vrijdag 31 augustus 2018

Ontstaansgeschiedenis van de dierenriem (2)


PDF Print E-mail

(VAT, december 2008)


De dierenriem, tropisch of siderisch?


Een probleempje waar de astrologie mee zit, en waarover skeptici zich graag vrolijk maken, is het bestaan van twee types dierenriem: tropisch en siderisch. De tropische dierenriem is gebaseerd op de hoofdpunten in de zon/aarde-cyclus, nl. zonnewenden en evennachten, met Ram per definitie het lentepunt en Steenbok per definitie de winterzonnewende, waartussen men telkens drie sectoren van 30° definieert, samen 12 gelijke sectoren waaraan men een symbool of “teken” toekent. De siderische bestaat uit de zichtbare sterren tegen welker achtergrond de zon en de maan bewegen, en die men tot beelden groepeert, de “sterrenbeelden van de dierenriem”.
De meeste Westerse en Arabische astrologen werken tropisch, de meeste Indiase siderisch. Daartussen bestond lang een veilige afstand, maar in de geglobaliseerde waarzeggerijmarkt kan het ene systeem niet langer doen alsof het andere niet bestaat. Elke astroloog die zichzelf een beetje ernstig neemt, moet hier een bewuste keuze maken, een keuze die hij kan rechtvaardigen. Siderische astrologen en ook de meeste skeptici gaan ervan uit dat de siderische dierenriem de “echte” is, want direct zichtbaar, terwijl de tropische “maar” een meetkundige constructie is. Siderische astrologen verdedigen zich door erop te wijzen dat die meetkundige constructie wel de zon/aarde-cyclus indeelt, een voor het leven op aarde veel belangrijker verschijnsel dan al die verre sterren bij elkaar.
De braven die altijd alles willen verenigen, stellen voor om én de tropische én de siderische dierenriem als juist en werkzaam te aanvaarden, desnoods elk op een apart terrein. Men kan zich eventueel voorstellen dat zowel de vaste sterren als een door de zon/aarde-wisselwerking opgewekt “veld” elk een astrologisch effect hebben; net zoals alle astrologen zonder uitzondering aanvaarden dat zowel planeten als dierenriem een werking hebben. Maar dan is het toch vreemd dat die twee dierenriemen precies dezelfde verdeling krijgen in sectoren met dezelfde naam en betekenis hoewel met verschillende locatie. Dus dat men tegelijk een discrete Steenbok is volgens het ene systeem, en een flapuit-Waterman volgens het andere; of een schuwe Kreeft in het ene en een assertieve Leeuw in het andere.


“Het wérkt!”

Aanhangers van beide systemen zeggen dat hun systeem “werkt”, want dat hun cliënten tevreden zijn. Voorlopig moeten we dat argument afwijzen en stellen dat ze dat niet kunnen hard maken. Diverse skeptische organisaties loven aantrekkelijke geldprijzen uit voor al wie het bewijs kan leveren voor een paranormaal verschijnsel, en het “werken” van een astrologische techniek zou daar zeker ook onder vallen. Wie dus denkt dat hij met zijn ervaring dat het “werkt” een rivaliserende astrologische school kan overtroeven, mag eerst eens de skeptici overtuigen. Wie dat niet doet, moet niet verwachten dat men zijn aanspraken op een “werkzaam” astrologisch systeem zal ernstig nemen.
Dat “het werkt” mag dan niet zo’n sterk argument zijn, omdat de kinderhand van de cliënten van astrologen blijkbaar gauw gevuld is, maar de siderische astrologen maken aanspraak op een werkzaamheid die los staat van de menselijke subjectiviteit (net zoals homeopaten graag op hun succesvolle behandeling van onmondige dieren wijzen), namelijk in de biodynamische zaaikalender. Deze gebruikt de siderische sterrenbeelden, weliswaar met dezelfde inwendige structuur als de tropische, vnl. de drie kruisen en vier elementen. Naargelang de stand van de maan in siderische tekens behorend tot de vier elementen moet men bepaalde types gewassen zaaien of planten, en dan blijken zij meetbaar beter te gedijen, bv. knolgewassen onder de sterrenbeelden van het element Aarde. Wel, dat kan inderdaad getest worden; we zijn benieuwd.


Welke siderische dierenriem?

Tropische astrologen hebben het allemaal over hetzelfde, het lentepunt bepaalt immers slechts één dierenriem. Van de siderische zijn er daarentegen verschillende versies:
(i) De “astronomische dierenriem” aanvaardt de ongelijke verdeling die men met het blote oog ziet en die in nauwkeurige grenzen vastgelegd is door de Internationale Sterrenkundige Vereniging in 1928-30. Hierin zijn de sterrenbeelden ongelijk in grootte (bv. Maagd en Vissen veel groter dan 30°, Ram en Weegschaal veel kleiner) en krijgt bovendien een dertiende sterrenbeeld, de Slangendrager/Ophiuchus, een knabbel uit de ecliptica toegewezen. Deze ongelijk ingedeelde dierenriem wordt alleen door een handvol modern-Westerse excentriekelingen gebruikt.
(ii) De Babylonische dierenriem, die het lint van ongelijke zichtbare sterrenbeelden tot een verdeling in 12 gelijke sectoren van 30° rationaliseert, met Aldebaran/Antares per definitie op 15° Stier/Schorpioen en Spica bijgevolg op 29° Maagd. Daarmee gooit hij eigenlijk de allereerste zelfrechtvaardiging van de siderische dierenriem overboord, nl. dat hij de “echte” sterrenbeelden gebruikt i.p.v. de kunstmatige wiskundige sectoren van de tropische dierenriem. Hij mag echter als oudst betuigde dierenriem gelden, gebruikt door Babylonische en Hellenistische astrologen totdat Hipparchos’ ontdekking van de precessie (de verschuiving van de twee dierenriemen t.o.v. elkaar; 2de eeuw v.C.) algemeen bekend werd en ondermeer de invloedrijke Ptolemaios (2de eeuw n.C.) voor de tropische koos.
(iii) De Indiase varianten op de Babylonische dierenriem, die onderling ook weer enkele graden kunnen verschillen, zodat een Indiase regeringscommissie in de jaren ’50 de knoop doorhakte en 0° Weegschaal per definitie met Spica gelijkstelde. Merk op dat de definiërende ster van Weegschaal hier dus de hoofdster van Maagd is, wat een lachertje maakt van de bewering dat de siderische indeling de “echte” sterrenbeelden weergeeft. De officiële Indiase siderische dierenriem verschilt dus ongeveer 24° met de tropische (die Spica op 23°58 Weegschaal heeft), maar ook 1° met de Babylonische, waarmee toch nog één dertigste van de mensheid, nu ruim 200 miljoen mensen, van sterrenbeeld verandert. De siderische astroloog uit Babylon die zegt dat zijn cliënt met de ascendant op een halve graad ná Spica een saaie hardwerkende Maagd (29°30’) is, zal dus worden tegengesproken door een andere siderische astroloog, werkend volgens het Indiase systeem, die in dezelfde persoon juist een typische zwierige Weegschaal (0°30’) herkent.

 

 

De tegenstelling tussen zuid en noord


Eén onmiskenbaar voordeel van de siderische dierenriem is dat hij voor de hele aarde gelijk is. De tropische is dat ook, maar zijn symboliek is aan de jaargetijden gekoppeld, en die zijn tegengesteld op het noordelijke en het zuidelijke halfrond. Het is logisch om de kleine dodelijke Schorpioen te koppelen aan de herfst, tijd van het afsterven en van de reductie van de levensvormen tot de zaadtoestand; en de uit de kluiten gewassen Stier met de volle bloei van de levensvormen in de lente. Maar op het zuidelijk halfrond is het in april herfst en in oktober lente. Argentijnse of Nieuw-Zeelandse astrologen gaan er doorgaans toch van uit dat ook bij hen de geborenen van 1 mei de zon in Stier hebben, met alle Stier-kenmerken van dien, hoewel zij in de herfst geboren zijn. Vanuit siderisch standpunt is er geen reden voor een verschil tussen de halfronden (vanop heel de aarde gezien staat de zon in dezelfde maand in Stier), vanuit tropisch wél.
Omgekeerd kan men dat echter ook duiden als een sterk punt van de tropische dierenriem. Althans, het is consistent met zijn uitgangspunt, nl. omdat de helling van de aardas en dus het bestaan van jaargetijden en van een lentepunt juist een tegenstelling tussen noord en zuid impliceert. Langer dag in het noorden betekent noodwendig langer nacht in het zuiden. Men moet dan wel een uitleg verzinnen waarom juist het noordelijke halfrond “rechtopstaand” is het zuidelijke “omgekeerd”.


De onvaste “vaste sterren”


Een ernstig theoretisch (en op zeer lange termijn ook praktisch) bezwaar tegen de siderische dierenriem is dat de “vaste” sterren en hun configuraties helemaal niet vast zijn. Zij bewegen niet alleen collectief t.o.v. het lentepunt in de precessie à rato van zo’n booggraad per 71 jaar; zij hebben ook elk voor zich een eigen beweging, die helemaal los staat van de beweging van de naburige sterren. De brontosaurus heeft onze sterrenhemel nooit gezien, want de sterren stonden onderling op heel andere plaats en vormden andere configuraties. Sommige bestonden nog niet eens, en andere bestonden toen wel maar zijn inmiddels ontploft of uitgedoofd.
De tropische dierenriem daarentegen is volkomen stabiel zolang er een lentepunt bestaat in het zon/aarde-stelsel. De abstracte verdeling van een vlak in 12 gelijke sectoren is niet onderhevig aan de veranderingen van de ondermaanse wereld van ontstaan en vergaan.
Modern-Westerse siderische astrologen hebben geprobeerd dit bezwaar tegen de siderische dierenriem te ondervangen door hem los te maken van de vaste sterren en hem vast te klinken aan het “synetic vernal point”, een wiskundig punt op slechts 3 boogminuten van de Babylonische 0° Ram, dat zij naar eigen zeggen empirisch afgeleid hebben: bij progressies en transits van planeten over dat punt zouden uit gebeurtenissen de effecten van een overgang van Vissen naar Ram (en 30° verder, van Ram naar Stier, enz.) gebleken zijn. Ook hier weer geldt: als jullie dat zo zeker weten, ga dan aanspraak maken op de prijs die de skeptici uitloven. Probeer niet om andere astrologen te overbluffen met “wetenschappelijke” vaststellingen zolang je de echte wetenschappers niet overtuigd hebt.
Bovendien geeft het siderische systeem hier eens te meer zijn eigenheid op om een uitgangspunt van het tropische te ontlenen. Immers, de scherpe grenslijnen waarbij 3 boogminuten zo’n duidelijk vaststelbaar verschil kunnen maken, zijn typisch voor de meetkundige constructie die de tropische dierenriem is, terwijl de zichtbare sterrenbeelden juist vage contouren hebben.


De weinig homogene sterrenbeelden


Een andere dergelijke ontlening is het idee van homogeniteit van een siderische sector of sterrenbeeld. Een ster op 2° Maagd heeft niet meer te maken met een sterrenbeeldgenoot op 28° Maagd, dus op 26° afstand, dan met een op 28° Leeuw, op slechts 4° afstand. Erger nog: eigenlijk heeft ze met beide even weinig te maken. Neem twee willekeurige sterren aan de hemel en waarschijnlijk zijn ze in alle opzichten verschillend: in afstand, in de richting van hun eigen beweging, in magnitude, in kleur, in fysische samenstelling. Bij materiële voorwerpen zoals de sterren moet je zulke eigenschappen onder ogen zien, bij abstracte meetkundige sectoren stelt dat probleem zich niet.
Tropische astrologen zijn best bereid om de vaste sterren een plaats te geven in hun systeem, namelijk gelijkaardig aan de planeten: hemellichamen die elk op zich een specifieke invloed uitoefenen. Maar zij kunnen er niet aan dat sterren die niets met elkaar te maken hebben behalve dat zij van op aarde gezien in dezelfde sector van 30° liggen, samen een homogene invloed zouden uitoefenen. Overigens een invloed die vreemd genoeg juist die is van de tropische dierenriemsector waarin zij zich ca. 221 n.C. bevonden, toen tropische en (Babylonisch) siderische dierenriem samenvielen.
Radicale skeptici zullen het hele probleem afdoen als inbeelding van bijgelovigen, maar half-skeptici zouden het kunnen verklaren vanuit de mentale impact van het geloof in een dierenriem, eender welke. Het loutere geloof van mensen in een dierenriem schept een veld dat zo sterk is dat het nieuwgeborenen conditioneert; en rivaliserende velden vanuit rivaliserende dierenriemdoctrines kunnen gelijkelijk zulke impact hebben, zodat alle astrologenscholen een beetje gelijk hebben en hun dierenriem inderdaad “werkt”. Dit is analoog aan de numerologie, die geen enkele objectieve grondslag heeft: er is niets bijzonders gebeurd in het jaar vanaf hetwelke wij onze Gregoriaanse jaren tellen, een telling die bij louter afspraak door een andere vervangen kan worden, en toch menen numerologen uit ervaring te weten dat het duiden van iemands Gregoriaanse geboortedatum “werkt”.


Afleiding van de betekenissen van de dierenriem uit de tropische jaarcyclus

Reeds in de hellenistische tijd probeerden astrologen de schijnbaar chaotische dierenriemsymbolen te rationaliseren, bv. door er de structuur van de vier elementen in te herkennen, die zelf weer gebaseerd is op de polariteit positief/negatief, een abstract begrip i.p.v. natuurbelden. Met rationalisering van de dierenriemsymbolen is bedoeld, een systematiek ontdekken in de schijnbaar willekeurige beelden. Sommige van deze systematieken hebben alleen zin in een tropische, met de jaargetijden verbonden dierenriem.
Antroposoof F.H. Julius (Beeldentaal vd Dierenriem) legde een verband tussen de plaats van een teken in jaarcyclus en het gedrag van het uitgebeelde “dier”. Van Kreeft tot Boogschutter (waarin de zon vanaf haar hoogste positie op het noordelijk halfrond de aarde schijnt te naderen) zijn ze vasthoudend of omklemmend, in het halfjaar van Steenbok tot Tweelingen (waarin de zon zich vanaf haar laagste positie verwijdert) loslatend of wegduwend. Merk daarbij op dat de dagboog van de zon op winterzonnewende, van zuidoost tot zuidwest, de vorm heeft van een berg, biotoop van Steenbok. Op zomerzonnewende heeft hij, van noordoost via pal oost en pal west tot noordwest, de vorm van een tang, de scharen van de Kreeft.
Ook de toekenning (door zowel siderische als tropische astrologen) van planeetheerschappijen aan dierenriemsectoren gaat uit van een seizoensgebonden tropische dierenriem. Zon en maan zijn in heerschappij, dus op hun sterkst, in de zomertekens Kreeft en Leeuw. (De zon heerst niet over het eerste maar over het tweede zomerteken omdat zij inderdaad pas enkele weken ná haar passage over het zomerpunt op haar sterkst is: juli is heter dan juni.) Zij zijn in verhoging, op hun charmantst en verfrissendst, in de lentetekens Ram en Stier. Deze symboliek zou verloren gaan in een systeem waarin deze tekens niét aan een jaargetijde gekoppeld zijn, nl. de siderische dierenriem.
Een ander gegeven dat tot de symboliek van de tekens bijdraagt, is het verband tussen de plaats van het teken in de dagcyclus en het gedrag van het uitgebeelde “dier”: van Maagd tot Schorpioen (tekens van trage klimming) langzaamst, Boogschutter tot Waterman versnellend, Vissen tot Stier (snelle klimming) snelst, Tweelingen tot Leeuw vertragend.  De langzaamste tekens stellen aarzeling reflectie en voorzichtige afweging voor, de snelste juist het zich erin gooien en de actie.
Stippen we daarbij aan dat de symboliek van een tropisch dierenriemteken bepaald wordt door zijn beginpunt: Ram “is” de lente-evennacht, tevens het snelst klimmende punt in de dagbeweging; Steenbok “is” de winterzonnewende, het verste punt, enz. Dat de “energie” van de winterzonnewende, door een Steenbok gesymboliseerd, vervolgens homogeen over de hele volgende sector van 30° geldig blijft, schijnt te impliceren dat de zon op dat punt die energie oplaadt en er verder niets aan verandert tot ze 30° verder plots en volledig de energiekleur van dat volgende punt (Waterman) aanneemt. Dit impliceert dat de twaalfdeling en de snijlijnen om de 30° een intrinsiek energetisch belang hebben binnen het aarde/zonneveld. Op dat unieke effect van de twaalfdeling komen we nog terug.
De juist genoemde verklaringen van de door diersymbolen aangeduide thematieken van de dierenriemsectoren vanuit hun plaats in de dag- en jaarbeweging gelden alleen voor de tropische dierenriem, niet voor de siderische. Dit stelt een principieel probleem: voorzover bekend hebben minstens een aantal van de sterrenbeelden hun naam sinds lang vóór de precessie bekend was, dus lang vóór de dierenriem losgekoppeld werd van de zichtbare sterrenbeelden en vastgemaakt aan de onderlinge jaar- en dagbeweging van zon en aarde. Het is slechts een gelukkig toeval dat de precessie ontdekt en de tropische dierenriem gedefinieerd werd net toen de abstracte Ram (lentepunt) ongeveer met het zichtbare sterrenbeeld Ram samenviel, de abstracte Steenbok (winterzonnewende) met het zichtbare sterrenbeeld Steenbok, enz. Had men de tropische dierenrem ca. 6500 jaar eerder bedacht en naar de bestaande sterrenbeelden genoemd zoals zij toen aan de hemel lagen, dan had de Steenbok, symbolisch een zoeker van uitersten, niet met de winterzonnewende samengevallen, dat uiterste in de jaarlijkse noord/zuid-beweging van de zon, maar wel met de herfst-evennacht, het midden van die noord/zuid-beweging, nu vertegenwoordigd door Weegschaal, symbolisch de zoeker van de middenweg. Dan had van de genoemde rationaliseringen niets geklopt.
Wil de tropische astrologie “werken” en de tropische tekens dus “juist” zijn, dan moet men bijna aannemen dat een kosmische intelligentie dit chronologische toeval gearrangeerd heeft, namelijk dat de mens de tropische dierenriem bedacht net toen het sterrenbeeld Steenbok dat zo mooi de winterzonnewende symboliseert, ook effectief het winterzonnewendepunt bevatte. Net zoals die godheid ook gezorgd moet hebben voor het gelukkige toeval dat de dierenriem bedacht werd in een tijdperk waarin de maan net dié afstand en baansnelheid had dat zij ongeveer 12 cycli per zonnejaar maakt. Tja.


Was de oorspronkelijke dierenriem als tropisch bedoeld?


Of is er toch een rationele verklaring? Er zijn in diverse beschavingen een aantal namen van sterrenbeelden bekend die geen gelijkenis vertonen met die van de dierenriem. Merken we echter op dat vele namen van sterren en sterrenbeelden daar aan seizoensverschijnselen gekoppeld zijn. Zo beduidde het Chinese sterrenbeeld “de Sandaal” het slachtseizoen, waarin leerlooiers van de dierenhuiden schoeisel maakten. Vandaag is die koppeling door de precessie niet meer geldig, maar toen (v.C.) die naam gegeven werd, besefte men in China nog de verschuiving niet tussen siderische sterrenbeelden en tropische jaarfasen. Ook de Mesopotamiërs hebben hun sterrenbeelden van een naam voorzien toen zij nog geen weet hadden van de precessie. Net als de Chinezen met hun Sandaal kunnen zij hun Ram wel degelijk naar een seizoensverschijnsel genoemd hebben.
Het argument van de sideralisten dat de oorspronkelijke benaming siderisch was, verliest dus van haar kracht. Er is nooit gekozen vóór siderisch en tégen tropisch. Nee, toen men siderische namen gaf, wist men niet beter of deze waren tegelijk ook tropisch, dus aan een jaarfase gekoppeld.
De namen van de zodiakale sterrenbeelden zijn ontstaan in Mesopotamië, net het gebied waar de astrologie zou ontstaan. Zou dat niet de kans vergroten dat er wél een verband is tussen astrologie en het ontstaan van de dierenriem? Niet in de door VAG-stichter Herman De Vos bedoelde zin van een astrologische empirie die een symbool toekende aan een jaarfase op grond van het karakter van de in die jaarfase geboren mensen. Wel op basis van algemene symboliek zoals hierboven uiteen gezet, bv. de vooroplopende Ram als eerste teken van het jaar, de evenwichtzoekende Weegschaal als middelste teken van het jaar, de Kreeft met haar scharen als symbool van de tijd waarin de dagboog van de zon de vorm van een tang heeft..
De benamingen van de zodiakale sectoren of sterrenbeelden zijn voor zover mij bekend niet ouder dan eind 2de millennium v.C. Zoals reeds vermeld komen zij nog niet voor de in de Enuma Anu Enlil (1800-1500 v.C.), maar komen enkele wel reeds voor in Babylonische teksten uit de 12de eeuw v.C, ook al dateert de oudst bewaarde weergave van de hele dierenriem pas uit de Mul-Apin, 7de eeuw v.C. Als begindatum opperen we dus 14de à 12de eeuw. Op dat ogenblik was het verschil tussen tropische en siderische dierenriem ongeveer 20°. Dat zijn er bijna 20 teveel voor wie wenst dat een dierenriem die het lentepunt door een Ram symboliseert, ook de zon tegen Ram-achtergrond plaatst tijdens en kort na het lentepunt. Maar misschien is dit een vals probleem.
Vandaag en al sedert de hellenistische tijd gebruiken we efemeriden, en daaruit lezen we af dat de zon op zekere dag in een bepaald sterrenbeeld of conjunct met een bepaalde vaste ster staat. De tropische astroloog leest af dat de zon samen staat met Antares op 9° Boogschutter, de siderische leest uit zijn efemeris dat de zon op 15° Schorpioen met Antares samen staat, maar beiden kijken niet aan de hemel of de zon inderdaad met Antares samen staat. Dat zou ook niet kunnen, want een ster of planeet die conjunct is met de zon, is onzichtbaar. Je kan de positie van de zon in een sterrenbeeld nooit zien. Je kan ze afleiden uit andere waarnemingen, bv. door oppositie met de positie van de volle maan, maar zien kan je ze niet.
Welnu, de eerste hemelwaarnemingen gebeurden niet bureaucratisch via een efemeris en aanvankelijk zelfs helemaal niet via enige berekeningen, maar rechtstreeks met het blote oog. Wat ziet het blote oog op lente-evennacht? Het ziet niet de zon tegen de achtergrond van een sterrenbeeld. Het ziet wel een andere sterrengroep die op unieke wijze met dat jaargetijde verbonden is: het sterrenbeeld in heliakische opkomst. Dat is het laatste sterrenbeeld dat in het oosten opkomt vóór zonsopgang. Vanaf het ogenblik dat de zon ongeveer 15° onder de horizon ligt (wat naargelang breedtegraad en jaargetijde overeenkomt met rond de 20° lengtegraden op de ecliptica) beginnen de sterren in het zonlicht te “verdrinken” en onzichtbaar te worden. Het sterrenbeeld in heliakische opkomst staat dus ruwweg 20° vóór de zon op de ecliptica. Dit wil zeggen dat het ongeveer 20 dagen eerder de zon bevatte. Het eerste lentepunt-sterrenbeeld was dus niet het sterrenbeeld dat de zon bevatte wanneer deze het lentepunt bereikte, maar wel het sterrenbeeld dat drie weken eerder de zon bevatte.
In de tijd waarin we de eerste fragmenten van de dierenriemsymboliek vinden, en waaruit we voorzichtig tot het beginnende bestaan van het volledige systeem kunnen besluiten, nl. rond de 13de eeuw v.C., stond het sterrenbeeld Ram in heliakische opkomst rond 21 maart. En het sterrenbeeld Steenbok in heliakische opkomst rond 21 december, enz.
In de laat-Hellenistische periode waarin tropische en siderische dierenriem van elkaar gescheiden werden, gebruikte men al volop efemeriden en hechtte men niet meer zo aan de heliakische opkomst. Toen associeerde men een jaarfase met het sterrenbeeld dat de zon bevatte, niet met het sterrenbeeld in heliakische opkomst. Toen stond de zon in Ram op lente-evennacht, niet 20° erachter (en de zon in Steenbok op winterzonnewende i.p.v. 20° erachter, enz.). Maar dat is dus niét de reden waarom een Ram-symbool aan de lente-evennacht gekoppeld wordt Want de namen van de sterrenbeelden bestonden toen al ruim duizend jaar. Maar het wil zo lukken dat bij het ontstaan van de dierenriem, juist dié sterrenbeelden tijdens een bepaalde jaarfase in heliakische opkomst stonden, die in de Hellenistische periode tijdens diezelfde jaarfase de zon bevatten.


Besluit


Bij wijze van veelbelovende hypothese komen we tot het volgende besluit. De oorspronkelijke sterrenbeelden waren siderisch, omdat men de sterrenbeelden zo goed kon zien en nog niet besefte dat hun schijnbare koppeling aan de jaargetijden (namelijk aan die jaarfase waarin het sterrenbeeld in kwestie in heliakische opkomst was, dus de zon niét bevatte en zo’n 20° vóór de zon stond) slechts tijdelijk was. Men wist toen niet beter of de siderische dierenriem markeerde de 12 jaarfasen. Echter, de naamgeving van die sterrenbeelden was tropisch bedoeld. Zij wilde jaarfasen symboliseren. Die jaarfasen werden onwetend en ten onrechte aan sterrenbeelden gekoppeld, nl. die in heliakische opkomst, maar die sterrenbeelden waren slechts herkenningspunten in dienst van wat echt belangrijk gevonden werd, nl. de jaarfasen.
Door een gelukkig toeval is men de verschuiving van siderisch en tropisch gaan beseffen en astrologisch verrekenen net toen de sterrenbeelden die oorspronkelijk (eind 2de mill. v.C.) door heliakische opkomst een jaarfase aangeduid hadden, diezelfde jaarfase aanduidden via de geavanceerdere techniek van de wiskundig berekende stand van de zon-in-datzelfde-sterrenbeeld (eerste eeuwen n.C.). Of misschien was het geen toeval, en was dat interval nu eenmaal ongeveer de tijd die wezens met een menselijk brein nodig hebben om tot een volledig inzicht in hun met gissen en missen ontworpen dierenriem te komen.



woensdag 22 augustus 2018

De Godwin van Goossens. De ergst denkbare laster

(Doorbraak, 29 maart 2018))





Op 28 maart zond VRT-Canvas in De Afspraak een debat uit over mei ’68. We zijn als Vlaamse samenleving zo fortuinlijk dat één van de gezichten van toen, Paul Goossens, er vijftig jaar later nog bij is om duiding te geven. (Dat is niet vanzelfsprekend: in Duitsland is Rudi Dutschke er al lang niet meer bij, en bij ons heeft een ander gezicht, Ludo Martens, recenter de geest gegeven.) Tegenover hem zat Joachim Pohlmann, schrijver en ideologisch spitsbroeder van Bart De Wever, benevens politoloog Dave Sinardet en schrijfster Margot Vanderstraeten.









Walen buiten!



Op het einde van een overigens zeer interessant debat (waaruit we onthouden dat 1968 het laatste pro-Vlaamse massabeweging was, waarna de plant verslenste) wou Goossens toch nog even een leuze van toen aan de orde stellen: “Walen buiten!” Die slagzin was gericht tegen de Franstalige Kerkleiding, de inrichtende macht van de Leuvense universiteit. Hij vormde logisch een deel van de roep om emancipatie, wat ook volgens Goossens de verbindende idee achter het wereldwijde verschijnsel mei ’68 was.Toen had hijzelf aan de Vlaamse beweging gevraagd om die slagzin als zijnde“slecht” en “een fout” terzijde te laten, maar die was daar niet op ingegaan.



Nu stelde hij die Vlaamse eis gelijk met de nazi-leuze:  "Juden 'raus!". Omdat Margot Vanderstraeten een tijd in joodse middens doorgebracht heeft en daar een boek aan gewijd had, haalde Goossens haar voor het dramatische effect erbij om die slagzin uit te spreken en te bevestigen dat de joden niet van die Vlaamse leuze hielden, ook al werd er die keer een andere bevolkingsgroep dan zijzelf mee geviseerd.   



Joachim Pohlmann liet die bij het haar getrokken gelijkstelling niet over zijn kant gaan. Hij tilde er zwaar aan dat Goossens hem met “het odium van het nazisme” opzadelde. Hij erkende meteen en onomwonden dat het een “ongelukkige slogan” geweest was, maar dié retoriek was er “ver over”. Goossens begreep echter oprecht niet wat er verkeerd aan was. De linkerzijde is volmaakt gewend aan het doodslaan van haar tegenstanders middels de vergelijking met de in onze cultuur meest verfoeide misdaad uit de wereldgeschiedenis, de Holocaust. De vergelijking is in 100% van de gevallen schromelijk overdreven, maar in dit geval geldt ze voor niet meer dan 0%: “Walen buiten” was in de verste verte geen oproep tot een volkerenmoord (net zo min als “Brüssel Vlaams” dat geweest was). Goossens was er uiterst verbaasd over dat iemand er bezwaar tegen kon hebben, de ergst mogelijke laster te ondergaan.







Boerzwa buiten!



Terzake: wanneer men de werkelijkheid rond de woorden bekijkt, is de ongerijmdheid van die vergelijking volstrekt duidelijk. Aan de ene kant een volkerenmoord, aan de andere kant helemaal niets, noch zelfs maar de flauwste zweem ervan. Ach, het was niet de sympathiekste leuze, maar alleen een verstokt lasteraar vol vuile nachtmerries in zijn hoofd kan er een oproep tot volkerenmoord in zien. Maar om er genereus toch het goede van te erkennen: we weten nu ook op gezag van Paul Goossens wat de conservatieven al zo lang gezegd hadden, namelijk dat "woorden gevolgen hebben".


We zagen op archiefbeelden hoe een volle zaal studenten onder leiding van de jonge Goossens scandeerde: "Bourgeois buiten!" Omdat ik zelf het hoofd koel houd, heb ik daar geen erg in (ik heb het zelf jammer genoemd dat de destijdse leuze "Boerzwa buiten", die tot recent op een muur in het Leuvense stadspark gekalkt stond, er verwijderd is). Hoewel, misschien was ook die slagzin niet zo onschuldig, gezien de moord op miljoenen "klassevijanden" in de communistische landen, meer dan in de Holocaust. Goossens genocidair? Niet volgens mij, maar volgens Goossens wel.



Die volkerenmoord was overigens geen toepassing van de geciteerde woorden. Het was geen louter "buiten" zetten van de geviseerde bevolkingsgroep waarmee de nazi’s ten tijde van de Holocaust dreigden, noch een louter "buiten" zetten van de klassevijanden door de communisten. Even historisch preciseren: door het telescoopeffect leggen latere generaties het verband tussen “Juden ‘raus” en de Holocaust, maar dat is wat onnauwkeurig. “Juden ‘raus” was een slogan uit de jaren 1930 en vond zijn toepassing in de wetten van Neurenberg uit 1935, die de joden buiten de Duitse samenleving plaatsten. Uiteindelijke bedoeling was, de joden vervolgens aardrijkskundig uit te bannen. Ook dat is verwerpelijk, maar wel helemaal anders dan de Holocaust. Het is in de geschiedenis nog voorgekomen (bv. Engeland van de 14de tot de 17de eeuw) maar heeft terecht nooit een dergelijk odium gekregen. Beter dan wie ook weten de joden dat emigreren verre verkieslijk is boven gedood worden. Het is maar na de Frans-Britse oorlogsverklaring en de eerste tegenslagen aan het front dat de nazi’s hun antisemitisme een versnelling hoger schakelden.



Als we er per se de Tweede Wereldoorlog moeten bijhalen, dan dringt zich een andere vergelijking op. Door de machtsverschuiving in het naoorlogse België werd de Franstalige leidinggevende aanwezigheid in Vlaanderen, die de voorafgaande eeuw vanzelfsprekend geweest was, als een vreemde bezetting aangevoeld. Men wou ze kwijt. Dat gevoel was van hetzelfde type (hoewel natuurlijk niet van hetzelfde gewicht) als de wens bij een groot deel van de bevolking tijdens de Bezetting om de Duitse bezetter kwijt te geraken. Maar Goossens wil dus het emancipatorische, in wezen antikoloniale besluit om “geen vreemden tot meesters in ’t land” te dulden, als misdadig wegzetten.







Mo



Wanneer iemand met moord wil dreigen, dan zegt hij niet dat je "buiten" moet, maar dat je "dood" moet. Het is een klein onderscheid dat mensen verblind door haat blijkbaar over het hoofd zien. (En zelfs bij wie je “dood” wenst, wordt de retorische soep in de praktijk niet zo letterlijk gegeten als ze opgediend wordt. “Weg met...”, in betogingsleuzen, is in het Perzisch en Urdu “...murdabâd”, letterlijk “dood aan”, en in het Chinees “da dao...”, letterlijk “tref...”)  Bijvoorbeeld, wanneer Mohammed de heidenen tot overgave en bekering intimideert, dan bedreigt hij hen niet met: "Buiten!", maar met de dood: "Hun plaats is het hellevuur", "Houw in op hun nek!"



En bij die duidelijke woorden geldt inderdaad Goossens’ waarschuwing dat woorden tot daden kunnen leiden. We hoeven het zelfs niet over de middeleeuwen te hebben: tijdens mijn leven, in 1971, pleegde het Pakistaanse leger in naam van de islam een meer dan miljoenvoudige massamoord op de hindoes in wat Bangladesj werd. En zelfs de jongsten onder ons hebben de recente islamitische aanslagen tegen een aantal heidense doelwitten meegemaakt. Zoals de daders in honderden verklaringen en zelfdodingsvideo’s uiteengezet hebben, was dat helemaal in uitvoering van Mohammeds eigen bevelen of voorbeeldgedrag.


Nu wil het zo lukken dat de islam in 1968 een laagtij beleefde (zie de Palestijnse guerrillero’s die zich niet op de islam maar op het marxisme beriepen, terwijl de Egyptische sterke man Gamâl al-Nasser de spot dreef met de hoofddoek) doch juist nu door toedoen van Goossens’ generatie een opdoemende macht in onze samenleving geworden is. Dat heeft tot gevolgen geleid die men niet met 1968 zou associëren, hoewel des te meer met “Juden ‘raus”.



Juist dezelfde avond kwam, met enkele dagen vertraging, de moord in het nieuws op een hoogbejaarde overlevende van de door Goossens geïnstrumentaliseerde Holocaust, de Parijse jodin Mireille Knoll. Dader was haar jonge moslimbuur. Wat die moslim deed, was de daad bij het woord voegen: zijn eigen daad bij het bij alle moslims ingedrilde (en door onze overheden gesubsidieerde) woord van Mohammed. Die had het nochtans zo ondubbelzinnig gezegd: "Strijd tegen de joden tot zelfs de rots waarachter een jood zich verbergt, u toeroept: 'Hee, strijder van Allah, hier schuilt een jood achter mij! Kom en dood hem!'" Als je nu echt met een kwalijke en gevolgrijke leuze wil uitpakken, kameraad 68’er, kan je allicht beter dat zeer actuele profetenwoord gebruiken eerder dan het bloedeloze gezemel van de flaminganten.





Besluit



Proficiat aan Joachim Pohlmann wegens zijn kalme doch besliste wederwoord aan Paul Goossens: "Ik zou verontschuldigingen van u kunnen eisen." De neiging van Hitlercentrische vunzige geesten om overal het nazisme bij te sleuren en via die criminalisering hun tegenstander te overtroeven, is een vergif. Zich door deze gewapende woorden niet laten intimideren, en ze integendeel zelf problematiseren, is een aanzienlijke verdienste.

zondag 25 februari 2018

Aleksandr Zinovjev

In memoriam Aleksandr Zinovjev




Op 10 mei 2006 overleed op 83-jarige leeftijd Aleksandr Zinoviev. Hij was een dissident van de Sovjet-Unie zowel als van de Nieuwe Wereldorde, en waarschuwde voor de gelijkenissen tussen beide.

Aleksandr Zinovjev werd geboren op 29 oktober 1922 in ergens een dorpje genaamd Pachtina, als zesde van elf. Hij was de zoon van een timmerman, wat wel vaker een voorteken is van een grootse roeping. Zijn ouders verhuisden spoedig naar Moskou, waar hij school liep en de aandacht trok als briljant leerling. Hij mocht voortijdig gaan studeren aan het Instituut voor Filosofie, Letterkunde en Geschiedenis, maar werd er buiten gezet wegens kritiek op Jozef Stalins beleid van gedwongen collectivisering. Hij werd aangehouden maar ontsnapte naar Siberi� waar hij onderdook tot hij zich in 1940 bij het Rode Leger kon aanmelden. Onder WO2 diende hij in een tankregiment en vervolgens als piloot. Omdat hij zich militair onderscheidde mocht hij nadien naar Moskou terugkeren en zijn studies hervatten. Hij promoveerde op een proefschrift over de logische structuur van Karl Marx' Das Kapital.

Een van zijn twintigtal boeken over logica, Wijsgerige Problemen van Meerdere-Waarden-Logica (1960), maakte hem international bekend. Hij werd in 1962 hoogleraar en later voorzitter van het departement Wiskundige Logica in de universiteit van Moskou. Hij laadde opnieuw verdenkingen op zich toen hij geen gevolg gaf aan druk van hogerhand om dissidente docenten te ontslaan. In 1970 nam hij ontslag uit de redactie van het leidinggevende sovjettijdschrift voor wijsbegeerte uit protest tegen de personencultus rond Leonid Brezjnev.

Voor de Sovjetregering ging hij een stap te ver met zijn boek De Gapende Hoogten, waarvan het Russisch origineel in 1976 in Lausanne gepubliceerd werd. Daarin beeldde hij de USSR onder Stalin en Nikita Chroestsjov uit als de stad Ibansk (een schuttingwoord) waar De Chef alleen de middelmatigheid laat gedijen, waar elke uitstekende nagel plat geklopt wordt en moreel waardebesef vervolgd. Er is geen werkloosheid omdat iedereen doet alsof hij werkt terwijl de overheid doet alsof ze betaalt. Niemand protesteert omdat iedereen op een of andere manier mede de grote leugen in stand houdt. Met die evocatie schetste Zinovjev de contouren van een begrip dat hij later theoretisch zou uitwerken: Homo Sovieticus.

In Rusland verscheen het boek alleen in samizdat-uitgave, maar het veroorzaakte er enige opschudding. De regering wilde de schrijver van deze bittere satire niet openbaar vervolgen om het boek geen extra publiciteit te bezorgen, maar ze wilde hem ook niet ongemoeid laten. Daarom ontnam ze prof. dr. Zinovjev zijn leerstoel en lidmaatschap van de Sovjet-Academie voor Wetenschappen, zijn eretekens uit de oorlog en zijn academische titels. Na zijn volgende boek, Stralende Toekomst, een satire op Brezjnev die in 1979 in het Westen uitkwam, werd hij verbannen wegens "gedrag schadelijk voor het Sovjetprestige".

Zinovjev kreeg een leerstoel in M�nchen en kon nu rustig zijn ontleding van het re�el bestaande socialisme nader ontwikkelen. In 1985 publiceerde hij dan Homo Sovieticus, een droefgeestige studie van de "maatschappelijke entropie", volgens hem het geheim van de toch merkwaardige stabiliteit van het anders weinig geliefde Sovjetsysteem. In ruil voor onvrijheid en een lage levensstandaard kregen de sovjetburgers zekerheid en vrijheid van verantwoordelijkheid. Hij meende dat een meerderheid hiermee uiteindelijk tevreden was en het systeem zou steunen. Inmiddels had hij in het Westen ook geen hoge dunk gekregen van de liberale consumentendemocratie die de mensen zwak en dom maakt. Hij verwachtte dat de perestrojka zou slagen en het Sovjetsysteem een tweede adem zou krijgen en het hedonistische Westen zou overleven.

Zoals velen vandaag over Arabieren zeggen, zo zei Zinovjev over de Slaven dat zij geen boodschap hadden aan democratie. De meeste dissidenten zagen dat anders, en Zinovjev vervreemdde nog meer van hen toen het Sovjetsysteem inderdaad instortte. Of de Russen vrijheid zouden krijgen, en wat voor een, was nog niet duidelijk, maar dat zij hun bestaanszekerheid zouden verliezen, was het maar al te zeer. Hij bekritiseerde de uitverkoop van de staatsbedrijven aan roofbaronnen door Boris Jeltsin en de resulterende ontwaarding van lonen en pensioenen. In de presidentsverkiezingen van 1996 steunde hij zelfs de communistische kandidaat Gennadi Zioeganov, de kandidaat van de volksbelangen en tegenstander van de Westerse overname van Rusland. Want voor hem was de ontbinding van de USSR minder de nederlaag van een ideologie als de nederlaag van het Russische volk tegen zijn Westerse belagers.


Anti-globalist


De ontbinding van het Sovjetsysteem viel samen met de uitroeping van een "Nieuwe Wereldorde" door George Bush senior. Naarmate de VS-hegemonie zich verder ontplooide, ging Zinovjev waarschuwen voor het "democratisch totalitarisme" (democratisch naar de vorm, totalitair in re�le machtstermen) dat aan de wereld opgelegd werd.

In ondermeer zijn boek La Grande Rupture: O� Va le Nouvel Ordre Mondial? (L'Age d'Homme, Lausanne 1999) roeit hij tegen de stroom in door de verdediging van de Staat op zich te nemen. Dat is namelijk een belangrijk instrument van volkssoevereiniteit, en het is geen toeval dat ambitieuze agenten van de globalisering de staat langs boven en onder uitkleden. Je kan de staat van allerlei lelijks beschuldigen, maar je kan op hem tenminste een zekere institutionele controle uitoefenen. Zelfs de Sovjetstaat had tenminste de verdienste dat hij het volk beschermde tegen de internationale uitbuitingsmechanismen die onder Jeltsin vrij spel kregen. Vandaag verschuift de macht steeds meer naar allerlei supranationale organen die niet aan democratisch gestemde wetten gehoorzamen noch aan enig kiespubliek verantwoording moeten afleggen. Voor Rusland putte Zinovjev enige hoop uit het herstel van het staatsgezag tegen de oligarchen door Vladimir Poetin.

Een cruciale nieuwigheid in de huidige maatschappij is de oppermacht van de media, die de staat naar hun pijpen kunnen doen dansen. "Formeel bestaat er geen centrum van waar uit de media gedirigeerd worden. Maar in de feiten functioneren zij precies alsof zij instructies ontvangen vanwege een bestuurscentrale zoals de Centraal Comit� van de USSR. Er is daar een soort van 'onzichtbare hand' die nog praktisch nooit rationeel bestudeerd is" (p.64), zo beschreef hij een situatie die vandaag nog onverminderd in voege is.

Hij rechtvaardigde ook zijn schijnbare ommezwaai die erin bestond om postuum voor het Sovjetstandpunt tijdens de Koude Oorlog op te komen: de Amerikaanse aanwezigheid in Europa was "in feite een onderwerping van West-Europa door een vreemde mogendheid. De VS hebben bereikt wat Hitler-Duitsland geprobeerd had, maar met andere middelen (*) De 'Koude Oorlog' van de VS tegen de USSR was terzelfdertijd een 'koude kolonisatie' van de alle Westerse staten door de VS." (p.74) 

In 1999 keerde Zinovjev terug naar Rusland. Tijdens een vraaggesprek vlak voor zijn vertrek uit M�nchen verklaarde hij: "De catastrofe in Rusland is hier in het Westen gewild en geprogrammeerd. Ik kan het zeggen omdat ik in een zekere periode zelf een ingewijde was. Ik heb deelgenomen aan studiezittingen waar men onder voorwendsel van strijd tegen een ideologie de dood van Rusland voorbereidde. (*) Ik kan niet langer leven in het kamp van diegenen die mijn land en mijn volk vernietigen." (Grande Rupture, p.90)

In datzelfde jaar gaven de volkomen wederrechtelijke VS-bombardementen op rest-Joegoslavi� ter ondersteuning van het moslim-Albanese expansionisme in Kosovo en ter bestraffing van de Servische weerstand hem gelijk. Na de evenzeer wederrechtelijke uitlevering van Slobodan Milosevic aan het Joeslavi�-tribunaal werd hij medevoorzitter van het internationaal comit� ter verdediging van Milosevic.

Zelf heb ik de eer gehad om Zinovjev een paar keer te ontmoeten en om samen met hem de petitie "Les Europ�ens veulent la paix" tegen de anti-Servische en au fond anti-Europese agressie van Bill Clinton te ondertekenen. Een andere ondertekenaar was Aleksandr Solzjenitsyn. Het is geen toeval dat de pleitbezorgers van de menselijke vrijheid tegen de Sovjetdictatuur vervolgens gingen waarschuwen tegen de soms subtiel en soms minder subtiel opgedrongen "consensus" van de multiculturalistische en moreel relativistische Nieuwe Wereldorde.


(Nucleus, juni 2006)

Heidense mythen, mythen over het heidendom







      

   

    



  

    








(Kort Manifest, september 2006) 





Het is een verademing, over het thema nieuw-heidendom in debat te kunnen treden met een genuanceerd criticus als Marc Joris.  Dat is eens wat anders dan de mythomane "antifascisten" die over "heidens extreemrechts" een hele mythologie bijeengeschreven hebben.

Terecht maakt Marc Joris het onderscheid tussen de doordeweekse bijklank van de term heidenen, te weten "barbaarsheid", en zijn strikte, veel ruimere betekenis van "niet-christenen", die ook beschavingbrengers als Socrates en Confucius omvat.  Vanuit eigen observatie kan ik zeggen dat Vlamingen die zich heiden noemen, daarbij meer aan het stereotype dan aan de genoemde zedenmeesters denken.  Iemand die bv. de Boeddha volgt, noemt zich immers boeddhist, niet heiden.

Toch even een historische onduidelijkheid in Joris' betoog uitklaren: natuurlijk hebben Germaanse, Keltisch en Griekse religie een gemeenschappelijke oorsprong, en daardoor vertonen hun mythen ook gemeenschappelijke structuren en gelijkaardige personages.  Dat onze streken hoogstens ��n eeuw bevolkt werden door Germaans-gelovige Germanen, is onzeker: de noordgrens tussen Keltisch en Germaans gebied is nooit goed in kaart gebracht, en Caesar was daarover geen echt gezaghebbende bron, dus het kan best zijn dat regio's of stammen die hij als Keltisch beschouwde in feite Germaans waren.  Maar die kwestie is louter academisch, want de mij bekende Vlaamse nieuwheidenen aanvaarden zonder problemen een gemengd Keltisch-Germaanse identiteit, en liefhebberen evengoed in het obscure dru�disme als in de iets beter gekende asatru ("trouw aan de Asen/goden").  Weliswaar ieder in zijn eigen dosering, want een doodernstige vraag aan de heidense salontafel (naast: "Voel jij je Frank of Saks?") luidt: "Voel jij je Kelt of Germaan?"

Men moet het belang van de heidense mythen en goden ook niet overschatten.  Ik heb de voorbije jaren de Joelfeesten (winterzonnewende) van nagenoeg alle mij bekende Vlaamse heidense clubjes bijgewoond, en vastgesteld dat de mythische personages van Donar, Wodan enz. er eigenlijk geen rol in spelen.  Net als in het confucianisme, of gewoon in het leger, beoefent men bij onze nieuwheidenen rituelen om het ritueel zelf: niet om de gunst van een godheid af te smeken, maar gewoon om een daad te stellen die niet in functie van enig nuttig oogmerk staat, een nutteloze en daardoor juist sacrale daad.  Blijkbaar is men het erover eens dat die goden uiteindelijk verpersoonlijkingen van abstracte begrippen of natuurverschijnselen zijn, geen feitelijke wezens die men met rituelen moet oproepen of tevreden stellen.  Deze laatste, "the�stische" visie treft men wel aan bij bv. de Nederlandse asatru-groep Het Rad, waarvan een priesteres mij eens uitlegde hoe zij zich door Wodan "geroepen" voelde.  De nieuwheidense auteur Fred Lamond, die naast de Europese ook de Afrikaanse en Indiaanse godheden vereerd heeft, beschrijft hun verschillende persoonlijkheden, bv. hoe zij er geen prijs op stellen als New Age-syncretisten met eigen rituelen aankomen in plaats van hen met hun eigen traditionele riten te eren. 

Bij Vlaamse heidenen zijn die goden dus veeleer stof voor studie in verband met het voorouderlijke wereldbeeld en de bijbehorende ethiek, maar niet echt voorwerp van een collectieve eredienst.  Eigenlijk zijn zij het eens met Marc Joris: "Geloof ik dat aardbevingen veroorzaakt worden door de woede van Poseidon?  Worden oorlogen ontketend door een ingreep van de krijgsgod Ares?  Zou ik een haan offeren aan Asklepios?  Natuurlijk niet.  In religieus opzicht geloof ik helemaal niet in de antieke goden, al geloof ik w�l dat Griekse mythologie een prewetenschappelijk maar zinvol kader biedt om de psychologische machten te begrijpen die het noodlot van mensen en volkeren beheersen."


Falend heidendom?


Nog in zijn historische paragraaf ontwikkelt Marc Joris echter een stelling die ik beslist moet afwijzen.  Hij toont met data van koninklijke doopsels aan dat "die Germanen relatief snel hun oude polythe�sme hebben opgegeven in ruil voor ��n of andere variant van het christendom" en verklaart deze snelle overgang als volgt: "Deze data wijzen op een cruciaal element, dat in het hedendaagse heidendom meestal weggemoffeld worden: de bekering van de Germanen tot het christendom gebeurde niet onder dwang van de machtige Romeinse legioenen, en het gebeurde vrij snel. (*) de Germaanse veroveraars namen al na enkele generaties vrijwillig de christelijke godsdienst over van de volkeren die zij verslagen hadden." 

Tot zover akkoord: het is heel typisch voor de Germanen dat zij zeer weinig gehecht waren aan hun wortels en hun zuiverheid, raciaal zowel als taalkundig en religieus.  Overal waar zij zich vestigden trouwden zij met plaatselijke partners en binnen hoogstens twee generaties namen zij dezer taal en religie over.  Wie aan racisme of andere identitaire zuiverheid een religieus fundament wil verschaffen, moet daarvoor zeker niet bij Wodan en zijn Germanen zijn.

Maar daaruit volgt helemaal niet wat Marc Joris (overigens samen met bekende historici) dan beweert: "Als het christendom zich ondanks zijn totale gebrek aan wereldlijke macht zo snel kon verspreiden, dan is er maar ��n verklaring mogelijk: er moet een schreeuwende behoefte hebben bestaan aan een unificerend, overkoepelend godsbeeld. Duizenden mensen moeten hebben aangevoeld dat het christendom antwoorden gaf, die in het oude heidense wereldbeeld niet te vinden waren."  Dit is typisch een rechtvaardiging achteraf, zoals je ze vaak vindt in populaire geschiedenisboeken die zich niet rigoureus aan de bescheidenheid van de historische methode houden.  Het is verleidelijk om aan te nemen dat dat wat feitelijk gebeurd is (in casu de kerstening), ook mo�st gebeuren.  Dit is, nu we het toch over Germaanse tradities hebben, eigenlijk een toepassing van het "godsoordeel": om te beslissen wie in een juridische twist gelijk had, liet men de partijen een duel uitvechten, en de toevallige winnaar werd beschouwd als door God in het gelijk gesteld.  In werkelijkheid is "Dat de beste moge winnen" echter een vrome wens, geen ijzeren wet, en vaak is het de gemeenste die de deugdzaamste overwint.

Er was zeer zeker een element van dwang, niet vanwege de Romeinse legioenen maar vanwege de eigen bekeerde vorsten.  Clovis dwong zijn soldaten tot de doop: "Kop af of kop onder."  Vladimir van Ki�v legde het christendom manu militari aan zijn volk op.  Niet dat hij elke Rus het mes op de keel moest zetten, maar hij brak de ruggengraat van de heidense traditie, vertrouwde het onderwijs in monopolie aan monniken toe, en liet hen kerken bouwen op heidense heilige plaatsen.  De deliberaties van het IJslandse parlement rond het jaar 1000 zijn bekend: de vrees voor een militair ingrijpen van de bekeerde Noorse koning was cruciaal in hun beslissing om zich althans pro forma te bekeren.  Ook de onderwerping van heidense volkeren door hun christelijke buren leidde typisch tot dwangbekering, zoals die van de Saksen door Karel de Grote en die van de Balten door de Teutoonse Ridderorde.

Het heidendom verloor de strijd omdat het inferieur was?  We kunnen dat aannemen in het geval van de door Marc aangehaalde "vergoddelijking van de keizers", die "een religieus decadentieverschijnsel" was en "enorm bijdroeg tot de ondermijning en de discreditering van de oude Romeinse godsdienst".  Maar voor het overige: die redenering zou impliceren dat  de islam superieur is aan het christendom.  Spijts talrijke bekeringen onder dwang of druk, waren en zijn er ook veel bekeringen tot de islam puur uit overtuiging.  Zowel in zwart Afrika als in het Westen zien we vandaag in de missionaire wedijver tussen christendom en islam een grote netto-voorsprong voor de islam, ook dus in landen waar de islam niet aan de macht is.  In recente decennia heeft de islam een instrument geleend en vervolmaakt waarmee het minoritaire en machteloze christendom destijds het Romeinse Rijk heeft kunnen inpalmen: een vernuftige combinatie van zelforganisatie en indoctrinatie (hier niet pejoratief gebruikt, nl. training om alles door het prisma van de doctrine te zien), inbegrepen de argumentatieve geloofsverdediging of apologetiek.  Waar een missionaire en een niet-missionaire religie tegenover elkaar staan, is het onvermijdelijk dat de eerste veld zal winnen op de tweede, ook al moet zij het zonder politieke of militaire ondersteuning doen.

Verder was er de demografische factor: met hun verplicht stabiele huwelijken en hun afwijzing van geboortebeperking (pre- en postnatale abortus) kenden de christenen een gestadige procentuele toename binnen het Romeinse Rijk.  Er was toen ook nog geen verplicht priestercelibaat, dat later een rem op de katholieke demografie zou vormen.  En eens het (toch nog minoritaire) christendom een machtsfactor geworden was en keizer Constantijn het nuttig vond om de nieuwe religie te promoten, kreeg het wel degelijk offici�le patronage, uitmondend in het verbod op en onderdrukking van de heidense cultussen.

Maar goed, er zijn vrijwillige bekeringen geweest.  De meest dramatische gevallen vonden plaats in een context die men tegenwoordig als bijgeloof zou afdoen, bv. Clovis die meende dat hij zijn zege tegen de Alemannen aan de God van zijn vrouw Clothilde te danken had.  Numeriek veel belangrijker was echter de technologische, organisatorische en esthetische superioriteit van de Romeins-Griekse cultuur waarmee de missionarissen indruk konden maken op de Germaanse en Slavische barbaren.  Je ziet hetzelfde bij de hedendaagse missionering in Afrika en de Indiase stammengebieden, waar de associatie van christendom met Westerse technologische cultuur een belangrijke troef is.  Dit soort associatie is door missionarissen vaak heel expliciet uitgespeeld, bv. door de 17de-eeuwse jezu�eten die in China met de superioriteit van het heliocentrisme uitpakten hoewel deze on-Bijbelse nieuwlichterij in Europa door de Kerk verketterd werd.  Klassiek voorbeeld in Europa is de bekering van Vladimir van Ki�v, die zeer onder de indruk was van de pracht en praal van de Byzantijnse ritus.  Voor de doorsnee-barbaar was christendom in de eerste plaats synoniem met geletterdheid.  Zelf hadden zij wel al een schriftsysteem maar dat werd zeer spaarzaam gebruikt en met name de geestelijke tradities werden scrupuleus tegen "profanatie" door het schrift beschermd.  Eens de dru�den en gelijkaardige traditionarissen gedood of van hun positie verdreven, werd de ontstane leegte door de gekerstende Grieks-Romeinse schriftcultuur gevuld.

Om het falen van het heidendom als zingevingssyteem te bewijzen, zou je talrijke getuigenissen moeten aanvoeren van gecultiveerde heidense denkers die welbewust voor de bekering kozen.  Schoolvoorbeeld is Augustinus, die (weliswaar niet het klassieke heidendom maar wel) een gnostische sekte vaarwel zei omdat hij na grondig onderzoek tot de superioriteit van het christendom besloten had.  Maar hoeveel dergelijke gevallen zijn er?  De monniken die ons mededelingen over het Germaanse of Keltische heidendom nagelaten hebben, waren praktisch allemaal mensen die van kleins af christen waren, geen bekeerlingen die in een geestelijke crisis het ontoereikende van hun voorouderlijke religie beseft hadden.

Wat nu te besluiten uit deze historische precisering?  Dat het heidendom toleranter was dan het christendom?  Dat is in grote lijnen verdedigbaar, al moet daarbij opgemerkt dat "tolerantie" een politiek correcte waarde is, en dat zelfs de als fout verguisde nieuwheidenen niet ongevoelig blijken voor dit soort modieuze zelfrechtvaardiging.  Het tegenvoorbeeld dat het Romeinse polythe�sme de joden vervolgd heeft, is gewoon onjuist: het kon de Romeinen geen moer schelen welke God de joden aanbaden, en de joodse godsdienst genoot zelfs een aantal voorrechten; hij werd pas (tijdelijk) onderdrukt door het wereldlijk bestuur toen hij de kracht achter een gewapende opstand werd.  Een beter tegenargument zou zijn dat die tolerantie nooit veel mensenlevens gered heeft: als mensen niet voor de Ene Waarheid kunnen oorlog voeren, vinden ze met gemak andere redenen.  De heidense Caesar gunde de Eburonen best hun religie, maar hij heeft hen toch maar uitgemoord.  De ruimdenkende Dzjengis Khan nodigde zegslieden van alle mogelijke religies uit voor verheffende gesprekken terwijl zijn leger de steden platbrandde,-- dit laatste gelukkig zonder kleinzielige discriminatie tussen moslimse, christelijke of boeddhistische slachtoffers.

Omgekeerd is het een historisch feit dat het christendom erg doelgericht en doortastend zijn expansie organiseerde, al hebben heidense of anticlericale polemisten ongelijk om het christendom een gelijkaardige agressiviteit toe te schrijven als de islam: het Nieuwe Testament draagt de apostelen expliciet op om weg te gaan daar waar ze niet welkom zijn, wat toch iets anders is dan zich gewapenderhand op te dringen.  In ieder geval, in een tijd waarin een Godfried Danneels het tot kardinaal brengt is het futiel om te blijven klagen over de strijdende Kerk.  Zeker voor het soort nieuwheidenen dat bij Darwin zweert en met de mond graag de strijd en de overleving van de sterkste verheerlijkt, een houding die geen ruimte laat voor medelijden met verliezers als Wodan.  In ieder geval maakt de bekeringsgeschiedenis niets uit voor de waarheidsaanspraken van de betrokken religies. 


Exotische import


Een ander nieuwheidens argument tegen het christendom, dit keer minder politiek correct, is dat het een "exotisch importproduct" was.  Net als de aardappel en al die andere "migranten" waar de multicul-lobby zo graag mee uitpakt.  Marc Joris heeft een punt: "sommige moderne heidenen worstelen duidelijk met een identiteitsprobleem.  Zij voelen zich in hun hart geen zelfverzekerde Vlamingen of Nederlanders, maar mislukte Noormannen, gefrustreerde Duitsers of verdwaalde IJslanders.  Zij klampen zich krampachtig vast aan een kunstmatig geconstrueerde identiteit."  De keuze voor "noords" heidendom als zijnde "dichter bij onze wortels" lijkt ook mij een legitiem voorwerp van kritiek. 

Zelf kan ik Marc Joris ook volgen waar hij universalistisch stelt: "Nationalistische religie is even absurd als nationalistische wetenschap.  Kan men zich een nationalistische variant voorstellen van Newtons zwaartekrachtwet?  Of een relativiteitstheorie die is aangepast aan de Slavische of de Germaanse volksziel?  Onze voorouders geloofden misschien dat de aarde een platte schijf was, dat de sterren goden waren en dat men de toekomst kon aflezen uit de vlucht van vogels of de ingewanden van offerdieren.  Het is vanuit historisch, en zelfs vanuit nationalistisch oogpunt legitiem en zinvol die oude opvattingen en voorstellen te kennen en te bestuderen. (*) Maar moeten wij die archa�sche denkbeelden ook overnemen uit een misplaatst gevoel voor trouw of traditie?"

Het nazisme maakte wel degelijk onderscheid tussen goede Arische en slechte joodse wetenschap, bv. de kwantumfysica resp. de relativiteitstheorie.  Maar los van die duistere associatie moeten we erkennen dat het in de vorige eeuwen heel gebruikelijk was om "Franse wetenschap" als een eigen benadering te contrasteren met "Duitse" of "Angelsaksische wetenschap".  Dat culturele onderscheid zocht echter geen afbreuk te doen aan de universele waarheidsaanspraken van de wetenschap.

Net als wetenschap zoekt ook religie naar universele waarheden, aldus Joris: "In religie zoekt men universele waarheden, die geldig zijn voor alle mensen. (*) Het is mogelijk dat er een apart paradijs bestaat voor joden en moslims, en een aparte hel voor Ieren en Engelsen, (*) dat dode hindoes re�ncarneren, dode Zweden door de Walkuren in het Walhalla worden ontvangen, en dode Grieken door Charon over de Styx worden gevaren (*).  Maar erg waarschijnlijk is dat allemaal niet.  Als men legitieme en waardevolle nationalistische begrippen exporteert naar het religieuze domein, dan komt men vanzelf tot zulke absurditeiten.  De nieuwe heidenen zijn heel erg in dat bedje ziek.  Zij nemen de Germaanse mythologie niet over omdat ze denken dat die waar is.  Ze nemen haar alleen over omdat ze denken dat het hun nationalistische plicht is tegenover hun -- echte of vermeende of gewenste -- voorvaderen.  Die trouw aan tradities is nobel (*) als het gaat om taal, tradities, symbolen en kunstvormen die allemaal samen de identiteit en de cultuur van een volk uitmaken.  Maar ze is misplaatst als het om religie gaat.  Dan moeten we de waarheid en niets dan de waarheid zoeken."

Inderdaad.  Maar blijkbaar vatten vele nieuwheidenen religie op als een kwestie van "taal, tradities, symbolen en kunstvormen", niet als een kwestie van doctrine die aanspraak maakt op waarheid.  Zij beweren niet dat het tao�sme, het boeddhisme, de Candombl� of andere heidense religies "onwaar" zijn, alleen dat zij uitheems en daarom "ongeschikt voor de Europese mens" zijn (althans in theorie, want in Vlaamse heidense kringen wordt best wel aandacht aan exotisch heidendom besteed, bv. aan het Japanse Shinto, en ik ken heidenen die volksvreemde disciplines als yoga of qigong beoefenen).  In februari jl. was er in Mumbai, India, een wereldcongres van inheemse en voorouderlijke religies, met alle mogelijke sjamanen en medicijnmannen uit alle werelddelen, samen met een handvol nieuwheidenen uit Europa.  De meeste van deze traditionele heidenen behouden hun praktijken voor aan stamleden en wijzen reli-toeristen uit het New Age-milieu de deur.  Zij vatten hun religie op als iets etnisch, maar verbinden er juist daarom geen universele waarheidsaanspraken aan: de medicijnman van de andere oever of de volgende vallei zal op zijn manier ook wel goed bezig zijn en met de Grote Geest in contact staan, met zijn eigen "taal" om over de kosmos te spreken en zijn eigen "tradities, symbolen en kunstvormen" die uiteindelijk dezelfde waarheden of althans hetzelfde bestaansgevoel uitdrukken; maar dat is geen reden om zijn en onze praktijken te vermengen, en nog minder om de onze door de zijne te vervangen.

Een religie wordt in hoofdzaak gedefinieerd door doctrine en ritueel, en men mag zeggen dat heidenen voor het doctrinale luik slechts een vage belangstelling hebben en er geen disputen over voeren met als inzet de Waarheid.  Het collectieve ritueel is niet afhankelijk van een bepaalde doctrine of zienswijze, maar verenigt juist mensen over de levensbeschouwelijke tegenstellingen heen.  Misschien kan men over de concrete Vlaamse nieuwheidenen sociologisch nog het beste zeggen dat zij het oprakelen van voorouderlijke religie als een focus gebruiken voor gemeenschapsopbouw, voor het scheppen en verdiepen van een groepsgevoel.  Toch wat deze kille tijd nodig heeft, niet?


Heidens-christelijke continu�teit


Volgens Marc Joris gooien de antichristelijke polemisten onder de nieuwheidenen hun eigen ruiten in: "Zij willen christelijke tradities die anderhalf millennium oud zijn en die de ruggengraat van onze beschaving vormen, overboord gooien (*) En paradoxaal genoeg zitten de laatste relicten van Germaanse of Keltische gebruiken dikwijls in die christelijke traditie verpakt."  Dit laatste wordt door de meeste nieuwheidenen wel beseft.  Hun blaadjes staan vol met veeleer saaie maar historisch wel verantwoorde uiteenzettingen over de heidense wortels van deze feesten of gene processies.  Zij weten bovendien dat de Reformatie grotendeels gericht was op het uitwieden van de heidense elementen in de katholieke traditie, waarbij fundamentalisten bv. zelfs het Kerstfeest afwijzen als een ontlening aan het heidense zonnewendefeest.

Een denkpiste die verder onderzoek verdient, is dat de heidense herleving samenhangt met de 20ste-eeuwse verwerping van de heidense elementen door met name de katholieke Kerk.  Moderne katholieken dwepen met "de eerste christenen" en met de Bijbel, en generen zich voor de "latere aangroeisels" die de Traditie uitmaken.  Katholieke instellingen en projecten worden in hun benaming massaal ontdaan van verwijzingen naar de Kerktraditie (heiligen, pausen, begrippen als de Drievuldigheid of het Heilig Hart) ten voordele van Bijbelse namen: een flagrante protestantisering.  De Leuvense Sint-Augustinusschool, waar ik mijn lagere school gelopen heb, is inmiddels omgedoopt tot "de Ark".  In de destructieve jaren '60 werd Sinterklaas, een vermomde Wodan, van de heiligenkalender afgevoerd.  Processies, de christelijke versie van de heidense "triomftocht van de godheid", werden discreet afgeschaft, net als "idolatrische" praktijken als de aanbidding van de hostie in de monstrans.  De progressieve theoloog Max Wildiers betoogde tegen de Aristotelisch-Thomistische notie van de "natuurwet" met het argument dat zij nergens in de Bijbel teruggevonden wordt, maar uit het Indo-Europese heidendom afkomstig is.  Maar waar staat de katholieke ethiek zonder de inderdaad heidense en on-Bijbelse notie van de "natuurwet"?

Het christendom onderscheidt zich van de andere loten aan de Abrahamische stam door precies zijn talloze heidense elementen, bv. zijn zogenaamd "verkapt polythe�sme" van de Drievuldigheid, dat het schema van de "Indo-Europese trifunctionaliteit" in het godsbegrip binnensmokkelt.  Christelijke denkers hadden er tot voor kort geen moeite mee, te erkennen dat de theologie talloze elementen uit de Griekse wijsbegeerte overgenomen heeft, noch dat de christelijke kalender, kerkstructuur en rituelen tal van heidens-religieuze elementen ge�ncorporeerd hebben.  Voor heidenen kan het daarom nuttiger zijn, juist de continu�teit tussen heidendom en christendom te bestuderen, liever dan de inmiddels verlepte polemieken van de athe�stische papenvreters nog eens over te doen.


Nazi's en heidenen

Tenslotte moeten we ingaan op het heikele thema van de vermeende politieke recuperatie van het heidendom, met name door het nazisme.  Het heidendom demoniseren door het met Satan te associ�ren maakt niet veel indruk meer, maar Hitler kan als nieuwe Satan dienen.  Het thema wordt door Marc Joris aldus ingeleid: "Vele neoheidenen zijn fatsoenlijke en verstandige mensen die geen extreme of gewelddadige politieke ideologie�n aanhangen.  Men mag dus zeker niet veralgemenen.  Maar daarnaast zitten vele neoheidense groepen politiek gezien in neonazistisch of soms zelfs openlijk nazistisch vaarwater.  Dat is opnieuw een historische anomalie, want de �chte nazi's hebben alle neoheidense groepen ontbonden en buiten de wet gesteld. (*) Maar in tegenstelling tot wat men in christelijke kringen soms beweert waren Hitler en de leiders van NSDAP g��n nieuwe heidenen.  Velen waren w�l fanatieke ecologisten, Agalev'ers avant la lettre dus, maar dat is een ander verhaal.  Ook bij mensen en groepen die niet tot nationaal-socialistische ontsporingen komen, merkt men soms een ongezonde vermenging van religie met een verwaand Germaans superioriteitsgevoel, dat dikwijls gepaard gaat met een hatelijk antisemitisme en antichristianisme."

Dat de nazi's Groenen waren, verdient zeker grotere bekendheid: eerste milieu-effectrapporten, bescherming van bedreigde soorten, wetten tegen wreedheid jegens dieren, eerste anti-tabakscampagnes.  Als ik de perschef van de scheikundige nijverheid of de kerncentrales was, zou ik de Groenen niet ��n keer hun mond laten opendoen zonder hen in mijn antwoord met Hitler om de oren te slaan.  Niet heel sportief, maar voor stalinisten als Jos Geysels met hun reductio ad Hitlerum van de rechterzijde is het toch maar een koekje van eigen deeg. 

Nu moet het gezegd dat vele nieuwheidenen in hun onwillekeurige drang naar politiek-correcte zelfrechtvaardiging graag de modieuze ecologie (net als de relatieve gelijkberechtiging van de vrouw) als heidense waarde opeisen.  Toch is hun embleem, de "hamer van Thor" die velen om de hals dragen, uiteindelijk een product zowel als een instrument van technologie.  Wie voor de vrije natuur is, kan zich misschien tot de Afrikaanse goden wenden, maar Wodan werd vooral vereerd door arbeidzame, houthakkende en scheepsbouwende bewoners van een koud klimaat die voor hun overleving aangewezen waren op de technologische transformatie van de natuur.  Ook de bevolkingsexplosie is niet de schuld van de Bijbelse godsdiensten, want Confucius en Zarathoesjtra predikten evenzeer de grote gezinnen als instrument om de wereld te vermenselijken en de wildernissen tot parken om te vormen.  Tacitus prees de grote gezinnen van de heidense Germanen als een voorbeeld voor de decadente kinderarme Romeinen.  Maar goed, hoewel onhistorisch is de heidense basis van de ecologie een wijdverspreid geloofspunt onder nieuwheidenen.

Dat de nazi's eerder negatief tegenover het nieuwheidendom stonden, en dat Hitler er in Mein Kampf genadeloos de spot mee dreef, is een feit.  Het nazisme was in de eerste plaats een seculier-nationalistische beweging, die de rol van religie als alternatieve focus van loyauteit zoveel mogelijk beperkte.  Daarbij kwam dat heidendom (toen net als nu) vaak samenging met regionaal particularisme, pacifisme, anarchisme en andere politiek ongewenste eigenaardigheden.  Anderzijds is het waar dat SS-chef Heinrich Himmler een chaotisch onderzoeksnetwerk sponsorde, de Ahnenerbe, dat zich met geestelijke en occulte opzoekingen bezighield.  Het is in die context dat de Nederlandse collaborateurs F.E. Farwerck en Jan de Vries boeken over de Germaanse religie schreven die vandaag in nieuwheidense kringen nog erg populair zijn. 

In het Duitse taalgebied was er in de voorafgaande decennia bovendien een nieuwheidense stroming gegroeid die, hoewel nog niet echt "nazi", toch duidelijk racistisch en antisemitisch was.  De Armanenorde van Guido "von" List en J�rg Lans "von" Liebensfels (in dit milieu van fantasten wemelde het van valse titels) was een typisch voorbeeld van de laat-19de-eeuwse golf van pseudo-antieke religie.  Op halfgereconstrueerde en halfbegrepen flarden oud-Germaanse religie werden eigentijdse nieuwlichterijen zoals het raciaal Darwinisme hineininterpretiert.  Op dezelfde manier combineerde de Theosofie toen flarden hindoe-boeddhisme met de toen pas herboren astrologie, wetenschappelijke nieuwigheden als het elektromagnetisme en de toen alomtegenwoordige rassenleer.  Een ouder voorbeeld van zo'n combinatie van moderne elementen met zogezegd herontdekte pseudo-antieke tradities, was overigens de Vrijmetselarij, die model stond voor Armanen- en Theosofische "loges".  Het is in die sfeer van verwarde dweperij dat bv. de eerbiedwaardige swastika omgeduid werd tot embleem van het "Arische ras".

Wanneer antifa-inquisiteurs op een geval stoten van een nieuwheiden die tevens het racisme belijdt, dan kondigen ze met veel tromgeroffel aan dat ze het bewijs gevonden hebben voor de wezenlijk racistische bedoelingen van het nieuwheidendom (wat meteen �lle nieuwheidenen tot racisten stempelt).  Zoals zo vaak, bewijzen ze daarmee alleen hun eigen ondeskundigheid, benevens hun sterke neiging tot wensdenken.  Het is in hun belang om het fascistische monster zo groot en dreigend mogelijk voor te stellen, vandaar hun overhaaste en kras veralgemenende beweringen over weer eens een club die "na onderzoek" tot de zwarte internationale blijkt te behoren: gisteren Opus Dei, vandaag Asatru of de ecologisten, morgen misschien uw eigen v.z.w.-tje.  De denkfout die zij in dit geval maken, mogelijk zelfs te goeder trouw, is cum hoc ergo propter hoc: omdat in dit individu (bv. Guido von List of vandaag de Amerikaanse Asatru-goeroe Steve McNallen) heidendom en racisme samengaan, is dat racisme het gevolg van dat heidendom. 

Maar het is precies omgekeerd: omdat een hedendaagse gedachtenstroming sterk staat, be�nvloedt zij allerlei mensen die formeel trouw zijn aan een veel oudere traditie.  Hun sympathie voor de nieuwlichterij komt niet voort uit hun diepere overtuiging, maar is er juist vanuit de tijdsgeest bovenop gelegd.  Toen het Germanengedweep op zijn hoogtepunt was, droomde Cyriel Verschaeve van een "Germaans beleefd christendom", zonder dat iemand deze nieuwlichterij als een vrucht van het christendom zelf zal beschouwen.  Toen de rassenleer en de eugenetica de sleutel tot allerlei historische en maatschappelijke problemen leken te bieden, werden zij verwelkomd door allerlei mensen van allerlei gezindte: christenen, joden, athe�sten en ook nieuwheidenen.  Sommigen van hen probeerden zelfs de wortels van het racisme in hun eigen traditie terug te vinden (wat bij het Oude Testament niet zo moeilijk is, bij de Edda al veel meer), maar dat neemt niet weg dat zij hun racisme aan de tijdsgeest ontleenden, niet aan hun religie.  Op dezelfde manier zagen we in recente decennia hoe allerlei Kerken en zogenaamd rechtse partijen het socialisme geheel of gedeeltelijk absorbeerden, namelijk toen dat de onstuitbare golf van de toekomst leek.

In het huidige hatelijke denkklimaat zitten heidendom en katholicisme in hetzelfde schuitje: malafide "antifascisten" trachten het net van racisme en nazi-collaboratie zo breed mogelijk uit te werpen, zodat zo veel mogelijk historische actoren erin gevangen kunnen worden.  Voor de onbenullen die hun leven vullen met een halve eeuw na datum weerstandertje (en vooral repressortje, om niet te zeggen gestapootje) te spelen, is het een geweldige kick om mensen te beschuldigen en grijnzend hun wanhopige pogingen te zien om zich aan schuld en boete te onttrekken.  Je hoeft er niks voor te kunnen, en toch geeft het je een geweldige macht, mensen zwart te maken.  Een van de grappigste effecten is dat je slachtoffers zich zullen proberen te rehabiliteren door weer anderen zwart te maken.  De pauselijke holocaustbrief We Remember maakt er zich bv. van af door het nazi-regime "heidens" te noemen, terwijl niet weinig heidenen Daniel Goldhagen bijtreden waar hij het nazi-antisemitisme als een wezenlijk dogma van het christendom voorstelt.  Daarmee spelen zij allen in de kaart van hun vervolgers.

Wat het hedendaags heidendom betreft: bij de als extreemrechts gebrandmerkte Werkgroep Traditie heb ik een scrupuleus vermijden van alle politiek kunnen vaststellen, net als bij enkele andere groepen.  Dat Traditie nogal bij Oostfrontersfamilies recruteert, neemt blijkbaar niet weg dat betrokkenen best wel een bredere belangstelling hebben dat ten eeuwigen dage de Oostfronterswonde te koesteren.  Dat is dan het verschil met de antifa's, die in een eeuwig 1945 vastgevroren zitten en alles tot een politieke dimensie trachten te reduceren,-- een centraal kenmerk van het totalitarisme.  Deze totalitaire trek genereert trouwens nog andere redenen om het nieuwheidendom en elke andere premoderne levensbeschouwing te haten, te beginnen met hun belangstelling voor het verleden.  Linkse onderwijsministers in binnen- en buitenland hebben er altijd naar gestreefd, het onderricht in geschiedenis en klassieke talen af te schaffen of strikt te beperken tot het politiek wenselijke (namelijk de projectie van hedendaagse politieke kwesties op het verleden, dat aldus in de hedendaagse propaganda ingeschakeld wordt), want links wil de mensen vangen onder de stolp van het geschiedenisloze heden, waarin alleen hedendaagse politieke belangen onder de aandacht mogen komen.

Anderzijds, naast de groepen die ernstig aan de reconstructie van de voorouderlijke tradities werken en daar ook graag iets coherents en moois van maken, zijn er inderdaad nogal wat ongeleide projectielen in het nieuwheidense wereldje.  Zo hoorde ik op het Joelfeest van een schijnbaar apolitieke (maar sterk onder politieke activisten recruterende) groep een Joelspeech die niets met zonnewende en alles met de strijd tegen de Ueberfremdung te maken had.  Schalkse kameraden van de spreker, een buitengegooide ex-mandataris van het Vlaams Blok, turfden een streepje telkens hij de uitdrukking "Indogermaanse ras" gebruikte, blijkbaar een oude dada van hem.  Op een ander Joelfeest zette een groepje mannen aan de toog het Horst Wessel-lied in.  Dus toch*

Die toog is wel een belangrijk element, en dan vooral de alcohol in de glazen op die toog.  Als men mij vraagt of de rechts-flamingantische nieuwheidenen, en overigens de flaminganten in het algemeen, onder invloed staan van Evola, of van Gramsci, of van Van Severen, dan kan ik alleen maar antwoorden: zij staan vooral onder de invloed van de drank.  In weerwil van wat hun vijanden graag zouden geloven, zijn zij dus helemaal niet gevaarlijk: de wildsten onder hen kunnen misschien al eens een Marokkaan op zijn smoel geven (hoewel, ��n nuchtere Abou Jahjah kan een hele meute lallende Leeuwen de baas), maar verder hebben zij niet de ernst of de nuchterheid of de discretie of het strategisch inzicht om wat dan ook te verwezenlijken.  Hun bijeenkomsten dienen om mekaar wat op te peppen en in de sfeer te blijven, maar zijn allerminst broedgelegenheden voor ambitieuze plannen op religieus, politiek of eender welk ander gebied.  Van de vermeende nazi-heidenen gaat zoveel gevaar voor de democratie uit als van de geest uit de fles van Aladdin.  En daarmee is eigenlijk alles gezegd wat er te zeggen valt over de "heidenen voor het Blok": een zwaar opgeblazen spook waarmee zielige would-be-weerstandertjes proberen om de burgerij wat schrik aan te jagen en zichzelf enige belangrijkheid aan te meten.