vrijdag 19 mei 2017

Geweldloosheid voor volwassenen

Hoe Gandhi WO2 voorkwam PDF Print E-mail
      

 

Geweldloosheid voor volwassenen


          Op 30 januari 2008 hebben we de moord op Mahatma Gandhi, dag op dag zestig jaar geleden, herdacht.  Voor de zoveelste keer hoorden we allerlei lofzangen op een idealist wiens idealen niemand in de praktijk wil brengen.  Wie eens concreet bekijkt welke politieke wapenfeiten de “grote ziel” langs geweldloze weg hoopte te bereiken, zal wel twee keer nadenken vooraleer zich bij hem aan te sluiten.  Wat dacht je bijvoorbeeld van: vrede met Hitler?
          De Indiase leider van het geweldloos verzet heeft inderdaad getracht om WO2 te voorkomen of in de kiem te smoren met enkele brieven aan Adolf Hitler.  In India hebben Gandhi’s critici van links en rechts, communisten en hindoe-nationalisten, zich hierover altijd vrolijk gemaakt.  De benadering van Hitler zou het ultieme voorbeeld zijn van Gandhi’s onnozele geloof dat een lam een tijger tot geweldloosheid kan bewegen.  Bij ons heeft ondermeer Kristien Hemmerechts de Mahatma een “naïeve dwaas” genoemd omdat hij tevergeefs zijn geweldloosheid als een panacea aan de Führer probeerde te verkopen. ("Milosevic, Saddam, Gandhi en Hitler", De Morgen, 16-4-1999)  Ik doe zelf niet mee aan de ophemeling van Gandhi, maar op dit punt was hij alleszins consequent met zichzelf en nuchterder dan de meeste anderen. 
          Beide brieven zijn gericht aan “my frie­nd”.  Wellicht was Gandhi er niet van op de hoogte dat Hitler tijdens een ontmoeting met Brits buitenlandminister Lord Halifax in 1938 zijn diensten had aangeboden om het Britse Rijk te versterken, en dat hij voor de Indiase vrijheidsbeweging als concrete oplossing gesuggereerd had om de leiders van het Indiaas Nationaal Congres te vermoorden, te beginnen met Gandhi.  In ieder geval ging deze er heel christelijk van uit dat elke mens, ook Hitler, een geweten heeft en daarop aangesproken kan worden.  In het hedendaagse Westen huldigt men een karikaturale morele visie die Hitler buiten het mensdom plaatst, als een incarnatie van het absolute Kwaad, maar dat is niet noodzakelijk een vooruitgang.


Gandhi's eerste brief aan Hitler


          In de eerste brief dd. 23 juli 1939, erkent Gandhi zijn aarzeling om Hitler aan te spreken, niet echter uit afschuw maar uit bescheidenheid.  Hij overwint die door de hoogdringende nood om een oorlog af te wenden na de Duitse bezetting van Bohemen-Moravië.  Daarmee overtrad Hitler de vredesafspraken van München 1938 en het principe van het “zelfbeschikkingsrecht der volkeren”, dat de aanhechting gerechtvaardigd had (naar ook de Franse en Britse leiders op dat ogenblik toegaven) van Oostenrijk en Sudetenland.  Daar had de bevolking of haar vertegenwoordiging zich rond 1920 met grote meerderheid voor aansluiting bij Duitsland uitgesproken, en in 1938 juichte zij de binnentrekkende Duitse troepen toe; de Tsjechen daarentegen kregen met een ongewenste bezetting te maken.  Een protest was dus zeker op zijn plaats.  Toch eindigt de Mahatma weer met grote onderdanigheid: “Hoe dan ook kijk ik uit naar Uw vergiffenis indien ik gedwaald heb door U aan te schrijven.  Ik blijf, Uw oprechte vriend, Mr. M.K. Gandhi".
          De rest van de brief, het kerngedeelte, luidt: "Het is duidelijk dat U vandaag de enige ter wereld bent die een oorlog kan voorkomen, oorlog die de mensheid tot de wilde staat kan terugbrengen.  Moet U werkelijk die prijs betalen voor een doel, hoe waardevol het u ook mag toeschijnen?  Zult U luisteren naar de oproep van iemand die opzettelijk de methode van de oorlog versmaad heeft, en niet zonder aanzienlijk succes?"   
          Gandhi schijnt hier te erkennen dat Hitlers politieke doel legitiem zou kunnen zijn.  Hij spreekt alleszins geen veroordeling uit over Hitlers doel, alleen over de gewelddadige middelen.  Zijn verwijzing naar een “waardevol doel” van Hitler heeft vermoedelijk niet te maken met de aanhechting van Tsjechië, wel met de toen brandend actuele kwestie van de Poolse “corridor” en de status van de Duitse minderheid in Polen, die inderdaad de casus belli van de Duitse inval in Polen zou worden. 
          Duitsland stelde voor om in West-Pruisen/Noord-Polen een referendum te houden over aanhechting van dit etnisch gemengde gebied bij Duitsland danwel bij Polen.  Het verliezende land zou dan een corridor met autoweg plus spoorweg krijgen doorheen dit gebied: ofwel een Poolse om Polen doorheen opnieuw Duits geworden gebied met de Oostzeekust te verbinden, ofwel een Duitse doorheen Pools gebleven gebied om Pommeren met Oost-Pruisen te verbinden.  Gandhi meende blijkbaar dat Hitlers doelstellingen niet noodzakelijk boosaardig waren, en bovendien van die aard dat men er recht aan kon doen langs vreedzame weg.  Gandhi was maar trouw aan zichzelf door op de geweldloze optie te wijzen. 


Wat als...?
  
          Men leest deze brief tegenwoordig als Gandhi’s carte blanche aan Hitler om dat te doen wat we allemaal over Hitler weten, namelijk de inval in Polen en vervolgens andere landen, de deportaties van joden en anderen, de massamoorden, de onderdrukking van de bevolking van bezette landen, het zelfvernietigende militaire beleid van “tot het bittere einde” dat hij aan het Duitse volk oplegde.  Maar in werkelijkheid zou Gandhi’s benadering, indien succesvol, al die ellende juist voorkomen hebben.  De meeste wreedheden van het nazi-bewind werden juist mogelijk gemaakt door de oorlogsomstandigheden.  In vredestijd zou het Duitse volk en een deel van de bestuursklasse de graad van repressie die hun samenleving tijdens de oorlog misvormde, niet geduld hebben (bv., in 1940, toen het Duitse volk zelf nog niet veel van de beginnende oorlog merkte, slaagde de openbare mening er nog in, het regime te dwingen om te stoppen met het euthanasieprogramma voor gehandicapten).  Zonder militaire escalatie geen holocaust.
          Ja maar, geen oorlog voeren tegen Hitler zou hem toch tot zijn dood op hoge leeftijd aan de macht gelaten hebben, zo’n onmens die de joden uitmoordde?  Wie met die tegenwerping komt (ook ikzelf, voor ik er goed over nagedacht had), zou toch de volgende eenvoudige reality check moeten doen.  De Westerse mogendheden hebben met Stalin kunnen leven hoewel hij toen reeds de grootste massamoordenaar in de Europese geschiedenis was.  VS-president Roosevelt gaf de Sovjet-Unie diplomatieke erkenning meteen na zijn aantreden in 1933, terwijl de Oekraïense hongergenocide met 7 miljoen slachtoffers in volle gang was.  Hitler had in juli 1939 duizend keer minder doden op zijn geweten dan Stalin, waarom zou vreedzame coëxistentie met Hitler dan zo ondenkbaar zijn?  (Overigens liet men ook na 1945 en “de lessen van WO2” Mao Zedong betijen toen hij miljoenen Chinezen en Tibetanen vermoordde, en idem met Pol Pot in Cambodja.) 
          Bovendien weten we sedert 1989 dat schijnbaar ongenaakbare totalitaire regimes wel degelijk vergankelijk zijn.  Het is verre van onmogelijk dat de Duitsers zelf een einde aan het nazi-bewind zouden gemaakt hebben.  Het Keynesiaans economisch mirakel dat het nazi-regime binnenlands en wereldwijd veel prestige gaf, was tegen 1940 over zijn hoogtepunt, en Hitler zou dus spoedig veel van zijn populariteit verloren zijn.  In een systeem waarin de cultus van Hitlers persoon zo centraal stond, zou zijn dood allicht een crisis veroorzaakt hebben, en daarmee een gelegenheid tot glasnost en perestroika.  Die had niet eens lang op zich moeten laten wachten, want tegen 1945 was hij fysiek en mentaal al ver afgetakeld door de ziekte van Parkinson en de neveneffecten van allerlei medicijnen.
          In ieder geval had het hypothetische scenario moeilijk erger kunnen zijn dan het werkelijk gebeurde scenario, want de oorlog is gevoerd, meer dan 50 miljoen mensenlevens zijn erin opgeofferd, en toch heeft de holocaust plaatsgevonden.  Of die in het vredesscenario zou gebeurd zijn, is niet zeker; maar over wat er in het oorlogsscenario gebeurd is, hebben we die zekerheid wel, en men noemt het doorgaans de ergste misdaad uit de wereldgeschiedenis.  In dat geval moet de Geallieerde beslissing om af te zien van vredespogingen beoordeeld worden als de ergste vergissing uit de wereldgeschiedenis. 
          In mijn onderzoek over Mahatma Gandhi heb ik heel wat bijgeleerd over Lord Halifax, Brits onderkoning in India onder  de naam Lord Irwin, en vervolgens buitenlandminister in Londen.  Hij wordt doorgaans gesmaad als architect van het “appeasement”-beleid, en tot zijn verdediging voert men dan aan dat hij in 1939-40 alle vredesinitiatieven (van de paus, van neutrale staten, van Hitler zelf) afwees en dwarsboomde.  Je zal het in schoolboeken niet vinden, maar er werd toen uit verschillende hoeken hard geijverd voor de vrede.  Zó excentriek was Gandhi’s boodschap aan Hitler dus ook weer niet.  De man die pal stond tegen de verleiding van de vrede, Winston Churchill, wordt tegenwoordig echter bejubeld als ethisch superieur aan de vredespartij.  Geen twijfel dat Churchills optie van moed getuigde, maar was zij ook verstandig?
          In vredestijd en tot 1941 was de Duitse jodenpolitiek gericht op de maatschappelijke inperking en aanmoediging tot emigratie van de joden.  Zonder oorlog zouden alle Duitse joden geëmigreerd en elders hervestigd zijn, levend en wel.  Niet dat het land uitgejaagd worden een wenselijke behandeling is, maar de joden weten beter dan wie ook dat landverhuizing een verkieslijk alternatief is voor de dood.  Dan zou Duitsland in 1950 nog een rijkskanselier Adolf Hitler gehad hebben (als hij dan nog leefde), maar geen holocaust; terwijl het nu van Hitler bevrijd werd maar wel een holocaust kende.  Dat was de keuze waar men ten tijde van Gandhi’s brief voor stond.
          Vanaf 1939 dachten de nazi’s aan een meer systematische collectieve emigratie met het van oorsprong Poolse “Madagascar-plan”.  Deportatie naar een koloniaal gebied was door de Britse blokkade echter onmogelijk, maar na de invasie in de Sovjet-Unie in 1941 werd een deportatie naar het Oosten mogelijk.  Toch duurde het nog even voor de joden in Duitsland en de bezette landen effectief opgepakt en weggevoerd werden.  Zodra het zover kwam, was de motivering achter die beslissing duidelijk genoeg, en zij had alles met de oorlog te maken.
          Toen het aantal gesneuvelde kameraden begon op te lopen, vonden de Duitsers dat de joden, die in theorie niet in het leger mochten (hoewel de minder nazi-geïdeologiseerde legerleiding honderden als joods geklasseerde soldaten tegen nazi-bemoeienissen afschermde), ook hun deel van de oorlogsellende moesten voelen, namelijk als dwangarbeiders in werkkampen.  Minstens even belangrijk was een tweede overweging, namelijk de vrees van de nazi-leiders voor de joden als “vijfde kolonne”.  Deze kwam voort uit hun door propaganda vervormde herinnering aan hun ervaring als jonge soldaten tijdens WO1. 
          Na de Duitse nederlaag in 1918 was de verklaring van het Duitse leger dat het een “dolkstoot” in de rug gekregen had van op het thuisfront, waar linkse en als joods geïdentificeerde agitatoren stakingen in ondermeer de wapenindustrie georganiseerd hadden.  In zijn bekende rede in Posen (oktober 1943, nu Poznan) vraagt Heinrich Himmler retorisch wat op dat ogenblik de situatie zou zijn als de joden niet uit de Duitse steden weggevoerd geweest waren maar er “nogmaals” hadden kunnen ageren om het moreel te breken en de oorlogsproductie te saboteren.  Dit mag beschouwd worden als zijn eerlijke mening: met hun obsessie voor het “joodse gevaar” dachten de nazi’s inderdaad dat de eisen van de oorlogvoering de onmiddellijke verwijdering van de joden noodzakelijk maakten.
          Hier komt nog bij dat de oorlog zelf een brutaliserend effect heeft op de menselijke gevoeligheid van de oorlogvoerenden.  Bij herdenkingen van het Britse vuurbombardement op Dresden erkenden sommige Britse commentatoren een zekere morele schuld, maar ze verklaarden hierbij dat “we allemaal in onze morele gevoeligheid verruwd waren door de aanslepende oorlog”.  Kort na de inval in Polen wees Himmler in een memorandum over de toekomst van dat land de optie van een uitmoording van de Polen nog af als zijnde “on-Germaans” en “bolsjevistisch”, maar tegen 1943 bepleitte hij een ijskoud onsentimentele oplossing van het joodse “probleem”, waarin ook de kinderen niet gespaard (en als probleem aan de toekomstige Duitse generaties overgelaten) mochten worden.  Zo is het: alle partijen, de geallieerden zowel als de nazi’s, werden wreder naarmate ze langer in oorlog waren.  Die stapsgewijze brutalisering van mensen door de oorlog is juist één van de redenen voor pacifisme, ook bij Gandhi.
          Hoewel de escalatie van de repressie tegen de joden enkele jaren in beslag nam, hadden de Westerse staatsleiders vanaf de eerste oorlogsdag kunnen voorzien dat de joden binnen het Duitse machtsgebied slachtoffers van de oorlog zouden worden.  Mochten ze zich niet hebben kunnen voorstellen hoe het vermeend deloyale bevolkingsgroepen in oorlogstijd vergaat, dan waren daar in de eerste dagen na de Duitse invasie van Polen meteen de Poolse pogroms op de Duitse minderheid, met duizenden dodelijke slachtoffers.  Het moet toch evident geweest zijn dat de Duitsers, zeker zodra zij op hun beurt in het defensief zouden gedrongen worden, hun vermeende “vijand binnen de muren” niet zouden sparen.  Toen de Fransen en Britten uit solidariteit met Polen aan Duitsland de oorlog verklaarden, kozen zij voor een scenario waarin repressie tegen de joden binnen het Duitse machtsgebied onvermijdelijk zou worden.  Maar dat was toen de minste van hun zorgen. 
          Het is niet eenvoudig om de expansieplannen van Hitler vóór de oorlog precies in te schatten.  Ze waren toen en zijn nog steeds het voorwerp van mythevorming uit de oorlogspropaganda.  Zo hoort men nog vaak dat hij “de wereld wilde veroveren”, niets minder.  Maar dat is onzin.  Hitler was bijvoorbeeld bereid om de Britse en andere koloniale rijken te respecteren, want dat waren geslaagde voorbeelden van de blanke dominantie over minderwaardige rassen.  Idem voor het ontkiemende Japanse rijk.  De oorlogsverklaring aan de VS had niets te maken met een geplande verovering van de VS, maar was deels het gevolg van gedane beloften aan Japan na de aanval op Pearl Harbour en deels een formalisering van de feitelijke oorlogstoestand die gecreëerd was door de Amerikaanse militaire hulp aan de Britten en de Sovjets.  Hitlers zogenaamd plan voor een invasie van de VS, waarmee president Franklin Roosevelt in het Congres stond te zwaaien in een pleidooi om aan Britse zijde in oorlog te treden, was een Britse vervalsing.




Gewapend pacifisme
 
          In herhaalde vredesvoorstellen aan de Britten in het najaar van 1939 en doorheen 1940 verklaarde Hitler zich bereid om zich uit alle bezette gebieden behalve de etnisch-Duitse terug te trekken en van dan af een territoriaal status-quo te handhaven.  Churchill weigerde dit, tegen de toen nog sterke Britse vredeslobby in.  Tegenwoordig lacht men Hitlers vredesvoorstellen aan de Britten weg als evident niet-gemeend: hoe kon een vileine agressor als Hitler nu ooit oprecht geloofd hebben in vreedzame coëxistentie en wederzijds respect?  We zullen het natuurlijk nooit weten, maar op één belangrijk punt is dit wantrouwen zeker gewettigd: niet alleen Hitler maar een groot deel van de Duitse bestuursklasse had een oog op de in 1918 verloren Pruisische bezittingen in Polen en op de in 1918 (in het verdrag van Brest-Litovsk met de Sovjets) tijdelijk verworven en weer verloren delen van Wit-Rusland en Oekraïne.  Voor Duitse soldaten als Hitler was de nederlaag in november 1918 juist zo bitter omdat ze amper zeven maanden eerder voorafgegaan was door een grote overwinning met gebiedswinst op het Oostfront.  Die Slavische gebieden waren wat Hitler en de zijnen met “levensruimte” bedoelden, en er waren plannen om ze met Duitse kolonisten te bevolken en de Slaven voorbij de Oeral te hervestigen. 
          Om Hitler van expansieve avonturen af te houden, bestond er desgewenst echter een doeltreffend middel: militaire sterkte bij de andere mogendheden.  Hitler en zeker zijn generaals hadden in een afweging van de Duitse belangen zeer wel tegen de oorlog kunnen kiezen als gevolg van geloofwaardige afschrikking.  Deze formule van “peace through strength” heeft gewerkt tijdens de Koude Oorlog om de Sovjet-expansiedrang in te dammen.  Dit sluitstuk van een oorlogsvermijdend beleid behoorde echter niet tot Gandhi’s extreem pacifistische visie.  Het was juist Gandhi’s tegenstander in de Indiase politiek, de hindoe-nationalistische leider Vinayak Damodar Savarkar, die zijn volk militair paraat wilde maken, ondermeer ter voorkoming van de verwachte poging van de moslims om een aparte staat Pakistan uit India los te snijden.  Daartoe riep hij, net als Mohammed Ali Jinnah bij de moslims, reeds in september 1939 de jonge hindoes op om dienst te nemen in het Brits-Indiase leger en ervaring op te doen in de strijd tegen de Duitsers en later de Japanners.  De meer dan twee miljoen Indiase vrijwilligers zouden een beslissende rol spelen op de slagvelden van ondermeer Libië, Irak en Birma.
          De Franse en Britse “antifascisten” zaten echter meer op de lijn van Gandhi dan op die van Savarkar.  De socialisten vonden dat je het nazi-militarisme niet moest bestrijden met een eigen militarisme en verzetten zich tegen hogere budgetten voor landsverdediging.  Misschien meenden zij, mét Gandhi, dat verbale overtuigingskracht het verschil kon maken?
          Ondanks hun betrekkelijke militaire zwakte gaven de Fransen en Britten aan Polen toch de verzekering dat zij in geval van een Duitse invasie aan Hitler de oorlog zouden verklaren.  Dit impliceerde dat een plaatselijke Duits-Poolse oorlog tot een grootschalige oorlog zou escaleren, net zoals in 1914 het Servisch-Oostenrijkse conflict door het mechanisme van bondgenootschappen in enkele weken tot de Grote Oorlog uitgegroeid was.  Het is met die oorlogsdreiging in gedachten dat Gandhi zijn eerste brief aan Hitler schreef, in essentie een beleefd verzoek om Polen niet binnen te vallen.
          Wanneer je een oorlog begint, weet je niet van tevoren welke vreselijke dingen er zullen gebeuren, maar je weet wel volkomen zeker dat ze vreselijk zullen zijn.  Dat is de basisreden voor het pacifisme, en Gandhi had volkomen gelijk dat hij dit basisgegeven in gedachten hield terwijl de meeste politici de oorlogskoorts te pakken kregen.  Hitler aan de macht laten en gedurende decennia in bedwang houden zou een beproevende uitdaging geworden zijn voor Duitslands buurlanden, zoals ook voor vrijheidslievende Duitsers, maar Gandhi had nooit beweerd dat geweldloosheid een weg voor zwakkelingen was.  In ieder geval zou deze oefening in langdurige waakzaamheid te verkiezen geweest zijn boven de Tweede Wereldoorlog en zijn gevolgen: meer dan vijftig miljoen mensen afgeslacht, nog eens ettelijke miljoenen mensenlevens geruïneerd (weduwen en wezen, verminkten, vluchtelingen), vele landen onder de voet gelopen door het communisme met zijn belofte van nog meer massaslachtingen, en het loslaten van kernwapens op de wereld.


Gandhi's tweede brief aan Hitler

          Op Kerstavond 1940 schreef Gandhi een tweede, wat langere brief aan Hitler.  De wereldsituatie was toen als volgt: Duitsland en Italië controleerden het grootste deel van Europa en schenen de oorlog in hun voordeel te zullen beëindigen, het Hitler-Stalin-pact van augustus 1939 was nog steeds in voege (zodat de goed georganiseerde communisten in de bezette landen de Duitsers passief steunden), en onder Winston Churchill zette het Britse rijk eenzaam de oorlog voort die het in september 1939 aan Duitsland verklaard had.  In het verre Oosten vocht China alleen tegen de Japanse invasietroepen, al voerde de VS een soort economische oorlog tegen Japan.
          Bij deze gelegenheid deed Gandhi de moeite om zijn aanspreking van Hitler als "my friend" en de afsluitende groet "your sincere friend" te rechtvaardigen in een korte verklaring van zijn eigen levenswerk: "Dat ik U als vriend aanspreek is geen louter formaliteit.  Ik heb geen vijanden.  Mijn levenswerk gedurende de jongste 33 jaar heeft erin bestaan, de vriendschap van de hele mensheid voor mij te winnen door alle mensen als vriend te bejegenen, ongeacht ras, kleur of religie."  Deze zeer on-Hitleriaanse reden om Hitler tot vriend te maken, of wat Gandhi verderop de "doctrine van universele vriendschap" noemt, contrasteert met de Hitler-achtige haat jegens de vijand die men tegenwoordig als de enige juiste houding beschouwt tegenover Hitler en al zijn rechtstreekse, onrechtstreekse en vermeende medestanders.
          Gandhi haalt zich zeker de verontwaardiging van het naoorlogse publiek op de hals door te verklaren: "Wij twijfelen niet aan Uw dapperheid en Uw toewijding aan het vaderland, en evenmin geloven wij dat U het monster bent zoals beschreven door Uw tegenstanders."  Dit was geschreven in een periode van nog beperkte oorlogvoering, na de wapenstilstand met Frankrijk, vóór de intrede in de oorlog van de USSR en de VS, en vóór de deportaties van de joden.  Duitsland leefde in de behandeling van de krijgsgevangenen en in het bestuur van de bezette landen (behalve Polen, waarover echter weinig nieuws de buitenwereld bereikte) redelijk correct de geldende oorlogsconventies na, wat het niet meer zou doen toen het Sovjet-gebied en Sovjet-krijgsgevangenen in handen kreeg.  Vandaag beoordeelt men meningen als die van Gandhi vanuit het eindoordeel over het nazi-bewind van na 1945, en volgens die standaard is iedereen die het Britse vijandbeeld van Hitler betwijfelt al een soort medeplichtige aan diens misdaden.
          Nochtans was Gandhi niet zo mild in zijn oordeel over de misdaden die Hitler toen reeds begaan had.  Hij bekritiseerde vooral de nazi-opvatting dat de sterken het recht hebben om de zwakken te onderwerpen: "Maar Uw eigen geschriften en uitspraken en die van Uw vrienden en bewonderaars laten geen ruimte voor twijfel dat vele van Uw daden monsterlijk zijn en strijdig met de menselijke waardigheid, zeker naar de mening van mensen zoals ik die in menselijke vriendelijkheid geloven.  Aldus Uw vernedering van Tsjechoslovakije, de verkrachting van Polen en de inlijving van Denemarken.  Ik besef dat Uw levensbeschouwing zulke plunderingen als eervolle daden opvat.  Maar wij hebben sinds onze kinderjaren geleerd om ze te beschouwen als mensonterende daden."
          Hierdoor voelde Gandhi zich genoopt om zich bij Hitlers tegenstanders te voegen: "Daarom kunnen wij Uw wapens volstrekt geen succes toewensen."  Toch besloot hij niet om de Britse oorlogsinspanning te steunen (bv. door voor het Brits-Indiase leger te rekruteren, zoals hij in WO1 gedaan had): "Maar onze positie is uniek.  Wij bieden weerstand aan het Britse imperialisme niet minder dan aan het nazisme."  Voor Gandhi was het Britse imperialisme niet heel verschillend van het nazi-imperialisme: "Als er een verschil is, dan is het slechts gradueel.  Eén vijfde van het mensenras is onder de Britse hiel gebracht met middelen die geen nadere inspectie verdragen."
          Zijn houding tegen de Britten was bijgevolg meteen ook zijn houding tegenover het nazisme: "Onze weerstand daartegen betekent niet dat wij het Britse volk schade willen toebrengen.  Wij proberen hen te bekeren, niet hen op het slagveld te verslaan."  Dat was precies wat Gandhi nu uitprobeerde op Hitler: hem tot de geweldloosheid bekeren eerder dan hem verslaan.  Daarmee zou hij Hitler overigens de nederlaag bespaard hebben, als die maar naar hem geluisterd had.
          Dan volgt een uitleg van Gandhi’s methode om "hun heerschappij door geweldloze niet-medewerking onmogelijk” te maken, gebaseerd op "de wetenschap dat geen plunderaar zijn doel kan bereiken zonder een mate van medewerking, gewillig of onwillig, vanwege zijn slachtoffer".  Compleet met slagzin: "De heersers kunnen ons land en ons lichaam nemen maar niet onze ziel."  Toen Hitler dit las, zal hij wellicht smalend de mentale commentaar geleverd hebben dat onderworpenen, zoals de vele mensen die hij in die tijd in kampen opsloot, gerust hun zieltje mochten houden, zolang ze aan hem maar hun land overlieten als levensruimte en hun lichaam als arbeidsmachine.
          Anders dan vele van zijn landgenoten (zoals de socialistische voorman Subhash Chandra Bose, die onder Duitse en vervolgens Japanse voogdij een anti-Brits leger vormde) verwierp Gandhi het idee dat India zijn vrijheid kon verwerven met Duitse hulp: "We weten wat de Britse hiel voor ons en de niet-Europese rassen van de wereld betekent.  Maar we zouden nooit de Britse heerschappij willen beëindigen met Duitse hulp."  In de plaats daarvan, legde Gandhi aan Hitler uit, zou de geweldloze methode zelfs "een combinatie van al de gewelddadigste krachten ter wereld" verslaan. 
          In Gandhi's zienswijze is een gewelddadige overwinnaar gedoemd om uiteindelijk door een grotere macht verslagen te worden (een voorspelling die in Hitlers geval spoedig bewaarheid werd), en zal zelfs de herinnering aan zijn overwinningen bezoedeld worden door hun gewelddadig karakter: "Indien niet de Britten, dan zal zeker een andere mogendheid Uw methode verbeteren en U met Uw eigen wapen verslaan.  U laat Uw volk geen erfenis na waarop het trots zal kunnen zijn." 
          Hier projecteerde Gandhi waarschijnlijk zijn eigen afkeer voor geweld op de massa’s, die in werkelijkheid heel wat minder geremd zijn door scrupules om gewelddadige overwinnaars toe te juichen.  Kijk maar naar de verheerlijking van Dzjengiz Khan in Mongolië, van Timoer en Babar in Oezbekistan, van Alexander de Grote in Griekenland en Macedonië, ook al duurde hun rijk niet eeuwig.  Of zelfs van Stalin en Mao bij een deel van de jongere generatie in Rusland en China vandaag.  Allicht zouden de meeste Duitsers evenzeer trots geweest zijn op hun Hitler indien hij de eindoverwinning behaald had.
          Gandhi zou Gandhi niet geweest zijn als hij niet gepoogd had om WO2 te voorkomen.  Voorzover bekend was dit de dodelijkste oorlog in de wereldgeschiedenis, dus hoe zou je nu pacifist kunnen zijn en andere gewapende conflicten veroordelen als je deze mega-oorlog goedkeurt? 
          Tegenwoordig is het gebruikelijk om de tegenstanders van de oorlog van toen te verketteren als dwazen of nazi-medeplichtigen.  Amerikaanse pleitbezorgers van de niet-interventie, zoals vliegenier Charles Lindbergh, worden voortdurend belasterd omdat zij trouw bleven aan de visie van de Founding Fathers, die uit vrijheidsliefde en voorzichtigheid tegen verstrikking in buitenlandse conflicten gewaarschuwd hadden.  (Aldus bv. het kras geschiedvervalsende boek Het Complot tegen Amerika van Philip Roth, waarin Lindbergh als een nazi afgeschilderd wordt die in 1940 met de belofte van niet-interventie de presidentsverkiezingen wint tegen zittend president Roosevelt, die pro interventie campagne voert.  In werkelijkheid won juist Roosevelt de verkiezingen door valselijk niet-interventie te beloven, en wel met de stemmen van Lindberghs medestanders, maar eens herverkozen begon hij de interventie voor te bereiden.) 
          Linkse lezers zullen dit beter begrijpen als ze zich herinneren hoe tegenstanders van anti-communistische projecten zoals de Varkensbaai-invasie op Cuba of de Vietnam-oorlog zelf automatisch als communist gebrandmerkt werden.  Nog in de jaren 1980 kregen betogers tegen de plaatsing van Amerikaanse kernraketten dit verwijt te horen.  Vinden de vredesbewegers van toen dat dit amalgaam van oorlogstegenstand en collaboratie met de vijand gerechtvaardigd is?
          Gandhi’s uitspraken over het nazisme laten geen ruimte voor twijfel aan zijn vijandschap jegens deze militaristische en vrijheidshatende doctrine.  Toch wees hij oorlog tegen de nazi’s af.  Dit was voor hem volkomen logisch, want hij verwierp het militaristisch element in zowel het nazisme als de kruistocht ertegen.  Hij steunde het principe van strijd tegen het nazisme maar stelde zich deze voor als een geweldloze strijd gericht op overreding in plaats van op vernietiging. 
          Het is natuurlijk niet zeker dat dit gewerkt zou hebben, maar de Gandhiaanse aanpak was dan ook geen synoniem met gegarandeerde resultaten.  Gandhi’s methoden waren bv. redelijk succesvol in het bevorderen van de dekolonisatie, maar niet in de ontrading van het plan van de Moslim-Liga om India te splitsen.  Het blijft een open vraag, een niet (behalve dan met deze brieven) geprobeerd experiment, of de Gandhiaanse benadering de nazi’s had kunnen vermurwen en WO2 voorkomen.  Daarentegen kunnen er geen twee meningen bestaan over de vraag of deze poging tot geweldloze overreding Gandhiaans was.  De Mahatma (“grote ziel”) zou de Mahatma niet geweest zijn als hij een andere methode verkozen had.  Ons oordeel over zijn brieven aan Hitler moet dan ook hetzelfde zijn als ons oordeel over het Gandhisme zelf: ofwel waren beide een verheven ethisch alternatief voor de bekende methoden in de politiek, ofwel waren beide verkeerd en belachelijk. 


Besluit

          Toen ik het in mijn boek De Moord op de Mahatma (Davidsfonds 1998) waagde om Gandhi te bekritiseren, heeft mij dat zeer vijandige reacties opgeleverd, ondermeer een giftige recensie in De Standaard der Letteren.  Ik zou mijn critici van toen willen uitdagen om eens duidelijk kleur te bekennen.  Vinden zij dat Gandhi dan toch een warhoofd was, zoals ik toen tot hun grote verontwaardiging geschreven had, of vinden zij dat vredesvoorstellen aan Hitler het juiste beleid vormden voor tegenstanders van het nazisme in 1939-40?  En indien dit laatste, durven zij dit dan luidop zeggen?
          Geen enkele vredesbeweger van vandaag durft het aan om de toenmalige pleitbezorgers van de vrede openlijk gelijk te geven.  WO2 heeft immers het statuut gekregen van een heilige oorlog, één tussen het onfeilbaar goede en het absolute kwaad, één waarin geldt dat wie niet met de goeden meestrijdt, tot het kamp van de bozen behoort.  En omdat die oorlog zo onaantastbaar is, kan hij nu gebruikt worden als rechtvaardigend vergelijkingspunt voor alle geplande oorlogen.  Toen de VS op een oorlog met rest-Joegoslavië aanstuurde, werd de democratisch verkozen Joegoslavische president Slobodan Milosevic, erfgenaam van communistisch partizaan Tito, tot “dictator” en “de nieuwe Hitler” uitgeroepen, en hop, alle Europese regeringen gaven actief of passief hun goedkeuring aan de agressie tegen Belgrado.  Toen Irak het doelwit werd, kreeg Saddam Hoessein het etiket “nieuwe Hitler”, de oorlogstegenstanders werden aan “München” herinnerd, en de invasie kon beginnen.  De beoordeling van Gandhi’s vredesalternatief in 1940 is dus geen academische kwestie, zij heeft consequenties voor keuzes tussen oorlog en vrede vandaag.

(Nucleus 2008)

donderdag 27 april 2017

Semitische oorsprongen in het Germaans











Na uitgebreide lezing van de wat omstreden taalkundige Theo Vennemann, ondermeer van zijn recente verzamelwerk Germania Semitica, ben ik vanuit eigen kennis tot de slotsom gekomen dat hij in grote lijnen gelijk heeft. Dat is niet vanzelfsprekend, want er zijn nogal wat fantasten die een heuse leerstoel Taalkunde bemachtigd hebben. In dit geval is het onderwerp ook van zodanig belang voor de romantici en vooroudervereerders onder het Vlaamse en Nederlandse publiek dat ik het hier wil mededelen.




Wij zijn in wezen franskiljons. Dat wil zeggen: wij hebben ooit onze voorouderlijke taal gewillig, of zelfs gretig, opgegeven, om een elitetaal over te nemen die onze kinderen meer toekomst bood. Voor een groot deel stammen wij af van de inheemse bevolking van deze streken, in het -3de millennium vermengd met Keltische en Germaanse invallers uit het Oosten. Hun taal namen wij over eens zij de heersende klasse vormden. En zo is dan het bestaande Germaans ontstaan, en daaruit dan het Nederlands.




Het zeer grote aandeel aan leenwoorden in de Germaanse kernwoordenschat (en ook in het Keltisch en enigermate het Romaans, contrasterend met veel “onbezoedelder” Indo-Europese als het Slavisch of het Iraans) komt niet voort uit een helaas voorgoed verloren gegane Oud-Europese taal (zoals die in het Grieks), maar uit twee nog bestaande talen, waarin de oorsprong van die woorden goed aanwijsbaar is. Enkele zijn nog onopgelost, zoals "drinken", "zee", of "schaap", of hebben een zeer bij het haar getrokken verklaring, zoals "zwemmen". Maar!  




De eerste herkomsttaal, van tientallen woorden en enkele structurele taalkenmerken, is werkelijk Oud-Europees, nl. het Baskisch. Dat was hier aanwezig sedert het na de IJstijd vanuit Spanje het leeggelopen West-Europa opvulde. Vele woorden voor materialen en landschapselementen komen daaruit voort: ijs, zilver, eik, els; ook bijvoeglijke naamwoorden als groot. Allemaal typisch voor een inheems substraat, met invallers die aan de inheemsen vroegen: "Hoe heet dat?", en dan het genoemde woord overnamen.





Typisch voor de taal van invallers en hun inheemse bruiden is de overname van inheemse familietermen, bv. in het Hittitisch, waarin bijna alle familietermen (moeder, schoonbroer, dochter enz.) inheemse ontleningen zijn. Het Germaans gaat daarin minder ver, wat op een iets vrediger overgangsscenario kan wijzen, maar noteer toch het Gotische familiewoord atta, "vader" (als in Attila, "vadertje", vgl. Stalin). De woordklemtoon op de eerste lettergreep in het Germaans, anders dan in het Indo-Europees, valt meestal op de beginlettergreep; dat werd veelal aan Oeralische invloed toegeschreven, maar de Baskische verklaring is economischer. Ook de restanten van het tellen per 20, met name in het Frans en het Deens, vallen op hun plaats eens je een Baskisch substraat aanneemt.




Die laag is in het Germaans gekomen tijdens de veroveringsperiode. Nadien is er een tweede invloed gekomen van een taal(groep) die niet uit Europa stamt, maar er wel aanwezig was. Semitisch-sprekende kolonisten, van wie de Grieken nog vermelden dat zij in Cornwall kopermijnen uitbaatten, hadden zich op de Atlantische kusten gevestigd, zodat hun invloed op het Keltisch zeer diepgaand is. Maar ook de streek rond Hamburg, stamland van de Germanen na hun intocht uit het Oosten, deden zij aan.





Hun taalinvloed op het Germaans was minder als onderliggend substraat en meer als elitetaal of superstraat. Hij zit in de bovenlaag van de woordenschat: politieke en organisatorische termen. Daaronder: volk (< legerdivisie), adel, sibbe (vgl. Hebreeuws mi-spah). Ook maag, een verouderd woord dat “zoon” en algemener “familielid” betekent, en waarvan iedereen wel de vrouwelijke vorm kent: maagd, oorspronkelijk “dochter”, met het typisch Semitische vrouwlijk achtervoegsel -t. Verder termen uit landbouw en veeteelt: aarde, ploeg, stier, geit, ieme (bij, vgl. imker), ever, kever. Zelf opper ik dat ook de nog onbekende woordoorsprong van schaap moet gezocht worden in een Semitische stam die we terugvinden in soef, “wol”, waarvan het bekende woord soefi, d.w.z. “asceet die een wollen kleed draagt”. Vele “sterke” werkwoorden in het Germaans (spreken – sprak – gesproken) hebben ook geen Indo-Europese etymologie, terwijl spraakkundig significante klinkerveranderingen juist typisch voor het Semitisch zijn.





Vennemann leidt ook het runenalfabet af uit het Fenicische alphabet, niet via het Griekse, Latijnse of Etruskische alfabet maar rechtstreeks. Hier gaat het niet om overname van de klank (Fenicisch alef > Grieks alfa, Latijn a) maar van de betekenis: de eerste letter is alef, “rund”, voorgesteld door een stierenkop met twee hoorns, en in het runenschrift wordt de eerste letter fehu, “vee”, ook met twee uitsteeksels die hoorns kunnen voorstellen. In alle genoemde gevallen geldt het acrofonisch beginsel: de letternaam drukt de klank uit waarmee hij begint, dus alef en alfa klinken als a, fehu als f.   





Zelfs de megalieten zouden als idee door Semitische kolonisten binnengebracht zijn. De oudste megalieten, -6de millennium, komen voor in het oostelijke Middellandse-Zeegebied, in Egypte en Anatolië. Vanaf het -5de millennium komen zij ook op de Atlantische kust voor: Portugal, vooral Bretagne en de Britse eilanden, en enigermate oostelijk Nederland en Duitsland. De delta van de Lage Landen schijnen zij vermeden te hebben: het was toen nog een moerassig overstromingsgebied en economisch minder interessant. Vanaf het -2de millennium drongen de Feniciërs ook in Zuid-India door: de Bijbel vermeldt dat koning Salomo, ongeveer -1000, handel dreef met Ophir, zijnde de kuststad Supara nabij het huidige Mumbai; de Mahâbhârata, met een historische kern geschat op  een -1500 tot -1200, vertelt hoe Krisjna met “West-Aziatische” vreemdelingen te maken krijgt. Juist dan zijn in Zuid-India eveneens megalieten opgezet. 





Waarom trokken Theo Vennemanns bevindingen zo mijn aandacht? In de jaren 1990 ontdekte ik het in Vlaanderen reeds bestaande nieuwheidendom met Germaanse inslag, de Asatrú, “trouw aan de asen/goden”. In beginsel vond ik dat een zeer goede zaak, een vermoorde religie die weer tekens van leven geeft. Meer dan bij de huidige herleving van het heidendom in Latijns Amerika (de verering van de moedergodin Pachamama enz., samengaand met de maatschappelijke opgang van het Indiaanse bevolkingsdeel), had ik echter ernstige problemen met een politiek bijverschijnsel van deze beweging. Vele aanhangers van Asatrú in Vlaanderen behoorden tot een welbepaalde groep, namelijk de kinderen en kleinkinderen van Oostfronters. Tijdens WO2 was er in het katholieke en kneuterige Vlaanderen nog geen nieuwheidendom, anders dan in Engeland of Duitsland (Winston Churchill was een ingewijde druïde). Maar later kwamen zij onder de invloed, vooral omdat dat voorouderlijke heidendom als iets echt inheems gold, beter dan zo’n Palestijnse “woestijngodsdienst”.





Wat mij bijzonder stoorde, was de in die kringen door sommigen beleden jodenhaat (overigens samengaand met een genegenheid voor het Palestijnse “nationalisme” en de islam). Die was zelfs in Oostfrontersfamilies niet de algemene regel: sommigen waren juist oprecht verontwaardigd en ten diepste ontgoocheld geweest toen zij na de oorlog hoorden wat er in de kampen gebeurd was (ik denk bijvoorbeeld aan het getuigenis van VA Colen, die ik nog geïnterviewd heb, de vader van Alexandra). Anderen daarentegen...





Bovendien was het bij uitstek onheidens, volkomen onbekend in bv. de Edda. Conflicten tussen verschillende bevolkingsgroepen kwamen overal voor, ook bv. in Alexandrië tussen de Grieken onder volksleider Apio en de Joden, maar dat waren voorbijgaande en niet in de religie gewortelde ruzies. Jodenhaat is juist intrinsiek aan het christendom, via het fel anti-farizeeër evangelie van Johannes en formeel vooral via de “verus Israel”-theologie, met het christendom als “nieuw Verbond” dat het “oude Verbond” komt vervangen. Het moderne biologische antisemitisme kon op een stevige grondslag van christelijke jodenhaat bouwen. Die stroming binnen Asatrú-Vlaanderen is vandaag grotendeels uitgestorven, maar ik meen dat het hedendaagse Asatrú toch best extra waakzaam is jegens sporen van opspelende jodenhaat.





Daarom kwam het als een wat komische bevrijding toen ik het Semitische spoor in het Nederlands begon te beseffen, dat bij Vennemann veel omvangrijker bleek dan ik vermoed had, en er ook een eenvoudige verklaring kreeg, namelijk de Fenicische kolonisatie om de rijkdommen aan de Atlantische kusten uit te baten. Juist al wat Germaanse dwepers beroerde, bleek van Semitische oorsprong te zijn: “aarde”, zowel de Moedergodin als de eerste grondstof van de inheemse knoestige en aan hun land verknochte landbouwers; “adel”, waar alle “traditionalistische” navolgers van de verarmde edelman Julius Evola mee dweepten; “sibbe”, de clan die de kern van de Germaanse samenleving vormde, een indeling die bij de beginnende Werkgroep Traditie gehanteerd werd; “ever”, het beest dat voor Semieten verboden was; en zelfs “volk”. Ook de megalieten staan centraal in het nieuwheidense zelfbeeld, hoewel zij niet door de oer-Germanen of zelfs oer-druïden opgesteld waren. En het runenschrift zou op het Kanaänitische (Fenicische en pre-bijbels-Israëlitische) alfabet gebaseerd zijn.





Vandaag is die Semitische oorsprong weer actueel door de opkomende aanwezigheid van de islam en dus van zijn ontstaanstaal, het Arabisch. Tussen Joden en Arabieren bestond damals en bestaat vandaag nog grote vijandigheid, maar hun beider talen behoren wel tot dezelfde Semitische taalgroep. In islamkritische fora krijg ik regelmatig boodschappen binnen van mensen die wild tegen de islam aanschoppen en daarom menen, ook het Arabisch te moeten aanvallen: “Het Arabisch is een spraakgebrek!” Nee, het Arabisch is een wereldtaal, en het was duizenden jaren lang de moedertaal van een heidense bevolking, die jaarlijks op bedevaart naar Mekka ging om er (net als de hedendaagse Wicca’s) “de gehoornde god en de drievoudige godin” te aanbidden. Toen werd Arabië onder druk of dwang in het gareel van de islam gebracht, ondanks een mislukte opstand daartegen door de meerderheid van de Arabieren zelf. De Arabieren waren juist de eerste slachtoffers van de islam.





Er is dus helemaal niets mis met Semitisch. En maar goed ook, want wij dragen er zelf heel wat van mee.           

maandag 27 februari 2017

Julius Evola, profeet van het Blok?

      
(Trends, 18-05-1995)
(editoriaal voorwoord: )
Julius Evola, de Italiaanse radikaal-rechtse denker en voorman, zou de inspirator zijn van het Vlaams Blok met zijn — terecht — gewraakte vreemdelingenprogramma.

(artikel: )
Vooreerst: wie is wie? Julius Evola werd in 1898 geboren uit een adellijke Siciliaanse familie. Tijdens de opgang van Benito Mussolini en diens Nationale Fascistische Partij was hij niet op het politieke maar op het artistieke front bedrijvig, als dadaïstisch dichter en schilder.

Pas in 1927 benaderde hij een fascistisch blad om er enkele artikels te publiceren. Hij viel er dra weer uit de gratie wegens zijn fel antikristelijk essay Heidens imperialisme (we geven de boektitels hier in het Nederlands, hoewel er meestal alleen Franse vertalingen uitgegeven zijn), dat niet paste in de toenaderingspolitiek van het regime met de Kerk. In 1930 startte hij het tijdschrift La Torre, dat te onafhankelijk bleek voor het regime. Het derde nummer werd verboden wegens zijn kritiek op de natalistische regeringspolitiek (Evola verkoos kwaliteit boven kwantiteit), en na tien nummers werd het tijdschrift opgedoekt omdat alle drukkerijen op bevel van hogerhand hun medewerking weigerden.

Evola definieerde zich niet als fascist maar als "integraal traditionalist". Centraal stond de idee van de "primordiale traditie", die alle echte kulturen doordesemde, en die ook op maatschappelijk vlak een welbepaalde, sakrale orde inhield. De heersersplaats kwam niet toe aan de geldmachten maar aan een kaste van krijgers, gemodelleerd naar het middeleeuwse ridderideaal of het Japanse samoerai-type. Dit hoogdravende ideaal zag hij absoluut niet verwezenlijkt in de regimes van Mussolini en Hitler, die hij tot eigen schade bemand zag door zeer middelmatige en conformistische figuren.


RACISME.

Na bemiddeling van enkele sympatizanten binnen het regime kon Evola weer in enkele fascistische bladen publiceren, maar invloed op het beleid zou hij nooit krijgen. Hij liet zich in 1937 wel flink opmerken met zijn boek De mythe van het bloed, een overzicht van de rassenteorieën van Plato tot Alfred Rosenberg. Het fascisme was in oorsprong niet racistisch, maar na het verbond met nazi-Duitsland in 1936 deden de Italianen hun best om de Duitsers bij te benen. Hij verzorgde ook een Italiaanse uitgave van de antisemitische vervalsing Protokollen van de wijzen van Zion. In het voorwoord erkende hij dat de autenticiteit van dit werk problematisch was, maar hij suggereerde dat de destruktieve kontrolestrategieën die het werk aan het wereldjodendom toeschreef, toch wel klopten met de vastgestelde afbrokkeling van de traditionele samenleving sedert de 18de eeuw, ook al ging het dan niet om een in een achterkamertje bekokstoofd komplot. Evola kreeg erkenning vanwege de Duce in 1941 met zijn boek Syntese van de rassenleer: eindelijk een subtieler, spiritueler, echt Italiaans antwoord op het Duitse, louter biologische, kwasi-wetenschappelijke en typisch moderne racisme! Zo poneerde hij naast een lichamelijke ook een geestelijke erfelijkheid, en hij verwierp het volledig genetisch determinisme vanuit zijn geloof in de individuele wilskracht.

Intussen had Evola kontakten gelegd in nazi-Duitsland. Daar werd zijn boek Revolte tegen de moderne wereld (1934), de systematische uiteenzetting van zijn traditionalistische visie, meteen een laaiend sukses. Hoewel hij de nazi's soms scherp bekritizeerde, bleef hij altijd een graag gezien medewerker bij de "wetenschappelijke" afdeling van de SS, in wier opdracht hij, zelfs tijdens de oorlog, onderzoek deed naar allerlei esoterische onderwerpen : alchemie, rituelen, Tempeliers, Graallegende, Vrijmetselarij.

Het was tijdens zo'n onderzoek dat hij in 1945 in Wenen bij een bombardement zwaar gewond werd aan de ruggegraat. Hij zou verlamd blijven aan de onderste ledematen en tot zijn dood in 1974 op een appartement in Rome wonen. Van daar uit zou hij nog merkwaardige filosofische studies schrijven, zoals De tijger berijden en Metafysika van de seksualiteit. De neofascistische partij Movimento Sociale Italiano (MSI) bleef hem tot aan haar opheffing in 1994 als denkmeester beschouwen, ondermeer om zijn boek De mensen temidden van de ruïnes, een herformulering van zijn antimoderne visie na de vernedering van Europa door de dragers bij uitstek van de moderniteit, de VS en de USSR.

Evola 's belangrijkste bijdrage tot een goed begrip van het fascisme is zijn evaluatie post factum, Het fascisme gezien vanuit rechts standpunt. Daarin valt hij de volgende elementen van het fascisme aan als zijnde antitraditioneel : het jakobijns nationalisme dat het standenonderscheid binnen de natie minimalizeert, het totalitarisme, het laïcisme dat een onnodige tegenstelling tussen het sakrale en het politieke kreëert, het socialisme, de persoonlijkheidskultus (men eert niet de koning maar het koningschap), en de natalistische kultus van het aantal. Het fascisme was een typisch moderne antiliberale stroming, terwijl Evola zich bekende tot een premodern antiliberalisme, aansluitend op het ancien régime, toen een transnationale adel Europa beheerste zonder oog voor nationale identiteit noch voor de inbreng van de massa's.

Wie vandaag ietwat respektabel met Evola wil uitpakken, zet graag dik in de verf dat zijn held in konflikt kwam met het officiële fascisme en nazisme. Bekijkt men zijn dissidentie van naderbij, dan moet men toegeven dat ze hem nauwelijks salonfähiger maakt. Spijts nuanceverschillen was Evola evenzeer racist, antisemiet en antidemokraat ; wie toch met Evola wil dwepen, gelieve die duidelijke stellingnamen niet weg te moffelen en er zich ondubbelzinnig over uit te spreken.



EVOLA IS DOOD.

Julius Evola is volgens bepaalde auteurs de inspiratiebron van de geheime agenda van het Vlaams Blok. De VB-mandataris die in dat verband het meest genoemd wordt, Roeland Raes, blijkt echter slechts enkele van de talrijke werken van Evola gelezen te hebben, en niet eens met onverdeelde goedkeuring.

Telefonisch verklaarde hij aan Trends : "Wat mij bij Evola wel aanspreekt, is zijn idee van een oeroude traditie met blijvende waarde, en zijn Europese gedachte. Zijn afwijzing van de demokratie en de partijpolitiek, ja, daar kunnen we hem als demokratische politieke partij natuurlijk niet in volgen. Ook zijn aristokratisch zgn. horizontaal racisme, het idee dat de elites van alle volkeren meer met elkaar gemeen hebben dan met de lagere klassen van hun eigen volk, dat staat haaks op ons volksnationalisme. Ik voel mij meer betrokken bij mijn volksgenoten van eender welke klasse, dan bij vreemdelingen. Voor Evola 's aristokratische doelstellingen heeft partijpolitiek engagement natuurlijk niet veel nut, maar wij ondervinden dat onze partijwerking voor de belangen van het hele Vlaamse volk wel degelijk verschil maakt. "

Er heeft ooit een Belgische Evola -kring bestaan, het Centro Studi Evoliani, met als voornaamste denker aan Vlaamse kant Frank Govaerts (die inmiddels door een migrant vermoord werd). Deze kring publiceerde in 1982 de enige Nederlandse vertaling van een fundamenteel werk van Evola , met voorwoord van Roeland Raes : Oriëntaties, een in 1950 geschreven, weinig konkrete brochure over de opties voor een nieuwe antimoderne beweging. Daarin roept Evola de nieuwe generatie op, radikaal te zijn en zich niet in het web van de burgerlijke politiek te laten vangen, "niet te bezwijken onder de verlokkingen van het valse politiek realisme, eigen aan elke partij".

Onder de overlevenden van de werkgroep blijkt inderdaad een erg Evoliaanse minachting voor partijpolitiek te bestaan, en in het biezonder voor het VB. Een Evola -kenner die om beroepsredenen zijn naam niet in de krant wil, legt ons uit : "Tussen het intellektueel niveau van het VB en de visie en eruditie van een Evola is uiteraard al geen vergelijking mogelijk. Aan het VB een traditionalistische inspiratie toeschrijven is, vrees ik, een schromelijke overschatting van de leeskultuur der VB'ers. Maar het is vooral in politieke oriëntatie dat het VB volledig afwijkt van de Evola -lijn. Wie aan de partijpolitiek meedoet, wie naar de stemmen van de massa dingt, die geeft zich al gewonnen aan het huidige liberaal-demokratische bestel. Evola geloofde in metapolitieke aktie, het scheppen van een geestelijk klimaat, waarna de strukturen vanzelf wel zullen veranderen. "

Als men vandaag Evola leest, vindt men vóór zich niet een VB-programma avant-la-lettre, maar stelt men integendeel vast dat er een wereld van verschil ligt tussen de jaren '30 en de jaren '90. Evola beleed één van de vele rassenteorieën die toen floreerden op de ondergrond van een vaag-racistische consensus, en deze werd vóór de dekolonizatie ook gedeeld door o.m. de demokratische koloniale mogendheden, door Karl Marx, en zelfs in de jaren '50 nog door onze latere anti-apartheidsaktivist Aster Berkhof. Omdat die racistische consensus is weggevallen, kan men (zoals de Nederlandse politoloog van Pools-joodse afkomst Michel Korzec al meermalen betoogd heeft in zijn column in Elseviers), veilig voorspellen dat de terugkeer van een politiek gevaarlijke rassenleer gewoon niet aan de orde is.

Ook tegenover de demokratie is de situatie grondig veranderd. Toen bestond er in sommige landen nog een aristokratie die zich scherp van de burgerij onderscheidde en haar pre-moderne en antidemokratische identiteit kultiveerde, b.v. de Pruisische Junkers, of Evola zelf. Toen was het onder intellektuelen nog gemeengoed, de prille politieke emancipatie van de volksklassen af te doen als een "opstand der horden". De politieke schandalen dienden toen als bevestiging van een bestaand en doordacht misprijzen voor de demokratie zelf, vandaag alleen om binnen het demokratisch bestel bepaalde personen te wraken. Het moeizame begin van jonge demokratieën in b.v. de ex-Sovjet-Unie toont aan dat er voor een veerkrachtige demokratie minstens één generatie praktijkervaring nodig is ; maar het Westen heeft die weg inmiddels afgelegd, en de demokratie heeft hier stevig wortel geschoten. Julius Evola is werkelijk dood.



kader:

KULTURELE SLACHTOFFERS.

In Antwerpen is de swastika terug : zoek hem in het familieschrijn thuis bij Indiase diamantairs die tot de jain-religie behoren. Ook in boeddhatempels van Tibet tot Californië tiert dit rode of gouden zonnesymbool welig, vaak in het gezelschap van een aardesymbool : de sri yantra of zespuntige ster. Terecht negeren Aziaten het feit dat bepaalde westerlingen hun swastika ontleend, verkeerd begrepen, zwart gemaakt en besmeurd hebben. De swastika (Sanskrit : "voorspoed-teken") zal steeds vaker en openlijker in ons multikultureel straatbeeld verschijnen, met hetzelfde recht als het kruis of de wassende maan.

De bijlbundel of fasces (die het Zwitserse kanton Sankt Gallen nog steeds in zijn vlag voert) was een symbool van de vrijheidslievende Romeinse republiek, en heeft niets met het Leidersprincipe te maken, net zo min als de olympische groet, het runenschrift of het Keltisch kruis. Wodan was geen antisemiet. Het woord Arisch heeft in zijn Sanskrit grondvorm niets met ras te maken, doch betekent "beschaafd" of "edel", b.v. in de zachtmoedige "vier edele waarheden" van het boeddhisme. Nazisme en fascisme hebben tal van onschuldige termen en symbolen uit andere tijdperken en kulturen (tot en met de vruchtbaarheid, de viriele kracht, de natuur) belast met hun obsessies, dus met aanslepende en ongerechtvaardigde negatieve associaties.

Julius Evola neemt in dat proces een ambigue positie in. Hij was een criticus van allerlei beunhazerijen die bij teosofen en okkultisten opgeld maakten, maar toch projekteerde ook hij modieuze westerse ideeën op vreemd kultuurgoed. Zo beschrijft hij het taoïsme als een "initiatieke" weg (cfr. de Vrijmetselarij). Van het Indiase kastestelsel beweert hij, met de martiale obsessie die zo typisch is voor het interbellum, dat de krijgerskaste er boven de priesterkaste staat, en dat het hele systeem op een soort raciale apartheid gebaseerd is ; de reïnkarnatieleer is dan een bedenksel van de "vóór-Arische" bevolkingsgroepen. Hij negeert het demokratische element in vele traditionele samenlevingen : de Afrikaanse palaver, de Germaanse landdag. Het is geen goede zaak dat men in bepaalde rechtse kringen vreemde kulturen nog steeds niet eerstehands bestudeert, maar alleen via de verouderde en verre van neutrale Evola-bril.

zaterdag 11 februari 2017

Wegkijken leidt tot censuur


(Doorbraak, ca. 31 januari 2017)


Vrije meningsuiting

Peter De Roover volhardt in zijn oproep om de vrije meningsuiting ten gunste van de radicale islam aan banden te leggen. Het algemene antwoord daarop luidt: verderfelijke meningen bestrijd je in normale omstandigheden met tegengestelde en beter beargumenteerde meningsuitingen. Op dat punt is er geen onderscheid tussen racistische, negationistische, links-revolutionaire en radicaal-Islamitische meningen. Of wel?

Linkse meningsuiters zijn bij ons nooit verontrust geweest. Zogenaamd racistische en negationistische meningen zijn wel gemuilkorfd, trouwens met goedkeuring van al de partijen die nu de N-VA-er de mantel uitvegen. Om de inderdaad wenselijke gelijkheid tussen al die extremen te herstellen, is er één democratische weg: allemaal gelijkelijk toelaten. Als Joachim Pohlmann het vreemd vindt dat de “haat”-emo van Miss België strafbaar is en islamitische haatoproepen niet, dan is de democratische oplossing, ervoor te zorgen dat ook de meningsuitingen van Miss België toegelaten worden (en dat haar vervolger, het antiracismecentrum UNIA, opgedoekt wordt).

Vrije meningsuiting is inderdaad grondleggend en onmisbaar voor de democratie: vooraleer het volk een beslissing neemt, moet het van alle relevante informatie en standpunten kunnen kennis nemen. Het alternatief is een oligarchie waarin de bovenlaag vrij toegang heeft tot informatie die zij aan de onderlaag ontzegt. Je bent ofwel voor de vrije meningsuiting ofwel tegen de democratie.



Tegen de democratie

Nu, dat laatste is geen doodzonde: sedert Plato heeft er altijd beredeneerde en uitgesproken kritiek op de democratie bestaan. In de late 20ste eeuw gold daar echter een taboe op, met verwijzing naar de gevolgen van de wijdverspreide democratiekritiek in het interbellum. Maar nu worden de teugels gevierd en hoort men de aloude argumenten tegen de democratie opnieuw luidop. Tot en met de paus, hoofd van een theocratische organisatie (zelfs de besluitvorming bij stemming in concilie wordt door de Heilige Geest gestuurd), heeft bij Donald Trumps verkiezing gewaarschuwd dat Adolf Hitler ook democratisch verkozen was. Ja, de democratie is een gevaar voor de democratie…

Anti-democratische standpunten zijn dus in de mode. Een ander symptoom van deze neerwaartse trend is de openlijke demonisering van de democratie als zijnde “populisme”. Het summum van populisme is dan de directe democratie: cut out the middle-man, geef inzake de grote beleidslijnen gevolg aan de mening van het volk in rauwe gedaante zonder dat die door een elite van parlementairen naar het eenheidsdenken toe gestroomlijnd is.

Despotisch gezinden gaan soms specifiëren dat zij tegen “directe” democratie zijn, zoals tegen de vele EU-referenda die een voor de eurocraten negatieve uitslag opgeleverd hebben. Maar het blijven dezelfde aloude argumenten pro despotisme: “Het volk kent er niet genoeg van”, “het volk raadplegen is inefficiënt”, “het volk reageert te gevoelsmatig”. De N-VA is tegen directe democratie en leverde, nog als kleine partij, de beslissende stem om een Vlaams referendum over de EU-grondwet te verhinderen. (De andere Volksuniesplinter, Spirit, zorgde daar op federaal niveau voor. De Vlaamse Beweging moet er niet fier op zijn.)



Islam

Maar moeten we islamitische haatpredikanten dan zomaar vrij laten om hun vergif te spuien, vaak met noodlottige gevolgen? Hun woord kan de kantelfactor zijn die iemand naar Syrië doet vertrekken om er te moorden en te sneuvelen; of die iemand zijn wagen op een mensenmassa doet inrijden. Het is op zich een uiting van verantwoordelijkheidszin als men hun invloed wil beteugelen.

Vooraleer we hier tot een steekvlamwet besluiten om hen de mond te snoeren, moeten we begrijpen waarom zij zulke paniekmaatregel zouden rechtvaardigen. Waarom heeft hun advies zo veel impact?
Het antwoord is helaas maar al te eenvoudig: hun woord heeft gezag omdat zij namens de islam spreken. Slechts zeer weinig onevenwichtigen zullen tot een misdaad overgaan gewoon omdat iemand hun zegt dat die daad wenselijk of zelfs een plicht is. Anders wordt het wanneer een voorganger in de jou door je liefhebbende ouders ingelepelde religie je inprent dat die misdaad God welgevallig is. En dat de haat die hij predikt, niets anders dan een daad van vroomheid is.

In deze tekst wil ik niet meer doen dan het werkelijke probleem aanduiden waarvan de haatpredikingen waarover De Roover zich zorgen maakt, slechts een uiting zijn, namelijk de islam. Wat er dan wel aan dat probleem gedaan moet worden, is inderdaad een delicaat en rechtskundig ingewikkeld vraagstuk, zoals Paul Cliteur tijdens zijn recent debat met Wim Van Rooy in de Amsterdamse Balie toegaf. Maar een muilkorfwet is alvast niet de oplossing. Hij zal trouwens contraproductief blijken en tot allerlei geuzengedrag aanleiding geven, zodat de haatpredikers en hun steunbasis nog eens het slachtoffer kunnen uithangen en sympathie vergaren. Genre Madeleine Albright (met vele duizenden Iraakse moslimdoden op haar geweten) die zich “uit solidariteit” als moslim laat registreren.   



Conclusie

Het is toe te juichen dat Peter De Roover het islamprobleem ernstig genoeg neemt om voor één bepaald aspect ervan een bijzondere wet te willen maken. Stoppen met wegkijken is op zich al een politieke revolutie, ook in de N-VA, en wel een broodnodige.

De specifieke maatregel die hij voorstelt, is echter een minder gelukkige. Hij offert een wezenlijke verworvenheid van onze rechtsstaat, namelijk de onbelemmerd vrije uiting van alle meningen, op om daarmee een beperkt en tijdelijk probleem hopelijk uit de wereld te helpen. Bovendien bestrijdt hij daarmee slechts een symptoom van het hele islamprobleem, dat bij het opduiken van zulke wettelijke hindernis heus wel andere wegen kent om zijn machtsstreven kracht bij te zetten. De islam zelf veroorzaakt op allerlei manieren en in heel uiteenlopende landen al veertien eeuwen ellende, en dat wetje in ons landje tegen een terloops uitinkje ervan zal die ellende niet beëindigen: le ventre est encore fécond, d’où a surgi la bête immonde.

.Als men dat immense islamprobleem recht in de ogen kijkt en ophoudt met smoesjes over een “echte, verdraagzame islam”, een “euro-islam”, of zelfs “méér islam als oplossing voor het radicalisme”, doen hoeft men zijn toevlucht niet te nemen tot schadelijke en vruchteloze maatregelen. Dan heeft men geen censuur nodig op het aanleren van een wettelijk toegestane en gesubsidieerde religie.

vrijdag 10 februari 2017

De Āraṇyaka’s, de stem van het woud




(verschenen eind 2015 in het blad van de Theosofische Vereniging, Antwerpen)


Een minder bekend deel van de lange hindoetraditie zijn de Āraṇyaka’s. En het valt te vrezen dat mijn geëerde lezers zich ook na dit artikel niet meteen zo’n Āraṇyaka zullen aanschaffen. Zelfs wie dat wil, zal er moeite mee hebben, want er bestaan geen Nederlandse vertalingen, en Engelse vertalingen zijn zeldzaam. Zelfs de Sanskrit originelen zal je in gespecialiseerde indologische boekhandels in India hard moeten zoeken, want nagenoeg niemand is geneigd om ze te lezen.

De Veda’s (“weten”) bestaan uit verschillende lagen:
  • De Saṁhitā’s of “verzamelingen (van hymnen)”, zelf bestaande uit hymnen of Sūkta’s (< su-vakta, “goed gezegd”), zelf weer bestaande uit verzen of Mantra’s (“denkinstrument”).
  • De Brāhmaṇa’s of “priester-(boeken)”.
  • De Āraṇyaka’s of “woud-(boeken)”.
  • De Upaniṣad-en of “geheimleer”/”metaforische (boeken)”; alleen de “grote” Upaniṣad-en, hoogstens een twintigtal, worden hier bedoeld, want zelfs in recente eeuwen zijn er nog tientallen boeken bijgeschreven die ook Upaniṣad genoemd worden .
In India beduidt men deze vier categorieën samen wanneer men het over “de Veda’s” heeft. Wanneer men daar zegt dat iets “in de Veda’s staat”, bedoelt men gewoonlijk dat het in de meestgelezen categorie staat, de Upaniṣad-en. In het Westen daarentegen is de gewoonte gegroeid om alleen deSaṁhitā’s zo te betitelen.
Er zijn vier Veda’s. Daarvan hebben de Sāma-Veda (“melodieënkennis”) en de Atharva-Veda(“priesterkennis”) geen Āraṇyaka-aanhangsel, de twee andere hebben er elk twee: de Ŗg-Veda(“hymnenkennis”) heeft de Aitarya Āraṇyaka (“woudboek van de Ziener Itara”) en de Kauṣītaki Āraṇyaka(idem), en de de Yajur-Veda heeft de Maitrayanīya Āraṇyaka (woudboek van de zo genaamde school) en de Taittirīya Āraṇyaka (“woudboek van de patrijzen”— toen de latere ziener Yājñavalkya zich tijdens het leren van de Yajur-Veda arrogant gedroeg en zijn leermeester van hem eiste dat hij de gekregen kennis terug zou geven, braakte hij deze uit, waarop de vogels ze oppikten).

Van de Saṁhitā’s leest men doorgaans een bloemlezing. Hun dichterlijk karakter, rijkdom aan beeldentaal (vol verwijzingen die zelfs onderlegde vertalers maar gedeeltelijk begrijpen) en moelijk vertaalbare woordspelingen, maken hen tot zware kost maar hebben ook hun charmes. De Upaniṣad-en bevatten nog ongestructureerde wijsgerige ontboezemingen; mits de afspraak dat men door wat couleur locale moet waden om de parels te vinden, is hun lectuur zeer lonend. De Brāhmaṇa’s en Āraṇyaka’s daarentegen blijven ongelezen: zij gelden als zeer technisch en saai.

Heel grof veralgemenend zou men kunnen zeggen dat de Brāhmaṇa’s het hoe en de Āraṇyaka’s hetwaarom van het ritueel onderrichten, terwijl de Upaniṣad-en het ritueel helemaal overstijgen en zich aan wijsheid wijden. De Brāhmaṇa’s gaan over Karmakāṇḍa, “de (rituele) handelingenhelft”, de Upaniṣad-en over Jñānakāṇḍa, “de wijsheidshelft”, de Āraṇyaka’s zitten daar tussenin. Zij behandelen de wijsheidsdimensie van de elementen van het ritueel. Geheime betekenissen van de woorden, gebaren en substanties die in het ritueel gebruikt worden, krijgen hier hun verklaring.

Boeken uit de vier categorieën overlappen nogal. Vooral de Yajurveda behandelt het ritueel en gaat aldus naadloos over in de Brāhmaṇa’s, boeken met aanwijzingen voor het ritueel. Reeds de oudste Veda, de Ŗg-Veda, bevat diepzinnige gelijkenissen en metaforen die in de Upaniṣad-en hernomen en uitgebreid bespiegeld worden, bv. van de twee volgels die samen op een tak zitten waarbij de ene de bessen opeet en de andere slechts toekijkt, dat als gelijkenis voor het ego dat in de wereld geëngageerd is, en het Zelf dat slechts in zichzelf rust. De Āraṇyaka’s zijn formeel soms slotdeel van de Brāhmaṇas, terwijl delen van de Āraṇyaka’s dan weer tot de collectie Upaniṣad-en gerekend worden.

Āraṇyaka heeft effectief dezelfde betekenis als Upaniṣad: “geheimleer” of “metafoor”. Men spreekt namelijk van “woudboeken” (van Araṇya, “woud, wildernis”) omdat het een inhoud betreft die in het geheim aangeleerd werd, namelijk doordat meester en leerling zich “buiten gehoorsafsand van het dorp”, dus veelal in het woud, terugtrokken. Inhoudelijk betrof het een figuurlijke of metaforische duiding van het ritueel. Het vuuroffer, de begeleidende handelingen of bewegingen en de gereciteerde hymnen waren niet geheim: allen konden er bij openbare rituelen getuige van zijn. De juiste betekenis van al die elementen behoorde daarentegen tot de vakkennis van de ritualist en werd binnen die vakgroep vertrouwelijk doorgegeven.

Een figuur die de vier categorieën omspant is de ziener Yājñavalkya. Hij is verbonden met de Yajur-Veda, is auteur van de lijvige Śatapatha Brāhmaṇa (“priesterboek van de honderd paden”), en wordt uitvoerig geciteerd in de Bṛhadāraṇyakopaniṣad, de “geheimleer van het grote woudboek”. Dit laatste is één van de belangrijkste werken uit de wereldliteratuur. Zoals men zegt dat heel de westerse wijsbegeerte slechts een reeks voetnoten is bij Plato, zo kan men nagenoeg de hele hindoe-boeddhistische overlevering tot Yājñavalkya terugvoeren.


Voorbeelden

Enkele voorbeelden nu uit de Aitareya Āraṇyaka. Het eerste komt uit hoofdstuk 1.3. Het is hier nuttig om weten dat Brahman “het absolute” betekent (vaak ook gewoon Tad genoemd, “dat”), en dat Hiṁ ofwel een willekeurige klank is, een zaadmantra, ofwel specifiek het geloei van de koe (“meuh”), een centrale klank in een veehouderscultuur waar alle jongens als koeienhoeder opgroeiden
:
“1) Laat hem de dag beginnen met Hiṁ te zingen, zeggen ze. 2) Waarlijk, het geluid Hiṁ is Brahman, deze dag is ook Brahman. Hij die dat weet, verkrijgt Brahman door Brahman. 3) Terwijl hij met de klankHiṁ begint, vormen deze mannelijke klank Hiṁ en de vrouwelijke hymne een paar. Zo maakt hij een paar in het begin van de hymne om nageslacht te krijgen. Hij die dat weet, krijgt vee en nageslacht. 4) Of, terwijl hij met de klank Hiṁ begint, zoals een houten spade, zo graaft de klank Hiṁ het Brahman, het extract van de Veda’s, op. En zoals een man eender welke, zelfs de hardste, bodem wil opgraven, zo graaft hij het Brahman op. 5) Hij die dat weet, graaft door middel van de klank Hiṁ alles wat hij verlangt, op. 6) Als hij met de klank Hiṁ begint, is dat het apart houden van goddelijke en menselijke spraak; daarom houdt hij die begint na de klank Hiṁ geuit te hebben, goddelijke en menselijke spraak uit elkaar.”

Het tweede voorbeeld komt uit hoofdstuk 2.4. Het echoot een bekende formule die ook in de Yajur-Veda en de Upaniṣad-en voorkomt: So’ham < Sah aham, “hij--ik” (Hij die in de zon woont, hem ben ik). Dat is eigenlijk de centrale metafoor of betekenisoverdracht: de correspondentie of overeenkomst, “zo boven, zo beneden”:
“6) Dat wat ik ben, dat is hij [de zon]; wat hij is, dat ben ik. 7. Dat is gezegd geweest door een Ziener (Ŗg-Veda 1:115:1): ‘de zon is het zelf van al wat beweegt of rust.’”

Het laatste voorbeeld, uit hoofdstuk 3.6, noemt een basisbetekenis van de bekende klank Oṁ, namelijk “ja”, in sommige moderne Indiase talen voortlevend als het ja-woord Āṁ. Daarnaast is deze oerklank volgens mij eveneens een klanknabootsing van het geloei, maar dan specifiek van de klank waarmee (naar een veeboerin mij uitgelegd heeft) de koe haar kalf naar haar uier roept. Maar hier beduidt hij dus het “ja” van iemand die toestemt wanneer hem om iets gevraagd wordt, dus die steeds maar weggeeft:

“11) Die lettergreep Oṁ [= ja] gaat voorwaarts en is leeg. Daarom, als een man op alles Oṁ/ja zegt, dan heeft hij daarmee gebrek aan dat (wat hij weggeeft). Als hij op alles ja zegt, ledigt hij zichzelf en dan is hij niet langer in staat om te genieten. 12) Die lettergreep Na/nee is vol van jezelf. Als een man op alles nee zegt, dan zou hij een slechte reputatie krijgen en dat zou hem zelfs hier ruïneren. 13) Laat een man daarom alleen op de juiste tijd geven, niet op de verkeerde tijd. Zo verenigt hij het ware en het onware , en uit de eenheid van die twee groeit hij en wordt hij groter en groter.”

Moge de lezer ook aan deze groei deelachtig worden.