper Robert Faurisson, beleed vooraf als enig ideologisch engagement het militante atheïsme, wat in de Franse cultuurkring als progressief geldt.

De (niet intellectueel maar wel numeriek) omvangrijkste steun vindt de holocaust-ontkenning onder moslims. Aldus leidt de Marokkaanse balling (ontsnapt na deelname aan de mislukte coup van generaal Oufkir) Ahmed Rami vanuit Zweden de revisionistische Radio Islam. Pas een maand of wat geleden legde het Centrum voor Gelijke Kansen en Racismebestrijding klacht neer tegen een islamitisch centrum in Molenbeek wegens revisionistische propaganda. Er zijn verder apolitieke revisionisten, ondermeer de excentriekelingen die zich nu eenmaal tot een onorthodoxe theorie aangetrokken voelen. Er zijn mensen bij die de nazi-agenda geheel of grotendeels verwerpen, maar die de overdrijvingen van het Nuremberg-vonnis (dat bv. de mythe van de “zeep uit jodenvet” bevestigde) menen te moeten bestrijden. Onder hen vooral nationalisten die nooit onder Hitlers dictatuur hadden willen leven, maar die wel vinden dat de demonisering van Hitlers “nationalisme” negatief op hun eigen beweging afstraalt en daarom best wat getemperd mag worden. Irving is maar de meest radicale onder de Britse historici die een rekening willen vereffenen met Churchill, wiens confrontatiepolitiek tegen Hitler volgens hen de oorzaak van de ineenstorting van het Britse Rijk was. De meesten willen ongeacht hun politieke overtuiging hun onderzoekswerk scherp gescheiden houden van elk politiek activisme: om die reden brak de staf van het Californische Institute for Historical Review met de stichter dezes, Willis Carto, die aan het revisionisme wèl een politieke boodschap wou verbinden.

Er zijn natuurlijk ook echte nazi’s bij, zoals Ernst Zündel, auteur van het boek The Hitler we loved. Maar dat zijn dan wel mensen die een niet-genocidale Hitler vereren, wat toch al een maatje minder erg is dan zij die Hitler zijn genocide gunnen en hem desondanks toch blijven ophemelen. Jammer voor hen lijkt mij vooral dat hun inspanningen, zelfs in geval van een volledige bevestiging van de revisionistische stellingen, nog altijd een weinig glorieus systeem dienen. Zelfs al pleegde het nazisme geen genocide, zelfs al was het nazisme in 1938 blijven steken, dan nog was het een systeem van mentaal uniformisme, verafgoding van staat en leider, biologisch materialisme. Men moet het nazisme niet zwarter maken dan het al was, maar zelfs zonder genocide was het alleszins nog behoorlijk duister. 

Zijn revisionisten jodenhaters? Ook die veralgemening blijkt voorbarig. Nu moslimjongeren in onze straten gedemonstreerd hebben wat jodenhaat eigenlijk is, valt toch op dat de revisionisten zich alvast niet aan anti-joods geweld schuldig maken. Maar sommigen, zoals Zündel (wiens huis en archief door onbekenden platgebrand is) en Faurisson (die door enkele joodse jongeren het ziekenhuis ingeslagen is), maken geen geheim van hun vijandelijke relatie met “de joden”. David Irving blijkt zijn dubbelzinnige uitdrukking “the traditional enemies of free speech” steeds weer op joden toe te passen. Anderzijds had de Duitse revisionistische sterauteur Germar Rudolf zich in tempore non suspecto nostalgisch uitgelaten over de Duits-joodse symbiose in het Pruisische en Habsburgse rijk. Een aantal revisionisten stellen formeel niets met jodenhaat te maken te hebben, en laten zich ook niet op anti-joodse uitspraken betrappen, zelfs niet subtiel of impliciet. Linkse dieptepsychologen zullen natuurlijk beweren dat zij hun ware opvattingen verborgen houden, maar wij laten dat tot nader order in het midden.

Joods revisionisme


Merkwaardig is alvast dat ook een aantal joden argumenten geleverd hebben voor het revisionistisch betoog. Wijlen J.G. Burg, pseudoniem van Josef Ginzburg, magistraat in Duitsland in de naoorlogse jaren, beweerde in zijn boek Majdanek in alle Ewigkeit? (1979) dat vele overlevenden die hij ondervraagd had, formeel het bestaan van gaskamers en van een systematisch moordprogramma ontkenden (de rechter verordende een psychiatrisch onderzoek voor de auteur en de vernietiging van het boek). David Cole is de auteur van een revisionistische studie over Auschwitz, maar trok zich na bedreigingen uit het debat terug.

Het joodse volk is rijk aan schrandere excentriekelingen, wat al voor een deel het verschijnsel van joodse holocaustontkenning verklaart. Er is soms ook een ideologisch motief, vooral bij trotskisten, die samen met de holocaust ook de grondslagen van het zionisme willen onderuit halen. Er zijn immers antizionistische joden, zowel van links als van rechts. Ook bij hen leeft sterk de gedachte dat de holocaust een pijler onder het zionisme geworden is. Het zionisme dateert echter van vóór de nazi-tijd. Zelfs als de revisionisten gelijk zouden krijgen en er nooit een genocide geweest was, blijft mijns inziens gelden dat het joodse volk in een wereld van natiestaten het recht op een eigen staat moet hebben.

Hoe zit het in Vlaanderen? Door een speling van de actualiteit kwamen we op het idee om de duivel zelf te gaan interviewen: de 60-jarige Antwerpenaar Siegfried Verbeke is stichter van het revisionistisch genootschap Vrij Historisch Onderzoek v.z.w. In februari jl. is die v.z.w. van overheidswege ontbonden en haar postbus verzegeld wegens het niet-betalen van een boete. Die was opgelegd, na klacht door André Gantmann, wegens plagiaat: Verbeke had een affiche voor een tentoonstelling over dissidente drukkers in de zestiende eeuw (oude prent met brandstapel) gebruikt op het schutblad van een publicatie over dissidente drukkers in de twintigste eeuw. Want inderdaad, het blijkt dat van veel revisionistische werken, vooral in Duitsland maar ondermeer ook in Frankrijk, de volledige oplage en de drukplaten op gerechtelijk bevel fysiek vernietigd worden. De veroordeling wegens plagiaat is overigens apert ongerechtvaardigd: er is geen copyright op eeuwenoude prenten, tenzij de organisatoren kunnen bewijzen dat zij het copyright van Plantyn c.s. gekocht hebben.

Hoe dan ook, Verbeke’s v.z.w. is nu gereduceerd tot een feitelijke vereniging, Vogelvrij Historisch Onderzoek. Zijn webstek (www.vho.org) functioneert nog wel, en is wegens zijn Amerikaans E-adres trouwens buiten bereik van de Belgische rechtspraak. Een geplande huiszoeking bij Verbeke werd zopas in extremis afgelast toen TV-camera’s de speurders opwachtten. Maar hij heeft nog enkele afspraakjes met de rechter in zijn agenda. 

Verbeke vindt zichzelf geen antisemiet, maar hij beschouwt de joden wel als “een bizar volk, dat zelf lijdt onder zijn bizarre geloof in zijn eigen uitverkorenheid”. Des te meer waardeert hij die joden die de revisionisten halfweg of zelfs helemaal tegemoet komen: “Zo las ik het artikel ‘De mythe van de efficiënte massamoord’ van de Leidse, van afkomst Pools-joodse politoloog Michel Korzec in Intermediair (15 december 1995), waarin hij de genocide wel bevestigde maar de rol van gaskamers daarin fel minimaliseerde. Hij deed wat spottend over de revisionisten maar pleitte uitdrukkelijk tegen de muilkorfwetten. Ik heb hem toen wat van onze literatuur opgestuurd, en hij nodigde mij uit om voor een lokale zender in Amsterdam een debat te voeren. Maar de presentator die het debat had moeten modereren, krabbelde terug, zo van: ‘U, meneer Korzec, bent joods, u kan zich dit veroorloven. Maar ik ga het professioneel niet overleven als ik een forum bied aan het revisionisme.’ Korzec schertste: ‘Kijk, meneer Verbeke, dat is nou het verschil tussen Arische domheid en joodse slimheid.’ En hij verontschuldigde zich omstandig dat ik zo ver voor niets gekomen was, maar aan hem had het dus niet gelegen.” 

(Bij Korzec, zeker een van de scherpste breinen die ik gekend heb, volgde ik zelf destijds aan de KUL de cursus Hedendaagse Politiek in China. Hij is al enkele jaren weg uit Leiden, en ik kon hem niet bereiken voor commentaar op het bovenstaande.)

Oradour


Toevallig treffen we in Verbeke’s gezelschap de Franse chemicus en revisionist Vincent Reynouard. Ook hij heeft ruime ervaring met gerechtelijke vervolging. Een boek van hem is pas aan de verbranding ontsnapt dankzij een juridische spitsvondigheid. De Franse rechter had het in beslag laten nemen, wat met een loutere formaliteit kan in het geval van buitenlands gepubliceerde boeken, maar in het geval van inheemse publicaties een serieuze procedure gevergd zou hebben. Die “discriminatie” tussen Frans en niet-Frans blijkt door de EU verboden, en daardoor is de rechterlijke ingreep ongedaan gemaakt en het boek terug vrij in omloop.

Reynouard meent te kunnen bewijzen dat de dood van de dorpsbevolking van Oradour-sur-Glane in 1944 niet het werk was van de Duitsers, maar het gevolg van de ontploffing van explosieven die de weerstand verborgen had in de kerk waar de mensen bijeengedreven waren: “Het is overduidelijk eens men gaat kijken. Bij een brand zouden de biechtstoelen en ander houtwerk verbrand moeten zijn, maar dat is niet zo. De gezichten van de slachtoffers zouden onherkenbaar geworden zijn, maar op de foto’s van toen zijn de gezichten goed bewaard. Wel zijn vaak ledematen afgerukt, maar dat kan niet het effect zijn van brand, wel van een ontploffing. Anders dan de officiële versie wil doen geloven, was er felle weerstandsactiviteit in Oradour. En het was heel gebruikelijk voor de weerstand om kerktorens als wapenopslagplaatsen te gebruiken. Na de Bevrijding heeft men dan de mythe van de massamoord als strafoefening tegen de weerstand gelanceerd: zoals de joden de Holocaust hadden, zo kregen de Fransen Oradour. Mijn werk over Oradour valt overigens niet onder de Franse revisionismewet (die het ontkennen bestraft van misdaden die voorwerp waren van een veroordeling tijdens het Nuremberg-proces), het heeft ook niets met de joden te maken. Zelf voel ik me totaal niet betrokken in de animositeit van sommigen tegen de joden. Mijn revisionistisch werk betreft andere aspecten van de oorlog, bijvoorbeeld over La furie des bellicistes, zoals een boekje van mij heet, de Franse weigering in 1939-40 om de oorlogsverklaring aan Hitler in te trekken ook toen die heel redelijke vredesvoorstellen deed.”

Ziedaar een heel ander soort revisionisme: de stelling dat een compromisvrede beter geweest was voor de mensheid dan het verklaren en voortzetten van de oorlog tot aan de onvoorwaardelijke overgave van Duitsland. Vandaag geldt de Tweede Wereldoorlog als een heilige oorlog, een goede oorlog. Met verwijzing ernaar rechtvaardigt men trouwens steeds nieuwe oorlogen tegen Milosevic, Saddam Hoessein en elke volgende “nieuwe Hitler”; bezwaren tegen zo’n oorlog worden dan van tafel geveegd met spottende verwijzing naar “de geest van München”, het Frans-Britse compromis met Hitler in 1938. Er zijn nochtans argumenten voor de stelling dat men de joden had kunnen redden door vrede te sluiten met nazi-Duitsland (wat mijns inziens behalve vredeswil ook de opbouw van een militaire afschrikkingsmacht gevergd had, waar juist de linkerzijde toen tegen gekant was). Dat levert dan een scenario waarin Anne Frank samen met Hitler 1946 gehaald had: zelfs als idee al schokkend. Tenslotte was het maar in zeer specifieke oorlogsomstandigheden dat Duitsland het beleid van joodse emigratie omgooide tot een beleid van deportatie naar Polen en massamoord.

Wie in 1939-40 op oorlog aanstuurde, deed dat zeker niet uit bekommernis om de joden in het Duitse machtsgebied: zij werden door de oorlog immers Hitlers gijzelaars. In weerwil van wat Hollywood en een resolutie van het Vlaams Parlement willen doen geloven, was het lot van de joden helemaal niet de inzet van de Tweede Wereldoorlog. Het kreeg zelfs geen vermelding in de oorlogsretoriek van Winston Churchill of Charles de Gaulle, noch zelfs in hun memoires. Dat bewijst natuurlijk niet dat er geen jodenmoord geweest is, zoals sommige revisionisten voorbarig besluiten, wel dat ze niet tot de bekommernissen van de Geallieerde oorlogsleiders behoorde.


Gedaan ermee


We treffen Verbeke op een voor hem belangrijk moment. Hij heeft net besloten om zijn revisionistische activiteiten te staken: “Ik weet niet waarom ik voort zou doen. Ik ben erg teleurgesteld in mensen die mijn medestanders zouden moeten zijn, vooral in Duitsers. Ik heb hier bijvoorbeeld een dure uitgave gedaan, speciaal voor de Duitse markt, en Duitse pro-revisionistische bladen vertikken het om de recensie-exemplaren die ik hun toegestuurd heb, te bespreken. Ik heb dit werk gedaan voor het eerherstel van de Duitsers van destijds, maar de Duitsers van nu? Dan liever de Palestijnen, dat zijn nog dappere mensen, en Osama bin Laden. En met de Vlamingen valt al helemaal niets aan te vangen. Dit is een erg sektarisch milieu. Bijvoorbeeld, ik ben atheïst, maar nu ik samenwerk met Vincent, die katholiek is, wil een van mijn sponsors niks meer geven. Het is financieel niet vol te houden.”

Er is het maatschappelijk ostracisme, dat een zware last vormt voor revisionisten en hun gezin. De typische revisionist is zijn werk en zijn vrouw kwijt. Enkelen zijn het mikpunt van aanslagen geworden. Anderzijds moet het probleem niet overdreven worden, zegt Reynouard: “Het Systeem ziet ons niet als gevaarlijk. Niet dat we het gemakkelijk hebben, ik ben werkloos, maar ze doen alvast niets om mij mijn werkloosheidsuitkering af te nemen. En fysiek bedreigd voel ik me helemaal niet. Het Systeem weet wel wie zijn gevaarlijke vijanden zijn, en ik ben daar blijkbaar niet bij.”

Maar de gerechtelijke problemen eisen ook hun tol, zegt Verbeke: “Daarbij komt het aanstaande Europese aanhoudingsbevel. Dan zullen ze mij aan Duitsland kunnen uitleveren, waar draconische muilkorfwetten gelden. Kijk, ik kan mij best verdedigen voor een rechtbank. Ik ontken immers de genocide niet, die is gebeurd, ik ontken wel de gaskamers. Maar ze kunnen me daar een jaar of langer in voorarrest houden. Nee, dan trek ik me liever terug. Er zit nog één brochure in de pijplijn met het overzicht van alle revisionistische argumenten, en dan is het gedaan. Je moet dat onder ogen kunnen zien: maatschappelijk hebben wij de strijd verloren.”

Reynouard bevestigt: “Het revisionisme interesseert praktisch alleen oudere mensen, en die sterven natuurlijk uit. Dit onderzoek over Oradour heb ik met plezier gedaan, maar het zit erin dat ik spoedig iets heel anders ga doen.” Is dat het nakende einde van het revisionisme? Verbeke: “Ik vrees het wel. De officiële versie zal weldra de enige bekende zijn. Iedereen zal erin geloven. De meeste mensen hebben er niet eens last van.”


Debat


Dat betekent niet dat Verbeke aan het gelijk van het revisionisme is gaan twijfelen. Maar daarover met een revisionist het debat aangaan is onbegonnen werk voor wie de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog niet uit eerste hand bestudeerd heeft. Eind jaren ’70 dachten Franse journalisten Faurisson gauw even als een bedrieger te ontmaskeren, maar hij bleek de relevante feiten en documenten veel beter te kennen dan zijzelf. Toch waag ik een poging: de bekende speech van Heinrich Himmler in Posen (Poznan) op 4 oktober 1943 zegt toch uitdrukkelijk over de joden dat “wij het plicht hadden om dit volk, dat ons naar het leven stond, uit te roeien”? Op het proces van Nuremberg is zelfs een geluidsopname van die speech als bewijsmateriaal ingebracht.

Verbeke is niet onder de indruk: “Dat was een vervalsing. Hoorspelacteurs waren goed in het imiteren van stemmen. De radio-speeches van Churchill waren door een acteur ingesproken, zoals men inmiddels toegeeft. Er waren enkele honderden mensen aanwezig op die zogenaamde Geheimrede van Himmler. Sommigen zijn over die speech ondervraagd en hebben ontkend dat die uitspraak erin voorkwam. Nee, Himmler heeft dat nooit gezegd.”

Zo zijn we gauw uitgepraat, natuurlijk. Hoe bewijs je als leek nou dat een geluidsopname uit 1943 echt is? Om zulke revisionistische stellingen te weerleggen is een gedetailleerde eerstehandse kennis van het hele bewijsdossier onontbeerlijk. Enkele auteurs hebben zich eraan gezet, ondermeer Michael Shermer (hoofdredacteur van The Skeptic, Los Angeles), maar de vooraanstaande historici halen er hun neus voor op. Mij lijkt dat een onjuiste houding. Als op een ander domein een stevig gevestigde theorie door outsiders aangevallen wordt, dan gaan de topspecialisten inderdaad niet meteen tijd vrijmaken om een weerlegging te schrijven; maar wel zullen ze van die weerlegging een geschikte opdracht maken voor een thesis van een van hun studenten.

En als de uitdaging hardnekkig is en maatschappelijk belangrijk (in dit geval zelfs zodanig dat er wetten tegen gestemd worden), dan zullen de specialisten wèl uit hun pijp komen om de dissidente opdondertjes op hun plaats te zetten. Toen de jongste jaren buitenissige theorieën over oorsprong en ouderdom van de sfinx gelanceerd werden, haalden de egyptologen er eerst de schouders voor op. Maar toen het gerucht bleef aanhouden, staken zij toch maar de koppen bijeen om in een gezaghebbend dossier de puntjes op de i te zetten.     

Soms dagen de revisionisten de gevestigde historici uit tot een debat. Gie van den Berghe, die voorstander is van de beslechting van de revisionismekwestie door stevige historische argumentatie en niet door muilkorfwetten, heeft zich ooit bereid verklaard om met Verbeke in debat te gaan. Na een telefoongesprek nam hij dat voorstel terug omdat Verbeke van zulk “laag niveau” bleek te zijn. Verbeke: “Ja, ik spreek plat Antwerps. Ik ben welbeschouwd ook geen goede spreker, in mijn geval zou een debat best schriftelijk gevoerd worden. Maar ik vrees dat het toch allemaal geen zin meer heeft.” 


Uitsterven


Hoe staan de revisionisten tegenover het Vlaams Blok en zijn typische thema’s? Van de partij als zodanig moeten ze natuurlijk niets weten sedert die de revisionismewet mee goedgekeurd heeft. Het VB-wantrouwen jegens de islam delen ze ook niet, want de islamwereld is hun enige bondgenoot. De Zwitserse revisionist Jürgen Graf kreeg na zijn veroordeling tot een gevangenisstraf asiel in het Iran van de ayatollahs (wat ons als Europeanen ongeacht ons oordeel over Grafs ideeën niet tot fierheid moet stemmen). De meeste revisionistische auteurs hebben hun sympathie uitgesproken voor de Palestijnse zaak en de uiteindelijke schuld voor de aanslagen van 11 september bij de Israëlische greep op het Amerikaans buitenlands beleid gelegd.

Volgens Verbeke moet men zich van die islamsteun ook niet teveel voorstellen: “Jürgen Graf mocht in de Teheran Times een artikelenreeks publiceren om het revisionisme voor te stellen. Die is halfweg stopgezet want de hervormers in de regering daar willen terug aansluiting vinden bij de wereldeconomie. In Libanon is vorig jaar een revisionistische conferentie afgelast door het dreigement om miljardenkredieten aan het land in te houden. Graf zit nu in Rusland, getrouwd met een Russische. Door dit laatste kan hij tenminste niet het land uitgezet worden, want Poetin staat natuurlijk evengoed onder druk om het revisionisme te vervolgen. Roger Garaudy heeft na zijn veroordeling wegens revisionisme zijn boete door een oliesjeik laten betalen, maar hij is een bekeerling tot de islam. Niet-moslims hebben uit die hoek nooit financiële steun gekregen. In de jaren ’80 is er wel geprobeerd om steun te krijgen van Kadhafi, maar meer dan verbaal is zijn sympathie nooit geworden.”

Zelfs de dagdagelijkse afkeer van de Marokkanen in Antwerpen deelt Verbeke niet: “In mijn zaak heb ik nog nooit met Marokkanen last gehad. De Marokkaanse meisjes zijn zelfs erg voornaam. Het echt vulgaire volk hier in Borgerhout, dat is de Vlaamse onderklasse die voor het Vlaams Blok stemt.” In ieder geval kunnen we maar beter aan de Marokkaanse aanwezigheid wennen want, zegt Verbeke: “Het is hier gedaan. Je ziet toch de demografische ontwikkeling, daar is gewoon geen weg terug.” Reynouard klinkt zelfs niet pessimistisch in zijn bevestiging, hij schijnt de verdwijning van het Frankrijk waarin hij opgegroeid is, te aanvaarden: “Ik voed mijn kinderen katholiek op, maar ik maak me geen begoochelingen. Het wordt hier een overwegend muzelmaanse samenleving. Op straat is het al zo ver: onze jeugd zit binnen met haar computerspelletjes, de Maghrebijnse jongens beheersen de straat.”

Voor mij is de kennismaking met enkele levende revisionisten dus niet zonder verrassingen. Dit zijn duidelijk niet de zegslieden van de nationaal-populistische partijen zoals het VB, hoewel die samen met hen in de zak van “extreem-rechts” gestopt worden. De discrepantie tussen de werkelijkheid en de gebruikelijke voorstelling van het revisionisme bevestigt wel mijn algemene indruk van het dominante linkse discours over rechts: het is gebaseerd op amalgaam en de projectie van enkele simpele stereotypes, niet op eerstehandse feitengegevens. Linkse opiniemakers kauwen hun lezers of kijkers een vlot haatbaar vijandbeeld van rechts voor, en dan gaan ze dapper tegen die zelfgeprojecteerde windmolen ten strijde. De show van strijd tegen het rechtse monster is wat hun bezighoudt, niet de juiste weergave van een stroming of ideeëngoed. Respect voor de waarheid is inderdaad een zeldzame deugd.






Lezersbrief van Siegfried Verbeke, Nucleus nr. 6, juni 2002, p. 16.


Revisionisme


Met interesse las ik de bijdrage van Koenraad Elst, die een unicum is, want tot dusver werd het revisionisme in de Vlaamse media nog nooit op een onvooringenomen wijze benaderd. Toch enkele bemerkingen. Ik begrijp dat uw medewerker vanwege de beperking van de vrije meningsuiting niet op de kern van het dispuut kon ingaan.
Zijn artikel geeft daarom de verkeerde indruk, alsof het dispuut enkel berust op tegenstrijdige subjectieve interpretaties van documenten en gebeurtenissen. Er is veel meer, want revisionisten gaan in de eerste plaats uit van exacte waarneembare en meetbare feiten, in tegenstelling tot de ‘holocaustgelovigen’, die het praktisch uitsluitend moeten hebben van ooggetuigenverklaringen.

Uw medewerker rangschikt David Irving onder de revisionisten, wat Irving niet graag zal horen, want deze distantieert zich uitdrukkelijk van hen. N.a.v. zijn klacht tegen Deborah Lipstadt, werd hem door verschillende revisionisten alle mogelijke wetenschappelijke ondersteuning toegezegd, maar hij heeft die pertinent geweigerd. Indien hij bijv. Germar Rudolf als deskundige had laten getuigen, dan had Irving waarschijnlijk het proces niet verloren. Nu moet hij ca. 160 miljoen BEF gerechtskosten aan de tegenpartij betalen, en wordt zijn kapitale woonst in Londen in opdracht van dhr. Shylock deze week in beslag genomen.

Wat betreft de impact van het woord ausrotten stellen de meeste revisionisten niet dat dit woord niet ‘uitroeien’ betekent, maar wel dat dit woord niet altijd mag geïnterpreteerd worden als ‘fysieke uitroeiing’. Het is te vergelijken met de titel van het boek van de Joodse Amerikaan Kaufmann, Germany must perish. Hij bedoelde daarmee ook niet, dat de VS de intentie hadden Duitsland uit te roeien. Overigens is in oorlogstijd ruige taal gebruikelijk, en hoeft men er niet meer in te zien dan verbale krachtpatserij. De holocaustgelovigen zijn te kwader trouw wanneer ze dgl. citaten gebruiken als genocidebewijs.

„Nicht erschiessen”. Bij lezing van deze episode, krijgt de lezer de indruk dat Hitler het bevel zou hebben gegeven de Joden niet te executeren. En daaruit leidt Koenraad Elst af, dat erschiessen dus wel gebruikelijk moet geweest zijn. Het gaat hier niet om een Hitlerbevel, maar om een dagboekaantekening door Goebbels, nadat Hitler had vernomen dat het eerste transport van Berlijnse Joden in Riga door de Esten geëxecuteerd was. Hieruit afleiden dat er een politiek van genocide was, is een grote stap.

Himmlers Geheimreden te Posen. Hoelang gaat deze onzin nog meegaan? Ten eerste moet Himmler superdom geweest zijn, om een Geheimreden te houden voor honderden aanwezigen, en hen hoogst onaangename dingen te vertellen waar ze geen zaken mee hadden. En, simplex simplicissimus, laat Himmler van zijn Geheimreden een fonoplaat maken! In Antwerpen zeggen ze dan: „met alle chinezen maar niet met den dezen”. Bovendien, werden die uitlatingen door aanwezigen nadien bevestigd? Neen.

Op de afwezigheid van een Hitler-genocidebevel wordt geantwoord dat dit daarom niet wil zeggen dat er nooit een geweest is. Echter, moest er één geweest zijn, dan zouden er honderden bevelen op lager overheidsniveau moeten terug te vinden zijn, die naar dit Hitlerbevel verwijzen. Men schijnt te vergeten dat de n.s.-maatschappij erg gehiërarchiseerd was, en niemand wat op zijn eentje improviseerde, laat staan slachtpartijen zou durven aanrichten, zonder door een hogergeplaatste gedekt te zijn.

In dezelfde sfeer: „Hitler liet de vuile karweien over aan zijn luitenants.” De werkelijkheid was anders. Hitler nam de volle verantwoordelijkheid van wat hij beval, ook voor de ‘vuile karweien’, zoals het Kommissarbefehl in 1941 en, in het laatste oorlogsjaar, het bevel tot executie van geallieerde piloten die bij terreurbombardementen waren afgeschoten. Hij gaf ook het bevel tot executie van gevangen genomen commandosoldaten die achter de linies sabotagedaden of aanslagen uitvoerden. Hitler was furieus toen hij vernam dat deze bevelen door de Wehrmacht gesaboteerd werden. Hierbij wil ik ook vermelden dat Himmler geen enkele bevels- of beleidsbevoegdheid had. Het is absurd om te veronderstellen dat Himmler op eigen houtje zou hebben gehandeld.

„Het echt vulgaire volk in Borgerhout” (Vlaams Blok) klinkt denigrerend, maar is in feite niet zo bedoeld, omdat ikzelf in de ogen van sommigen tot deze maatschappelijke onderklasse behoor. In feite is bedoeld dat in Borgerhout enkel de Belgische onderklasse is achtergebleven, samen met de ‘oude Belgen’ (die weg zouden willen, maar niet meer kunnen) en een hele groep agalevers en aanverwanten.

Tenslotte spreek ik geen plat-Antwerps, maar gekuist Antwerps…

Siegfried Verbeke