Posts tonen met het label WO2. Alle posts tonen
Posts tonen met het label WO2. Alle posts tonen

dinsdag 13 februari 2018

De moord op Mellie Uyldert



(Nucleus, katholiek en conservatief maandblad, Brugge, juni 2002)


“Historisch gezien is het antifascisme een propagandaterm uit de communistische leugenfabriek. De hedendaagse variant draait desondanks op volle toeren.” (Dirk-Jan van Baar, HP/De Tijd, 18-2-2000) Pim Fortuyn is niet de enige die recent als “fascist” belasterd is. Wel was hij belangrijk genoeg om daarvoor vermoord te worden, terwijl anderen voorlopig alleen gebrandmerkt en gebroodroofd worden. Dit overkwam zelfs de lieve oude dame die ons kruidenthee schenkt in haar oude huisje in de Gooise gemeente Bussum.



Mellie Uyldert was decennia lang bekend als kruidendame en astrologe. Men hoefde het niet met haar excentrieke ideeën over natuurgeneeskunde en kosmische samenhangen eens te zijn. Uiteraard werd haar huisapotheek wel eens bekritiseerd door orthodoxe medici, en haar fantasierijke filosofie leverde wel eens stof voor satire. Maar niemand twijfelde aan haar goedaardigheid. In 1983-84 kwam zij echter in opspraak met de stelling dat Surinamers hier niet thuishoren en beter naar hun land van herkomst kunnen terugkeren. En met beweringen uit linkse hoek als zou zij tijdens de bezetting voor de collaboratiepers gewerkt hebben. Prompt lieten de New Age-blaadjes en verenigingen die haar om lezingen en artikels plachten te vragen, haar vallen. Sindsdien wordt zij vaak alleen nog genoemd als “de beruchte extreemrechtse Mellie Uyldert” en dergelijke, alsof al haar werk over “de verborgen kracht van edelstenen” en “moeder Aarde’s levend lichaam” slechts een omslachtige camouflage was voor een boosaardig opzet: het nazisme te propageren.



Volgens Felix Zwitser (Mellie Uyldert, de Onbegrepen Wijze Maagd, 1984) kiest zij als openingszet “bepaalde respectabele opvattingen om dan allerlei dubieuze en kwalijke zaken naar binnen te smokkelen (…) Als Uyldert en haar publiek eenmaal op dezelfde golflengte zitten, begint ze andere signalen uit te zenden. Haar argeloze lezers hebben dat misschien niet meteen in de gaten en dreigen dan verstrikt te raken in opvattingen die ze in andere omstandigheden wellicht nooit hadden geaccepteerd.” Deze samenzweringstheorie wordt met instemming geciteerd door Marc Spruyt (De Morgen, 14-4-2001), die zegt dat ze daarbij “uiterst geraffineerd te werk gaat”. Haar dikke boeken over astrologie zijn volgens hem slechts een geraffineerde truc om het daarin één enkele maal terloops genoemde nazisme (dat zij in haar schema van “planetaire correspondenties” onder de contraire planeet Uranus klasseert, zoals het collectivisme bij Neptunus zou passen) uit te dragen. Merk op dat Spruyt in zijn linkse ochtendkrant, die de liberalisering van euthanasie propageert, Mellie Uylderts uitspraak ten gunste van euthanasie aanhaalt als bewijs nummer één voor haar nazi-opvattingen.



Een veelgebruikt bewijs ten laste is Mellie Uylderts stelling dat er mensen zijn die het kwaad uit hun omgeving op zich nemen en uitboeten, wat hun een smartelijk leven oplevert, en dat ondermeer de joden deze tendens vertonen, met Jezus slechts als extreemste voorbeeld. Zie je wel, zeggen onze antifascisten: ze praat zelfs de Holocaust goed! Al die brave mensen die haar kruidenrecepten gebruiken, moeten wel schrikken als ze vernemen wat voor iets duivels ze met haar Lexicon der Geneeskruiden binnengehaald hebben. Om kruidenvrouwtjes op de brandstapel te krijgen begon men vroeger over de duivel, vandaag haalt men er als eigentijdse duivel Hitler bij.



Het gaat hier om ernstige beschuldigingen, dus gingen we haar om haar eigen versie vragen. Haar verhaal begint met een verrassende onthulling, verassend althans voor wie haar in de nazi-hoek wil duwen:


“Ik ben geboren in 1908 in Blaricum. Ik heb altijd in het Gooi gewoond: Laren, Bussum, Huizen. Mijn moeder was volbloed joodse, dus volgens de joodse wet ben ikzelf ook joods. Maar zij was bekeerd en actief christen. Ik dacht dus nooit over mezelf als joods en stond ook niet als joods bekend in het dorp Huizen waar ik later onder de Duitse bezetting woonde. Mijn moeder was lerares Duits, ze had een jaar in Duitsland gewoond en had veel Duits cultuurgoed meegebracht: Kerstmis vieren met een kerstboom, nieuwe inzichten over gezond leven, al die typisch Duitse dingen van toen.”



Het kan nuttig zijn eraan te herinneren dat er vóór de nazi-tijd een sterk Duits-joodse symbiose bestond. Theodor Herzl stelde het Duits voor als taal van zijn op te richten Judenstaat, en Frankrijk verdacht de joodse kapitein Dreyfus van spionage voor Duitsland. Jiddisch was trouwens een variant op het Duits. In Frankijk en Polen en allicht ook de Nederlanden waren jodenhaat en Duitserhaat nauw verweven. In de familie-achtergrond van Mellie Uyldert speelt die symbiose dus ook een rol. Tijdens de Eerste Wereldoorlog was haar moeder een mikpunt van de anti-Duitse gevoelens die toen ook in het buiten de oorlog gebleven Nederland ontstonden. Anderzijds heeft de toen in Duitsland florerende liefde voor de natuur haar beslissend beïnvloed:



“Ik ben vegetarisch opgevoed. Van mijn moeder heb ik de liefde voor de natuur geleerd. Zonde, dat is alles wat niet gelijkloopt met de ordening die God zelf bij de schepping heeft gegeven. Maar mensen zijn eigenwijs, gaan tegen de natuur in. Je moet naar je innerlijke stem luisteren, naar je intuïtie, dat wat we vanzelf weten.”





Onderduiken




Dat Mellie met de Duitse bezetter kennis gemaakt heeft, klopt. Maar niet helemaal in de door haar linkse vervolgers bedoelde zin:



“Het was in de winter 1940-41. Ik herbergde twee joodse vrouwen, een uit Duitsland en een uit Oostenrijk. Ik heb hun echte naam nooit gekend. De vluchtelingenorganisatie liet zo weinig mogelijk weten, dan kon je immers niets verraden. Mijn man was van ons weggegaan, mijn eigen zoon en dochter had ik uitbesteed bij een boerenfamilie, want daar was tenminste eten. Het is op hun kamertjes dat de vluchtelingen logeerden.



“Op die Oostenrijkse heb ik me één keer echt kwaad gemaakt. De afspraak was dat ze alleen in de achtertuin mocht, daar kon ze niet gezien worden. Maar toen ik die keer thuiskwam hing ze over het hekje in de voortuin. Ze zag er typisch joods uit. Het was echt gevaarlijk, want twee huizen verder woonde een familie NSB-ers. Vaak als ik voor het huis met iemand stond te praten, kwam die NSB-vrouw buiten, zogezegd om een een kleedje uit te kloppen of zo, maar in feite om ons af te luisteren. [NSB = Nationaal-Socialistische Beweging, KE]



“Op een dag voelden we dat er gevaar dreigde. De organisatie liet de vrouwen ’s nachts weghalen. De volgende dag al was het mis. Mijn huis was de helft van een tweewoonst en de buren klopten op de gemeenschappelijke muur om me te waarschuwen. Ik hoorde zware stappen rond het huis. Ik kreeg huiszoeking. Ze vonden niets.



“Ik heb ook nog een zoon van een vriendin laten onderduiken. Hij zou anders opgehaald zijn om in een munitiefabriek te gaan werken. Ook bij hem kreeg ik na een tijd een voorgevoel van: nou moet je weg. Later kwam er een huiszoeking, dan zochten ze naar een extra tandenborstel en zo.



“Ik had nog een gewone huurster. Met haar keek ik soms samen in een plaatjesboek naar prenten van copieuze maaltijden, wanneer we zelf geen eten hadden. De honger toen heeft me mijn tanden gekost door het gebrek aan calcium. De onderduikers hadden meer dan wij. Die organisatie bezorgde hun dingen waaraan wij toen gaandeweg gebrek kregen, naaigaren bijvoorbeeld.”





Duitsland en Duitsers




Aan haar actieve sympathie voor en riskante hulp aan onderduikers hield zij echter geen haat jegens de Duitse medemens over. In die tijd was er een volgehouden onderscheidingsvermogen nodig om het nazisme te haten en de Duitsers niet:


“Eén van die soldaten zag tijdens de huiszoeking mijn boekenkast en vroeg of ik professor was. ‘Ich bin nur Lehrerin’, zei ik. ‘Meine Geliebte in Deutschland ist auch Lehrerin’, antwoordde hij. Die Duitsers, dat waren ook maar gewoon mensen. Zijn maat riep hem naar buiten, en bij het vertrek verontschuldigde hij zich voor het ongemak: ‘Ich tue auch nur meine Pflicht.’



“Ik ging toen naar de vrij-katholieke kerk. Tijdens de dienst werd daar gezegd dat alle mensen onze broeders zijn. Maar achteraf hoorde je die mensen tegen elkaar kwaad spreken over de Duitsers. Die huichelarij! Na een tijd ben ik uit die kerk weggebleven.”



Maar dat deed niets af aan haar verontwaardiging over de Duitse agressie:



“Toen Duitsland Nederland binnenviel, hoorden we de zware vliegtuigen. Ik ging op de piano het Wilhelmus spelen, en ik zong het uit volle borst. Je moest het gewoon uiten, ik was zo verontwaardigd. Op het tafelkleed heb ik een stuk tekst van het Wilhelmus geborduurd. Nee, ik heb nooit ergens ingezeten dat met de Duitsers meedeed. Maar nadien zijn ze me van vanalles gaan betichten omdat ik voor de vrede was.”



En die schrijvende collaboratie in het Haagsch Maandblad dan?



“Ik schreef artikels voor wie mij erom vroeg. Ik moest nu eenmaal geld verdienen en ik kon goed schrijven. En zo is er via tussenpersonen wel iets in dat blad verschenen. Ik wist helemaal niet dat dat een NSB-blad was.”



Haar critici zullen allicht om bewijzen vragen. In een Sovjet-showproces ligt de bewijslast immers bij de beschuldigde; in een rechtsstaat ligt die echter bij henzelf. Zij hebben evenwel weinig “bewijsmateriaal” nodig om tot verregaande besluiten te komen:



“Het gerucht dat ik een nazi zou geweest zijn, is begonnen met een krantenbericht, dat iemand mij toegestuurd heeft, over een briefje dat in een Duitse nalatenschap gevonden is. Die Duitser schreef aan een andere: ‘Je moet die Mellie Uyldert vragen voor je blad, want ze kan schrijven.’ Maar die man hééft mij niet gevraagd. Ik zou er ook niet over gedácht hebben om voor de vijand propaganda te gaan voeren.”



Iemand met echte nazi-sympathieën zou overigens niet gewacht hebben tot ze gevraagd werd. Het feit zelf dat iemand nog kon voorstellen om haar te vragen is op zich al een bewijs dat ze géén collaboratrice was. We hebben hier te maken met een gedreven overinterpretatie, spijkers op laag water zoeken om uit een neutraal en onbelangrijk feitje toch maar iets verdachts te kunnen puren. Waarom doen mensen dat?




Verklikkers




“De man die beschuldigingen rondstrooide, Gjalt Zondergeld, heb ik bij mij thuis uitgenodigd. Hij had een misvormd gezicht, misschien zocht hij wel zijn wrok daarover goed te maken door mensen te betichten. Ik had medelijden met hem. Ik zei hem dat wat hij geschreven had, niet waar was, maar hij zei: ‘Ik geloof u niet.’



“Ik heb het er met mijn uitgever over gehad of we geen proces moesten aanspannen om die laster te doen ophouden. Hij zei dat het beter was van niet, dat het wel zou overwaaien, maar het is me sindsdien blijven achtervolgen. Zo stonden eens, toen ik een lezing ging geven, bij de ingang een groep jongeren pamfletten uit te delen waar allerlei lelijks in stond over mij. Ik vroeg hen om binnen te komen en met eigen oren te horen wat ik werkelijk te zeggen had. Maar ze durfden niet, blijkbaar bang om onder mijn invloed te komen. De vrouw die mijn lezing georganiseerd had, sprak hun flink toe dat ze dan maar beter konden opkrassen. Dat zijn domme jonge mensen die weinig in hun mars hebben maar die toch iemand willen zijn, en dan gaan ze maar mensen bij de politie aanbrengen en zo.”



Ziedaar de observatie van iemand die de bezetting meegemaakt heeft en onder dreiging van verklikkers onderduikers geholpen heeft: de psychologie van de hedendaagse “antifascisten” is sterk vergelijkbaar met die van de verklikkers in de nazi-tijd. Mensen beschuldigen is een gemakkelijke manier om jezelf belang te geven, samen met een pervers machtsgevoel. Verder is het in ieder geval onbetamelijk hoe jongeren oude mensen de mantel uitvegen:



“Ze begrijpen ook totaal niet wat het leven onder de oorlog was. Alleen daarom kunnen ze zo ongenadig zijn. Ik zat eens in een Amsterdamse radiostudio voor zo’n call-in programma, en er kwam een telefoontje: ‘Is het waar dat u een brief geschreven hebt aan de zwarte weduwe?’ [d.i. Florrie Rost Van Tonningen, weduwe van NSB-topman Marinus Meinoud Rost van Tonningen – KE] Ik ben eerlijk en ik kom op voor mijn daden, dus ik antwoord: ‘Ja, dat heb ik gedaan, namelijk toen het Nederlandse volk overwoog om aan de staat te vragen, haar haar weduwenpensioen af te nemen.’ Dat was toch afschuwelijk? Ik wou haar troosten met een vriendelijk briefje. Ik ken haar niet, heb haar nooit ontmoet en weet amper wie haar man was. Al wat ik weet is dat zij helemaal achter haar vermoorde man stond.”



Wat die oude dame niet begrijpt is dat jeugdig respect voor ouderen, loyauteit tegenover je man of vriendelijkheid jegens de foute getroffenen van een verlate repressie totaal verouderde waarden zijn. Dat soort menselijke gevoelens past niet in een gesovjetiseerde samenleving die het persoonlijke aan het politieke onderwerpt.



Volgens Marc Spruyt (De Morgen, 14-4-2001) verheerlijkt Mellie Uyldert net als de nazi’s de oorlog als een goed op zich, vandaar haar “geregeld met heimwee terugdenken aan de Tweede Wereldoorlog als een tijd waarin het geestelijke het op het materiële won”. Het is welbekend dat talloze spiritueel gerichte mensen de ontberingen en tegenslagen in hun leven beschreven hebben als momenten van rijping en ontwaken. Materialisten kunnen dat pervers vinden, maar het is gewoon een wijdverbreid menselijk feit. Zo noemde de Belgische politicus Robert Houben (Knack, 6-10-1982, p.124) de oorlogstijd “de mooiste jaren van mijn leven”.

De ontbering hoeft daarom niet het effect van oorlog te zijn, en Mellie Uyldert verheerlijkt ook nergens de oorlog als zodanig. Dit in tegenstelling met mensen in de fascistische sfeer als bv. de jonge Ernst Jünger of Julius Evola, of zelfs Arnon Grunberg die verklaard heeft: “Oorlog is ook een frisse wind, een toestand waarin de mens even schaamteloos kan zijn en de liefde voor zijn leven kan herwinnen.” (Humo, 30-4-2001, p.144). Vandaag zegt Mellie: “De mensen leven ongezond door overdaad. In de oorlog kon dat niet, en die ontbering hield lichaam en geest wakker.”





Onhygiënisch




“Nederland is vol”: de uitspraak wordt aan koningin Juliana toegeschreven, ze zou ze gedaan hebben tijdens haar troonredes in 1952 en 1979. Ook de sociaal-democraat Willem Drees jr. zei dit in 1970 met zoveel woorden. Dat belette een rechter niet om Hans Janmaat voor dezelfde uitspraak te veroordelen, en evenmin belette het links om met stille goedkeuring van de politici een bomaanslag op hem te plegen, waarbij zijn vrouw een been verloor. Pim Fortuyn drukte zich daarom voorzichtiger uit: “Nederland is druk.” Voor de generatie van Mellie Uyldert is dat geen politiek standpunt, maar een klinkklare vanzelfsprekendheid:



“Ik vind dat er teveel mensen zijn in Nederland. Dat is onhygiënisch. Allerlei mensen worden door hun familie naar hier gehaald. Ik heb niets tegen buitenlanders, maar de verhouding deugt niet meer. Dat luilekkerland hier trekt mensen aan.”


Zelfs jongere mensen van onverdachte gezindte zien het zo, bv. de Vlaamse socialist Louis Tobback met zijn uithaal tegen asielbedriegers die hier neerstrijken “als meeuwen op het stort”. Maar bij Mellie Uyldert gaat het niet om afkeer tegen vreemdelingen, wel om een aloude afwijzing van de overbevolking, die zij soms ook feministisch inkadert. Anders dan de racisten wil zij de blanke Nederlandse vrouw niét tot een demografische wedloop met haar zuiderse seksegenotes bewegen:



“De mens is bezig de geslachtsverschillen te verliezen. Vrouwen worden zelfstandiger, hebben vaak geen zin meer in het huwelijk, en dat is goed want er zijn hier al te veel mensen.”



Wie vanuit ecologische overwegingen de overbevolking aanklaagt en tegelijk tot het extreem-rechtse kamp gerekend wordt, krijgt tegenwoordig echter het verwijt van “haat jegens de mensheid”. Nochtans is het niet groen-rechts maar wel groen-links dat daadwerkelijk mensenlevens opoffert aan het leven van de natuur: de UNA-bomber, het Animal Liberation Front, Volkert van der Graaf.



In het werk van de vredelievende mevrouw Uyldert zou men echter wel een pleidooi tegen rasvermenging aantreffen. Spruyt citeert uit haar blad De Kaarsvlam de idee dat rasgemengde individuen vaak “huichelaars en zenuwpatiënten” zijn. Destijds een wijdverspreide opvatting, maar vandaag (ook voor ondergetekende) toch moeilijk aanvaardbaar. Doet zij hiervan afstand?



“Dat neem ik niet terug. Waar ik daarbij aan dacht, zijn de Indo’s, de kinderen van Nederlandse kolonialen en Oost-Indische vrouwen. Ik heb er vele gekend, dat waren erg zielige mensen die eronder leden dat ze nergens echt bijhoorden en door beide zijden geminacht werden. Ze zochten dan maar elkaars nabuurschap op in een straat in Den Haag die daarom Nieuw-Oost-Indiëstraat heet. Anderzijds, ik ben zelf het product van een gemengd huwelijk, en dat is een verrijking omdat ik beide zijden, joods en Nederlands, beter begrijp.”





Besluit




Daarmee hebben we al een vrij goede kijk op de opvattingen van Mellie Uyldert inzake de hedendaagse taboe-onderwerpen. Niet helemaal in overeenstemming met de officiële norm,

maar evenmin “ontleend aan het nationaal-socialisme”, zoals Marc Spruyt beweert. Het is een populaire doch welbeschouwd erg dwaze misvatting dat rasdenken gelijk stond met nazisme, en dat de Tweede Wereldoorlog een strijd tegen het racisme was.



De VS kenden nog volledige rassensegregatie, ook in het leger dat tegen de Duitsers vocht. De West-Europese koloniale machten beoefenden eveneens rassenongelijkheid in hun kolonies. Wat de Sovjet-Unie betreft, maarschalk Zjoekov verklaarde eens dat hij zich door een mijnenveld niet liet tegenhouden: “Dan stuur ik daar eerst mijn Aziatische troepen door”, want het leven van een Kirgiez of een Jakoet was minder kostbaar dan dat van een Rus. De anti-Japanse oorlogsleiders Jiang Jieshi (Tsjiang Kaisjek) en Mao Zedong geloofden beiden in de superioriteit van het Chinese ras. Het geloof in rassenongelijkheid was wereldwijd de norm; het minst racistisch was misschien nog Mussolini’s fascisme met zijn sterke joodse deelname en zijn plannen om van de Ethiopiërs echte Italianen te maken; of Subhas Chandra Bose’s collaboratieleger, dat in tegenstelling met het Brits-Indische leger niet naar kaste en religie gesegregeerd was. Racisme was bij de vijanden van de nazi’s, ook bij de westerse democraten, geen foute steen des aanstoots maar integendeel een evidentie.


Dezelfde kringen die Mellie Uyldert het leven zuur maken, hebben enkele jaren geleden ook Rudolf Steiner, grondlegger van de “antroposofie”, van racisme beschuldigd. Zij haalden uitspraken van hem aan, bv. dat negers als kinderen, blanken als volwassenen en indianen als bejaarden zijn (de bevoogding van negers door blanken en het uitsterven van de indianen zijn in dat licht maar normaal…). Zijn volgelingen probeerden dat te ontkennen of te minimaliseren door met weer andere citaten uit te pakken, bv. dat rasvermenging volgens Steiner een normaal gevolg van de aanstaande niveauverhoging van de evoluerende mensheid zal zijn. Maar ik zou zeggen:

natuurlijk heeft Steiner racistische uitspraken gedaan. Hij groeide op eind 19de eeuw, toen de Britse premier Benjamin Disraeli de rassenkwestie tot “sleutel der wereldgeschiedenis” uitriep, waarbij “niet taal of religie maar alleen bloed het ras bepaalt” (Endymion, p.249-250); en hij stierf in het interbellum, toen de regeringen van democratische landen als Zweden en de VS eugenetische maatregelen uitvaardigden. Uiteraard moeten hedendaagse Steiner-volgelingen de moed hebben om luidop te zeggen dat de meester zich vergist heeft (bv. met zijn stelling dat zwangere vrouwen die negerromans lezen, een mulatje zullen baren), maar zijn critici moeten evengoed toegeven dat Steiner met zijn racistische uitspraken niet meer was dan een kind van zijn tijd.


Ook Winston Churchill, leider van de strijd tegen het nazisme, was een overtuigd racist, van wie krasse uitspraken over negers, Indiërs, Duitsers en Italianen kunnen aangehaald worden. Men moet er dus geen drama van maken als mensen van de vooroorlogse generatie sommige ideeën over ras nooit helemaal achter zich gelaten hebben. Dat stempelt hen volstrekt niet tot nazi’s.



De jongste jaren zien wij hoe mensen die zichzelf tot antifascist uitroepen, meestal onbenullen die zichzelf met het aureool van de weerstanders willen tooien, het net van het “fascisme” steeds breder uitwerpen. De Zwitsers, IBM, Pius XII en de hele katholieke Kerk, Rudolf Steiner en nu ook Mellie Uyldert, allemaal zouden zij hun materiële of morele steentje tot het nazisme bijgedragen hebben. Zelfs naoorlogse bewegingen zoals het New Age-fenomeen worden met terugwerkende kracht aan het nazisme gekoppeld. Toevallig allemaal mensen of instellingen die je veilig kan aanvallen omdat zij toch niet zullen terugslaan. Ziedaar dus een heel wat veiliger “antifascisme” dan dat van iemand die in bezet Nederland joodse en andere onderduikers onderdak verschafte. Ook een heel wat boosaardiger, dat goede mensen besmeurt met een beschuldiging die in het huidige opinieklimaat als het ultieme doodvonnis geldt.





"Imperialistische oorlogsstokers" starten WO2



(Klein Pierke, 2014)


Honderd jaar na het uitbreken van de Groote Oorlog is het bon ton om je afschuw uit te spreken over de verschrikkingen van de oorlog. Met het zicht op de loopgraven ligt het voor de hand om te zeggen: “Nooit meer oorlog!” Ja, daar zijn we het over eens: weg met het zinloos geweld. Maar zeg hetzelfde over de Tweede Wereldoorlog, en daar breken de protesten los, en de verontwaardiging. Raak niet aan onze heilige oorlog! De vijftig+ miljoen doden zijn niet voor niets gestorven! Er moest strijd totterdood gevoerd worden tegen het absolute kwaad!

Tja, als zelfs de grootste oorlog uit de wereldgeschiedenis gerechtvaardigd kan worden, dan kan elke oorlog dat, ook bv. de Eerste Wereldoorlog. Als men de vorige oorlog veroordeelt maar meteen de volgende goedpraat, dan kan men voor eender welke oorlog wel iets verzinnen. En inderdaad, met de oorlog van 1939-45 in de hand worden tal van andere oorlogen gerechtvaardigd. Wie niet tot een inval in Vietnam, Irak of Libië bereid is, wordt beschuldigd van “een tweede München”, van vrede te sluiten met “de nieuwe Hitler”. Wie dus de Tweede Wereldoorlog rechtvaardigt, laadt nogal wat latere oorlogen op zijn geweten.

Men moest dus wel de oorlog verklaren aan Adolf Hitler. Dat niet doen zou volstrekt immoreel geweest zijn, zo denkt men nu algemeen. Die houding gaat ervan uit dat het nazisme al van vóór de oorlog uitbrak, het absolute kwaad was. Het was niet sympathiek, maar het absolute kwaad is iets heel anders. Het plande bv. geen uitmoording van de Joden –- zulk “intentionalisme” is weliswaar een wijdverbreide opvatting, maar is onder geschiedkundigen grondig achterhaald, en enig document dat de vooroorlogse nazi-intentie tot de Holocaust bevestigt, is naarstig gezocht doch nooit gevonden. Nee, het tegendeel is waar: het nazisme is veel boosaardiger geworden juist ten gevolge van de oorlog. Met name de Holocaust zou nooit gebeurd zijn zonder die oorlog. Er was een plan om het Duitse Rijk judenrein te maken door emigratie, maar vóór 1941 was er geen plan om dat doel door uitmoording te bereiken; dat alternatief was een gevolg van de oorlog. Geen oorlog, geen Holocaust. Deze stelling roept veel emotionele tegenkanting op, maar zij is zeker juist.



Grammens

Ook de inval in België zou nooit gebeurd zijn zonder de Brits-Franse oorlogsverklaring aan Duitsland.

De huldezitting voor Mark Grammens, herfst 2013, was voor mij het voorwerp van een artikel, waarin ik even uitweidde over het ontbranden van de tweede wereldoorlog. Grammens had de voorafgaande weken in zijn column in ’t Pallieterke betoogd dat de Vlaamse beweging gelijk had, met Duitsland te collaboreren. Jan Neckers had daar in hetzelfde medium ondermeer tegenin gebracht dat de bevolking veel wrok tegen de Duitsers had, want dat zij concreet veel te lijden had onder de bezetting. Dat is zonder meer het geval, maar de vraag is of Duitsland die bezetting wel gewild had.

Zelf meen ik dat de Vlaamse Beweging, ook met de kennis van toen, een fout maakte door te collaboreren. Ten eerste had de leidersgeneratie die als jongere, soms als frontsoldaat, de Eerste Wereldoorlog had meegemaakt, moeten weten dat de Duitse overwinning geen verworvenheid was en in haar tegendeel kon verkeren. Ten tweede was de toestand in België weliswaar niet rechtvaardig, maar was er zonder enige buitenlandse hulp toch grote vooruitgang geboekt. Er zou zonder collaboratie veel meer bereikt geweest zijn dan met. Het weinige dat er onder de bezetting aan Vlaamse vooruitgang te noteren viel, was vooral het doen naleven van de Belgische taalwetten (wat in het Belgische kader weleens een probleem was), en het is waarschijnlijk dat de wetsgetrouwe Duitsers dat hoe dan ook zouden gedaan hebben. Andere Vlaamse eisen, zoals de splitsing van het land, zouden hun eigen plannen maar doorkruist hebben, waarin de toekomst van België een pasmunt zou worden van een latere beoogde machtsverdeling met het Verenigd Koninkrijk. Kortom, zelfs in het geval van een Duitse zege kregen de Vlamingen slechts weinig doch betaalden ze een hoge prijs: zoalniet medeplichtigheid aan de nazi-misdaden, dan alleszins toch aan de militaire bezetting van een gebied dat ook Vlaanderen omvatte.

Maar in een “wat als?”-benadering van de geschiedenis kunnen wij de denkoefening maken of de Vlaamse Beweging wel voor die keuze hoefde geplaatst te worden. Had de Duitse verovering van de westelijke buurlanden kunnen voorkomen worden?

Ik wees erop dat Duitsland in het noodlottige jaar 1939 Tsjechië bezet had en binnengevallen was in Polen, onmiskenbaar oorlogshandelingen, maar in het kader van een plaatselijk midden-Europees oorlogje. Sorry voor het verkleinwoord, maar de Tweede Wereldoorlog heeft nu eenmaal onze inschatting van het formaat van oorlogen veranderd. Het was de Frans-Britse oorlogsverklaring van 1 september 1939 die van dit oorlogje een wereldoorlog maakte. Men herleze de kommunistische pers van de 22 maanden volgend op deze oorlogsverklaring, toen de Sovjet-Unie een bondgenoot van nazi-Duitsland was: daarin worden de “koloniale bourgeoisdemocratieën” Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk als aanstichters van de oorlog aangemerkt. Formeel was dit in ieder geval juist: niet Duitsland heeft de westelijke mogendheden de oorlog verklaard, het omgekeerde is gebeurd. En na acht maanden van “phoney war” of “drôle de guerre” zette het de verklaarde oorlog in een feitelijke oorlog om. Het bezette een deel van Frankrijk, was de Britten één dag voor met het inlijven van Noorwegen, en legde om strategische redenen ook beslag op de neutrale landen Denemarken, Nederland, België en Luxemburg.



Het Duivelspact

In het lezenswaardige artikel “Duivelspact” (De Tijd, 16 aug. 2014) bevestigt Rik Van Cauwelaert dat de kommunisten in die periode tegen de "echte schuldigen voor de oorlog" fulmineerden. Pas in 1941, met de inval in de Sovjet-Unie, werd dat nazi-Duitsland, maar in 1939-41 waren dat de koloniale bourgeois-democratieën. De implicatie schijnt te zijn dat de kommunisten moedwillig blind waren voor Hitlers ongebreidelde oorlogszucht, maar in feite hadden zij gewoon gelijk. Men stelt het nu zo voor dat Hitler door de inval in Polen WO2 op gang bracht, maar toen gold het als politiek correct om de schuld bij Frankrijk en het VK te leggen, volgens de kommunisten “imperialistische oorlogsstokers”, die immers de oorlog aan Duitsland verklaard hadden, niet omgekeerd.

Het diepere verwijt aan de marxisten is dat zij het nazisme niet moralistisch verabsoluteren, zoals in de Hollywoodversie gebruikelijk is. Zij vatten het op als functie van de strijd tussen socialisme en kapitalisme. Het nazisme is niet het ultieme kwaad, het is gewoon een laat stadium van het in crisis verkerende kapitalisme. De kapitalistische bourgeois-democratieën stellen het zo voor dat er een “goed” (bourgeois-democratisch) tegenover een “slecht” (totalitair, nazi) kapitalisme stond, maar in feite ging het om twee varianten van het kapitalisme, waarvoor alleen het socialisme een modern alternatief is. Dat kapitalisme is dan wel de vijand, maar is ook geen absoluut kwaad. Zo heeft het de verdienste om allerlei religieuze voorstellingen, erfelijke aangehorigheden en irrationele identiteiten uit de voorafgaande feodale fase ongedaan gemaakt te hebben. Anders dan in de moralistische “herinneringseducatie” aangeleerd wordt, denkt het marxisme niet in termen van goed en kwaad, en is verontwaardiging in zijn kijk op de geschiedenis misplaatst. Het kapitalisme is nu eenmaal een noodzakelijke stap in de sociaal-economische ontwikkeling, zoals vroeger de slavernij en nog vroeger het “oercommunisme” dat waren, en zoals later het socialisme dat zal zijn. Het marxisme beroept er zich op, “wetenschappelijk” te zijn, en inzake de Tweede Wereldoorlog is het alvast wetenschappelijker dan het nu gebruikelijke gemoraliseer over het “absolute kwaad”.

In dat raamwerk past de beoordeling van de periode 1939-41 als een oorlog uitgelokt door de “imperialistische oorlogsstokers”. Wat Hitler zocht waren beperkte veroveringen in het Oosten, in Tsjechië en Polen, en op termijn wellicht Europese delen van de Sovjet-Unie, gebieden die als deel van het Pruisische of Habsburgse rijk of via de Wolga-Duitsers en de eertijdse Krim-Goten als “historisch Duits” konden voorgesteld worden. Het verhaal dat Hitler “de wereld wou veroveren” is op niets dan op oorlogspropaganda gebaseerd. Het papiertje met het onzinnige Duitse plan voor een invasie van de VS via Latijns-Amerika, waarmee FD Roosevelt in het Congres zwaaide, was een vervalsing door de Britse geheime dienst. Dat iedereen deze oorlogspropaganda nog steeds gelooft, is de massapsychologische vertaling van het diplomatieke feit dat WO2 nooit met een vredesverdrag beëindigd is. In weerwil van dit wijdverbreide verhaal had Hitler niet vooraf de bedoeling om de hele wereld of zelfs maar West-Europa in te lijven.

In hetzelfde artikel schrijft Rik Van Cauwelaert aan Adolf Hitler als intentie achter het "duivelspact" toe, zijn handen vrij te hebben voor de oorlog in het Westen. Dat draait de zaken om: Hitlers hoofddoel was het Oosten, terwijl de oorlog in het Westen hem opgedrongen werd. Zonder oorlogsverklaring door de westelijke mogendheden was Vlaanderen niet in oorlog gekomen en had het geen bezetting moeten ondergaan. De ontstaansgeschiedenis van WO2 was, evengoed als die van WO1, ingewikkelder dan het kinderlijke zwart/wit-beeld uit de oorlogspropaganda en de Hollywoodversie.



Midden-Europese oorlog

De tweede wereldoorlog is niet mijn specialiteit als geschiedkundige, maar hij is in onze cultuur nu eenmaal alomtegenwoordig, en ik heb me er ook moeten in verdiepen naar aanleiding van het levensverhaal van onder meer Mahatma Gandhi (die met de Britse zaak sympathiseerde doch met het oog op een schijnbaar nakende overwinning van de As in 1942 de “Quit India”-beweging begon), Subhas Chandra Bose (collaborerend vrijheidsstrijder), Radhabinod Pal (dissident rechter in het naoorlogse Tokio-tribunaal) en Savitri Devi Mukherji (Frans Hitlerfanate en schrijfster die de oorlog in India doorbracht en voor Japan spioneerde). Verder heb ik ruime ervaring met polemieken onder geschiedkundigen, en ik meen wel de mechanismen daarvan te herkennen. Ik ben dan ook redelijk zeker van mijn zaak waar het de oorzaken van die oorlog betreft. Maar ik zou me natuurlijk kunnen vergissen, en blijf benieuwd naar gebeurlijke nazi-beleidsdocumenten van vóór 1939 die de Holocaust of de inval in de westelijke buurstaten plannen. Daarentegen maken lekenargumenten van het genre: “Jamaar, iedereen wéét toch…” op mij geen indruk. Enkele becommentarieerde reacties die ik gekregen heb, volgen hieronder.

Op de blogstek In Flanders’ Fields (http://www.inflandersfields.eu/2013/11/grammens-voor-eens-en-altijd.html), eind november 2013, merkt een zekere Johan op dat ik geschreven heb dat het Hitler alleen maar te doen was om "een plaatselijke oorlog om historisch Duitse gebieden". Hoe verklaar ik dan “dat Duitsland op 15 maart 1939 de rest van Tsjechië bezette en een dag eerder Slowakije tot de status van vazalstaat van Duitsland dwong”? Hij beroept zich daarvoor op Wikipedia, doorgaans een zeer onbetrouwbare bron maar in dit geval spreekbuis van een breed gedragen opvatting: "Met deze stap overschreed Duitsland de grenzen van zijn Groot-Duitse ruimte naar het gebied van de Lebensraum."

Uiteraard waren de ingrepen in Slovakije, Tsjechië en Polen daden van agressie. Merk op dat Hitler Slovakije niet inlijfde maar tot onafhankelijke vazalstaat maakte. Zelfs Tsjechië werd niet strikt ingelijfd maar werd een protectoraat, zoals er toen in de koloniale gebieden wel meer waren. Deze landen behoorden tot de grijze zone rond Duitsland, en bevestigen formeel dat Duitsland wel degelijk niet-Duits gebied erkende en veel minder ambitie had dan de wereldheerschappij. Ook de westelijke buurstaten zouden in de nazi-toekomstvisie wel tot de Duitse invloedssfeer behoren maar onafhankelijk blijven. Het eerste gevolg van de Brits-Franse oorlogsverklaring was echter dat de Duitse leiding haar territoriale plannen herzag.

Maar goed, de inval in Tsjechië en daarna in Polen waren zonder meer oorlogshandelingen. De aanhechting van Oostenrijk en Sudetenland werd door een meerderheid van de betrokken bevolkingen gesteund, en werd in München 1938 door de andere Europese mogendheden goedgekeurd als een verlate toepassing van het zelfbeschikkingsrecht der volkeren, aanvaard na de Eerste Wereldoorlog. De aanhechting van Tsjechië in maart 1939 maakte een einde aan de opluchting van “peace in our time”. Dit keer stond de bevolking de binnentrekkende Duitse troepen niét toe te juichen. Om verdere gebiedshonger van Duitsland in te perken, dreigden de westelijke mogendheden Duitsland met militaire interventie als het nog eens zou gebeuren. Bij de inval in Polen op 1 september, gedekt door het Hitler-Stalin-pact, dacht Hitler er nog net mee weg te geraken. Er heerste in zijn hoofdkwartier een zekere verslagenheid toen het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk dan toch de oorlog verklaarden.

Het lijdt geen twijfel dat het in Tsjechië en Polen om oorlogshandelingen ging. Formeel werden zij ook gerechtvaardigd. De Tsjechische verovering heette door historische aanspraken gedragen te worden: Praag was zelfs de hoofdstad van het Heilige Roomse Rijk geweest. Vandaar mijn term "historisch Duitse gebieden", daar waar Oostenrijk en Sudetenland actuele "volks-Duitse gebieden" waren. (Het probleem met nationalisten is altijd dat ze die historische kaart uitrollen waarop hun land het grootste was.) Deze verovering was echter strijdig met het modernere en democratischere zelfbeschikkingsrecht der volkeren, waar Duitsland het jaar tevoren nog een beroep op had gedaan. De Poolse verovering gold als een reactie op Poolse mishandeling van de Duitse minderheid, die inderdaad plaatsvond, en op zeer betwiste beschuldigingen van Poolse agressie tegen Duits grondgebied. Hoe dan ook, dit was duidelijk agressie, dit was een oorlog die eenzijdig door Duitsland begonnen was. Maar het was geen wereldoorlog, en door het Hitler-Stalin-pact en de daarin afgesproken verdeling van Polen stuitte Duitsland nu op een nieuwe en veel moeilijker te nemen oostgrens met de Sovjet-Unie. Voorlopig was de gebiedsuitbreiding dus voltooid.

Als de westelijke mogendheden de oorlog niet verklaard hadden, dan bleef de emigratie van de Joden mogelijk, en dan had bv. het van oorsprong Poolse Madagascarplan kunnen uitgevoerd worden. Niet sympathiek, zo’n gedwongen uitwijking, maar zeker te verkiezen boven de Holocaust. In de politiek kan men al van een succes spreken als het ergste vermeden is omdat een minder kwaad bedongen kon worden. Maar door de oorlog te verklaren, blokkeerden de westelijke mogendheden die uitweg en maakten ze de Midden-Europese Joden tot gevangenen van het Duitse Rijk.



Pacifisme

Johan merkt nog op: “Met uw bewering dat pacifisme het juiste standpunt was in de jaren '30 ben ik het evenmin eens. Ze valt te vergelijken met de bewering dat stoppen met het vergrendelen van ramen en deuren het juiste standpunt is om diefstal te vermijden. Juist een eerder militair ingrijpen had WOII kunnen vermijden, bv. bij herbezetting van het Rijnland in 1936.”

Ik heb nooit gezegd dat “pacifisme” de oplossing was. Er bestaat een zekere “economie van het geweld”, die maakt dat soms een kleiner geweld vandaag een groter geweld morgen kan voorkomen. (Het is wel een gevaarlijk beginsel, want zo kan elke hoeveelheid geweld gerechtvaardigd worden als genoodzaakt door de dreiging van nog meer geweld.) Een hogere vorm van deze economie is de afschrikking: duidelijk maken dat je zo’n groot geweld kan ontplooien dat de ander maar liever van zijn snode plannen afziet, en dat zonder dat er één schot gelost wordt. En daar zijn de westelijke mogendheden mogelijk te kort geschoten. Het pacifisme vierde hoogtij, wat zeer begrijpelijk was voor een generatie die de zinloze loopgravenoorlog meegemaakt had. Zelfs toen nazi-Duitsland herbewapende, vond men dat men “de nazi’s niet bestreed door hen na te doen”.

Het Navo-uitgangspunt van “peace through strength” had zeker verschil gemaakt ten goede. Men had, net als Ronald Reagan in de Koude Oorlog met succes gedaan heeft, zelf een geloofwaardige militaire sterkte kunnen opbouwen om nazi-Duitsland af te schrikken. Maar in de tijd van het "gebroken geweer" deden de westerse democratieën precies het omgekeerde. De betrokken politici hadden, net als de Britse en Franse premiers in 1939, niet alle gevolgen van hun daden kunnen overzien.

De hier aanbevolen bezetting van het Rijnland zou eens te meer een schending van de Duitse soevereiniteit geweest zijn, een herhaling van de vernedering van Versailles, precies de belangrijkste factor van het nazi-revanchisme. Het was ook geen misdaad dat Duitsland op zijn eigen grondgebied zijn soevereiniteit uitoefende, en moest dus ook niet bestraft worden. Het lijkt maar misdadig vanuit de demonisering van Duitsland die precies het gevolg is van alles wat na de oorlogsverklaring gebeurd is, vooral de Holocaust. Zo was de Kristalnacht weliswaar een misdaad, maar op die schaal gebeuren er in zo veel landen misdaden; hij wordt maar herdacht als een stapsteen naar de Holocaust juist omdat er een Holocaust op gevolgd is – en die was het gevolg van de wereldoorlog.


Het is merkwaardig dat degenen die zo verontwaardigd zijn over mijn pleidooi voor een vreedzaam samenleven met nazi-Duitsland geen enkele moeite hebben met de reëel gebeurde vreedzame coëxistentie met de Sovjet-Unie. Integendeel, terwijl zij uitschruwelen hoe immoreel het wel is om het loutere bestaan van het nazi-bewind te gedogen, dulden zij in hun pleidooi wel het bestaan van de Sovjet-Unie, haar inlijving van Polen en de Baltische staten, en zelfs de samenwerking (“collaboratie”) met datzelfde “totalitaire, vrijheidsberovende” systeem. Van 1945 tot 1989 heeft er tussen het Sovjet- en het westelijk blok (rechtstreeks) een gewapende vrede bestaan, precies zoals de "lafhartige pacifisten" het wilden. Vergeleken met de hypothetische kernoorlog die anders ontbrand zou zijn, was dit waarschijnlijk wel te verkiezen. Zoals in 1939 zelfs de tijdelijke verdrukking van Tsjechië en Polen achteraf bezien misschien wel te verkiezen was boven WO2 en de Holocaust, die sommigen blijkbaar moreel superieur vinden.

Terwijl men de Holocaust had kunnen voorkomen door de vrede met nazi-Duitsland te bewaren, was er wel een oorlog nodig om Polen en Tsjechië weer aan de Duitse heerschappij te ontworstelen. Echter: deze landen zijn door de westelijke mogendheden wetens en willens aan de Sovjet-controle opgeofferd, en zouden hoe dan ook pas in 1989 hun vrijheid terugkrijgen. De oorlog is dus wel formeel om hun vrijheid begonnen, maar is objectief niet daarvoor gevoerd. In een vredesscenario had de Duitse bezetting mogelijk niet eens tot 1989 geduurd – we hebben het niet geprobeerd en weten gewoon niet welke tendens binnen het allerminst monolithische nazi-bewind het zou gehaald hebben. Evenmin weten we wat er met diplomatieke middelen voor hun vrijheid bereikt had kunnen worden. We hebben iets anders geprobeerd, de oorlog, en daarvan weten we dat hij voor Tsjechië en Polen tot een halve eeuw onvrijheid geleid heeft. We weten sedert 1989 wel dat totalitaire regimes niet het eeuwige leven hebben, en ook het nazi-bewind zou ooit wel geïmplodeerd zijn, zonder oorlog.


Nog over het vredesalternatief was ene Marc het met die Johan eens: “ Niemand is volkomen zonder blaam, maar dat is geen geldig argument om lafhartig 'pacifisme' te prediken wanneer men komt te staan tegenover manifest kwaad zoals het nazisme (of eender welke vorm van vrijheidsberovend totalitarisme).”


“Lafhartig”, “manifest kwaad”, toe maar! Waar lopen die grote woorden met dat ventje naartoe?! Ik pleit voor niets lafhartigs, enkel voor een verantwoordelijke economie van het geweld,-- en het grootste conflict aller tijden is “manifest” géén zuinige omgang met geweld.


Deze Marc pleit voor een militaire aanpak van “manifest kwaad zoals het nazisme (of eender welke vorm van vrijheidsberovend totalitarisme)”. Maar in dat geval had men ook de Sovjet-Unie moeten de oorlog verklaren, want die had eveneens de helft van Polen veroverd. Ze had tegen 1939 onder haar eigen bevolking honderden keren meer mensen gedood dan nazi-Duitsland, en was zeker een “vrijheidsberovend totalitarisme”. Misschien kan Marc zijn sabelslepende aanpak verantwoorden, maar dan niét de eenzijdige oorlogsverklaring aan Duitsland waarbij de Sovjet-Unie met rust gelaten werd.


Jodenuitroeiing

“De notie dat de Jodenuitroeing een direct gevolg was van de oorlog is pure speculatie. Zij staat direct in contradictie met het feitelijke lot van talloze minderheden die als zondebokken werden gebruikt door totalitaire regimes. Eigentijdse voorbeelden zijn de Falung Gong in communistisch China en de Bahai in theocratisch Iran. De Brits-Franse oorlogsverklaring was een direct gevolg van de Duitse inval in Polen en die verklaring was uitdrukkelijk op voorhand 'getelegrafeerd' aan het nazi-regime met Polen als een 'red line' na een serie van voorafgaande Duitse verdragsovertredingen. Het historisch revisionisme van de heer Elst, en ook van Grammens vermoed ik, is een vorm van kopindegronderij.”


Dat de Jodenuitroeiing evengoed plaats zou gevonden hebben zonder oorlog, zoals Marc impliceert, dát is zuiver speculatie. Er is volstrekt niets dat erop wijst, volstrekt niets. Ook niet de “demonische” aard van het Hitlerregime, want Hitler, die eind 1936 op het voorblad van Time stond als “man van het jaar”, is pas na de oorlogsverklaring echt gedemoniseerd. Daarentegen is de oorzakelijke keten van het begin van de oorlog tot, twee jaar later, het besluit van met name de SS-leiding tot lijfelijke eliminatie van de joden vrij goed bekend. Maar om een oorlog te rechtvaardigen die onbeschrijflijk veel ellende aangericht heeft, waaronder de Holocaust, moet men wel beginnen schelden en schreeuwen.


Noch de Falungong noch de Bahai’s zijn voorwerp van een dermate omvattend programma tot uitroeiing als de Holocaust. Maar het is een feit dat sommige regimes ook in vredestijd hun minderheden weg willen, en soms ook uitroeien. Met name Stalin, voor Marc niet zo’n “manifest kwaad” als Hitler, had in Oekraïne in 1932-33 de Holodomor georganiseerd, de hongermoord op miljoenen Oekraïners. Wikipedia spreekt van “2,7 tot 10 miljoen” doden (lemma Holodomor, Nederlands, 16 aug. 2014); 10 miljoen was ook de private schatting door Walter Duranty, correspondent van de New York Times, die de moordpartij toen geheim hield om bij Stalin in het gevlij te komen. Het is altijd leuk als quizvraag: “Wat was de grootste moordpartij in 20ste-eeuws Europa? Het begint met Holo…” Maar goed, tegen deze achtergrond, waar men in nazi-Duitsland bij uitstek van op de hoogte was, bleek het nazi-regime in vredestijd verhoudingsgewijs nog vrij humaan: wel repressie tegen opposanten, wel Jodenwetten, maar géén uitmoording. Die begon pas na en als gevolg van de oorlogsverklaring. (Er was wel het euthanasieprogramma op mentaal gehandicapten, dat al vóór de oorlog begonnen was; maar ziet, dat werd onder protest van de Duitsers, nog wel in oorlogstijd, teruggeschroefd. De nazi-dictatuur plooide dus voor de openbare mening. Daarom werd de Holocaust in het grootste geheim uitgevoerd: de SS wist dat de modale Duitser het niet zou smaken.)


Marc en anderen mogen mij eender welk feit betreffende de oorlog onder de neus duwen, ik verwacht niet dat het mijn stelling zal weerleggen. Een weerlegging zou zijn: een document uit het interbellum waarin de nazi’s reeds de uitroeiing van de Joden plannen. Topgeleerden hebben het nooit kunnen vinden, ook Marc zal het niet vinden. “Kopindegronderij” schijnt te betekenen: moedwillig blind blijven voor feiten. Maar Marc heeft nog altijd geen historisch feit kunnen noemen dat met mijn stelling in strijd is. Hij moet wel oppassen met de term “revisionisme”. In België is deze term gaan betekenen: de Holocaust ontkennen –- sedert 1995 een strafbaar feit. En iemand ten onrechte van een strafbaar feit beschuldigen, is zelf óók een strafbaar feit. Verre van de Holocaust te ontkennen, komt mijn stelling juist voort uit de vraag hoe de Holocaust had kunnen voorkomen worden.

In het boek The Myth of Rescue (Routledge 1997) vraagt William Rubinstein zich hetzelfde af. Hij besluit dat de Holocaust op geen enkele manier voorkomen had kunnen worden “once the mass murder of the Jews of Europe had begun”, tenzij door de oorlog te winnen. Nee, dus. De oorlog is immers gewonnen, en de Holocaust heeft “toch” plaatsgehad. De oorlog voeren en winnen was dus niet de methode om de Holocaust te voorkomen. Wat wel gewerkt had, was de oorlog voorkomen. Dan had men alle Joden, ook uit bezet Polen, kunnen laten vertrekken. Hitler zou zich verheugd hebben, van hen verlost te zijn, en de Joden zouden betrekkelijk blij geweest zijn, weer eens het vege lijf gered te hebben. Dan had men wel met Hitler moeten verder leven, maar die had zich dan niet met het bloed van de Joden bevlekt, noch met de tientallen miljoenen oorlogsdoden, en zou dus bijlange niet zo’n spreekwoordelijk demonische figuur geworden zijn.



Bergen lijken

In mijn artikel over Mark Grammens’ huldezitting had ik Winton Churchill een “liefhebber van bergen lijken” genoemd. Dat is niet mijn gewone spraakgebruik, en in die zin wil ik mij ervoor verontschuldigen. Het wekte deze reactie van Marc: “Tenslotte, Churchill was geen 'heilige' -- wie onder ons zou dat wel zijn -- maar hem afdoen als een ‘liefhebber van bergen lijken’ is een historicus onwaardig. Het is weer een directe vorm van kopindegronderij en een weigering om de complexiteit van zijn reële dilemmas te willen onderkennen.”


Nou, deze “kopindegronderij” steunt zich op een aantal historische feiten die men in neutrale geschiedenisboeken terugvindt, maar die bij de Churchill-vereerders minder goed bekend zijn. Er is heus geen bombardement op Dresden voor nodig om Churchill een liefhebber van bergen lijken te noemen. Hij was nu eenmaal zeer slordig met mensenlevens, en dat is op vele andere fronten gebleken. In de Eerste Wereldoorlog joegen vele legerleiders hun mannen in groten getale een zinloze dood in, en dat is ook wat Churchill in Gallipoli deed. Nu maarschalk Ferdinand Foch door de burgemeester van Leuven als een “oorlogsmisdadiger” afgedaan (en zijn plein van naam veranderd) is, is het niet overdreven om ook Churchill aan dat soort verantwoordelijkheid te herinneren. Wie de zinloze dood van zovelen nu veroordeelt, ontkomt er niet aan dat zijn veroordeling ook Churchill treft.


Churchill rechtvaardigde ook het gebruik van gifgas tegen de bolsjevieken en andere “niet-beschaafde” groepen. En toen zijn geforceerde oorlogsproductie in Bengalen in 1943 tot een hongersnood leidde die uiteindelijk een drie miljoen mensen het leven zou kosten, kreeg Churchill de keuze voorgelegd om Bengalen wel of niet met graan uit Australië te bevoorraden; hij koos ervoor om deze “niet-beschaafden” te laten creperen. In India staat hij vooral bekend als een verwoed racist en kolonialist, die welbewust van de gevolgen de beslissing nam om geen graantransporten in te leggen die talloze mensenlevens hadden kunnen redden, omdat hij deze Bengali’s de moeite niet waard vond. Het is werkelijk “kopindegronderij” om deze kant van Churchill mordicus niet te willen zien.



Besluit


Mijn stellingen zijn niet "controversieel" -- wel voor gelovers in de Hollywood-versie, maar niet onder ernstige historici. Dat de Holocaust niet tot het nazi-programma behoorde maar door omstandigheden na 1939 tot stand kwam, is gewoon de “functionalistische” these, intussen gemeengoed onder historici. Dat Churchill "een liefhebber van lijkenbergen was", blijkt uit niet-controversiële en niet op de nazi's betrekking hebbende feiten uit zijn loopbaan, van Gallipoli tot de Bengaalse hongersnood. Dat Duitsland vóór 1939 niet de inlijving van de westelijke buurlanden beraamde, blijkt eveneens uit alle mij bekende bronnen.


Maar anders dan na WO1 is na WO2 de oorlogspropaganda nooit rechtgezet en is zij integendeel in de algemene beeldvorming overgegaan. Vandaar dat de meeste mensen vaag menen te weten dat "Hitler de wereld wou veroveren" en van daar uit de daden van de wereldleiders in de jaren 30 beoordelen. Of denken dat de Holocaust van in 1933 onvermijdelijk was en de oorlogsverklaring van 1939 daaruit voortkwam.


In september 1939 vond een plaatselijk oorlogje plaats, dat voor Polen een kwestie van leven of dood was maar voor de rest van de wereld van beperkt belang. Tijdens zijn pogingen in 1940 om met de Britten vrede te sluiten, toonde Hitler zich zelfs bereid om de niet-Duitse gebieden te ontruimen, dus zelfs voor (een deel van) Polen was er nog hoop. In ieder geval, van dat plaatselijke oorlogje heeft de Brits-Franse oorlogsverklaring een wereldoorlog gemaakt. Die oorlog heeft tientallen miljoenen doden geëist en de Holocaust mogelijk gemaakt. Ik hoop dat zijn pleitbezorgers de nabestaanden in de ogen kunnen kijken en zeggen dat hun dode niet voor niets gestorven is.

Ze heeft ook Vlaanderen aan een aanvankelijk niet-geplande Duitse bezetting blootgesteld. Deze heeft dan weer het Belgisch koningshuis, belgicisten als Léon Degrelle en een groot deel van de Vlaamse Beweging ertoe gebracht, met de bezetter te collaboreren. Sommigen zijn daar niet voor gestraft, anderen kregen dan weer de volle laag, ook onschuldigen zoals de opgroeiende Mark Grammens. Uit al die ellende kan ik alleen besluiten dat de Tweede Wereldoorlog nog meer dan de Eerste de leuze rechtvaardigt: “Nooit meer oorlog!”





(Nieuw Pierke, 18 sep 2014)



Aanhangsel: “Aline Sax”, lezersbrief van Iny Driessen in Tertio, 10 april 2013.

“Met pijn in het hart las ik de recensie van Jooris van Hulle over het boek van Aline Sax, Voor Vlaanderen, Volk en Führer (Tertio nr. 680). Ik ben de dochter van een Oostfronter en heb me jarenlang – en nog – verdiept in hun motiveringen. Velen handelden uit winstbejag of om bijvoorbeeld een gevangenisstraf te ontlopen, om macht te krijgen, of omdat ze in de Führer en de Nieuwe Orde geloofden. Maar ik wil het tegen Sax toch opnemen voor de idealisten die er ook waren, onder wie mijn vader. Hij was in 1942 onwetend over het lot van de joden. Het erkennen van de waarheid was nauwelijks te dragen. Hij is ervoor gestraft: vijf jaar gevangenis – smerig behandeld – [en] het verlies van zijn burgerrechten, die hij op zijn knieën terugvroeg omwille van zijn kinderen. Hij zocht naar vergeving en rust, zijn leven lang. In zijn naam ben ik aan opperrabbijn Albert Guigui vergeving gaan vragen. Die heerlijke man heeft me liefdevol omhelsd en gezegd dat de liefde die mijn vader de rest van zijn leven aan zovelen betoonde, voldoende was. Nu hij er niet meer is, heeft papa eindelijk rust en vergeving gevonden, want God is barmhartiger dan Sax.”