dinsdag 6 juni 2023
De Standaard over Narendra Modi
De Standaard over Narendra Modi
(Loopt België hiermee voor op Nederland?
Narendra Modi. Foto van De Standaard. Zie linkIn Nederland is er nog geen spoor van belangstelling te vinden voor de vermoedelijke nieuwe premier van India. Er is niet eens een Nederlandse wikipedia pagina over hem. In de online Volkskrant vind ik nul verwijzingen. Bij de NRC vier. De enige serieuze daarvan is van bijna vier jaar geleden. In België besteedde de krant De Standaard wel aandacht aan hem. En hoe! De geniale Koenraad Elst fileert hieronder dat bericht. Zijn stuk publiceerde hij op In Flanders Field. Met zijn toestemming hier integraal overgenomen. -- Frans Groenendijk op de webstek Keizers & Kleren)
(Eind december 2012)
De Standaard (21 dec. 2012, door “jb”) bloklettert: “India omarmt hindoe-nationalist. Narendra Modi wint verkiezingen in deelstaat Gujarat”. Aanleiding zijn de deelstaatverkiezingen in Gujarat, waar Modi al meer dan 10 jaar deelstaatpremier is: “Narendra Modi is India's meest gehate én geliefde politicus. Na zijn zege in Gujarat lonkt voor de hindoe-nationalist het Indiase premierschap.”
Partijdig
De verkiezingen zijn maar de aanleiding; wat de krant werkelijk bezig houdt, is dit: “Krijgt de grootste democratie ter wereld, met haar groeiende economie, straks een premier die beschuldigd wordt van betrokkenheid bij dodelijk religieus geweld? Die kans is niet denkbeeldig. Waarschijnlijk zal zijn partij, de hindoe-chauvinistische BJP, hem voordragen als kandidaat voor de nationale verkiezingen van 2014. Zijn bijnaam is ‘de koopman des doods'.”
De onnodige term “chauvinistisch” is niet alleen niet toepasselijk op de ruggegraatloze BJP, maar is vooral duidelijk partijdig. Of beschrijft De Standaard de SP.a ook met omschrijvingen die alleen haar vijanden gebruiken in plaats van de naam die zij zichzelf geeft? Het hele artikel is één groot pamflet tegen de deelstaatpremier. Ik ben goed geïntroduceerd onder Gujarati’s, maar had nog nooit de term “de koopman des doods” gehoord. Kennelijk verkeert deze auteur in een ander soort kringen.
De enige keer dat de krant de overwinnaar zelf aanhaalt, is het op sceptische toon: “Modi vertelt graag dat hij van een onbetekenende familie komt. ‘Ik heb geen middelbare school gedaan', zei hij in een interview in Time Magazine, ‘maar boeken waren mijn beste vrienden.' Hij beweert dat hij minder verdient dan een parlementariër, niet vatbaar is voor corruptie en recht op zijn doel afgaat.”
Een journalist die niet te lui of te partijdig is, kan minstens de beweringen over zijn lage afkomst (zonder meer juist) en van niet-corruptie verifiëren. En dan blijkt dat Modi bij vriend en vijand sinds lang een reputatie van schone handen verworven heeft. Hij wordt wel niet “Mr. Clean” genoemd, en maar goed ook: de premiers met die bijnaam, Rajiv Gandhi en V.P. Singh, bleken niets te ondernemen tegen de corruptie en uiteindelijk zelf zeer corrupt te zijn (zegt het Bofors-schandaal u nog iets?).
Schuilnaam
Dan onthult De Standaard de schuilnaam van haar enige bron voor dit uitgebreid artikel: “‘Modi rekent altijd af met zijn tegenstanders', zegt Anand McNair, een invloedrijke journalist in Gujarat. Hij schrijft onder een pseudoniem om te voorkomen dat Modi's mensen hem het werken onmogelijk maken.”
Aangezien half India zich bezighoudt met Modi aan te vallen, ondermeer heel de centrale regering (Congres), heeft deze criticus niets te vrezen. Zijn schuilen achter een pseudoniem is voor niets nodig en maakt hem ongeloofwaardig. De echte reden daarvoor is waarschijnlijk dat hij onder zijn echte naam door de mand gevallen is, en het onder een andere naam nog eens wil proberen. Want Modi trekt leugenachtige critici aan, zoals Harsh Mander en Teesta Setalwad, die vroeg of laat hun geloofwaardigheid verliezen. Van laatstgenoemde zei de met veel bombarie opgevoerde kroongetuige tegen Modi achteraf dat zij ontvoerd was en tot beschuldigende getuigenverklaringen gedwongen.
Wie tussen de regels kan lezen, ziet dit bevestigd door De Standaard zelf. Deze geeft toe dat hij een verleden met Modi heeft: “Hij was net aangesteld als verslaggever in Gujarat toen daar in februari 2002 rellen uitbraken.”
Godhra
En dit zou de meestersleutel zijn om het gebeurde te begrijpen: “Modi, die bij de komende verkiezingen weinig kans maakte, zat met zijn handen in het haar. McNair: ‘Hij had nauwelijks medestanders. Maar de rellen waren zijn redding.'”
Dus de moslims zouden rellen begonnen zijn speciaal om BJP-leider Modi te helpen? Want laat er geen twijfel over bestaan dat het begin van de rellen moslimwerk was: “De rellen begonnen toen moslims, die eerder in het station belaagd waren door hindoes, twee wagons met hindoeactivisten in brand staken. Daarbij kwamen 59 hindoes om, onder wie vrouwen en kinderen.”het begin van de Geallieerde “agressie tegen Europa” op 6 juni 1944 in Normandië
Dat die moslims in het station van Godhra “belaagd” werden, is zo een van die leugens die van het begin verspreid (en overgenomen) zijn om de moslimactie goed te praten, maar voor de rechtbank geen stand hielden. In ieder geval zijn zij niet vermoord: de eerste slachtoffers van de rellen waren 59 hindoes, meestal vrouwen en kinderen. In Indiase treinen bestaan namelijk vrouwenwagons, en die werden door de brandstichters aangestoken. Stel het je maar eens voor: godsdienstrellen met 59 doden uit één gemeenschap. Op dat ogenblik waren er bij de slachtoffers 100% hindoes en 0% moslims.
Naar de rellen in Gujarat in 2002 wordt altijd verwezen als naar een Tweede Wereldoorlog die begint met de Geallieerde “agressie tegen Europa” op 6 juni 1944 in Normandië. Het begin wordt buiten beeld gehouden; pas wanneer de hindoes op hun beurt in actie komen, gaan de lichten aan.
De rellen
Dit is hoe de hindoes tot de daad overgingen: “Modi gaf toestemming de lichamen naar Ahmedabad te brengen, waar een processie werd gehouden. Onmiddellijk braken rellen uit. Hindoe-menigten werden opgezweept door activisten van de radicale organisatie Rastriya Swayamsevak Sangh (RSS), die net als Modi's BJP wordt geïnspireerd door het ‘hindutva'-gedachtegoed: het idee dat India in de eerste plaats bestemd is voor hindoes. Modi was zijn carrière bij de RSS begonnen.”
De RSS is in de eerste plaats de grootste NGO ter wereld. Onder de Indiase bevolking (niet bij de media) is zij vooral bekend om haar hulpverlening bij natuurrampen. Bij de tsunami verschenen ook in onze kranten foto’s met tentenkampen waarop een geoefend oog RSS-opschriften in het Hindi kon herkennen, hoewel de kranten daar natuurlijk niet de aandacht van de onwetende lezer op trokken. Van kleinsaf leert men er stokvechten, en met wat gemanipuleerde foto’s wordt dit dan spoedig “’s werelds grootste privé-militie”. Narendra Modi heeft echter nog nooit een vlieg kwaad gedaan; indien wel, dan had het immers op de één van de Times of India gestaan.
De volgende dagen vielen een duizendtal doden. Linkse organizaties hebben het over “minstens tweeduizend”, maar de cijfers zijn officieel, en door het systeem van financiële compensatie voor de nabestaanden van godsdienstrellen zeker niet te laag geschat (want dat zou betekenen dat een treurende familie zich niet meldt en de compensatie links laat liggen). De BJP wou, naar verluidt, wraak: “‘Ik was in het station in Ahmedabad toen daar de aangevallen trein binnenliep', vertelt McNair. ‘Op het perron stonden hoge BJP-leden. ‘‘Vrees niet'', zeiden ze tegen de geschokte hindoes, ‘‘morgen zullen de moslims vermoord worden.'' Modi had hen kunnen stoppen. Dat deed hij niet.'”
Het zou natuurlijk kunnen: de BJP, van wie geen woord kritiek op de islam geciteerd kan worden, laat de gewone hindoes hun wraak op de moslimgemeenschap, van wie (of van sommige van wier leden) de moorddadigheid bewezen was, koelen. Wij hebben nog nooit een moslim een haar gekrenkt, maar wij houden dan ook de islam tegen het licht. Omgekeerd zullen mensen die nooit de islam bekritiseren, gemakkelijker tot geweld tegen moslims overgaan. Gujaratis zijn meestal met een flinke dosis Mahatma Gandhi (ook een Gujarati) grootgebracht, ze zijn daar héél geweldloos, tot het eens te veel wordt, en dan gaan ze echt wild te keer.
Dat Modi niets deed om te gemoederen te bedaren, is wel de gemene wijsheid, maar is uit de rechtszaken tegen hem niet gebleken. Hij liet er zelfs het leger bijhalen, dat toen eigenlijk bij de grens lag na de Pakistaanse inval in 1999, om de orde te handhaven. Sedert de zaak met Jurgen Ceder in juli 2012 (voor een feit uit 1984 tweemaal vrijgesproken, maar nu toch door De Morgen en Knack als schuldig behandeld) weten wij dat onze kranten zich het recht voorbehouden om gerechtelijke uitspraken terzijde te schuiven en zelf fatwa’s uit te spreken. Inzake Modi dus insgelijks.
En met succes. Modi’s critici hebben gedaan gekregen dat het Amerikaans congres aan Modi een visum geweigerd heeft toen hij naar de VS uitgenodigd was om over het economisch welslagen van zijn deelstaat te vertellen. Het heeft hem niet belet om met zijn economisch mirakel de voorpagina van Time (26 maart 2012) te halen.
Ontwikkeling
De rellen zouden Modi van pas gekomen zijn: “Enkele maanden later behaalde Modi een overweldigende verkiezingsoverwinning. In zijn speeches waarschuwde hij voor de polygamie en de grote gezinnen van moslims. Ook de verkiezingen van 2007 won hij overtuigend met zijn anti-moslimretoriek.”
Wij hebben van die retoriek niets zelf gehoord, en de DS-redactie nog minder. Hoewel er reden is om de bron te wantrouwen, zullen wij van het beweerde voorlopig uitgaan. Het is natuurlijk een bewezen feit dat het geboortecijfer bij moslims hoger ligt, zoals volkstelling op volkstelling bevestigt; dat zij in India wel en niet-moslims niet het recht tot veelwijverij hebben; en dat deze rechtsongelijkheid eigenlijk onverzoenbaar is met het beweerd seculiere karakter van de Indiase staat. De anonieme getuige kan Modi dus niet van leugens beschuldigen; daar is het hem trouwens niet om te doen. Maar een verkiezingsrede is misschien niet de beste plaats om deze waarheden te formuleren, suggereert hij.
De stemming na de rellen herinneren we ons zeer goed: de media waren intens anti-Modi, maar ook erg anti-Gujarati tout court. Mogelijk stemden de Gujaratis toen met klemtoon voor Modi om een vuist te maken voor hun deelstaat.
Inmiddels ging Modi gewoon door met de opbouw van Gujarat: “Sindsdien heeft Modi gewerkt aan een nieuw imago: van ‘Mr. Death' werd hij ‘Mr. Development'. Hij opende speciale economische zones waar bedrijven floreren. En met zijn autoritaire regeerstijl rekende hij af met al te corrupte ambtenaren en politici.”
Kijk, kijk, het is weer niet goed: zeldzaam zijn de politieke leiders die echt tegen de corruptie optreden, hoewel die kwaal aan de gewone man dagdagelijks de grootste ellende bezorgt. Maar als iemand het dan toch doet, heet hij opeens “autoritair”.
“Maar Modi's economische resultaten liggen onder vuur. Hoewel Gujarat de afgelopen jaren de Indiase nummer één was in banengroei, is het de enige staat waar de kwaliteit van de gezondheidszorg, de toegang tot onderwijs en de geletterdheid dalen.”
Dit is pure onzin, een niet eens subtiele leugen. Alle welzijnsstatistieken voor Gujarat zijn zeer gunstig. Geletterdheid in Gujarat bedraagt 69% tegen 61% in heel India. Er is 1 dokter per 1250 inwoners. Speciale programma’s tegen perinatale sterfte hebben dit probleem in vergelijking met de rest van India ver teruggedrongen.
Getuige vermoord
Nog volgens onze pseudonieme journalist: “Het laatste jaar onthield Modi zich van moslimvijandige uitspraken. Hij liet zich filmen tijdens bezoeken aan moskeeën en soefi-tombes. Maar toch zijn z'n kaarten nog niet geschud: deze zomer werd zijn vertrouweling Maya Kodnani tot 28 jaar cel veroordeeld wegens haar aandeel in de rellen. En velen vragen zich af of Modi op de avond van de treinbrand deelnam aan de cruciale vergadering waar beslist werd om wraakzuchtige hindoes vrij baan te geven. Haren Pandya, een minister die daarover in 2002 getuigde, werd in 2003 vermoord.”
Inderdaad, Modi is één van die politici die het nodig vinden de moslims wat stroop om de baard te smeren. De veroordeling van zijn vertrouwelinge bewijst juist dat het gerecht niet op de hand van Modi is, en versterkt het gewicht van het feit dat hij nog steeds niet veroordeeld is, dus dat de beschuldigingen van de media vals zijn. Haren Pandya was sinds lang tevoren een politieke vijand (maar partijgenoot) van Modi. Het onderzoek naar zijn moordenaars heeft echter niets opgeleverd: alle verdachten zijn vrijgesproken. Het spoor naar Modi bestaat enkel in de gretige verbeelding van de pseudonieme journalist, het was in de rechtbank zelfs niet aan de orde.
Modi populair
Het valt niet te ontkennen, Modi is populair: “Uit een recente opiniepeiling verkoos 83 procent van de ondervraagden Narendra Modi als premier. Maar het is niet zeker dat zijn populariteit standhoudt als zijn Mr. Death-imago in de campagne opduikt.”
Dat “Mr. Death”-imago wordt dag in dag uit in de media uitgespeeld; daar bestaat er gewoon geen ander. Hoe dat dan nu die grote meerderheid kan ombuigen, zal een raadsel blijven.
De meeste lezers weten niet genoeg van India om dit artikel in indologisch opzicht te kunnen beoordelen; dat geldt trouwens ook voor de voltallige Standaard-redactie. Maar het is zeer wel mogelijk om het journalistiek te beoordelen. De enige bron is een anonieme getuige van wie we wel weten dat hij openlijk partijdig is en namelijk campagne voert tegen Modi. Het beginsel van woord en wederwoord wordt volledig met voeten getreden. Het sluit ook totaal niet aan op de actualiteit: het artikel gaat vooral over rellen van meer dan 10 jaar geleden (28 februari 2002), terwijl het nieuws is dat Modi in december 2012 de verkiezingen zeer overtuigend en voor de vierde keer gewonnen heeft. Het is weer een nieuw dieptepunt in de verloedering van onze “kwaliteitskranten”.
donderdag 18 mei 2023
Wat nu met de islamwereld?
(Doorbraak, 11 mei 2023)
De Nederlandstalige uitgave van het boek Islam. Bloeiperiode en Hedendaagse Crisis in de Moslimwereld van Ahmet Kuru, professor Politologie in San Diego State University, was voor uitgever Ertsberg aanleiding tot een debat in een lokaal van de Universiteit Antwerpen. Aanwezig waren de meeste Antwerpse docenten en studenten in de godsdienstwetenschappen, en onvermijdelijk ook rector Herman Van Goethem. Debaters waren politiek veteranen Dyab Abou Jahjah (Euro-Arabische Liga, Resist, Moslim-Democratische Partij) en Meryem Almaci (Groen), gemodereerd door David Geens. Moraalfilosoof prof. Patrick Loobuyck, die een inleiding had moeten geven namens het vrijzinnige Centrum Pieter Gillis, mede-organisator, werd vervangen door jurist prof. Koen De Feyter. In zijn inleidend woord schetste deze de probleemstelling dat de vooruitgang in moslimlanden geblokkeerd wordt door een verbond tussen militaire regimes en de conservatieve clerus, en bevorderd door het zakenmilieu en individuele vrijdenkers.
Kuru is best een jofele kerel. Hij heeft al zeker de verdienste dat hij in Pakistan niet welkom was wegens zijn kritiek op de draconische godslasteringswetten aldaar. Hij schroomt zich niet om wantoestanden aan te kaarten, maar houdt onopvallend de islam zelf buiten de vuurlijn.
In zijn rede stelt Kuru vast dat in alle parameters voor ontwikkeling (economische output, geletterdheid, scholingsgraad, levensduur), de 49 staten van de islamwereld het samen beduidend slechter doen dan het wereldgemiddelde. Hij erkent dat er verschillende verklaringen bestaan. Dat hij de “essentialistische” verklaring, namelijk dat het door de islam komt, terloops in één zin wegwuift, leverde hem bij dit publiek goedkeurend gemompel op. Van een deskundige in hedendaagse politiek moeten we wellicht niet verwachten dat hij ook nog islamdeskundig is, maar dat kunnen we dan wel beter beseffen: geen enkele van de sprekers op deze avond had het over het islamitisch leerstelsel, allemaal hadden ze het over de moslims. Moslims zijn de resultante van een combinatie tussen de vrij eenduidige islamleer en de uiterst veelvormige mensensoort, moeilijk vast te pinnen.
Dat gezegd zijnde, laat ons gewoon kijken welke boodschappen de wereld hier ingestuurd werden. De door De Feyter al aan de orde gestelde verstrengeling van de rechtgelovige islamgeleerden met de militaire regimes is geen wezenskenmerk van de islamwereld: vóór 1050 hielden de meeste denkers en geleerden zich verre van verstrengeling met het regime. Er was ook veel minder discriminatie tegen niet-moslims: een hospitaal dat in 9de-eeuws Bagdad openging telde joden en christenen onder zijn dokters en patiënten, een hospitaal in 14de-eeuws Caïro sloot ze volledig uit.
Hoewel, onder de voorbeelden die Kuru gaf merkte ik Al-Biruni op, de eerste indoloog, die rond 1010 tot de hofhouding van militair agressor Mahmud Ghaznavi behoorde. Kuru steekt de schuld voor de verschuiving naar een verbond tussen de islamgeleerden en militaire regimes op buitenlandse invallers: de Mongolen, de Kruisvaarders en Timur. In feite kwamen zij allen later, de Mongolen zelfs twee eeuwen laten; en Šujauddin Timur, hoewel vijand van de Ottomanen, was zelf moslim. De verschuiving naar een theocratisch systeem wordt vaak vereenzelvigd met Ahmad Ibn Taimijja, die rond 1300 optrad, nadat de Mongolen het Abbasidisch kalifaat verwoest hadden. Maar als blokkering van het vrij onderzoek, als onderwerping van het denken aan het geloof, dateert het al van Mohammed al-Ghazali, begin 12de eeuw, wiens strijdschrift De Onsamenhangendheid van de Wijsbegeerte de anti-intellectuele richting vertegenwoordigde die voortaan de islamcultuur zou kenmerken.
Soit, voer voor historici. Veel algemener bekend is het effect van de galopperende vooruitgang van Europa sinds de Renaissance. Men vergelijke maar het verschillend verloop van de boekdrukkunst, een uit China afkomstige technologie die ook in de moslimwereld bekend was maar daar nooit de buitengewoon stimulerende rol kon spelen die Europa in enkele eeuwen tot wereldmacht zou katapulteren. Het is sindsdien de grote frustratie van moslims dat de hun door Allah beloofde wereldheerschappij bij anderen terecht gekomen is. Ook na de dekolonisering blijven dat de verhoudingen: creativiteit en innovatie is een westers en nu ook van langsom meer een Aziatisch domein, maar de moslimwereld blijft louter verbruiker. Zelfs de welvarende en niet door burgeroorlogen geteisterde landen daarbinnen produceren geen Nobelprijswinnende inzichten of uitvindingen.
Kuru besluit dat “de islam niet de schuldige is”; en dat het kolonialisme ook niet de schuld is. Dat laatste punt is natuurlijk wel opmerkelijk en verdienstelijk: zelf verantwoordelijkheid nemen voor een probleem kan het begin zijn van een remedie. Hij stelt zich duidelijk buiten de islamistische tendens die alles op de ongelovigen steekt, maar ook buiten de linkse tendens die langdurige effecten of vermomde nieuwe vormen van het kolonialisme schuldig verklaart. Dezelfde nuchtere en vrijmoedige kijk op de problemen van de islamwereld vonden we tot onze tevredenheid ook bij de Vlaamse moslims.
Debat
Meryem Almaci was het er alvast mee eens: uitvluchten zoals “Europees kolonialisme” en “Amerikaans imperialisme” werken niet meer, de moslims moeten hun eigen demonen bezweren. Nostalgie heeft zijn plaats, TV-soaps over Ottomaanse geschiedenis zijn heel populair, meer de echte wereld is anders. Voor haar was “de Arabische lente een ogenblik van hoop, maar die is helaas mislukt”. Om deze vaststelling af te maken, moeten we ons natuurlijk afvragen waarom hij mislukt is. Bij alle goede bedoelingen en begrijpelijke verzuchtingen was er geen voorhoede met een duidelijk alternatief voor ogen, en nog minder een stappenplan om het te bereiken. Deels maakt het repressieve karakter van die samenlevingen het moeilijk om een oppositie te organiseren, maar vooral: de ideologische voedingsbodem ontbrak.
Zij stelde, samen met de andere sprekers, dat “de islamwereld eigenlijk niet bestaat”. Tja, er zijn verschillen, maar er is ook iets dat hem als eenheid definieert: de islam. Ik neem het moslims in een liberaal milieu niet kwalijk dat ze weinig oog hebben voor de gemeenschappelijke ervaring van de minderheden in alle moslimlanden, maar alleszins vertellen die een ander verhaal: al die landen hebben gemeen dat niet-moslims er, weliswaar in heel verschillende mate, wettelijk of feitelijk gediscrimineerd worden. Maar het is natuurlijk wel nuttig dat geboren moslims de indruk ontkrachten dat de islamwereld één groot zwart gat is.
Er beweegt daar juist veel. Zo wees Kuru erop dat volgens een peiling de meerderheid van de Iraniërs niet meer in de islam gelooft. Zijn grappige anekdote over een gerechtelijk vonnis in Indonesië dat de hoofddoek goedkeurt met het argument dat hij meisjes tegen de muggen beschermt, is ook tekenend voor een tendens onder (zelfs traditionalistische) moslims om puur Koranische door seculier-klinkende overwegingen te vervangen. Abou Jahjah is naar eigen zeggen zelf een voorbeeld van een “cultureel moslim”, dus qua overtuiging een ex-moslim agnosticus, en hij zegt dat ook openlijk aan zijn moslimstudenten. Zowel in het hartland als in de diaspora is de islam aan een erosie onderhevig, met mogelijk een zelfde toekomst als het christendom dat deze fase eerder al doorgemaakt heeft. Toch wijst hij erop dat hij hier een terugkeer van de radicaliseringstendens onder jongeren ontwaart, en dat zij niets moeten hebben van bemoeizieke deradicaliseringsambtenaren.
Meryem Almaci noemt zich wel nog moslim, zelfs “méér moslim geworden na 9/11”. Ze doet moeite om de islam uit de wind te zetten, bijvoorbeeld door te beklemtonen dat het Ba’ath-regime in Syrië niet islamitisch is. Kuru’s geschiedkundige beschouwingen waren ook voor haar interessant, want de meeste nieuwkomers kennen de geschiedenis nauwelijks, hoewel ze de actualiteit zeer alert volgen. Of er nu één islam bestaat, er bestaan alleszins veel duidingen over wat het betekent om moslim te zijn: “Ik kom van nabij Konya, de stad van de Draaiende Derwisjen”, en dat is natuurlijk een sympathiekere islam dan die van de ayatollahs. Ze gelooft dan ook in de verdraagzame duiding van het Koranvers: “Er is geen dwang in religie.” Vele moslims hebben bijvoorbeeld moeite met de bedevaart naar Mekka, want met het Saoedische bewind. Het ligt moeilijk, ook binnen families.
Abou Jahjah bevestigt dat de islam weliswaar een rol speelt, maar dat het toch ook ingewikkelder ligt. Het zijn seculier-nationalisten die autoritaire staten gesticht hebben en juist zij gooiden opponenten in het gevang, vaak precies de islamisten. Maar van de weeromstuit pleiten voor islamitische regimes doet hij dus niet: “secularisering, democratisering” zijn de weg vooruit. Besef echter wel dat diezelfde weg vooruit in Europa enkele eeuwen strijd gekost heeft. Tegenwoordig gaan de dingen sneller, dus wie weet? Alleszins is er niets intrinsiek anti-democratisch aan de betrokken bevolkingen, die na de Ottomaanse periode aanvankelijk voor grondwettige monarchieën kozen (de formule die in Jordanië stand gehouden heeft). Of zoals Meryem Almaci het optimistisch formuleert: Verlichting is er altijd geweest, maar ze werd onderdrukt.
Best leuk om mensen uit de moslimwereld zo vrijmoedig over die moslimwereld te horen kozen. Grote hindernis in het islamdebat in Europa zijn de westerlingen die islamkritische opmerkingen taboe verklaren en actief uitsluiten. Die zaten hier ook bij maar mochten deze keer hun mond houden.
zaterdag 4 maart 2023
Twee voorzaten in het herstel van de democratie
(Doorbraak, 29 december 2022)
Vaders geven hun kinderen vaak een voornaam die hun eigen idealen uitdrukt, ofwel door zijn woordafleidkundige betekenis, ofwel door zijn associatie met een persoon die die idealen belichaamt. Mijn vader zaliger was een politiek geïnteresseerde katholiek (gelijk ze ze niet meer maken), en hij noemde mij naar een destijds vooraanstaand katholiek politicus: Konrad Adenauer. Aan hem was de zware maar eervolle taak toegevallen, Duitsland na de nachtmerrie van het goddeloze nationaalsocialisme weer bij het concert der beschaafde naties te voegen.
Hij zal allicht niet geweten hebben dat die naam op nog een andere manier naar het herstel van de democratie verwijst. De letterlijke vertaling van “Koenraad” in het klassiek Grieks is Thrasuboulos (verlatijnst: Thrasybulus), de samenstelling van thrasus, “koen”, en boulè, “raad”. En het wil zo lukken dat dat de naam was van een belangrijk personage in de wisselvallige geschiedenis van de nog prille democratie.
(Doorbraak, 29 december 2022)
42.1. Tegen de Tirannen
Nu de democratie het niet zo goed doet, is het tijd om één van de voorvechters van de oorspronkelijke democratie in het licht te zetten: Thrasuboulos.
Thrasuboulos (Latijn: Thrasybulus) leefde van ongeveer -440 to -388, meestendeels in Athene. Dat was een tijd van strijd tussen de pro- en anti-democratische kampen in zijn stad. Toen de oligarchische partij in -411 een staatsgreep gepleegd had, kozen de pro-democratische zeelui hem tot generaal, en zo werd hij een verzetsleider tegen de staatsgreep. Ze slaagden in hun opzet, en hij werd lid van het nieuwe bewind. In die hoedanigheid riep hij de bekende Alkibiades, nochtans een edelman, terug uit ballingschap, en samen behaalden ze enkele militaire overwinningen.
Maar de Peloponesische oorlog tegen het formidabele Sparta eindigde in -404 met de nederlaag. De Spartanen drongen de Atheners een niet-democratisch bewind op, bekend als de Dertig Tirannen, die een jaar aan de macht zouden blijven. Zij stonden onder leiding van een oud-leerling van Sokrates, Kritias, die om zijn wreedheid door geschiedkundigen gekenmerkt is als “de eerste Robespierre”. Om nog een parallel met de Franse Revolutie te trekken: Kritias veroordeelde niet alleen tegenstanders maar ook enkele van zijn aanvankelijke medestanders tot de toenmalige guillotine: de gifbeker.
Sokrates zelf mocht onverontrust in de stad blijven, wat bijdroeg tot zijn reputatie van collaborateur van de Dertig. (Er wordt beweerd dat dat onrechtstreeks zelfs tot zijn latere terechtstelling bijdroeg: door een verzoeningsbeleid tegenover de collaborateurs van de afgezette Tirannen kon Sokrates slechts via een omweg getroffen worden, dus vandaar de wat willekeurige beschuldiging van godslastering.) Nochtans wekte Sokrates de gramschap van de Dertig op toen hij weigerde om de zeer geëerbiedigde figuur Leon van Salamis te gaan optrommelen voor een verhoor dat, opgezet spel, op diens terechtstelling zou uitdraaien. Hijzelf zei achteraf dat hij toen slechts overleefde doordat de dictatuur spoedig daarna ten val kwam.
Thrasuboulos kwam er iets goedkoper vanaf dan Leon: hij werd verbannen. Maar reeds in -403 slaagde hij erin om in ballingschap een leger te verzamelen en de Dertig af te zetten. In naam van de verzoening gaf hij amnestie aan allen die de Dertig gesteund hadden. Niet aan de Tirannen zelf, maar ook die kwamen er doorgaans levend vanaf door te vluchten. Zijn verzoeningsbeleid waarborgde het herstel van de stabiliteit zodat Athene tot aan de Romeinse verovering (meestal) een democratie bleef.
Onder de democraten gold hij als radicaal, meer dan de bevolking zelf, en hij steunde ook het democratische kamp in cliëntsteden als Samos. Hij bepleitte een ruimhartige nationaliteitspolitiek met naturalisering van de allochtonen (metoïken, métèque) en die vreemdelingen die hem bij de bevrijding van Athene geholpen hadden. In zijn militair beleid was hij goed maar niet volmaakt; zijn prestige en politieke status gingen op en neer als gevolg van overwinningen en nederlagen. Zijn territoriale en geopolitieke aanwinsten ten nadele van Perzië gingen in het vredesverdrag van 392 verloren. Hij was allerminst een pacifist en eerder een imperialist. Een soort Ronald Reagan die voor het Vrije Westen de Koude Oorlog won maar het hulpeloze Grenada binnenviel en in de pas deed lopen.
Hij sneuvelde in -388 te velde, volgens sommige bronnen tijdens een zeeslag tegen Korinthe, volgens andere in zijn tent vermoord als wraak voor de misdragingen van zijn soldaten tegen de bevolking van het veroverde Aspendos. In dat geval stierf hij voor andermans zonden.
Overigens betekent thrasus “koen” en boulè “raad”. Nomen est omen, blijkbaar was ik toch een beetje voorbestemd om iets voor de democratie te doen. Niet het woord “democratie” tot iets absoluuts op te blazen of voor morele zelfverheerlijking te instrumentaliseren, zoals de middenmoot- en linkse partijen in Vlaanderen doen, wel er de grenzen van te erkennen maar ervoor te pleiten om ze binnen dat mogelijke toch onverkort te verwezenlijken. Onverkort, dat wil zeggen zonder de smoezen van de particratie of het despotisme, gewoon de rechtstreekse democratie zoals die door Thrasuboulos twee keer hersteld is.
42.2. Tegen het totalitarisme
De naamgeving “Koenraad” blijkt in alvast één historisch geval een inzet voor de democratie te voorspellen. De Koenraad naar wie ik genoemd ben, was Konrad Adenauer. Als politiek geëngageerd katholiek volgde mijn vader zaliger, blijkens zijn toenmalig dagboek, sterk de gebeurtenissen in Duitsland van na de oorlog. Hij en vele gelijkgezinden voelden zich in het gelijk gesteld toen het aan een katholieke voorman toeviel om het in de schande gestorte Duitse volk weer recht te helpen. Seculiere ideologieën zijn het probleem, het katholicisme de oplossing! Net als Thrasuboulos in Athene kreeg Adenauer de opdracht om de democratie te herstellen.
Zijn hele persona contrasteerde met de autoritair-nationalistische charismatische leiders van het interbellum. Die traden doorgaans aan als dynamische dertigers die eens gingen afrekenen met het oude decadente Bestel; “anti-conservatisme” was immers één van de drie “fascistische ontkenningen” (volgens Stanley Payne; het doodgezwegen broertje van anti-communisme en anti-liberalisme). Adenauer daarentegen (1876-1967) was een politiek veteraan: tenor van de katholieke Zentrumspartei, burgemeester van Keulen (1917-33) en voorzitter van de Pruisische staatsraad (1922-33, let op de einddatums). In 1946 werd hij als 70-jarige de eerste voorzitter van de mede door hem opgerichte Christlich-Demokratische Union, een ambt dat der Alte pas op zijn 90 zou neerleggen. In 1949-66 was hij de eerste kanselier van de Duitse Bondsrepubliek.
Terloops herbouwde hij zijn land van een ruïne tot een economische grootmacht (Wirtschaftswunder), maar zijn politiek belang was dat hij Duitsland verankerde in het zogenoemde Vrije Westen. Hij moest natuurlijk laveren tussen de Duitse belangen en de beperkingen die de grootmachten aan het verslagen Duitsland oplegde. De oppositie verweet hem dat hij de Westbindung boven de Duitse nationale belangen verkoos, met name door de van Sovjet-zijde aangeboden hereniging van een neutraal Duitsland af te wijzen. Hij stelde ideologische boven nationale belangen. In die tijd van strijd tegen de belangrijkste vijand, het communisme, was zijn deelname aan de Navo en zijn mede-oprichting van de Europese Gemeenschap als waarborg voor de (parlementaire) democratie goed verdedigbaar.
42.3. Verdinaso
Uit het dagboek dat mijn vader als student midden de jaren 1940 bijhield, blijkt dat hij bij het einde van de oorlog een snelle normalisering verhoopte, geen scherpslijperij zoals in Versailles 1919. Die had tot de volgende oorlog geleid, met voor zijn familie onaangename gevolgen (zijn broer overleefde als onderduiker, hijzelf werd tot een jaar arbeidsdienst in de Antwerpse dokken gedwongen), voor vele anderen natuurlijk veel erger. Hij wenste zoveel verzoening als in de omstandigheden mogelijk was. Dat was iets waarin gelovigen zich in de repressietijd vaak van de vrijzinnigen onderscheidden: wie bij de liberalen of socialisten als fout gebrandmerkt was, bleef levenslang in zijn statuut van schuldige gevangen, terwijl de christendemocraten hen na een ontluizingsperiode wel een tweede kans gaven, overeenkomstig de bij uitstek christelijke waarde van vergeving: na de penitentie, de absolutie.
Die repressie trof zijn familie uitdrukkelijk niet. Terwijl de katholieken sterk vertegenwoordigd waren in collaboratiekringen, was er ook een strekking die niets moest hebben van de autoritair-nationalistische bewegingen van het interbellum. Niet omdat zij zo rabiaat pro-democratisch waren, het gaat om gezagsgetrouwe katholieken die eerder vijandig stonden tegenover het republikeinse gedachtegoed; wel omdat zij ten eerste geen absolute antwoorden verwachtten vanwege een radicale politieke stroming (“de Kerk in het midden houden”) en zelfs vanwege de politiek überhaupt (bv. van de hertekening van landsgrenzen), en ten tweede omdat zij de toenmalige cultus van de Leider een vorm van afgoderij vonden. Zij hádden al een Leider, of alleszins een Gezagsbron, namelijk de onfeilbare paus.
Mijn vader vond die leiderscultus ook een beetje komisch. Opgroeiend in Antwerpen, en tijdens de zomervakanties vaak verblijvend bij familie aan de boskant in Sint-Job-in-‘t-Goor, vlakbij een trainingskamp van het Verbond van Dietse Nationaal-Solidaristen, zag hij hen vaak langsmarcheren. Hij hoorde soms hun gedweep met “de Leider!”, wat hij decennia nadien nog wat clownesk kon nabootsen. Om het effect van een naarstig scheefgetrokken beeldvorming over die periode te ondervangen, zullen we hier maar even verduidelijken dat “de Leider” niet Adolf Hitler beduidde (en de -naso in Verdinaso ook niet voor “nationaal-socialisten” stond, zoals ik meermalen in onze media heb horen “duiden”), wel de Vlaming Joris Van Severen.
Die was zoals de meeste toenmalige Vlamingen eveneens katholiek, en vatte zijn “solidarisme” trouwens op als een toepassing van de Sociale Leer van de Kerk: haar “harmoniemodel” (tegen de socialistische klassenstrijd, verketterd als een veruitwendiging van de afgunst) is niet hetzelfde als hebzucht maar vertaalt zich logisch als een vrijwillige, door het geweten gestuurde solidariteit. Van Severen liep echter mee met de toenmalige tijdsgeest van Leidersbeginsel, en die liet de Kerk aan zich voorbijgaan.
42.4. Stat Crux
Vandaag kennen we de Kerk als achternaloopster van ideologische modes, maar toen liet zij zich voor niemands kar spannen. Zij had toen nog zelfachting, en vriend zowel als vijand erkenden dat zij haar eigen agenda nastreefde: stat Crux dum volvitur terra (“het Kruis staat recht terwijl de wereld ronddraait”). Daarom liet zij in een encycliek aan Benito Mussolini weten: Non abbiamo bisogno (1931), “wij hebben (nog meer gegevens over de anti-Kerkse daden van het fascisme) niet nodig” (om de strijdigheid tussen de fascistische staatscultus en het christendom te onderkennen). En toen de Action Française het katholicisme als identiteitselement van de Franse natie wilde inschakelen, veroordeelde de Kerk haar (1926; haar krant kwam zelfs op de index). Dat was voor trouwe katholieken binnen de Franse cultuursfeer, dus ook in België, niet mis te verstaan.
Het seculiere nationalisme, zoals beleden door de militanten van het toen heersende bewind in Italië en Duitsland, stond minder vijandig tegenover het geloof dan het goddeloze communisme, maar wel ten hoogste onverschillig, en vaak ook minachtend: het was iets voor oude wijven (zoals Hitler in zijn Tischgespräche over het christendom zegt, terwijl hij in Mein Kampf de draak steekt met de nieuwheidense dromers), het had de vooruitgang opgehouden en leidde maar af van wat er echt toe deed, namelijk de opgang van de natie. Zeker een nuchtere edelgermaan gelooft liever in de menselijke kracht dan in dat voorbijgestreefde geloof.
Die afstand tegenover de godsdienst gold minder voor de autoritair-nationalistische bewegingen in Spanje, Roemenië, Kroatië, of inderdaad Vlaanderen. Maar veel katholieken vonden dat het element “nationalisme” of “nationale identiteit”, hoewel toen nog veel meer het dagelijks leven bepalend dan nu, niet zulke nadruk verdiende. Zij waren immers katholiek, “universeel”, en gingen er prat op dat je van Manila tot Saõ Paolo (waar mijn nonkel pater werkte) en van Rome tot Antwerpen identiek dezelfde Latijnse Mis kon bijwonen.
Er valt iets te zeggen voor het belang van het natiegevoel binnen het functioneren van democratische instellingen. Maar het moet altijd ondergeschikt blijven aan wat er werkelijk toe doet, aan wat men tegenwoordige “universele waarden” noemt. In post-katholieke vorm, nu de geloofswaarheden voor ons geen waarheden meer zijn, blijft die houding de juiste, evengoed voor latere generaties. Welke waarheden de tand des tijds blijven doorstaan nu de “Kerk van twintig eeuwen” haar einde nadert, is dan weer een ander verhaal.
42.5. Besluit
Eén van die betrekkelijke waarden, allicht niet de hoogste op de ladder maar echt wel geldig, is dat het bestuur teruggekoppeld moet worden naar haar gevolgen voor de bestuurden. Laat dezen beslissen over het bestuur waarvan zij de gevolgen dragen. De inzichten nodig voor een wijs en doeltreffend bestuur zijn evenzeer onder de massa verspreid als bij elke zelfbenoemde elite. Daarom moeten we kiezen voor een niet-aanmatigende maar wel daadwerkelijke volkssoevereiniteit. Ze is maar wat ze is, maar ze slaagt doorgaans waar wonderformules al spoedig blijken te falen. Daarom: leve het volk!
zondag 12 februari 2023
Wat de moord op de Mahatma teweegbracht
(Doorbraak, 30 jan. 2023)
Op 30 januari om 17u5 Indiase tijd troffen drie kogels uit het geweer van Nathurām Godse de legendarische leider Mahatma Gandhi. Hij gaf een pijnlijke kreun (nee, geen "hé Rām", in de Gandhi-film vertaald als "oh my God") en zeeg neer. Over die moord en haar beweegredenen handelde mijn boek De Moord op de Mahatma (Davidsfonds 1998), heruitgegeven onder de neutrale titel Mahatma Gandhi (Aspekt 2009). Ik werd er op de ochtend van 30 januari 1998 voor uitgenodigd naar de studio van zowel het radio- als het TV-nieuws van de VRT, maar door beide in de loop van de dag gedesinviteerd. Over die cancel culture gaat het hier echter niet, wel over de gevolgen op lange termijn van de moord.
Zoals bij de moord op JF Kennedy was er meteen ruimte voor samenzweringstheorieën, met name dat er juist dan uit een ander geweer een vierde kogel gekomen zou zijn. Was premier Jawaharlal Nehru de onzichtbare hand geweest? Hij zou op korte en lange termijn immers de grote winnaar van deze episode worden. Ook andere schuldigen aan die vierde kogel zijn genoemd, maar het verhaal is weinig plausibel. Alleszins eiste Godse in zijn pleitrede fier de alleenverantwoordelijkheid op, terwijl enkele medeplichtigen met consistente getuigenissen zijn versie verder geloofwaardig maakten.
Godse behoorde tot de Chitpavan-brahmaanse kaste, net zoals de Peshwa's, de vorsten van het laatste grote hindoe-rijk dat in 1818 door de Britten uitgeschakeld was. Zij hadden belangrijke leiders van de antikoloniale strijd geleverd: MG Ranade, GK Gokhale, BG Tilak, VD Sāvarkar, Vinoba Bhave. Godse zelf was hoofdredacteur van een hindoe-gezinde krant in Pune. Hij was een asceet en gezworen celibatair en had al enkele opgemerkte acties geleid, ondermeer tegen de verdrukking van de hindoes in de prinselijke staat Hyderabad door de plaatselijke moslimvorst; maar ook tegen de aloude instelling van de Onaanraakbaarheid, een kaste-discriminatie die voor de hindoe-nationalisten met hun ideaal van nationale eenheid slechts een blok aan het been was. Hij behoorde immers tot de hervormingsgezinde vleugel van de nationale beweging, en daarin zat hij eerder op één lijn met Gandhi.
Zijn verdedigingsrede tijdens zijn proces was formeel een mislukking, want hij werd toch ter dood veroordeeld. Zijn rekwisitoor tegen Gandhi bleek echter erg overtuigend. Volgens de rechter was de gerechtszaal muisstil na het beëindigen van de rede, en zou het publiek desgevraagd voor een vrijspraak gestemd hebben. De regering liet de tekst dan ook prompt verbieden, het was pas twintig jaar later dat zijn broer Gopal Godse, de toen pas vrijgekomen medeplichtige aan de moord, hem kon laten uitgeven.
Zoals ik in mijn boek over deze moord en de beweegredenen ertoe heb aangetoond, was zijn kritiek op Gandhi redelijk gelijklopend met die van anderen die de Mahatma gekend hadden. Hij was wel radicaler in zijn veroordeling van Gandhi's aandeel in de Splitsing van India met haar naar schatting 2 miljoen dodelijke en ettelijke miljoenen andere slachtoffers, een merkwaardig palmares voor een apostel van de geweldloosheid. Gandhi had zich tegen de Splitsing verzet tot juni 1947, maar was dan, in het zog van de andere Congres-politici, overstag gegaan zonder zelfs maar een poging om tegen de Moslim-Liga zijn beproefde wapen van de chantage via een vasten totterdood te gebruiken.
Hij had het splitsingsscenario, toen dat nog hypothetisch was, ook veel grimmiger gemaakt dan nodig. De realistische dr. BR Ambedkar had het idee van een politieke scheiding van hindoes en moslims aanvaard en dienovereenkomstig een plan voor een ordelijke Splitsing uitgetekend, inbegrepen een volledige bevolkingsruil onder toezicht van het leger. Dat zou de meeste moordpartijen hebben kunnen voorkomen, inbegrepen alle nog te komen religieus geweld in de religieus gemengd gebleven opvolgerstaten (eenzijdig anti-minderheden in Pakistan, tweezijdig in India). Maar Gandhi met al zijn gezag had zijn veto daartegen gesteld.
Gandhi's positie was in zoverre uniek dat zijn standpunt geacht werd, het verschil te kunnen maken. Zijn belofte dat de Splitsing slechts over zijn lijk zou plaatsvinden, had de hindoes in de voor Pakistan bestemde gebieden overhaald om te blijven waar ze thuis waren, in wat nu een slachthuis zou worden. Deze mensen, die op hem gerekend hadden, had hij bedrogen en in de steek gelaten. Hij had het nog erger gemaakt met zijn ook weer unieke raadgeving aan de vluchtelingen om naar Pakistan terug te keren en zich te laten afslachten. (Weten zijn fans dat wel?)
Maar of daaruit een doodstraf volgde die Godse buitengerechtelijk voltrokken had, was nog maar de vraag. Het morele argument tegen moord ligt voor de hand, maar hij had zich ook enkele strategische bedenkingen kunnen maken. Met de moord sloeg hij immers spectaculair zijn eigen ruiten in.
Het eerste gevolg stond al vast zodra de moord bekend gemaakt werd. Behalve in de ogen van de rechtstreekse slachtoffers van de Splitsing werd Gandhi een heilige, "onaanraakbaar" voor elke kritiek. Na zijn mislukte "Quit India"-agitatie in 1942 was zijn ster tanende en had hij in de onafhankelijkheidsstrijd geen rol meer gespeeld, maar door de moord werd hij onsterfelijk. De wet van de onbedoelde gevolgen in actie.
De volgende dagen vond een grote pogrom op zijn eigen kaste plaats. In het officiële relaas wordt altijd doodgezwegen hoe ook in naam van Gandhi gemoord kon worden. In de politieverslagen is door de overheid toen grote schoonmaak gehouden, dus het echte dodencijfer is moeilijk te achterhalen. Er circuleren schattingen van achtduizend doden, maar we weten het gewoon niet. Deze pogrom was zeer gelijkaardig aan die op de sikh-gemeenschap in 1984, uit wraak voor de moord op premier Indira Gandhi door een sikh-lijfwacht. (Voor wie vragen heeft bij haar familienaam: zij was Nehru's dochter maar droeg de familienaam van haar man, een parsi genaamd Feroze Ghandy, door haar omgespeld om in het aureool van de Mahatma te delen.)
Er waren twee politieke gevolgen, of eigenlijk drie. Ten eerste werd binnen de Congrespartij de toen nog omstreden positie van de socialist Nehru enorm versterkt, tegen de grote conservatieve meerderheid van de partij in. Het premierschap van Nehru was trouwens ook één van Gandhi's wapenfeiten, en zijn enorme geopolitieke en economische beschadiging van India (lang verhaal) mag dus mee op Gandhi's kerfstok. Toen vóór de onafhankelijkheid een commissie van Congresprominenten de kandidaat-premier verkoos, stemden 12 op de 15 voor Sardar Vallabhbhai Patel, bij drie onthoudingen. Gandhi, die van zijn minachting voor de democratie nooit een geheim gemaakt had, gebruikte zijn gezag om op Patel in te praten zodat die zijn kandidatuur introk. En zo toonde Nehru hoe je met nul stemmen een verkiezing kan winnen.
Ten tweede marginaliseerde hij zijn eigen politieke beweging. Het hindoe-nationalisme had na de Splitsing, waartegen zij zich altijd verzet had en waarvan zij de gruwelen juist ingeschat bleek te hebben, enorm de wind in de zeilen. Realistisch had zij tegen de verkiezingen van 1962 aan de macht kunnen komen. Die hoop werd nu volkomen de grond in geboord. Haar kantoren werden gesloten en vele ambtsdragers voor lang de gevangenis ingedraaid. Alles was te herbeginnen, en een groot deel van het kiespubliek was voortaan immuun voor "de moordenaars van de Mahatma".
Ten derde, en veel minder beseft (ook niet in India), is dat de moord de politieke hindoe-beweging veel minder hindoe zou maken. Bijna alle studies van deze beweging zijn hopeloos anachronistisch en citeren haar teksten uit de jaren 1920-1947 alsof deze haar beleid van vandaag zouden verklaren. Toen haar jongste incarnatie, de BJP of Indiase Volkspartij, uiteindelijk dan toch de verkiezingen won (1996: voor dertien dagen; 1998-2004: in coalitie; 2014-heden: alleen en met comfortable meerderheid), had zij nauwelijks nog een hindoe agenda. Twee beperkt pro-hindoe maatregelen, de regularisatie van religieuze vluchtelingen uit de islamitische buurlanden en de normalisering van het statuut van de overwegend islamitische deelstaat Kasjmir, zijn tot nu toe louter formeel gebleken, zonder uitvoering op het terrein. Maar er is geen enkele nieuwe wet of nieuw beleid dat de door Nehru en Indira ingestelde discriminaties tegen de hindoes ongedaan maakt. De BJP gaat er zelfs prat op dat zij de Congrespartij overtreft in haar aloude appeasement van de minderheden. Met de hindoe-beweging van vóór de moord was dat ondenkbaar geweest.
Voor wie dit allemaal te ver van zijn bed vindt: vergelijk het met het effect van een andere erfzonde op de Vlaamse beweging. Hoeveel verder zou die niet gestaan hebben als een belangrijk deel ervan destijds niet... Het verschil in India is echter dat het hier ging om de daad van één man (met een handvol medeplichtigen), die ten onrechte afstraalde op een hele politieke stroming.
Vraaggesprek met yogaleraar Paul Meirsman
(Tijdschrift van de Yogafederatie van de Nederlandstaligen in België, eind 2022)
Paul Meirsman is een yogalerarentrainer die eerst in Brussel (2010-2014), nu in Gent (2014-heden) opleidingen geeft tot yogaleerkracht volgens het onderwijs van T.K.V. Deśikācār, door wie hij na een accreditatiestage te Piesendorf, Oostenrijk (2009) erkend is geworden. Zijn Yogaschool Gent, formeel Yogaśāntiḥ, is bereikbaar via www.yogagent.be. Het is ook in zijn thuisstad Gent dat we hem ontmoeten.
Tussen 2010 en 2014 zijn in het Tijdschrift voor Yoga acht artikels van zijn hand verschenen over de technische beginselen van āsana. In 2019 verscheen de Nederlandstalige versie van de vertaling en commentaar van Frans Moors op de Yoga-Sūtra van Patañjali (verkrijgbaar in de boekhandel). In wezen bevat dat boek de visie van Tirumalai Kṛṣṇamācārya Venkata (TKV) Deśikācār, van wie Frans Moors een langetermijnleerling was. In de pijplijn zitten nog meer boeken geïnspireerd door Deśikācārs onderricht, met name over de reeds genoemde technische beginselen van de yoga- en āsanapraktijk, alsook over die van prāṇāyāma, en later nog de analyses van een vijftigtal āsana’s, en misschien nog later een lijvige maar toegankelijke woord-per-woord en grammaticale vertaling van en commentaar op de Yoga-Sūtra.
Wat is je vroegste relevante herinnering?
Ik ben in een gesloten katholieke omgeving opgegroeid. Het is merkwaardig genoeg het blad Kerk & Leven dat mij tot afkeer van het geloof gebracht heeft. Daar heb ik tot mijn 35 mee geworsteld, later echter teruggevonden dankzij de beoefening van Vipassanā. Het eerste dat ik over yoga hoorde was tijdens de hogere humaniora in een voordracht door een medeleerling, zittend op de lerarentafel in kleermakerszit en gehuld in een wit laken.
Hoe ben je tot yoga gekomen?
Een dokter raadde mij yoga aan wegens mijn stressgevoeligheid-avant-la-lettre. Zes jaar later – ik was zo een 35, het was het wonderjaar 1989 - nam een vriendin mij mee naar de yogales bij Hélène Spileers, leerlinge van André Van Lysebeth. Na de eerst les had ik overal pijn en was ik zo stijf als een berd (plank). Ik vroeg mij af wat er met mij scheelde. Dan volgden de leraren Brigitte Cocquyt, Piet Meyvaert, Eric Gomes, Alberto Paganini en Nicole Leliaert. Dat was niet ‘shoppen’, wel zoeken.
Een eerste ingrijpende opleiding volgde ik bij Johan De Backer in het nabije Sleidinge (1996-2002), waar ik het getuigschrift van yogaleraar behaalde. Inmiddels had ik in 2001 in het Limburgse Dilsen-Stokkem de boeddhistische vipassanā-meditatie ontdekt, zoals onderwezen door S.N. Goenka (India). Dat is een techniek verenigbaar met wat Patañjali leert in zijn Yoga-Sūtra, of wat S.N. Tandon “inzichtsmeditatie” genoemd heeft.
Hoe ben je yogaleraar geworden?
Faalangst heeft mijn universitaire studies doen mislukken maar paradoxaal genoeg heeft dat me de mogelijkheid geboden om levenslang in vrijheid yoga te studeren. Ik ben een vrederechter-type, of voor wie een astrologische typering verkiest, ik ben een Weegschaal ascendant Maagd.
In de zomer van 2004 volgde ik een stage bij Flor Stickens, die me voor een opleiding verwees naar Frans Moors (Franstalig), die er in september één zou starten te Brussel. De mooiste periode in mijn leven, die tien jaar duurde, brak aan. Ik behaalde er het getuigschrift in 2007, we reisden meerdere keren naar Chennai (India) voor een stage, en elders in Europa. Van 2007 tot 2014 begeleidde ik in zijn opleidingen te Brussel en Luik vele leerlingen. Ik genoot van de levensstijl van de Franstaligen en zij waardeerden mij. Terloops, mijn eindwerk in 2007 handelde over het gebruik van hulpmiddelen in de āsanapraktijk. Het is terug te vinden op mijn webstek.
Frans Moors is mijn leraar gebleven. Op mijn vragen krijg ik altijd een antwoord en hij laat me verder vrij. TKV Deśikācār is genegeerd geweest in Vlaanderen (behoudens uitzonderingen). Zijn filosofische opvattingen werden belachelijk gemaakt als ‘huis-, tuin- en keukenfilosofie’. Maar wijlen Marcel Rey, een Zwitser die met zijn vrouw lange tijd in een āśram in de yogahoofdstad Rishikesh gewoond heeft, noemde Deśikācār ‘waarschijnlijk de grootste yogaleraar van deze tijd’.
Hij zette zich af tegen het misbruik van de term ‘viniyoga’. Nochtans, heel ruimdenkend, heeft Deśikācār zijn dochter laten trouwen met een vleesetende niet-brahmaan. Ook zei hij altijd verbonden te zijn met zijn vader, Tirumalai Kṛṣṇamācārya, de grondlegger van de moderne gedaante van Haṭha-yoga. Hij benaderde āsana via de mens, niet via de spieren; de toetssteen is de ademhaling.
Voor Deśikācār was religie verbonden met de eigen cultuur, hij wou geen Vedānta (de systematisering van het Oepanisjadische denken) aan Westerlingen doorgeven. Zijn leerlingen die wilden mediteren, dienden dat te doen op de spiritualiteit van hun eigen cultuur. Hij besefte echter niet dat veel van zijn Westerse leerlingen zich juist van de Kerk wilden losmaken.
Waartoe ben je eerder aangetrokken: bhakti (devotie) of jñāna (kennis)?
Het gevoelsmatige, devotionele heeft zeker een plaats in mijn leven. Ik ben geen bhaktiyogin in de zin van devotie tot God maar ik voel veel voor de houding van ‘christelijke naastenliefde’, ik heb een afkeer van armoede, de schande voor de mensheid. Ook o.a. bescherming van dieren en milieu-activisme beschouw ik als Īśvarapraṇidhāna, ‘toewijding aan een ideaal’. En ik erger me hier in Vlaanderen soms aan de maatschappelijke afbraak van de menselijkheid. Maar ik ben duidelijk eerder jñāna, op kennis gericht.
Ik vind mezelf wel een spiritueel mens maar spiritualiteit is voor mij vooral schoonmenselijkheid en nederigheid ten opzichte van het mysterie van het universum. Spiritualiteit en ‘geloof in een bepaalde doctrine’ zijn geen synoniemen. Mijn favoriete śloka i.v.m. spiritualiteit is het no-nonsense standpunt van de Haṭhayogapradīpika IV.114: Zolang prāṇa niet vloeit in het centrale pad (suṣumnā), zolang de vitaliteit niet stabiel wordt door de adem te stoppen, zolang de geest niet in de natuurlijke toestand van meditatie blijft, is het spreken over spirituele kennis alleen maar opschepperij en vals gebabbel.’
Je bent met een dame van Marokkaanse afkomst getrouwd. Op je webstek staat, onder de foto van de Kailāś-berg, de welkomgroet ook in het Arabisch. Waar situeer je de islam ten opzichte van yoga?
Islam is geen wit huisproduct. Reeds in het begin van de elfde eeuw heeft een Perzische geleerde, Abū Raihan Al-Birūnī, eigenlijk de allereerste indoloog, een vertaling gemaakt van de Yoga-Sūtra (Kitāb Batañjal) en de Sāṁkhya (Kitāb Sāṃkh – dit boek is verloren gegaan). Altijd is er een interesse geweest van moslims voor yoga. Een Syrische kennis van me heeft de vertaling en commentaar van Frans Moors in het Arabisch vertaald (eveneens verkrijgbaar in de boekhandel). Yoga heeft dus in de moslimwereld een toekomst. Ook daar is er nu al een heel netwerk van yogastudio’s. Maar nu ook weer niet idealiseren: net zoals hier gaat het in Marokko vooral over fysieke yoga.
Wat was je meest intense yoga-ervaring?
Zonder enige twijfel Vipassanā, zuivere aandacht.
Wat is de belangrijkste les die je geleerd hebt?
Probeer jezelf te blijven en je eigen weg te gaan. En dat niet elke yogin open van geest is.
Wat is het grootste misverstand in het yoga-landschap?
Yoga definiëren als ‘de vereniging van ātma en paramātma’, dat is het grootste misverstand. Deze annexatie van yoga door de Vedānta-wijsbegeerte staat op het conto van Vivekānanda. Het is een legitieme visie maar Yoga is breder en ouder dan de specifieke Vedānta-denkschool. Doe gewoon je best op je yoga-mat en laat de rest over aan de Dharma. Ook de moderne psychologie moet niet proberen om yoga in te lijven. Weg met autosuggestie, de inzichten komen vanzelf. Yoga, filosofie, psychologie… kunnen complementair zijn aan elkaar.
Zoals Wilfried Engels (vertaler van Gaspar Koelman s.j., zelf een belangrijke vertaler van Patañjali naar het Engels) het zei: “Yoga is geen religie.” Ook T.K.V. Deśikācār maakte dit statement. Iedereen heeft baat bij yoga.
Wat kan je leven als yogin nog verbeteren?
Het leven meer en meer leren ervaren en beleven zoals het is, of mij de visie eigen maken van de Anonieme Alcoholisten (waar ik niet toe behoor): Aanpakken wat je kan veranderen, aanvaarden wat je niet kan veranderen, en het onderscheid tussen beide herkennen.
Zelf heb ik nog twee doelen in het leven: mijn zoontje Yamien zien opgroeien, en Deśikācārs onderwijs vertaald in een verzameld werk, een soort Deśikācāryayogasaṃhitā kunnen schrijven. Verder wil ik nog het mijne ertoe bijdragen yoga ietwat binnen de Indische tradities door te geven.
Hoe kijk je naar de dood?
(Glimlacht.) Moeilijk te aanvaarden. Zorg dat je genoeg geld nalaat zodat je einde geen problemen vormt voor anderen. Ik hoop bewust in een proper bed te mogen sterven. Ik vraag me af wat het betekent dat je laatste gedachten je volgend leven zouden bepalen. Wijlen de oriëntalist Ulrich Libbrecht beschreef de reïncarnatieleer als een genetica zonder genen. Ik ben geen goeroe, ik ga niet zeggen wat anderen in die onvermijdelijke situatie moeten denken.
Ik bestudeer de Yogadarśaṇa en probeer het Indiase denken te begrijpen. Daarnaast ben ik vooral bezig met het onderwijs van Deśikācār. Samen met de materialisten kunnen we stellen dat de materie (prakṛti) eeuwig is, hoewel in voortdurende verandering (pariṇāma). Ook wijlen prof. Willy Luijpen (Nederland) zegt met zijn terminologie hetzelfde. Echter, een spirituele filosofie gelooft ook dat de mens meer is dan materie: de mens is een subject, en de essentie of bestemming van het menszijn is vrijheid; in de christelijke filosofie is dat de Liefde (Gabriël Marcel: Sois avec moi) (oproep tot medemenselijkheid). Ik geloof dat bevrijding en liefde fundamentele opdrachten zijn voor de mensheid.
Eigenlijk ben ik qua metafysica een Sāṁkhya-man (Sāṁkhya: opsomming van de tattva’s of dat-heden, de elementen die samen het Geheel uitmaken, de denkschool achter yoga). De mens is én materie (prakṛti) én geest of subjectiviteit (puruṣa). Een heel mooie sūtra vind ik Yoga-Sūtra II.5: Onjuiste kennis of onwetendheid (avidyā) is dat wat voorbijgaat, het onzuivere, pijn en het bijkomstige identificeren (verwarren) met respectievelijk dat wat blijft, het zuivere, geluk en het wezenlijke. Het blijvende, zuivere, geluk en de essentie zijn puruṣa.
Maar ik ben geen metafysicus; ik vind metafysica non-sens. Worüber man nicht sprechen kann, darüber soll man schweigen (Wittgenstein). Schweigen müssen wir oft, es fehlen heilige Namen (Hölderin). De wijze weet dat het bovennatuurlijke bestaat maar houdt er zich niet mee bezig (Dao).
Ik ben eerder een instrumentalist: een overtuiging of levensstijl moet ergens toe leiden. Beperk het filosoferen tot dit leven en het toekomstige voor de mensheid en de planeet. Yoga leidt ergens toe. Het verhoogt de levenskwaliteit of de zin van het leven. “Of het nu een brahmaan, een asceet, een boeddhist, een jain, een schedeldrager (kāpālika) of een materialist (cārvāka) is, de wijze man begiftigd met geloof die zich voortdurend aan zijn beoefening wijdt, verkrijgt volledig succes. Succes gebeurt voor degene die de oefeningen uitvoert. Hoe zou het kunnen gebeuren voor iemand die dat niet doet?” (Dattātreyayogaśāstra 41,42 Terloops: schedeldragers zijn een verwilderde heterodoxe sekte van Śiva-asceten die op terreinen voor lijkverbranding gaan mediteren.)
Ik hoop daarmee een beetje een antwoord op jouw vraag te hebben gegeven.
Heeft yoga een effect op relaties?
Nooit met dat soort yogavragen bezig geweest. Het zal wel goed zijn voor je gamma aan standjes (grinnikt), en, ernstig, om je partner beter te leren aanvaarden zoals die is. Ach, elke levensweg is uniek.
Yogastijl?
Viniyoga is geen yogastijl (aldus T.K.V. Deśikācār) maar een levensstijl. Het yoga-onderwijs van T.K.V. Deśikācār kan door iedereen volgens zijn mogelijkheden en behoeften toegepast worden. De yogapraktijk dient aangepast te zijn aan leeftijd, geslacht, klimaat, seizoen, beroep… (de negen bheda’s of parameters van Nathamuni, een 10de-eeuwse vermeende voorouder van Deśikācār, in zijn Yogarahasya, ‘het geheim van yoga’).
Er zijn dus vele krama’s (wijzen van opbouw): de sṛṣṭi krama (voor jonge en sportieve mensen), de śikṣaṇa krama (die de perfecte uitvoering van āsana’s nastreeft), de rakṣaṇa krama (om de gezondheid te verzorgen – voor de meeste volwassenen), adhyātmika krama (het spirituele aspect van yoga), de cikitsa krama (yoga voor mensen met een gezondheidsprobleem) en er zijn er nog andere. Mijn yogabeoefenig bevindt zich wegens de leeftijd op raksana-cikitsa-niveau.
De werken waarnaar voortdurend verwezen wordt in de opleiding zijn: de Yoga-Sūtra, Bhagavad Gita, Samkhya-Karika, Hathayogapradipika, Yogarahassya en Yogajanavalkyasamhita. In de opleiding wordt ook de link gelegd met Westerse werken wegens de universaliteit van de essentie van yoga.
Ten slotte is het onderwijs van T.K.V. Deśikācār een geïntegreerde yoga d.w.z. waarin alle aspecten met elkaar verbonden zijn, bijvoorbeeld in āsana werken lichaam, adem een geest samen volgens specifieke regels.
Zijn er boeken die je aanbeveelt?
Wat ik altijd kan aanbevelen voor de filosofische geest is Willy Luijpen’s Nieuwe Inleiding tot de Existentiële Fenomenologie, een basiswerk, erg parallel aan de Yoga-Sūtra. Zowel in het Oosten als het Westen stellen mensen dezelfde levensvragen. Het komt er op aan te leren kijken doorheen de culturele gewoonten en het beeld- en taalgebruik, zo zijn siddhi’s niet zo speciaal, het zijn gewoon vaardigheden van mensen die lange tijd een specialisatie in een materie hebben opgebouwd, zoals een dokter of architect. Ook zijn er de commentaren op de Yoga-Sūtra van Vyāsa, Vācaspati Miśra, Rājā Bhoja, Vijñāna Bhikṣu, Hariharānanda Āraṇya, T.K.V. Deśikācār en Frans Moors.
Verder zijn Alexander Lowens ‘Spiritualiteit van het lichaam’ en Piero Ferrucci’s ‘Heel je leven’ belangrijke boeken geweest. Lowen is de vader van de bio-energetica (waarvan vele yogaleraren oefeningen hebben geïntegreerd in hun yogalessen) en Piero Ferrucci een psychoanalyst. Ze zijn zeer verhelderend om yoga en zijn praktijken te begrijpen.
Hoe ben je tot je eigen yoga-opleiding gekomen?
Piet Meyvaert wekte het verlangen op om yogaleraar, en Frans Moors om yogalerarentrainer te worden volgens het onderwijs van T.K.V. Deśikācār. Herman Seymus zaliger zei dat de kennis van de yogatechnieken te vinden zijn bij hem. Ik wou delen. Dat was 2010, nu ben ik aan de derde groep leerlingen toe, mijn laatste.
Heb je een goede raad mee te geven?
Zorg dat je een degelijke opleiding krijgt. Wees open-minded. Wees voorzichtig. Je kan een tijd misleid zijn, maar dat komt in orde.
Is er iemand die je wil danken?
Zij die ooit voor mij gezorgd hebben in goede en kwade dagen. Dank aan mijn (overleden) moeder: wanneer die sterft, heb je niemand meer op wie je kan rekenen. Ik denk nog altijd dankbaar terug aan de persoon die me geleerd heeft een lekke fietsband te herstellen.
Hoe wil je herinnerd worden?
Ik zal vergeten worden.
vrijdag 9 december 2022
Het al te menselijke samenzweringsdenken
(Doorbraak, 26 november 2022)
“U bent een samenzweringsdenker!” Als u dat nog niet tegengeworpen is, hebt u waarschijnlijk nog niet veel gezegd dat boven het maaiveld uittorent. Het is tegenwoordig het standaard-antwoord op elke aanwijzing van een breder plan of intentie achter een vastgestelde bezigheid. Maar samenzweringsdenkers hebben hun antwoord op dat verwijt: “Vooral handlangers van de samenzwering roepen dat luidkeels om elke bevraging van hun opdrachtgevers te beletten.” Of met andere woorden: “U bent zélf deel van de samenzwering!”
Alleszins, de neiging om achter alles een intentie te zien, zit in de mens ingebakken. Ze had namelijk een evolutionair voordeel, zodat mensen die ze niet hadden, zijn weggeselecteerd. Ze is een bijzonder geval van het bredere verschijnsel patroonherkenning.
Patroonherkenning
Een belangrijk evolutionair voordeel dat de mensheid in moeilijke tijden heeft doen overleven, is het vermogen tot patroonherkenning. Dat geritsel in het struikgewas, dat zijn niet zomaar geluidsignalen, dat is een herkenbaar patroon: een tijger klaar om zijn prooi te bespringen. Ook wie gealarmeerd was, had nog een grote kans om als ontbijt te eindigen, maar had toch een betere kans om te overleven en zich voort te planten dan zijn nietsvermoedende medemens. Na enige generaties bleven in de prille mensheid alleen de patroonherkenners over.
Over dat onderwerp en zijn actuele toepassingen is een boek geschreven: Laat u niets wijsmaken! Patroonherkenning en het spoelen van uw hersenen, door de Gentse natuurkundige en fotograaf Koen Van de moortel. Dat boek komt op dreef met tal van voorbeelden van patroonherkenning uit de wis- en natuurkunde en de biologie, en met praktische tips om patronen te zien die niet meteen opvallen. Aldus bijvoorbeeld: ‘Een ander standpunt of een zekere afstand, letterlijk of figuurlijk, helpt ook dikwijls om patronen te herkennen. Wat je bv. van op de grond helemaal niet ziet omdat je er middenin zit, kan vanuit de lucht zonder moeite opvallen.’ (p.27) Dat klinkt wellicht wat vanzelfsprekend, maar ontelbaar zijn de verhitte discussies die door een wat bredere blik, wat meer besef van de grotere verbanden, ontgift zouden worden.
Scheermes
De auteur besteedt echter ook aandacht aan de feilbaarheid van ons vermogen tot patroonherkenning, namelijk doordat een verzameling gegevens vaak in meerdere patronen past. Aldus lijkt de rij 1, 1, 2… het begin te zijn van de bekende Fibonacci-rij: z=x+y, dus 1, 1, 2, 3, 5, 8, 13…, want 1+1=2, 1+2=3, 2+3=5, 3+5=8. Maar het zou evengoed een andere rij kunnen worden, bv. y=x+p waarbij p=0,1,2,3…: na 1 komt dan 1+0=1, dan 1+1=2 (tot dusver alles hetzelfde, maar…), dan 2+2=4, dan 4+3=7, dan 7+4=11. Achter een patroon kunnen soms meerdere verklarende wetmatigheden schuilgaan.
Proberen we dat eens in begrijpbaar-wiskundige termen uit te drukken. Twee punten in het vlak kunnen altijd verbonden worden door een rechte, die we rekenkundig kunnen weergeven door een eerstegraadsvergelijking. Drie punten kunnen niet altijd verbonden worden door een rechte, wel door een eenvoudige kromme, de parabool, die we rekenkundig kunnen uitdrukken door een tweedegraadsvergelijking. Vier punten vergen al een ingewikkelder kromme, uit te drukken door een derdegraadsvergelijking. En zo verder.
Maar. De twee punten die op zijn eenvoudigst door een rechte kunnen verbonden worden, worden ook via talloze overbodige maar volmaakt mogelijke parabolen verbonden. En de vier punten die allevier aan dezelfde derdegraadsvergelijking voldoen, gehoorzamen ook aan oneindig vele vierde-, vijfde- en hogeregraadsvergelijkingen. Het verklaringsmodel achter een verschijnsel heeft een minimale complexiteit beneden dewelke je geen verklaring meer hebt, maar heeft ettelijke mogelijke verklaringen met een hogere complexiteit. Daarin kan sprake zijn van één of meerdere factoren die je niet strikt nodig hebt om tot een redelijk begrip ervan te komen, maar die er nu eenmaal zijn.
Het methodologisch beginsel bekend als het “scheermes van Occam” leert ons dan om de eenvoudigste verklaring te kiezen, degene die het minste factoren veronderstelt: entia non sunt multiplicanda praeter necessitatem, “de zijnden moeten niet voorbij het noodzakelijke vermenigvuldigd worden”. Maar dat is eigenlijk slechts een ezelsbruggetje, een praktische vuistregel, meer niet; geen ijzeren wet, geen natuurnoodzaak. Het is best mogelijk dat een bepaalde samenloop van bekende factoren ook nog een onbekende en niet-noodzakelijke factor herbergt, die op termijn voor een ander dan het voorziene verloop zorgt.
Samenzweringsdenken
Daar zie je de kiem van een bekend probleem dat het zwakke punt vormt in ons vermogen tot patroonherkenning: samenzweringsdenken. Wat je ziet is vatbaar voor meerdere verklaringen, soms ingewikkelde waarin meerdere factoren op elkaar inspelen, maar ook dramatisch eenvoudige. Het type dwaaltoepassing van de patroonherkenning dat we samenzweringsdenken noemen, draait om de vraag of er al dan niet een opzet in het spel is.
Soms is er niets anders dat een vreemde samenloop van omstandigheden verklaart, dan het toeval. Men kan dat toeval dan tot een quasi-religieus wezen verpersoonlijken, bijvoorbeeld het Noodlot of de Schikgodinnen. Men kan elke gebeurtenis verpersoonlijken, bijvoorbeeld het dondert “omdat” Iupiter tonat, “de Dondergod dondert”. Voor primitieve mensen maakt dat het leven draaglijker: wat je ook overkomt, het gebeurt altijd omdat er een wil achter zat.
Een bijzonder geval daarvan is de retributieve karma-leer uit India. Alles wat je aan goeds of slechts overkomt, is uiteindelijk veroorzaakt door jouw eigen wil, namelijk als beloning of straf voor je eigen goede of kwade daden. Toen je zoveel levens terug een vis die op het droge was terechtgekomen, uitlachte en met je stok een dreun op zijn kop gaf, koos je voor de hoofdpijn die je nu treft (om een voorbeeld uit het eigen leven van de Boeddha te geven). Alleszins, niets is nog onschuldig, alles is deel van een kosmische goed/kwaad-rekening.
Skeptici zullen dat doorttrekken tot het inzicht dat godsdienst zelf een uit zijn voege gegroeide samenzweringstheorie is: “Er is een wereld, dus die moet gewild geweest zijn. Achter de schepping moet een Schepper zitten.” Ja, dat komt ervan, van overal complotten te zien.
Wie heeft er belang bij?
Maar terug naar het dagelijks leven. Nog zo’n vuistregel is dat als iets onaangenaams één keer gebeurt, het dan toeval zal zijn; twee keer, misschien ook nog; maar drie keer wijst zeker op een opzet vanwege de vijand. Als je die regel volgt, zullen tegenmaatregelen vaak verloren moeite zijn, maar soms niet. Tijgers die je vanuit het struikgewas beloeren, bestaan nu eenmaal, en tegenmaatregelen zullen vaak overbodig zijn, maar worden verantwoord door die ene keer dat ze je leven redden.
Als je nog meer wil begrijpen dan dat jou überhaupt iets aangedaan wordt, namelijk wie het is die je dat aandoet, dan heb je nog zo’n vuistregel: cui prodest? Wie heeft er belang bij? In detectiveverhalen is dat doorgaans de sleutel tot de oplossing, maar ja, die zijn dan ook geschreven met een lezerspubliek van patroonherkenners in gedachten. (In zulk verhaal zal ook de voorspelling door een waarzegger altijd op een of andere, hoewel niet noodzakelijk de voor de hand liggende, manier bewaarheid worden.) Maar in de werkelijkheid gebeurt het vaak dat iets gebeurt dat door niemand beraamd is, maar dat door één betrokkende als een gouden kans herkend en post factum in zijn voordeel gedraaid wordt.
Vandaar één van de bekendste samenzweringstheorieën: in de Eerste Wereldoorlog kochten alle strijdende partijen wapens van bedrijven die via hun aandeelhouders grotendeels in Joodse handen waren, “dus” dan wees dat op een Joodse hand achter de oorlog. Sterker, als in 1917 het Britse wereldrijk aan de zionistische beweging de schepping van een Joods tehuis in Palestina beloofde, dit wegens de oorlogsberekening dat de Amerikaanse Joden zo van het pro-Duitse in het pro-Britse kamp konden gebracht worden en de VS de oorlog in zouden loodsen, dan wees dit op het schaamteloos Joodse belang achter die hele oorlog. Nee! Dan wees dit alleen op de wendbaarheid van verschillende betrokken partijen: zij grepen hun kans wanneer die zich voordeed.
In het algemeen overschatten samenzweringsdenkers de almacht en vooruitziendheid van de betrokken partijen schromelijk. En onderschatten zij de vele zwakke plekken in hun samenzweringsconstructie. Of het nu de enscenering van de maanlanding op een filmset is, of de “inside job” achter 9/11: daar waren noodwendig talloze mensen bij betrokken. Die zouden dus allemaal al die decennia hun mond gehouden hebben? Geen geval van chantage van de ene tegen de andere om het geheim te onthullen, geen mededader die zijn geweten verlicht door op zijn sterfbed een bekentenis te doen, geen rondslingerende brief met de ware toedracht, al die tijd bij al die mensen? Een beetje kennis van de menselijke natuur pleit tegen zulke Volmaakte Misdaad.
Dus ja, samenzweringen bestaan, maar zijn betrekkelijk zeldzaam. Daarom moet men ze niet overhaast veronderstellen, maar pas aannemen in functie van ernstig bewijsmateriaal.
Koen Van de moortel: Laat u niets wijsmaken! Patroonherkenning en het spoelen van uw hersenen, Gent 2020, 238 pp, ISBN 978-90-804099-0-3, 27 €. Alleen verkrijgbaar bij de auteur: koen@astrovdm.com of www.lerenisplezant.be.)
maandag 14 november 2022
Ulrich Libbrechts allerlaatste woorden
Boekbespreking
(Doorbraak, 13 november 2022)
In 2008 richtte de gemeente Kluisbergen in de Vlaamse Ardennen een huldefeest voor Ulrich Libbrecht (1928-2017) in ter gelegenheid van zijn 80ste verjaardag. De emeritus sinologieprofessor en stichter van de School voor Comparatieve Filosofie Antwerpen (met filiaal te Utrecht) stelde er zijn jongste en bedoeld laatste boek voor: Met dank aan het leven. Ik kocht er een voor mijn moeder, eveneens van bouwjaar 1928 (deze zomer op haar 93 gestorven) en zij vond het prachtig. Maar een afscheidswerk werd het niet: er zouden vóór zijn heengaan nog zes boeken volgen. En nu, vijf jaar na zijn heengaan, nog een: Mijmeringen in de Schaduw. Laatste Geschriften.
Het gaat wel degelijk om mijmeringen: oeverloze meditaties over allerlei onderwerpen. Maar elk op zich zijn ze wel pakkend. Cursiefjes en essays behandelen technische onderwerpen zoals het opzet van zijn eigen hoofdwerk, het vierdelige Comparatieve Filosofie; of het verschil tussen de groots georganiseerde maar minder populaire wijsbegeerte van Arthur Schopenhauer, tevens één van de eerste echte kenners van de Aziatische denkscholen, en de al te losse fragmenten van de gekwelde “wijsgeer met de hamer”, Friedrich Nietsche, een dilettant op dat gebied. Of over de bevruchting van zijn eigen ecologisch engagement (als stichter van De Wielewaal) door de daoïstische wijsbegeerte.
Libbrecht was meer dan gedacht betrokken in de hedendaagse wijsgerige debatten. Hij was bijvoorbeeld een wakker hekelaar van de postmoderne golf in het Westerse denken. Ik hoor het hem in de jaren 1980 nog schamperen: “Heel Leuven deconstrueert.” En in dit boek vinden we die kritiek terug: “Aan de postmodernistische schervenfilosofie kan niemand een bruikbare levensfilosofie ontlenen”. (p.128) Terwijl westerse denkers enerzijds steeds meer de andere denktradities ontdekken, verwijderen ze zich anderzijds steeds verder van het Algemeen Menselijk Patroon (term van de Nederlandse historicus Jan Romein) om in de bij uitstek westerse gekunstelde rariteiten van het postmodernisme en nu van het woke-denken te vervallen.
Maar anderzijds zijn er overpeinzingen over het leven en over de loop van zijn eigen leven. Titels en maximen zijn vaak in het Latijn. Ik herinner me zijn emeritaatszitting in 1993, waar zijn jongere collega Urbain Vermeulen van Arabistiek de laudatio hield: “U spreekt geen Arabisch en ik spreek geen Chinees, maar we houden allebei van het Latijn”— waarop hij een lang Latijns citaat debiteerde, dat Libbrecht vlot mee kon opzeggen.
Erg roerend-persoonlijk maar tevens realistisch is zijn mijmering Quoniam advesperascit, “omdat het avond wordt” (p.138-139). Hij spreekt er zijn afgunst uit op die denkers en geleerden die van jongs af in een intellectueel stimulerend milieu opgegroeid zijn. Zijn vader liet hem als primus in de boerenschool uiteindelijk Grieks-Latijnse doen, wat toen als voorbereiding op het seminarie gold: “Ik voel een late pijn wanneer ik aan mijn hoge ouderdom bedenk hoe het had kunnen zijn als de omstandigheden mij gunstig gezind waren geweest, maar wellicht is dat alleen maar hoogmoed en wrok omdat ik niet het gevoel heb dat ik geslaagd ben.” Twijfelen aan het eigen levenswerk, en dan nog eens twijfelen aan het recht om te twijfelen. Net als tijdens de laatste rede die ik van hem hoorde, tijdens een huldezitting in het Oudenaards stadhuis, was hij zich scherp bewust van zijn vergankelijkheid en gering belang: “Misschien is de mens nu eenmaal een wezen om na het de mortuis nihil nisi bene [van de doden niets dan goeds] zo snel mogelijk te vergeten.”
Zo hadden wij het nog niet bekeken. Wij zullen onze thesispromotor alvast niet vergeten. Hij heeft wellicht geen Nobelprijs gekregen, maar hij heeft zijn stempel zeker gedrukt op zijn favoriete vakgebied, de Vergelijkende Wijsbegeerte. Met name zijn wetenschappelijke vorming (hij was eerst wiskundeleraar, en zijn doctoraat ging dan ook over het hoogtepunt van de Chinese wiskunde in de Song-periode, ca. 12de eeuw) behoedde hem voor de softe praatjes en vrije associatie die daar zo welig tieren, zodat hij een structurele basis schiep waarop anderen sindsdien voortbouwen. Op dat vlak blijft zijn naam in steen gebeiteld.
En niet iedereen krijgt een wandelpad naar zich genoemd, de Ulrich Libbrecht-wandeling in en rond Kluisbergen, gepunctueerd door opschriften met zijn eigen diepzinnige vondsten, genre: “De weg is wijzer dan de wegwijzer.” Dit boek bevat dan ook evengoed cursiefjes van een positievere strekking waarin hij juist zijn dankbaarheid uitspreekt.
Ulrich Libbrecht: Mijmeringen in de Schaduw. Laatste Geschriften, Milinda Uitgevers 2022, ISBN 978 90 6271 167 3 | NUR 730, 272 blzn.
Abonneren op:
Posts (Atom)