zaterdag 4 maart 2023
Twee voorzaten in het herstel van de democratie
(Doorbraak, 29 december 2022)
Vaders geven hun kinderen vaak een voornaam die hun eigen idealen uitdrukt, ofwel door zijn woordafleidkundige betekenis, ofwel door zijn associatie met een persoon die die idealen belichaamt. Mijn vader zaliger was een politiek geïnteresseerde katholiek (gelijk ze ze niet meer maken), en hij noemde mij naar een destijds vooraanstaand katholiek politicus: Konrad Adenauer. Aan hem was de zware maar eervolle taak toegevallen, Duitsland na de nachtmerrie van het goddeloze nationaalsocialisme weer bij het concert der beschaafde naties te voegen.
Hij zal allicht niet geweten hebben dat die naam op nog een andere manier naar het herstel van de democratie verwijst. De letterlijke vertaling van “Koenraad” in het klassiek Grieks is Thrasuboulos (verlatijnst: Thrasybulus), de samenstelling van thrasus, “koen”, en boulè, “raad”. En het wil zo lukken dat dat de naam was van een belangrijk personage in de wisselvallige geschiedenis van de nog prille democratie.
(Doorbraak, 29 december 2022)
42.1. Tegen de Tirannen
Nu de democratie het niet zo goed doet, is het tijd om één van de voorvechters van de oorspronkelijke democratie in het licht te zetten: Thrasuboulos.
Thrasuboulos (Latijn: Thrasybulus) leefde van ongeveer -440 to -388, meestendeels in Athene. Dat was een tijd van strijd tussen de pro- en anti-democratische kampen in zijn stad. Toen de oligarchische partij in -411 een staatsgreep gepleegd had, kozen de pro-democratische zeelui hem tot generaal, en zo werd hij een verzetsleider tegen de staatsgreep. Ze slaagden in hun opzet, en hij werd lid van het nieuwe bewind. In die hoedanigheid riep hij de bekende Alkibiades, nochtans een edelman, terug uit ballingschap, en samen behaalden ze enkele militaire overwinningen.
Maar de Peloponesische oorlog tegen het formidabele Sparta eindigde in -404 met de nederlaag. De Spartanen drongen de Atheners een niet-democratisch bewind op, bekend als de Dertig Tirannen, die een jaar aan de macht zouden blijven. Zij stonden onder leiding van een oud-leerling van Sokrates, Kritias, die om zijn wreedheid door geschiedkundigen gekenmerkt is als “de eerste Robespierre”. Om nog een parallel met de Franse Revolutie te trekken: Kritias veroordeelde niet alleen tegenstanders maar ook enkele van zijn aanvankelijke medestanders tot de toenmalige guillotine: de gifbeker.
Sokrates zelf mocht onverontrust in de stad blijven, wat bijdroeg tot zijn reputatie van collaborateur van de Dertig. (Er wordt beweerd dat dat onrechtstreeks zelfs tot zijn latere terechtstelling bijdroeg: door een verzoeningsbeleid tegenover de collaborateurs van de afgezette Tirannen kon Sokrates slechts via een omweg getroffen worden, dus vandaar de wat willekeurige beschuldiging van godslastering.) Nochtans wekte Sokrates de gramschap van de Dertig op toen hij weigerde om de zeer geëerbiedigde figuur Leon van Salamis te gaan optrommelen voor een verhoor dat, opgezet spel, op diens terechtstelling zou uitdraaien. Hijzelf zei achteraf dat hij toen slechts overleefde doordat de dictatuur spoedig daarna ten val kwam.
Thrasuboulos kwam er iets goedkoper vanaf dan Leon: hij werd verbannen. Maar reeds in -403 slaagde hij erin om in ballingschap een leger te verzamelen en de Dertig af te zetten. In naam van de verzoening gaf hij amnestie aan allen die de Dertig gesteund hadden. Niet aan de Tirannen zelf, maar ook die kwamen er doorgaans levend vanaf door te vluchten. Zijn verzoeningsbeleid waarborgde het herstel van de stabiliteit zodat Athene tot aan de Romeinse verovering (meestal) een democratie bleef.
Onder de democraten gold hij als radicaal, meer dan de bevolking zelf, en hij steunde ook het democratische kamp in cliëntsteden als Samos. Hij bepleitte een ruimhartige nationaliteitspolitiek met naturalisering van de allochtonen (metoïken, métèque) en die vreemdelingen die hem bij de bevrijding van Athene geholpen hadden. In zijn militair beleid was hij goed maar niet volmaakt; zijn prestige en politieke status gingen op en neer als gevolg van overwinningen en nederlagen. Zijn territoriale en geopolitieke aanwinsten ten nadele van Perzië gingen in het vredesverdrag van 392 verloren. Hij was allerminst een pacifist en eerder een imperialist. Een soort Ronald Reagan die voor het Vrije Westen de Koude Oorlog won maar het hulpeloze Grenada binnenviel en in de pas deed lopen.
Hij sneuvelde in -388 te velde, volgens sommige bronnen tijdens een zeeslag tegen Korinthe, volgens andere in zijn tent vermoord als wraak voor de misdragingen van zijn soldaten tegen de bevolking van het veroverde Aspendos. In dat geval stierf hij voor andermans zonden.
Overigens betekent thrasus “koen” en boulè “raad”. Nomen est omen, blijkbaar was ik toch een beetje voorbestemd om iets voor de democratie te doen. Niet het woord “democratie” tot iets absoluuts op te blazen of voor morele zelfverheerlijking te instrumentaliseren, zoals de middenmoot- en linkse partijen in Vlaanderen doen, wel er de grenzen van te erkennen maar ervoor te pleiten om ze binnen dat mogelijke toch onverkort te verwezenlijken. Onverkort, dat wil zeggen zonder de smoezen van de particratie of het despotisme, gewoon de rechtstreekse democratie zoals die door Thrasuboulos twee keer hersteld is.
42.2. Tegen het totalitarisme
De naamgeving “Koenraad” blijkt in alvast één historisch geval een inzet voor de democratie te voorspellen. De Koenraad naar wie ik genoemd ben, was Konrad Adenauer. Als politiek geëngageerd katholiek volgde mijn vader zaliger, blijkens zijn toenmalig dagboek, sterk de gebeurtenissen in Duitsland van na de oorlog. Hij en vele gelijkgezinden voelden zich in het gelijk gesteld toen het aan een katholieke voorman toeviel om het in de schande gestorte Duitse volk weer recht te helpen. Seculiere ideologieën zijn het probleem, het katholicisme de oplossing! Net als Thrasuboulos in Athene kreeg Adenauer de opdracht om de democratie te herstellen.
Zijn hele persona contrasteerde met de autoritair-nationalistische charismatische leiders van het interbellum. Die traden doorgaans aan als dynamische dertigers die eens gingen afrekenen met het oude decadente Bestel; “anti-conservatisme” was immers één van de drie “fascistische ontkenningen” (volgens Stanley Payne; het doodgezwegen broertje van anti-communisme en anti-liberalisme). Adenauer daarentegen (1876-1967) was een politiek veteraan: tenor van de katholieke Zentrumspartei, burgemeester van Keulen (1917-33) en voorzitter van de Pruisische staatsraad (1922-33, let op de einddatums). In 1946 werd hij als 70-jarige de eerste voorzitter van de mede door hem opgerichte Christlich-Demokratische Union, een ambt dat der Alte pas op zijn 90 zou neerleggen. In 1949-66 was hij de eerste kanselier van de Duitse Bondsrepubliek.
Terloops herbouwde hij zijn land van een ruïne tot een economische grootmacht (Wirtschaftswunder), maar zijn politiek belang was dat hij Duitsland verankerde in het zogenoemde Vrije Westen. Hij moest natuurlijk laveren tussen de Duitse belangen en de beperkingen die de grootmachten aan het verslagen Duitsland oplegde. De oppositie verweet hem dat hij de Westbindung boven de Duitse nationale belangen verkoos, met name door de van Sovjet-zijde aangeboden hereniging van een neutraal Duitsland af te wijzen. Hij stelde ideologische boven nationale belangen. In die tijd van strijd tegen de belangrijkste vijand, het communisme, was zijn deelname aan de Navo en zijn mede-oprichting van de Europese Gemeenschap als waarborg voor de (parlementaire) democratie goed verdedigbaar.
42.3. Verdinaso
Uit het dagboek dat mijn vader als student midden de jaren 1940 bijhield, blijkt dat hij bij het einde van de oorlog een snelle normalisering verhoopte, geen scherpslijperij zoals in Versailles 1919. Die had tot de volgende oorlog geleid, met voor zijn familie onaangename gevolgen (zijn broer overleefde als onderduiker, hijzelf werd tot een jaar arbeidsdienst in de Antwerpse dokken gedwongen), voor vele anderen natuurlijk veel erger. Hij wenste zoveel verzoening als in de omstandigheden mogelijk was. Dat was iets waarin gelovigen zich in de repressietijd vaak van de vrijzinnigen onderscheidden: wie bij de liberalen of socialisten als fout gebrandmerkt was, bleef levenslang in zijn statuut van schuldige gevangen, terwijl de christendemocraten hen na een ontluizingsperiode wel een tweede kans gaven, overeenkomstig de bij uitstek christelijke waarde van vergeving: na de penitentie, de absolutie.
Die repressie trof zijn familie uitdrukkelijk niet. Terwijl de katholieken sterk vertegenwoordigd waren in collaboratiekringen, was er ook een strekking die niets moest hebben van de autoritair-nationalistische bewegingen van het interbellum. Niet omdat zij zo rabiaat pro-democratisch waren, het gaat om gezagsgetrouwe katholieken die eerder vijandig stonden tegenover het republikeinse gedachtegoed; wel omdat zij ten eerste geen absolute antwoorden verwachtten vanwege een radicale politieke stroming (“de Kerk in het midden houden”) en zelfs vanwege de politiek überhaupt (bv. van de hertekening van landsgrenzen), en ten tweede omdat zij de toenmalige cultus van de Leider een vorm van afgoderij vonden. Zij hádden al een Leider, of alleszins een Gezagsbron, namelijk de onfeilbare paus.
Mijn vader vond die leiderscultus ook een beetje komisch. Opgroeiend in Antwerpen, en tijdens de zomervakanties vaak verblijvend bij familie aan de boskant in Sint-Job-in-‘t-Goor, vlakbij een trainingskamp van het Verbond van Dietse Nationaal-Solidaristen, zag hij hen vaak langsmarcheren. Hij hoorde soms hun gedweep met “de Leider!”, wat hij decennia nadien nog wat clownesk kon nabootsen. Om het effect van een naarstig scheefgetrokken beeldvorming over die periode te ondervangen, zullen we hier maar even verduidelijken dat “de Leider” niet Adolf Hitler beduidde (en de -naso in Verdinaso ook niet voor “nationaal-socialisten” stond, zoals ik meermalen in onze media heb horen “duiden”), wel de Vlaming Joris Van Severen.
Die was zoals de meeste toenmalige Vlamingen eveneens katholiek, en vatte zijn “solidarisme” trouwens op als een toepassing van de Sociale Leer van de Kerk: haar “harmoniemodel” (tegen de socialistische klassenstrijd, verketterd als een veruitwendiging van de afgunst) is niet hetzelfde als hebzucht maar vertaalt zich logisch als een vrijwillige, door het geweten gestuurde solidariteit. Van Severen liep echter mee met de toenmalige tijdsgeest van Leidersbeginsel, en die liet de Kerk aan zich voorbijgaan.
42.4. Stat Crux
Vandaag kennen we de Kerk als achternaloopster van ideologische modes, maar toen liet zij zich voor niemands kar spannen. Zij had toen nog zelfachting, en vriend zowel als vijand erkenden dat zij haar eigen agenda nastreefde: stat Crux dum volvitur terra (“het Kruis staat recht terwijl de wereld ronddraait”). Daarom liet zij in een encycliek aan Benito Mussolini weten: Non abbiamo bisogno (1931), “wij hebben (nog meer gegevens over de anti-Kerkse daden van het fascisme) niet nodig” (om de strijdigheid tussen de fascistische staatscultus en het christendom te onderkennen). En toen de Action Française het katholicisme als identiteitselement van de Franse natie wilde inschakelen, veroordeelde de Kerk haar (1926; haar krant kwam zelfs op de index). Dat was voor trouwe katholieken binnen de Franse cultuursfeer, dus ook in België, niet mis te verstaan.
Het seculiere nationalisme, zoals beleden door de militanten van het toen heersende bewind in Italië en Duitsland, stond minder vijandig tegenover het geloof dan het goddeloze communisme, maar wel ten hoogste onverschillig, en vaak ook minachtend: het was iets voor oude wijven (zoals Hitler in zijn Tischgespräche over het christendom zegt, terwijl hij in Mein Kampf de draak steekt met de nieuwheidense dromers), het had de vooruitgang opgehouden en leidde maar af van wat er echt toe deed, namelijk de opgang van de natie. Zeker een nuchtere edelgermaan gelooft liever in de menselijke kracht dan in dat voorbijgestreefde geloof.
Die afstand tegenover de godsdienst gold minder voor de autoritair-nationalistische bewegingen in Spanje, Roemenië, Kroatië, of inderdaad Vlaanderen. Maar veel katholieken vonden dat het element “nationalisme” of “nationale identiteit”, hoewel toen nog veel meer het dagelijks leven bepalend dan nu, niet zulke nadruk verdiende. Zij waren immers katholiek, “universeel”, en gingen er prat op dat je van Manila tot Saõ Paolo (waar mijn nonkel pater werkte) en van Rome tot Antwerpen identiek dezelfde Latijnse Mis kon bijwonen.
Er valt iets te zeggen voor het belang van het natiegevoel binnen het functioneren van democratische instellingen. Maar het moet altijd ondergeschikt blijven aan wat er werkelijk toe doet, aan wat men tegenwoordige “universele waarden” noemt. In post-katholieke vorm, nu de geloofswaarheden voor ons geen waarheden meer zijn, blijft die houding de juiste, evengoed voor latere generaties. Welke waarheden de tand des tijds blijven doorstaan nu de “Kerk van twintig eeuwen” haar einde nadert, is dan weer een ander verhaal.
42.5. Besluit
Eén van die betrekkelijke waarden, allicht niet de hoogste op de ladder maar echt wel geldig, is dat het bestuur teruggekoppeld moet worden naar haar gevolgen voor de bestuurden. Laat dezen beslissen over het bestuur waarvan zij de gevolgen dragen. De inzichten nodig voor een wijs en doeltreffend bestuur zijn evenzeer onder de massa verspreid als bij elke zelfbenoemde elite. Daarom moeten we kiezen voor een niet-aanmatigende maar wel daadwerkelijke volkssoevereiniteit. Ze is maar wat ze is, maar ze slaagt doorgaans waar wonderformules al spoedig blijken te falen. Daarom: leve het volk!
zondag 12 februari 2023
Wat de moord op de Mahatma teweegbracht
(Doorbraak, 30 jan. 2023)
Op 30 januari om 17u5 Indiase tijd troffen drie kogels uit het geweer van Nathurām Godse de legendarische leider Mahatma Gandhi. Hij gaf een pijnlijke kreun (nee, geen "hé Rām", in de Gandhi-film vertaald als "oh my God") en zeeg neer. Over die moord en haar beweegredenen handelde mijn boek De Moord op de Mahatma (Davidsfonds 1998), heruitgegeven onder de neutrale titel Mahatma Gandhi (Aspekt 2009). Ik werd er op de ochtend van 30 januari 1998 voor uitgenodigd naar de studio van zowel het radio- als het TV-nieuws van de VRT, maar door beide in de loop van de dag gedesinviteerd. Over die cancel culture gaat het hier echter niet, wel over de gevolgen op lange termijn van de moord.
Zoals bij de moord op JF Kennedy was er meteen ruimte voor samenzweringstheorieën, met name dat er juist dan uit een ander geweer een vierde kogel gekomen zou zijn. Was premier Jawaharlal Nehru de onzichtbare hand geweest? Hij zou op korte en lange termijn immers de grote winnaar van deze episode worden. Ook andere schuldigen aan die vierde kogel zijn genoemd, maar het verhaal is weinig plausibel. Alleszins eiste Godse in zijn pleitrede fier de alleenverantwoordelijkheid op, terwijl enkele medeplichtigen met consistente getuigenissen zijn versie verder geloofwaardig maakten.
Godse behoorde tot de Chitpavan-brahmaanse kaste, net zoals de Peshwa's, de vorsten van het laatste grote hindoe-rijk dat in 1818 door de Britten uitgeschakeld was. Zij hadden belangrijke leiders van de antikoloniale strijd geleverd: MG Ranade, GK Gokhale, BG Tilak, VD Sāvarkar, Vinoba Bhave. Godse zelf was hoofdredacteur van een hindoe-gezinde krant in Pune. Hij was een asceet en gezworen celibatair en had al enkele opgemerkte acties geleid, ondermeer tegen de verdrukking van de hindoes in de prinselijke staat Hyderabad door de plaatselijke moslimvorst; maar ook tegen de aloude instelling van de Onaanraakbaarheid, een kaste-discriminatie die voor de hindoe-nationalisten met hun ideaal van nationale eenheid slechts een blok aan het been was. Hij behoorde immers tot de hervormingsgezinde vleugel van de nationale beweging, en daarin zat hij eerder op één lijn met Gandhi.
Zijn verdedigingsrede tijdens zijn proces was formeel een mislukking, want hij werd toch ter dood veroordeeld. Zijn rekwisitoor tegen Gandhi bleek echter erg overtuigend. Volgens de rechter was de gerechtszaal muisstil na het beëindigen van de rede, en zou het publiek desgevraagd voor een vrijspraak gestemd hebben. De regering liet de tekst dan ook prompt verbieden, het was pas twintig jaar later dat zijn broer Gopal Godse, de toen pas vrijgekomen medeplichtige aan de moord, hem kon laten uitgeven.
Zoals ik in mijn boek over deze moord en de beweegredenen ertoe heb aangetoond, was zijn kritiek op Gandhi redelijk gelijklopend met die van anderen die de Mahatma gekend hadden. Hij was wel radicaler in zijn veroordeling van Gandhi's aandeel in de Splitsing van India met haar naar schatting 2 miljoen dodelijke en ettelijke miljoenen andere slachtoffers, een merkwaardig palmares voor een apostel van de geweldloosheid. Gandhi had zich tegen de Splitsing verzet tot juni 1947, maar was dan, in het zog van de andere Congres-politici, overstag gegaan zonder zelfs maar een poging om tegen de Moslim-Liga zijn beproefde wapen van de chantage via een vasten totterdood te gebruiken.
Hij had het splitsingsscenario, toen dat nog hypothetisch was, ook veel grimmiger gemaakt dan nodig. De realistische dr. BR Ambedkar had het idee van een politieke scheiding van hindoes en moslims aanvaard en dienovereenkomstig een plan voor een ordelijke Splitsing uitgetekend, inbegrepen een volledige bevolkingsruil onder toezicht van het leger. Dat zou de meeste moordpartijen hebben kunnen voorkomen, inbegrepen alle nog te komen religieus geweld in de religieus gemengd gebleven opvolgerstaten (eenzijdig anti-minderheden in Pakistan, tweezijdig in India). Maar Gandhi met al zijn gezag had zijn veto daartegen gesteld.
Gandhi's positie was in zoverre uniek dat zijn standpunt geacht werd, het verschil te kunnen maken. Zijn belofte dat de Splitsing slechts over zijn lijk zou plaatsvinden, had de hindoes in de voor Pakistan bestemde gebieden overhaald om te blijven waar ze thuis waren, in wat nu een slachthuis zou worden. Deze mensen, die op hem gerekend hadden, had hij bedrogen en in de steek gelaten. Hij had het nog erger gemaakt met zijn ook weer unieke raadgeving aan de vluchtelingen om naar Pakistan terug te keren en zich te laten afslachten. (Weten zijn fans dat wel?)
Maar of daaruit een doodstraf volgde die Godse buitengerechtelijk voltrokken had, was nog maar de vraag. Het morele argument tegen moord ligt voor de hand, maar hij had zich ook enkele strategische bedenkingen kunnen maken. Met de moord sloeg hij immers spectaculair zijn eigen ruiten in.
Het eerste gevolg stond al vast zodra de moord bekend gemaakt werd. Behalve in de ogen van de rechtstreekse slachtoffers van de Splitsing werd Gandhi een heilige, "onaanraakbaar" voor elke kritiek. Na zijn mislukte "Quit India"-agitatie in 1942 was zijn ster tanende en had hij in de onafhankelijkheidsstrijd geen rol meer gespeeld, maar door de moord werd hij onsterfelijk. De wet van de onbedoelde gevolgen in actie.
De volgende dagen vond een grote pogrom op zijn eigen kaste plaats. In het officiële relaas wordt altijd doodgezwegen hoe ook in naam van Gandhi gemoord kon worden. In de politieverslagen is door de overheid toen grote schoonmaak gehouden, dus het echte dodencijfer is moeilijk te achterhalen. Er circuleren schattingen van achtduizend doden, maar we weten het gewoon niet. Deze pogrom was zeer gelijkaardig aan die op de sikh-gemeenschap in 1984, uit wraak voor de moord op premier Indira Gandhi door een sikh-lijfwacht. (Voor wie vragen heeft bij haar familienaam: zij was Nehru's dochter maar droeg de familienaam van haar man, een parsi genaamd Feroze Ghandy, door haar omgespeld om in het aureool van de Mahatma te delen.)
Er waren twee politieke gevolgen, of eigenlijk drie. Ten eerste werd binnen de Congrespartij de toen nog omstreden positie van de socialist Nehru enorm versterkt, tegen de grote conservatieve meerderheid van de partij in. Het premierschap van Nehru was trouwens ook één van Gandhi's wapenfeiten, en zijn enorme geopolitieke en economische beschadiging van India (lang verhaal) mag dus mee op Gandhi's kerfstok. Toen vóór de onafhankelijkheid een commissie van Congresprominenten de kandidaat-premier verkoos, stemden 12 op de 15 voor Sardar Vallabhbhai Patel, bij drie onthoudingen. Gandhi, die van zijn minachting voor de democratie nooit een geheim gemaakt had, gebruikte zijn gezag om op Patel in te praten zodat die zijn kandidatuur introk. En zo toonde Nehru hoe je met nul stemmen een verkiezing kan winnen.
Ten tweede marginaliseerde hij zijn eigen politieke beweging. Het hindoe-nationalisme had na de Splitsing, waartegen zij zich altijd verzet had en waarvan zij de gruwelen juist ingeschat bleek te hebben, enorm de wind in de zeilen. Realistisch had zij tegen de verkiezingen van 1962 aan de macht kunnen komen. Die hoop werd nu volkomen de grond in geboord. Haar kantoren werden gesloten en vele ambtsdragers voor lang de gevangenis ingedraaid. Alles was te herbeginnen, en een groot deel van het kiespubliek was voortaan immuun voor "de moordenaars van de Mahatma".
Ten derde, en veel minder beseft (ook niet in India), is dat de moord de politieke hindoe-beweging veel minder hindoe zou maken. Bijna alle studies van deze beweging zijn hopeloos anachronistisch en citeren haar teksten uit de jaren 1920-1947 alsof deze haar beleid van vandaag zouden verklaren. Toen haar jongste incarnatie, de BJP of Indiase Volkspartij, uiteindelijk dan toch de verkiezingen won (1996: voor dertien dagen; 1998-2004: in coalitie; 2014-heden: alleen en met comfortable meerderheid), had zij nauwelijks nog een hindoe agenda. Twee beperkt pro-hindoe maatregelen, de regularisatie van religieuze vluchtelingen uit de islamitische buurlanden en de normalisering van het statuut van de overwegend islamitische deelstaat Kasjmir, zijn tot nu toe louter formeel gebleken, zonder uitvoering op het terrein. Maar er is geen enkele nieuwe wet of nieuw beleid dat de door Nehru en Indira ingestelde discriminaties tegen de hindoes ongedaan maakt. De BJP gaat er zelfs prat op dat zij de Congrespartij overtreft in haar aloude appeasement van de minderheden. Met de hindoe-beweging van vóór de moord was dat ondenkbaar geweest.
Voor wie dit allemaal te ver van zijn bed vindt: vergelijk het met het effect van een andere erfzonde op de Vlaamse beweging. Hoeveel verder zou die niet gestaan hebben als een belangrijk deel ervan destijds niet... Het verschil in India is echter dat het hier ging om de daad van één man (met een handvol medeplichtigen), die ten onrechte afstraalde op een hele politieke stroming.
Vraaggesprek met yogaleraar Paul Meirsman
(Tijdschrift van de Yogafederatie van de Nederlandstaligen in België, eind 2022)
Paul Meirsman is een yogalerarentrainer die eerst in Brussel (2010-2014), nu in Gent (2014-heden) opleidingen geeft tot yogaleerkracht volgens het onderwijs van T.K.V. Deśikācār, door wie hij na een accreditatiestage te Piesendorf, Oostenrijk (2009) erkend is geworden. Zijn Yogaschool Gent, formeel Yogaśāntiḥ, is bereikbaar via www.yogagent.be. Het is ook in zijn thuisstad Gent dat we hem ontmoeten.
Tussen 2010 en 2014 zijn in het Tijdschrift voor Yoga acht artikels van zijn hand verschenen over de technische beginselen van āsana. In 2019 verscheen de Nederlandstalige versie van de vertaling en commentaar van Frans Moors op de Yoga-Sūtra van Patañjali (verkrijgbaar in de boekhandel). In wezen bevat dat boek de visie van Tirumalai Kṛṣṇamācārya Venkata (TKV) Deśikācār, van wie Frans Moors een langetermijnleerling was. In de pijplijn zitten nog meer boeken geïnspireerd door Deśikācārs onderricht, met name over de reeds genoemde technische beginselen van de yoga- en āsanapraktijk, alsook over die van prāṇāyāma, en later nog de analyses van een vijftigtal āsana’s, en misschien nog later een lijvige maar toegankelijke woord-per-woord en grammaticale vertaling van en commentaar op de Yoga-Sūtra.
Wat is je vroegste relevante herinnering?
Ik ben in een gesloten katholieke omgeving opgegroeid. Het is merkwaardig genoeg het blad Kerk & Leven dat mij tot afkeer van het geloof gebracht heeft. Daar heb ik tot mijn 35 mee geworsteld, later echter teruggevonden dankzij de beoefening van Vipassanā. Het eerste dat ik over yoga hoorde was tijdens de hogere humaniora in een voordracht door een medeleerling, zittend op de lerarentafel in kleermakerszit en gehuld in een wit laken.
Hoe ben je tot yoga gekomen?
Een dokter raadde mij yoga aan wegens mijn stressgevoeligheid-avant-la-lettre. Zes jaar later – ik was zo een 35, het was het wonderjaar 1989 - nam een vriendin mij mee naar de yogales bij Hélène Spileers, leerlinge van André Van Lysebeth. Na de eerst les had ik overal pijn en was ik zo stijf als een berd (plank). Ik vroeg mij af wat er met mij scheelde. Dan volgden de leraren Brigitte Cocquyt, Piet Meyvaert, Eric Gomes, Alberto Paganini en Nicole Leliaert. Dat was niet ‘shoppen’, wel zoeken.
Een eerste ingrijpende opleiding volgde ik bij Johan De Backer in het nabije Sleidinge (1996-2002), waar ik het getuigschrift van yogaleraar behaalde. Inmiddels had ik in 2001 in het Limburgse Dilsen-Stokkem de boeddhistische vipassanā-meditatie ontdekt, zoals onderwezen door S.N. Goenka (India). Dat is een techniek verenigbaar met wat Patañjali leert in zijn Yoga-Sūtra, of wat S.N. Tandon “inzichtsmeditatie” genoemd heeft.
Hoe ben je yogaleraar geworden?
Faalangst heeft mijn universitaire studies doen mislukken maar paradoxaal genoeg heeft dat me de mogelijkheid geboden om levenslang in vrijheid yoga te studeren. Ik ben een vrederechter-type, of voor wie een astrologische typering verkiest, ik ben een Weegschaal ascendant Maagd.
In de zomer van 2004 volgde ik een stage bij Flor Stickens, die me voor een opleiding verwees naar Frans Moors (Franstalig), die er in september één zou starten te Brussel. De mooiste periode in mijn leven, die tien jaar duurde, brak aan. Ik behaalde er het getuigschrift in 2007, we reisden meerdere keren naar Chennai (India) voor een stage, en elders in Europa. Van 2007 tot 2014 begeleidde ik in zijn opleidingen te Brussel en Luik vele leerlingen. Ik genoot van de levensstijl van de Franstaligen en zij waardeerden mij. Terloops, mijn eindwerk in 2007 handelde over het gebruik van hulpmiddelen in de āsanapraktijk. Het is terug te vinden op mijn webstek.
Frans Moors is mijn leraar gebleven. Op mijn vragen krijg ik altijd een antwoord en hij laat me verder vrij. TKV Deśikācār is genegeerd geweest in Vlaanderen (behoudens uitzonderingen). Zijn filosofische opvattingen werden belachelijk gemaakt als ‘huis-, tuin- en keukenfilosofie’. Maar wijlen Marcel Rey, een Zwitser die met zijn vrouw lange tijd in een āśram in de yogahoofdstad Rishikesh gewoond heeft, noemde Deśikācār ‘waarschijnlijk de grootste yogaleraar van deze tijd’.
Hij zette zich af tegen het misbruik van de term ‘viniyoga’. Nochtans, heel ruimdenkend, heeft Deśikācār zijn dochter laten trouwen met een vleesetende niet-brahmaan. Ook zei hij altijd verbonden te zijn met zijn vader, Tirumalai Kṛṣṇamācārya, de grondlegger van de moderne gedaante van Haṭha-yoga. Hij benaderde āsana via de mens, niet via de spieren; de toetssteen is de ademhaling.
Voor Deśikācār was religie verbonden met de eigen cultuur, hij wou geen Vedānta (de systematisering van het Oepanisjadische denken) aan Westerlingen doorgeven. Zijn leerlingen die wilden mediteren, dienden dat te doen op de spiritualiteit van hun eigen cultuur. Hij besefte echter niet dat veel van zijn Westerse leerlingen zich juist van de Kerk wilden losmaken.
Waartoe ben je eerder aangetrokken: bhakti (devotie) of jñāna (kennis)?
Het gevoelsmatige, devotionele heeft zeker een plaats in mijn leven. Ik ben geen bhaktiyogin in de zin van devotie tot God maar ik voel veel voor de houding van ‘christelijke naastenliefde’, ik heb een afkeer van armoede, de schande voor de mensheid. Ook o.a. bescherming van dieren en milieu-activisme beschouw ik als Īśvarapraṇidhāna, ‘toewijding aan een ideaal’. En ik erger me hier in Vlaanderen soms aan de maatschappelijke afbraak van de menselijkheid. Maar ik ben duidelijk eerder jñāna, op kennis gericht.
Ik vind mezelf wel een spiritueel mens maar spiritualiteit is voor mij vooral schoonmenselijkheid en nederigheid ten opzichte van het mysterie van het universum. Spiritualiteit en ‘geloof in een bepaalde doctrine’ zijn geen synoniemen. Mijn favoriete śloka i.v.m. spiritualiteit is het no-nonsense standpunt van de Haṭhayogapradīpika IV.114: Zolang prāṇa niet vloeit in het centrale pad (suṣumnā), zolang de vitaliteit niet stabiel wordt door de adem te stoppen, zolang de geest niet in de natuurlijke toestand van meditatie blijft, is het spreken over spirituele kennis alleen maar opschepperij en vals gebabbel.’
Je bent met een dame van Marokkaanse afkomst getrouwd. Op je webstek staat, onder de foto van de Kailāś-berg, de welkomgroet ook in het Arabisch. Waar situeer je de islam ten opzichte van yoga?
Islam is geen wit huisproduct. Reeds in het begin van de elfde eeuw heeft een Perzische geleerde, Abū Raihan Al-Birūnī, eigenlijk de allereerste indoloog, een vertaling gemaakt van de Yoga-Sūtra (Kitāb Batañjal) en de Sāṁkhya (Kitāb Sāṃkh – dit boek is verloren gegaan). Altijd is er een interesse geweest van moslims voor yoga. Een Syrische kennis van me heeft de vertaling en commentaar van Frans Moors in het Arabisch vertaald (eveneens verkrijgbaar in de boekhandel). Yoga heeft dus in de moslimwereld een toekomst. Ook daar is er nu al een heel netwerk van yogastudio’s. Maar nu ook weer niet idealiseren: net zoals hier gaat het in Marokko vooral over fysieke yoga.
Wat was je meest intense yoga-ervaring?
Zonder enige twijfel Vipassanā, zuivere aandacht.
Wat is de belangrijkste les die je geleerd hebt?
Probeer jezelf te blijven en je eigen weg te gaan. En dat niet elke yogin open van geest is.
Wat is het grootste misverstand in het yoga-landschap?
Yoga definiëren als ‘de vereniging van ātma en paramātma’, dat is het grootste misverstand. Deze annexatie van yoga door de Vedānta-wijsbegeerte staat op het conto van Vivekānanda. Het is een legitieme visie maar Yoga is breder en ouder dan de specifieke Vedānta-denkschool. Doe gewoon je best op je yoga-mat en laat de rest over aan de Dharma. Ook de moderne psychologie moet niet proberen om yoga in te lijven. Weg met autosuggestie, de inzichten komen vanzelf. Yoga, filosofie, psychologie… kunnen complementair zijn aan elkaar.
Zoals Wilfried Engels (vertaler van Gaspar Koelman s.j., zelf een belangrijke vertaler van Patañjali naar het Engels) het zei: “Yoga is geen religie.” Ook T.K.V. Deśikācār maakte dit statement. Iedereen heeft baat bij yoga.
Wat kan je leven als yogin nog verbeteren?
Het leven meer en meer leren ervaren en beleven zoals het is, of mij de visie eigen maken van de Anonieme Alcoholisten (waar ik niet toe behoor): Aanpakken wat je kan veranderen, aanvaarden wat je niet kan veranderen, en het onderscheid tussen beide herkennen.
Zelf heb ik nog twee doelen in het leven: mijn zoontje Yamien zien opgroeien, en Deśikācārs onderwijs vertaald in een verzameld werk, een soort Deśikācāryayogasaṃhitā kunnen schrijven. Verder wil ik nog het mijne ertoe bijdragen yoga ietwat binnen de Indische tradities door te geven.
Hoe kijk je naar de dood?
(Glimlacht.) Moeilijk te aanvaarden. Zorg dat je genoeg geld nalaat zodat je einde geen problemen vormt voor anderen. Ik hoop bewust in een proper bed te mogen sterven. Ik vraag me af wat het betekent dat je laatste gedachten je volgend leven zouden bepalen. Wijlen de oriëntalist Ulrich Libbrecht beschreef de reïncarnatieleer als een genetica zonder genen. Ik ben geen goeroe, ik ga niet zeggen wat anderen in die onvermijdelijke situatie moeten denken.
Ik bestudeer de Yogadarśaṇa en probeer het Indiase denken te begrijpen. Daarnaast ben ik vooral bezig met het onderwijs van Deśikācār. Samen met de materialisten kunnen we stellen dat de materie (prakṛti) eeuwig is, hoewel in voortdurende verandering (pariṇāma). Ook wijlen prof. Willy Luijpen (Nederland) zegt met zijn terminologie hetzelfde. Echter, een spirituele filosofie gelooft ook dat de mens meer is dan materie: de mens is een subject, en de essentie of bestemming van het menszijn is vrijheid; in de christelijke filosofie is dat de Liefde (Gabriël Marcel: Sois avec moi) (oproep tot medemenselijkheid). Ik geloof dat bevrijding en liefde fundamentele opdrachten zijn voor de mensheid.
Eigenlijk ben ik qua metafysica een Sāṁkhya-man (Sāṁkhya: opsomming van de tattva’s of dat-heden, de elementen die samen het Geheel uitmaken, de denkschool achter yoga). De mens is én materie (prakṛti) én geest of subjectiviteit (puruṣa). Een heel mooie sūtra vind ik Yoga-Sūtra II.5: Onjuiste kennis of onwetendheid (avidyā) is dat wat voorbijgaat, het onzuivere, pijn en het bijkomstige identificeren (verwarren) met respectievelijk dat wat blijft, het zuivere, geluk en het wezenlijke. Het blijvende, zuivere, geluk en de essentie zijn puruṣa.
Maar ik ben geen metafysicus; ik vind metafysica non-sens. Worüber man nicht sprechen kann, darüber soll man schweigen (Wittgenstein). Schweigen müssen wir oft, es fehlen heilige Namen (Hölderin). De wijze weet dat het bovennatuurlijke bestaat maar houdt er zich niet mee bezig (Dao).
Ik ben eerder een instrumentalist: een overtuiging of levensstijl moet ergens toe leiden. Beperk het filosoferen tot dit leven en het toekomstige voor de mensheid en de planeet. Yoga leidt ergens toe. Het verhoogt de levenskwaliteit of de zin van het leven. “Of het nu een brahmaan, een asceet, een boeddhist, een jain, een schedeldrager (kāpālika) of een materialist (cārvāka) is, de wijze man begiftigd met geloof die zich voortdurend aan zijn beoefening wijdt, verkrijgt volledig succes. Succes gebeurt voor degene die de oefeningen uitvoert. Hoe zou het kunnen gebeuren voor iemand die dat niet doet?” (Dattātreyayogaśāstra 41,42 Terloops: schedeldragers zijn een verwilderde heterodoxe sekte van Śiva-asceten die op terreinen voor lijkverbranding gaan mediteren.)
Ik hoop daarmee een beetje een antwoord op jouw vraag te hebben gegeven.
Heeft yoga een effect op relaties?
Nooit met dat soort yogavragen bezig geweest. Het zal wel goed zijn voor je gamma aan standjes (grinnikt), en, ernstig, om je partner beter te leren aanvaarden zoals die is. Ach, elke levensweg is uniek.
Yogastijl?
Viniyoga is geen yogastijl (aldus T.K.V. Deśikācār) maar een levensstijl. Het yoga-onderwijs van T.K.V. Deśikācār kan door iedereen volgens zijn mogelijkheden en behoeften toegepast worden. De yogapraktijk dient aangepast te zijn aan leeftijd, geslacht, klimaat, seizoen, beroep… (de negen bheda’s of parameters van Nathamuni, een 10de-eeuwse vermeende voorouder van Deśikācār, in zijn Yogarahasya, ‘het geheim van yoga’).
Er zijn dus vele krama’s (wijzen van opbouw): de sṛṣṭi krama (voor jonge en sportieve mensen), de śikṣaṇa krama (die de perfecte uitvoering van āsana’s nastreeft), de rakṣaṇa krama (om de gezondheid te verzorgen – voor de meeste volwassenen), adhyātmika krama (het spirituele aspect van yoga), de cikitsa krama (yoga voor mensen met een gezondheidsprobleem) en er zijn er nog andere. Mijn yogabeoefenig bevindt zich wegens de leeftijd op raksana-cikitsa-niveau.
De werken waarnaar voortdurend verwezen wordt in de opleiding zijn: de Yoga-Sūtra, Bhagavad Gita, Samkhya-Karika, Hathayogapradipika, Yogarahassya en Yogajanavalkyasamhita. In de opleiding wordt ook de link gelegd met Westerse werken wegens de universaliteit van de essentie van yoga.
Ten slotte is het onderwijs van T.K.V. Deśikācār een geïntegreerde yoga d.w.z. waarin alle aspecten met elkaar verbonden zijn, bijvoorbeeld in āsana werken lichaam, adem een geest samen volgens specifieke regels.
Zijn er boeken die je aanbeveelt?
Wat ik altijd kan aanbevelen voor de filosofische geest is Willy Luijpen’s Nieuwe Inleiding tot de Existentiële Fenomenologie, een basiswerk, erg parallel aan de Yoga-Sūtra. Zowel in het Oosten als het Westen stellen mensen dezelfde levensvragen. Het komt er op aan te leren kijken doorheen de culturele gewoonten en het beeld- en taalgebruik, zo zijn siddhi’s niet zo speciaal, het zijn gewoon vaardigheden van mensen die lange tijd een specialisatie in een materie hebben opgebouwd, zoals een dokter of architect. Ook zijn er de commentaren op de Yoga-Sūtra van Vyāsa, Vācaspati Miśra, Rājā Bhoja, Vijñāna Bhikṣu, Hariharānanda Āraṇya, T.K.V. Deśikācār en Frans Moors.
Verder zijn Alexander Lowens ‘Spiritualiteit van het lichaam’ en Piero Ferrucci’s ‘Heel je leven’ belangrijke boeken geweest. Lowen is de vader van de bio-energetica (waarvan vele yogaleraren oefeningen hebben geïntegreerd in hun yogalessen) en Piero Ferrucci een psychoanalyst. Ze zijn zeer verhelderend om yoga en zijn praktijken te begrijpen.
Hoe ben je tot je eigen yoga-opleiding gekomen?
Piet Meyvaert wekte het verlangen op om yogaleraar, en Frans Moors om yogalerarentrainer te worden volgens het onderwijs van T.K.V. Deśikācār. Herman Seymus zaliger zei dat de kennis van de yogatechnieken te vinden zijn bij hem. Ik wou delen. Dat was 2010, nu ben ik aan de derde groep leerlingen toe, mijn laatste.
Heb je een goede raad mee te geven?
Zorg dat je een degelijke opleiding krijgt. Wees open-minded. Wees voorzichtig. Je kan een tijd misleid zijn, maar dat komt in orde.
Is er iemand die je wil danken?
Zij die ooit voor mij gezorgd hebben in goede en kwade dagen. Dank aan mijn (overleden) moeder: wanneer die sterft, heb je niemand meer op wie je kan rekenen. Ik denk nog altijd dankbaar terug aan de persoon die me geleerd heeft een lekke fietsband te herstellen.
Hoe wil je herinnerd worden?
Ik zal vergeten worden.
vrijdag 9 december 2022
Het al te menselijke samenzweringsdenken
(Doorbraak, 26 november 2022)
“U bent een samenzweringsdenker!” Als u dat nog niet tegengeworpen is, hebt u waarschijnlijk nog niet veel gezegd dat boven het maaiveld uittorent. Het is tegenwoordig het standaard-antwoord op elke aanwijzing van een breder plan of intentie achter een vastgestelde bezigheid. Maar samenzweringsdenkers hebben hun antwoord op dat verwijt: “Vooral handlangers van de samenzwering roepen dat luidkeels om elke bevraging van hun opdrachtgevers te beletten.” Of met andere woorden: “U bent zélf deel van de samenzwering!”
Alleszins, de neiging om achter alles een intentie te zien, zit in de mens ingebakken. Ze had namelijk een evolutionair voordeel, zodat mensen die ze niet hadden, zijn weggeselecteerd. Ze is een bijzonder geval van het bredere verschijnsel patroonherkenning.
Patroonherkenning
Een belangrijk evolutionair voordeel dat de mensheid in moeilijke tijden heeft doen overleven, is het vermogen tot patroonherkenning. Dat geritsel in het struikgewas, dat zijn niet zomaar geluidsignalen, dat is een herkenbaar patroon: een tijger klaar om zijn prooi te bespringen. Ook wie gealarmeerd was, had nog een grote kans om als ontbijt te eindigen, maar had toch een betere kans om te overleven en zich voort te planten dan zijn nietsvermoedende medemens. Na enige generaties bleven in de prille mensheid alleen de patroonherkenners over.
Over dat onderwerp en zijn actuele toepassingen is een boek geschreven: Laat u niets wijsmaken! Patroonherkenning en het spoelen van uw hersenen, door de Gentse natuurkundige en fotograaf Koen Van de moortel. Dat boek komt op dreef met tal van voorbeelden van patroonherkenning uit de wis- en natuurkunde en de biologie, en met praktische tips om patronen te zien die niet meteen opvallen. Aldus bijvoorbeeld: ‘Een ander standpunt of een zekere afstand, letterlijk of figuurlijk, helpt ook dikwijls om patronen te herkennen. Wat je bv. van op de grond helemaal niet ziet omdat je er middenin zit, kan vanuit de lucht zonder moeite opvallen.’ (p.27) Dat klinkt wellicht wat vanzelfsprekend, maar ontelbaar zijn de verhitte discussies die door een wat bredere blik, wat meer besef van de grotere verbanden, ontgift zouden worden.
Scheermes
De auteur besteedt echter ook aandacht aan de feilbaarheid van ons vermogen tot patroonherkenning, namelijk doordat een verzameling gegevens vaak in meerdere patronen past. Aldus lijkt de rij 1, 1, 2… het begin te zijn van de bekende Fibonacci-rij: z=x+y, dus 1, 1, 2, 3, 5, 8, 13…, want 1+1=2, 1+2=3, 2+3=5, 3+5=8. Maar het zou evengoed een andere rij kunnen worden, bv. y=x+p waarbij p=0,1,2,3…: na 1 komt dan 1+0=1, dan 1+1=2 (tot dusver alles hetzelfde, maar…), dan 2+2=4, dan 4+3=7, dan 7+4=11. Achter een patroon kunnen soms meerdere verklarende wetmatigheden schuilgaan.
Proberen we dat eens in begrijpbaar-wiskundige termen uit te drukken. Twee punten in het vlak kunnen altijd verbonden worden door een rechte, die we rekenkundig kunnen weergeven door een eerstegraadsvergelijking. Drie punten kunnen niet altijd verbonden worden door een rechte, wel door een eenvoudige kromme, de parabool, die we rekenkundig kunnen uitdrukken door een tweedegraadsvergelijking. Vier punten vergen al een ingewikkelder kromme, uit te drukken door een derdegraadsvergelijking. En zo verder.
Maar. De twee punten die op zijn eenvoudigst door een rechte kunnen verbonden worden, worden ook via talloze overbodige maar volmaakt mogelijke parabolen verbonden. En de vier punten die allevier aan dezelfde derdegraadsvergelijking voldoen, gehoorzamen ook aan oneindig vele vierde-, vijfde- en hogeregraadsvergelijkingen. Het verklaringsmodel achter een verschijnsel heeft een minimale complexiteit beneden dewelke je geen verklaring meer hebt, maar heeft ettelijke mogelijke verklaringen met een hogere complexiteit. Daarin kan sprake zijn van één of meerdere factoren die je niet strikt nodig hebt om tot een redelijk begrip ervan te komen, maar die er nu eenmaal zijn.
Het methodologisch beginsel bekend als het “scheermes van Occam” leert ons dan om de eenvoudigste verklaring te kiezen, degene die het minste factoren veronderstelt: entia non sunt multiplicanda praeter necessitatem, “de zijnden moeten niet voorbij het noodzakelijke vermenigvuldigd worden”. Maar dat is eigenlijk slechts een ezelsbruggetje, een praktische vuistregel, meer niet; geen ijzeren wet, geen natuurnoodzaak. Het is best mogelijk dat een bepaalde samenloop van bekende factoren ook nog een onbekende en niet-noodzakelijke factor herbergt, die op termijn voor een ander dan het voorziene verloop zorgt.
Samenzweringsdenken
Daar zie je de kiem van een bekend probleem dat het zwakke punt vormt in ons vermogen tot patroonherkenning: samenzweringsdenken. Wat je ziet is vatbaar voor meerdere verklaringen, soms ingewikkelde waarin meerdere factoren op elkaar inspelen, maar ook dramatisch eenvoudige. Het type dwaaltoepassing van de patroonherkenning dat we samenzweringsdenken noemen, draait om de vraag of er al dan niet een opzet in het spel is.
Soms is er niets anders dat een vreemde samenloop van omstandigheden verklaart, dan het toeval. Men kan dat toeval dan tot een quasi-religieus wezen verpersoonlijken, bijvoorbeeld het Noodlot of de Schikgodinnen. Men kan elke gebeurtenis verpersoonlijken, bijvoorbeeld het dondert “omdat” Iupiter tonat, “de Dondergod dondert”. Voor primitieve mensen maakt dat het leven draaglijker: wat je ook overkomt, het gebeurt altijd omdat er een wil achter zat.
Een bijzonder geval daarvan is de retributieve karma-leer uit India. Alles wat je aan goeds of slechts overkomt, is uiteindelijk veroorzaakt door jouw eigen wil, namelijk als beloning of straf voor je eigen goede of kwade daden. Toen je zoveel levens terug een vis die op het droge was terechtgekomen, uitlachte en met je stok een dreun op zijn kop gaf, koos je voor de hoofdpijn die je nu treft (om een voorbeeld uit het eigen leven van de Boeddha te geven). Alleszins, niets is nog onschuldig, alles is deel van een kosmische goed/kwaad-rekening.
Skeptici zullen dat doorttrekken tot het inzicht dat godsdienst zelf een uit zijn voege gegroeide samenzweringstheorie is: “Er is een wereld, dus die moet gewild geweest zijn. Achter de schepping moet een Schepper zitten.” Ja, dat komt ervan, van overal complotten te zien.
Wie heeft er belang bij?
Maar terug naar het dagelijks leven. Nog zo’n vuistregel is dat als iets onaangenaams één keer gebeurt, het dan toeval zal zijn; twee keer, misschien ook nog; maar drie keer wijst zeker op een opzet vanwege de vijand. Als je die regel volgt, zullen tegenmaatregelen vaak verloren moeite zijn, maar soms niet. Tijgers die je vanuit het struikgewas beloeren, bestaan nu eenmaal, en tegenmaatregelen zullen vaak overbodig zijn, maar worden verantwoord door die ene keer dat ze je leven redden.
Als je nog meer wil begrijpen dan dat jou überhaupt iets aangedaan wordt, namelijk wie het is die je dat aandoet, dan heb je nog zo’n vuistregel: cui prodest? Wie heeft er belang bij? In detectiveverhalen is dat doorgaans de sleutel tot de oplossing, maar ja, die zijn dan ook geschreven met een lezerspubliek van patroonherkenners in gedachten. (In zulk verhaal zal ook de voorspelling door een waarzegger altijd op een of andere, hoewel niet noodzakelijk de voor de hand liggende, manier bewaarheid worden.) Maar in de werkelijkheid gebeurt het vaak dat iets gebeurt dat door niemand beraamd is, maar dat door één betrokkende als een gouden kans herkend en post factum in zijn voordeel gedraaid wordt.
Vandaar één van de bekendste samenzweringstheorieën: in de Eerste Wereldoorlog kochten alle strijdende partijen wapens van bedrijven die via hun aandeelhouders grotendeels in Joodse handen waren, “dus” dan wees dat op een Joodse hand achter de oorlog. Sterker, als in 1917 het Britse wereldrijk aan de zionistische beweging de schepping van een Joods tehuis in Palestina beloofde, dit wegens de oorlogsberekening dat de Amerikaanse Joden zo van het pro-Duitse in het pro-Britse kamp konden gebracht worden en de VS de oorlog in zouden loodsen, dan wees dit op het schaamteloos Joodse belang achter die hele oorlog. Nee! Dan wees dit alleen op de wendbaarheid van verschillende betrokken partijen: zij grepen hun kans wanneer die zich voordeed.
In het algemeen overschatten samenzweringsdenkers de almacht en vooruitziendheid van de betrokken partijen schromelijk. En onderschatten zij de vele zwakke plekken in hun samenzweringsconstructie. Of het nu de enscenering van de maanlanding op een filmset is, of de “inside job” achter 9/11: daar waren noodwendig talloze mensen bij betrokken. Die zouden dus allemaal al die decennia hun mond gehouden hebben? Geen geval van chantage van de ene tegen de andere om het geheim te onthullen, geen mededader die zijn geweten verlicht door op zijn sterfbed een bekentenis te doen, geen rondslingerende brief met de ware toedracht, al die tijd bij al die mensen? Een beetje kennis van de menselijke natuur pleit tegen zulke Volmaakte Misdaad.
Dus ja, samenzweringen bestaan, maar zijn betrekkelijk zeldzaam. Daarom moet men ze niet overhaast veronderstellen, maar pas aannemen in functie van ernstig bewijsmateriaal.
Koen Van de moortel: Laat u niets wijsmaken! Patroonherkenning en het spoelen van uw hersenen, Gent 2020, 238 pp, ISBN 978-90-804099-0-3, 27 €. Alleen verkrijgbaar bij de auteur: koen@astrovdm.com of www.lerenisplezant.be.)
maandag 14 november 2022
Ulrich Libbrechts allerlaatste woorden
Boekbespreking
(Doorbraak, 13 november 2022)
In 2008 richtte de gemeente Kluisbergen in de Vlaamse Ardennen een huldefeest voor Ulrich Libbrecht (1928-2017) in ter gelegenheid van zijn 80ste verjaardag. De emeritus sinologieprofessor en stichter van de School voor Comparatieve Filosofie Antwerpen (met filiaal te Utrecht) stelde er zijn jongste en bedoeld laatste boek voor: Met dank aan het leven. Ik kocht er een voor mijn moeder, eveneens van bouwjaar 1928 (deze zomer op haar 93 gestorven) en zij vond het prachtig. Maar een afscheidswerk werd het niet: er zouden vóór zijn heengaan nog zes boeken volgen. En nu, vijf jaar na zijn heengaan, nog een: Mijmeringen in de Schaduw. Laatste Geschriften.
Het gaat wel degelijk om mijmeringen: oeverloze meditaties over allerlei onderwerpen. Maar elk op zich zijn ze wel pakkend. Cursiefjes en essays behandelen technische onderwerpen zoals het opzet van zijn eigen hoofdwerk, het vierdelige Comparatieve Filosofie; of het verschil tussen de groots georganiseerde maar minder populaire wijsbegeerte van Arthur Schopenhauer, tevens één van de eerste echte kenners van de Aziatische denkscholen, en de al te losse fragmenten van de gekwelde “wijsgeer met de hamer”, Friedrich Nietsche, een dilettant op dat gebied. Of over de bevruchting van zijn eigen ecologisch engagement (als stichter van De Wielewaal) door de daoïstische wijsbegeerte.
Libbrecht was meer dan gedacht betrokken in de hedendaagse wijsgerige debatten. Hij was bijvoorbeeld een wakker hekelaar van de postmoderne golf in het Westerse denken. Ik hoor het hem in de jaren 1980 nog schamperen: “Heel Leuven deconstrueert.” En in dit boek vinden we die kritiek terug: “Aan de postmodernistische schervenfilosofie kan niemand een bruikbare levensfilosofie ontlenen”. (p.128) Terwijl westerse denkers enerzijds steeds meer de andere denktradities ontdekken, verwijderen ze zich anderzijds steeds verder van het Algemeen Menselijk Patroon (term van de Nederlandse historicus Jan Romein) om in de bij uitstek westerse gekunstelde rariteiten van het postmodernisme en nu van het woke-denken te vervallen.
Maar anderzijds zijn er overpeinzingen over het leven en over de loop van zijn eigen leven. Titels en maximen zijn vaak in het Latijn. Ik herinner me zijn emeritaatszitting in 1993, waar zijn jongere collega Urbain Vermeulen van Arabistiek de laudatio hield: “U spreekt geen Arabisch en ik spreek geen Chinees, maar we houden allebei van het Latijn”— waarop hij een lang Latijns citaat debiteerde, dat Libbrecht vlot mee kon opzeggen.
Erg roerend-persoonlijk maar tevens realistisch is zijn mijmering Quoniam advesperascit, “omdat het avond wordt” (p.138-139). Hij spreekt er zijn afgunst uit op die denkers en geleerden die van jongs af in een intellectueel stimulerend milieu opgegroeid zijn. Zijn vader liet hem als primus in de boerenschool uiteindelijk Grieks-Latijnse doen, wat toen als voorbereiding op het seminarie gold: “Ik voel een late pijn wanneer ik aan mijn hoge ouderdom bedenk hoe het had kunnen zijn als de omstandigheden mij gunstig gezind waren geweest, maar wellicht is dat alleen maar hoogmoed en wrok omdat ik niet het gevoel heb dat ik geslaagd ben.” Twijfelen aan het eigen levenswerk, en dan nog eens twijfelen aan het recht om te twijfelen. Net als tijdens de laatste rede die ik van hem hoorde, tijdens een huldezitting in het Oudenaards stadhuis, was hij zich scherp bewust van zijn vergankelijkheid en gering belang: “Misschien is de mens nu eenmaal een wezen om na het de mortuis nihil nisi bene [van de doden niets dan goeds] zo snel mogelijk te vergeten.”
Zo hadden wij het nog niet bekeken. Wij zullen onze thesispromotor alvast niet vergeten. Hij heeft wellicht geen Nobelprijs gekregen, maar hij heeft zijn stempel zeker gedrukt op zijn favoriete vakgebied, de Vergelijkende Wijsbegeerte. Met name zijn wetenschappelijke vorming (hij was eerst wiskundeleraar, en zijn doctoraat ging dan ook over het hoogtepunt van de Chinese wiskunde in de Song-periode, ca. 12de eeuw) behoedde hem voor de softe praatjes en vrije associatie die daar zo welig tieren, zodat hij een structurele basis schiep waarop anderen sindsdien voortbouwen. Op dat vlak blijft zijn naam in steen gebeiteld.
En niet iedereen krijgt een wandelpad naar zich genoemd, de Ulrich Libbrecht-wandeling in en rond Kluisbergen, gepunctueerd door opschriften met zijn eigen diepzinnige vondsten, genre: “De weg is wijzer dan de wegwijzer.” Dit boek bevat dan ook evengoed cursiefjes van een positievere strekking waarin hij juist zijn dankbaarheid uitspreekt.
Ulrich Libbrecht: Mijmeringen in de Schaduw. Laatste Geschriften, Milinda Uitgevers 2022, ISBN 978 90 6271 167 3 | NUR 730, 272 blzn.
donderdag 13 oktober 2022
Het F-woord goedgepraat
(Doorbraak, 13 oktober 2022)
De politologe Annelien De Dijn heeft met haar jongste column de aandacht gewekt, er is in Doorbraak al meermalen terloops naar verwezen ("Daar heb je het F-woord weer", De Standaard, 8 september 2022). Ze zou de radicaal-rechtse politici graag fascisten noemen, maar ze ziet voor en tegen, ze twijfelt: "Kunnen we radicaal-rechts zien als de erfgenaam van Mussolini's Partito Nazionale Fascista, Hitlers NSDAP, of Joris Van Severens Verdinaso -- of is die vergelijking onzinnig?" Eindelijk gaan we het vernemen, en nog wel van een deskundige.
Nazisme versus fascisme
Eerst een haarklieverij onder deskundologen. Hier en in meerdere passussen verderop maakt onze professeuse een amalgaam tussen fascisme en nationaal-socialisme. Wie iets van de geschiedenis van het interbellum kent, weet dat dit erg verschillende stromingen waren. Vele prominente intellectuelen waren voor de ene stroming en tegen de andere, bv. Georges Dumézil sympathiseerde met het fascisme maar was tegen het nazisme. Verschillende pro-fascistische groeperingen in Frankrijk en België gingen in 1940 in het verzet tegen de nazi's, bijvoorbeeld het Nationaal Legioen waar ook de vader van een oudere Doorbraak-medewerker lid van was: hij werd als fascistisch verzetsman voor de duur van de oorlog in Buchenwald opgesloten. Een aantal nationalistische partijen belegde een bijeenkomst in Montreux om een soort nationalistische internationale te vormen, maar zij gingen ruziënd uiteen: de agenda's en ideologische wortels waren te verschillend, de nationalismen bleken te sterk door hun nationale achtergrond gekleurd.
Echter, Stalin gaf de Komintern het ordewoord dat de term "socialisme" in "nationaal-socialisme" niet mocht besmeurd worden, en dat men dus in alle gevallen maar over "fascisme" moest spreken, ongeacht de bewezen verschillen. De hele linkerzijde hield zich bewust en tot vandaag aan die oekaze, en de gedachteloze bourgeoisie volgde in haar sporen. We zouden er de schouders voor ophalen als het van een journalistje kwam, maar van een "hoogleraar politieke geschiedenis" hadden we beter verwacht dan zulk een (in oorsprong moedwillig, maar nog altijd minsters slordig) amalgaan.
Om het verschil concreet te maken: anders dan wat de "fascisme"-slijters suggereren is Georgia Meloni, zelf al was zij een nostalgische fasciste geweest, in geen geval de erfgename van de Holocaust. Toen de Duitsers in 1943 de controle in Noord-Italië overnamen, hielpen fascistische burgemeesters de joden om onder te duiken. Natuurlijk was het fascisme verwerpelijk, net als de meeste premoderne regimes waar nationalisten naar teruggrijpen, maar het had niet het unieke stigma van het nazi-bewind. In de haatretoriek tegen rechts waar zij in de loop van haar column toch voor zal blijken te kiezen, maakt dat een heel verschil. (Hetzelfde geldt in nog sterkere mate voor het Verdinaso, dat als zodanig nooit aan eender welk bewind heeft kunnen deelnemen, zelfs niet aan de VNV-collaboratie.)
Wat dan die "wortels" betreft: is een partij gebonden door haar verre verleden? Toen ik eind jaren 1970 voor het eerst ging stemmen, was dat voor Amada, later omgedoopt tot de Partij van de Arbeid. Zij had toen toen als voornaamste eis de "bewapening van de arbeidersklasse". Verkiezingen gebruikte zij uitdrukkelijk slechts als een welgekomen platform voor propaganda, niet omdat zij deze bourgeois-vertoning ernstig nam ("als verkiezingen iets konden veranderen, waren ze al lang verboden"). Als wortels belangrijk zijn, mogen we de PvdA nog steeds een stalinistische en anti-democratische partij noemen, ook al is zij vandaag dat wat zij toen verketterde als een "reformistische" en "revisionistische" partij "die met de bourgeoisie getrouwd is". Het belet onze prof niet om PvdA-ideoloog Loonis Logghe te citeren voor een standpunt dat uiteindelijk het hare zal blijken, namelijk dat de winnende partij in de stembusslag van 2024 "fascistisch" mag heten.
Toen en nu
Een heel eindweegs in haar artikel is prof. De Dijn behoorlijk eerlijk. Zij erkent dat de uit het echte fascisme voortgekomen partij van Meloni geen troepen naar Ethiopië of diverse Oostfronten gaat sturen, noch homo's in de gevangenis steken. Zij vindt zelf dat het hele "fascisme"-vertoog zwaar overtrokken is. Het is een leugen dat de jaren 2020 dezelfde politieke configuratie aan het voortbrengen zijn als de jaren 1920 en 1930. Zo zijn de omstandigheden erg verschillend,-- waarbij zij de belangrijkste factoren nog uit het oog verliest.
Ten eerste was er toen de dreiging van het communisme. De angst voor het moorddadig gebleken communisme, met onder meer zijn antireligieuze repressie zonder voorgaande, was de cruciale factor voor bereidheid om met het rechtse alternatief mee te gaan. Hoewel zeer veronachtzaamd door historici van het "fascisme" heeft het linkse totalitarisme het rechtse mogelijk gemaakt. Zonder Lenin geen Mussolini noch Hitler, zonder Holodomor geen Holocaust. Zowel imitatief (kijk eens wat er allemaal mogelijk is...) als reactief (kijk eens hoe weergaloos gruwelijk, hiertegen is meer nodig dan soft-democratische halve maatregelen) zijn deze bewegingen uit de angst voor het communisme voortgekomen. De nooit eerder vertoonde intensiteit van jodenhaat bij de nazi's kwam voort uit de onnauwkeurige doch populaire vereenzelviging van het bolsjevisme met het jodendom. Welnu, er is niets dergelijks vandaag. Zelfs de islam, die anders dan het toenmalige Duitsland nog altijd als achterlijk geldt, boezemt geen dergelijke angst in.
Ten tweede was er toen een grote teleurstelling in de democratie. Die hadden de Europese volkeren stukje bij beetje verworven, maar nu leek het voor niets geweest te zijn. De nieuwe totalitaire staten waren blijkbaar veel succesvoller terwijl de decadente democratieën geen antwoord hadden op de economische crisis. Maar vervolgens is Nazi-Duitslad verslagen en de Sovjet-Unie ingestort: die democratie was zo slecht nog niet. Dat politici vandaag fulmineren tegen de antidemocratische krachten en zichzelf de "democratische partijen" noemen, is volkomen anachronistisch en eigenlijk lachwekkend. Vandaag zijn het de zogenaamd radicaal-rechtse partijen die zich op de democratie beroepen, terwijl het bourgeois-establishment zich steeds openlijker tegen de democratie ("populisme") uitspreekt. Zie bijvoorbeeld de dreigementen van de onverkozen EU-machthebster Ursula von der Leyen tegen de Italiaanse kiezers toen die op het punt stonden, soeverein Meloni aan de macht te brengen.
(Ook De Dijn zelf heeft het niet zo begrepen op de democratie in de zin van echte beslissingsmacht voor de burger, zie ons wederwoord "Burgerraden als zoethouder", Doorbraak, 14 april 2022. Daarom ook citeert ze Nick Griffin met instemming als zou het fascisme “in essentie een vorm van ultranationalisme” zijn, met voorbijgaan aan het leidersprincipe en de verwerping van de democratie: anders dan vijftig jaar geleden voelen de opiniehegemonen zich maar ongemakkelijk bij het begrip democratie.)
Een zeer groot deel van het politieke vertoog over rechts is een anachronistische fantasie. Men heeft het in alle ernst over een zoektocht naar een sterke man, terwijl dat gewoon niet aan de orde is. Het probleem is vandaag juist dat het volk machteloos staat tegenover de politieke klasse, zelfs tegenover figuren die zij ondanks veel tegenstand van het Bestel verkozen hebben. Zowel Donald Trump als Boris Johnson kwam aan de macht met een belofte om eindelijk de inwijking in te perken, en brachten daar allebei niets van terecht. Het volk heeft dus niets aan dat soort sterke man, het wil gewoon dat zijn eigen wensen eindelijk in beleid omgezet worden. De ene omzeilt dat door het na de verkiezingen bot te negeren, de ander via truken als “burgerraden” en “experts”, maar het nettoresultaat is hetzelfde en heeft weinig met de aard van het politieke systeem te maken. Op een dictator kan je niet vertrouwen om daaraan te verhelpen, hoogstens op directe democratie, maar die wordt dan ook als “populistisch” verketterd.
Ten derde is er nu een defensieve reflex waar toen geen nood aan was. Ondanks de ramp van de Eerste Wereldoorlog stond Europa in de wereld nog altijd aan de top, de bevolking voelde zich niet zo bedreigd als nu. Zelfs de vooruitgangsgerichte Sovjet-Unie bedreigde niet die toppositie, ze bedreigde alleen de vrijheid. De goegemeente zal vandaag met veel minder genoegen nemen, overleven is al goed, er is gewoon geen ambitie voor het ene politieke systeem boven het andere. De Dijns visioen van een herlevend “ultranationalisme” staat volkomen los van de werkelijkheid.
Leugenpers
Datgene waarmee Annelien De Dijn uiteindelijk echter de aandacht getrokken heeft, is haar ontwapenend besluit: de these van een continuïteit tussen de jaren 1930 en vandaag is weliswaar onjuist, en we willen dus “niet zozeer waarschuwen dat de geschiedenis zich zal herhalen”, maar “toch zijn er goede redenen om de continuïteitsthese te verdedigen, vanwege het morele appel dat ervan uitgaat”. Die these is dus onwaar bevonden, maar ze voelt goed, ze zet aan tot antifascistische actief.
Dat verduidelijkt dan de wereld waar wij vandaag in leven. Als mediaman zou ik me slecht voeren bij het stelselmatig overtreden van mijn beroepstaak: correcte informatie vergaren en onvervormd verspreiden. Maar hier komt een heuse professeuse ons een geweten schoppen: niet de waarheid doet ertoe, wel een geschikt ordewoord dat ons tot deugdzaam handelen aanzet. Vandaar dus de leugenpers: die gaat voorbij aan haar voorbijgestreefde taak van waarheidsgetrouwe informatiegaring, want zij geeft gehoor aan het "moreel appel" van het F-woord.
dinsdag 30 augustus 2022
Het ontstaan van de Veda's
(Tijdschrift voor Yoga, Almere, herfst 2022)
Laten we het eens over een heikel onderwerp hebben: het ontstaan van de Veda's. Dit zijn de vier heilige boeken in een archaïsche vorm van Sanskrit, waaraan hindoes lippendienst bewijzen en die sommigen fraai kunnen reciteren maar die slechts weinigen inhoudelijk lezen. Ze heten ṚgVeda, SāmaVeda, YajurVeda en AtharvaVeda, “de kennis van hymnen, melodieën, offerrituelen resp. vuurpriesters”. De oudste is de ṚgVeda, verdeeld in 10 boeken, waarvan de compositie zich over zeker duizend jaar uitstrekt. Dat is onder meer herkenbaar aan een geleidelijke verschuiving in woordenschat, bv. het nu gebruikelijke rātri, “nacht”, vervangt gaandeweg het oudere, aan het Nederlands verwante nakta. Hun volgorde is ruwweg boek 6, 3, 7, 4, 2, 5, 1, 8, 9, 10: het criterium voor hun volgorde was niet hun onderlinge chronologie, wel het aantal hymnen (sūkta, “goed gezegd”) per boek (maṇḍala, “tovercirkel”).
Net als andere geschiedkundige vraagstukken is hun oorsprong op zich erg onschuldig: bekijk de oudste voorradige bronnen en laat die maar bepalen welke ontstaansscenario je het aannemelijkst vindt. Echter, als je het onderwerp aansnijdt, zal je merken dat dit een heet hangijzer is. De meeste hindoes die het belangrijk vinden om er een mening over te hebben, zullen je bij hoog en bij laag verzekeren dat de Veda's geen oorsprong hebben, althans niet binnen de geschiedenis. Geen wortels, geen oudere invloeden, geen maatschappelijke voorwaarden of culturele omstandigheden, geen voorgeschiedenis, want de Veda's zijn kant en klaar geopenbaard bij het begin van de schepping. De verzen of mantra’s (“denkinstrument”) zijn dan ook niet gecomponeerd door de Vedische wijzen of ṛṣi’s, maar geopenbaard aan hen: dezen waren geen mantrakāra’s of “verzenmakers”, wel mantradṛṣṭa’s of “verzenzieners”.
Quasi-Qur’ān
Deze opvatting over het ontstaan van een heilig boek kennen we al van elders. De islam zegt dat zijn heilig boek, de Qur'ān, sedert de schepping in Gods schoot berust en op een door God eenzijdig gekozen ogenblik (610-632 nC) via de profeet Mohammed geopenbaard is. In dat boek is het stelselmatig God die tot Mohammed of tot de mensheid spreekt. Het christendom gaat niet zo ver om zijn eigen heilig boek, de Bijbel, een bovenmenselijke oorsprong toe te schrijven, maar die Bijbel citeert wel een aantal aan God toegeschreven uitspraken. Het prominentst zijn de Tien Geboden, geopenbaard aan Mozes op de berg Sinaï, en de Zaligspreking van Jezus tijdens diens doopsel in de Jordaan. Ook daar is het God die in de ik-vorm spreekt, en is de mens de toegesprokene.
Geldt dat ook voor de Veda's? De bekendste hymnen doen duidelijk uitspraak. Viśvāmitra’s Gāyatrī Mantra vraagt aan de rijzende zon om “onze” geest te stimuleren. Vasiṣṭha’s Mṛtyuñjaya Mantra zegt dat “wij” de Drie-ogige vereren. En zo verder voor alle andere hymnen. In de nevel der tijden begint de eerste hymne van het eerste boek van de ṚgVeda (“Hymnenkennis”) met: Oṁ agnim iḷe, “Oṁ, ik vereer het vuur”. Aan het woord is dus “ik”, en de godheid is het voorwerp, precies het tegendeel van wat we in de geopenbaarde delen van de Bijbel en in de Qur’ān aantreffen.
De situatie van de Vedische wijze die een godheid prijst, doet eerder denken aan de jongeman die onder het balkon van zijn geliefde voor haar een serenade gaat zingen. Hij wil haar daarmee van zijn liefde en kwaliteiten overtuigen en haar aan zijn kant krijgen. De wijze Vasiṣṭha schrijft hymnen voor de stormgod Indra, en wanneer zijn koninklijke opdrachtgever Sudās vervolgens een belangrijke veldslag wint, schrijft hij dat toe aan de overtuigingskracht van zijn hymnen op Indra. Het zou trouwens een negatief, narcistisch licht op de goden werpen als zij de hymnen zouden gedicteerd hebben die zij vervolgens in ontvangst namen.
Tegen de grote meerderheid van traditionalisten in kunnen we veilig besluiten dat de Veda’s door mensen geschreven zijn, getekend door het Noordwest-India van de bronstijd (een 3300-1500 vC), met de bijbehorende flora, fauna en technologie. Er komen geen giraffen of kangoeroes in voor, wel tijgers en mangoesten en andere typisch Indiase diersoorten; en de naam van bergen, rivieren en meren uit Noordwest-India. Er komen nog geen ijzeren wapens in voor, wel volop bronzen gebruiksvoorwerpen; wel trage ossenkarren, maar snelle door paarden getrokken strijdwagens moeten tot het 10de en laatste boek wachten, rond 2000 vC, precies wanneer zij in de archeologie opduiken.
Wat voorafging
De hymne RV 1:1 verwijst al meteen naar de vóór-Vedische periode: ze noemt de “vroegere wijzen”, d.i. de wijzen uit de vóór-Vedische tijd. Als eeuwig geldt alleen iets buiten de Vedische hymnen, namelijk de “kosmische wet” of “schikking” of “vaste volgorde”, ṛta.
De ṚgVeda bevat nogal wat informatie over wat voorafging. Hij situeert zichzelf in en rond Haryāṇā, de provincie juist ten westen van Delhi, rond de toenmalige stroom de Sarasvatī. Door verschuivingen van de bedding van zijn bijrivieren droogde deze grotendeels op rond 1900 vC, waarschijnlijk deel van een grotere ecologische ramp die het einde inluidde van de stedelijke Harappa-beschaving.
(De chronologie van de Veda’s is in de academische wereld nog erg omstreden, maar het bewijsmateriaal voor degene die hier gegeven wordt, is veelsoortig en coherent. De nog dominante 19de-eeuwse datering van de Veda’s rond 1200 vC werd toen al betwist en is nu volstrekt onhoudbaar geworden. De enige archeoloog die die dominante datering ooit ondersteund heeft, de nu 101-jarige prof. Braj Basi Lal, is al lang van gedacht veranderd en zegt nu: “De Harappa-steden en de Vedische literatuur zijn twee zijden van dezelfde munt”, dus ouder dan 1900 vC.)
De tijdshorizon van de ṚgVeda is enkele tientallen generaties eerder, namelijk de voorouder en wetgever Manu, die zijn hoofdstad opgezet had in het oostelijker gelegen Ayodhyā. Zijn zoon Ikṣvāku stichtte er de Zonnedynastie, zijn dochter Ilā verhuisde naar de samenvloeiing van de Gaṅgā en de Yamunā, waar haar zoon Purūravas de Maandynastie stichtte. Ilā als stammoeder wordt in de ṚgVeda nog vereerd, in een trio met clangodin Bhāratī en levensader/cultuurgodin Sarasvatī. Het was Purūravas’ nazaat Nahuṣa die westwaarts verhuisde naar de Sarasvatī-oevers. Diens zoon Yayāti had zelf weer vijf zonen, elk stamvader van een volk, van wie Purū de favoriet werd. Het is diens stam, de Paurava’s, die de ṚgVeda componeerde, en daarbinnen met name de Bhārata-clan (waarnaar India nog steeds Bhārata genoemd wordt), voortkomend uit koning Bharata. Het was diens hofpriester Bhargāva die de eerste Vedische hymnen schreef.
De dynastie van Bharata veroverde ruwweg heel Noordwest-India, en haar Vedische overlevering werd vervolgens gretig overgenomen. Eeuwen later, tegen het midden van het 2de millennium vC, viel het aan Kṛṣṇa Dvaipayana (“de donkere, op het eiland geborene”, niet te verwarren met dé Kṛṣṇa) alias Veda-Vyāsa (“ontleder/redacteur van de Veda’s”) toe om de Vedische hymnen hun definitieve ordening te geven. Van dat moment af liggen de Veda Saṁhitā’s (“[hymnen]verzameling”) vast, en elke recitatie tot vandaag toe moet als een bandopname van destijds beschouwd worden. Hun wijsgerige aanhangels, de Upaniṣaden “vertrouwelijke leer”), moeten dan nog grotendeels gecomponeerd worden.
Let wel, de Vedische hymnen waren nooit de eerste hymnen, want het gaat duidelijk om een al lang bestaande, gesofistikeerde traditie; maar wel hymnen die van dan af stelselmatig gememoriseerd en verzameld werden. Er wordt een maatschappelijke klasse apart gehouden om de hymnen ongewijzigd door te geven: de brāhmaṇa’s, plusminus de “toverspreukkundigen”. Rond de Vedische hymnen groeit een aantal hulpwetenschappen, waaronder de taalkunde, wiskunde en sterrenkunde, zodat het geheel een toenemend prestige krijgt en uiteindelijk vergoddelijkt wordt.
Gemeenschappen van brahmanen worden door vorsten in Oost- en Zuid-India uitgenodigd om zich daar te vestigen en de plaatselijke dynastie Vedisch prestige te verlenen. Uiteindelijk wordt de Vedische traditie de lens waardoorheen men alle plaatselijke tradities in India duidt, ondermeer de Śakti- of godinnencultus, de Śramana- of ascetencultus met het geloof in de wedergeboorte, de (in de Veda’s nog onbekende) verering van beelden gehuisvest in tempels: zij worden samen overkoepeld door de elitaire recitatie van de Vedische hymnen met het bijbehorende vuuroffer (yajña). Daaruit komt de algemeen verspreide misvatting voort dat alles in het hindoeïsme uit de Veda’s stamt, terwijl zij dus alleen de overlevering van de Paurava-tak van de Maandynastie waren, zij aan zij florerend met alle andere tradities die samen het hindoeïsme vormen.
Uitgevonden traditie
Wanneer rond 300 vC het alfabet ingevoerd en het geestelijk leven op schrift gesteld wordt, heeft de post-Vedische nieuwlichterij ingang gevonden als zouden de Veda’s van bovenmenselijke oorsprong zijn. Eén van de eerste wijsgerige werken was de Pūrva-Mīmāṁsā-Sūtra (“Syllabus over de Oudere Hermeneutiek”) van Jaimini. Daarin vindt men voor het eerst de leer dat de Veda’s geopenbaard en eeuwig zijn, en dat is sindsdien de orthodoxie gebleven. Jaimini erkent nochtans dat de Veda’s historische figuren vermeldt, ooit geboren en tevoren onbestaand. Maar het (onjuiste) idee dat de taal zelf ongeschapen is, fundeert voor hem uiteindelijk de ongeschapenheid van de Vedische hymnen.
Dit is een klassiek voorbeeld van een “uitgevonden traditie”. De echte Vedische traditie raakte ondergesneeuwd onder de nieuw uitgevonden traditie dat de Veda’s śruti, “het gehoorde”, en apauruṣeya, “onpersoonlijk”, waren. “Onpersoonlijk” zou je ze gebeurlijk nog kunnen noemen, namelijk in de nuchtere letterkundige zin dat een autobiografische roman “persoonlijk” is, een handboek natuurkunde daarentegen “onpersoonlijk”. Een tekst over de goden gaat, net als een tekst over de sterrenhemel, over iets universeels, onpersoonlijks. Maar “van bovennatuurlijke oorsprong” waren ze zeker niet.
Als ik dat als westerling tot hindoes zeg, zal ik er weinigen overtuigen. Daarom noem ik nog enkele andere aanwijzingen tegen het eeuwige of geopenbaarde karakter van de Veda’s uit het standaardwerk van de Indiase hoogleraar wijsbegeerte Daya Krishna (1924-2007): "Indian Philosophy. A Counter Perspective” (OUP, Delhi 1996 (1991)).
Hij stelt vast dat de YajurVeda en de AtharvaVeda elk twee verschillende versies hebben, en dat dit ook aan hun componisten bekend was. Zulke tekstvariatie is menselijk, al te menselijk. Idem voor de “intertekstualiteit” van ṚgVedische passussen die elders in de Veda’s overgenomen of geciteerd worden. De Upaniṣaden (voor hindoes ook een deel van de “geopenbaarde” Veda’s) blijken meestal geen onafhankelijke werken maar selecties uit eerdere tekst, bv. de Aitareya Upaniṣad is het middelste gedeelte van een al bestaand boek Aitareya Āraṇyaka (“Woudboek van de ziener zoon-van-Itara”), de Taittirīya Upaniṣad is eigenlijk het 7de tot 9de hoofdstuk van de Taittirīya Āraṇyaka (“Woudboek van de Patrijs”). Het Upaniṣadengenre blijft productief tot in de middeleeuwen, ver buiten de sfeer van de Veda’s. Het bevat biografische en genealogische weetjes over zieners als Yājñavalkya en Jābala en de vrouwen in hun leven. Kortom, niets menselijks is deze literatuur vreemd.
Besluit
Onder hindoes moet je maar zien of en hoe je het ter sprake brengt, maar zelf kan je beter beseffen dat de Veda’s gewoon mensenwerk waren. Zeer vernuftige gedichten, vormelijk en qua zeggings- en verbeeldingskracht, maar nog altijd door mensen gemaakt. Je doet de hindoes een groter compliment wanneer je hun voorouders creatief en geniaal noemt dan wanneer je hen afdoet als passieve receptakels van goddelijke openbaringen.
(Koenraad Elst, °Leuven 1959, is doctor in de Oriëntalistiek, gediplomeerd yogācārya, en auteur van een dertigtal boeken.)
Abonneren op:
Posts (Atom)