Friday, February 10, 2017

De Āraṇyaka’s, de stem van het woud




(verschenen eind 2015 in het blad van de Theosofische Vereniging, Antwerpen)


Een minder bekend deel van de lange hindoetraditie zijn de Āraṇyaka’s. En het valt te vrezen dat mijn geëerde lezers zich ook na dit artikel niet meteen zo’n Āraṇyaka zullen aanschaffen. Zelfs wie dat wil, zal er moeite mee hebben, want er bestaan geen Nederlandse vertalingen, en Engelse vertalingen zijn zeldzaam. Zelfs de Sanskrit originelen zal je in gespecialiseerde indologische boekhandels in India hard moeten zoeken, want nagenoeg niemand is geneigd om ze te lezen.

De Veda’s (“weten”) bestaan uit verschillende lagen:
  • De Saṁhitā’s of “verzamelingen (van hymnen)”, zelf bestaande uit hymnen of Sūkta’s (< su-vakta, “goed gezegd”), zelf weer bestaande uit verzen of Mantra’s (“denkinstrument”).
  • De Brāhmaṇa’s of “priester-(boeken)”.
  • De Āraṇyaka’s of “woud-(boeken)”.
  • De Upaniṣad-en of “geheimleer”/”metaforische (boeken)”; alleen de “grote” Upaniṣad-en, hoogstens een twintigtal, worden hier bedoeld, want zelfs in recente eeuwen zijn er nog tientallen boeken bijgeschreven die ook Upaniṣad genoemd worden .
In India beduidt men deze vier categorieën samen wanneer men het over “de Veda’s” heeft. Wanneer men daar zegt dat iets “in de Veda’s staat”, bedoelt men gewoonlijk dat het in de meestgelezen categorie staat, de Upaniṣad-en. In het Westen daarentegen is de gewoonte gegroeid om alleen deSaṁhitā’s zo te betitelen.
Er zijn vier Veda’s. Daarvan hebben de Sāma-Veda (“melodieënkennis”) en de Atharva-Veda(“priesterkennis”) geen Āraṇyaka-aanhangsel, de twee andere hebben er elk twee: de Ŗg-Veda(“hymnenkennis”) heeft de Aitarya Āraṇyaka (“woudboek van de Ziener Itara”) en de Kauṣītaki Āraṇyaka(idem), en de de Yajur-Veda heeft de Maitrayanīya Āraṇyaka (woudboek van de zo genaamde school) en de Taittirīya Āraṇyaka (“woudboek van de patrijzen”— toen de latere ziener Yājñavalkya zich tijdens het leren van de Yajur-Veda arrogant gedroeg en zijn leermeester van hem eiste dat hij de gekregen kennis terug zou geven, braakte hij deze uit, waarop de vogels ze oppikten).

Van de Saṁhitā’s leest men doorgaans een bloemlezing. Hun dichterlijk karakter, rijkdom aan beeldentaal (vol verwijzingen die zelfs onderlegde vertalers maar gedeeltelijk begrijpen) en moelijk vertaalbare woordspelingen, maken hen tot zware kost maar hebben ook hun charmes. De Upaniṣad-en bevatten nog ongestructureerde wijsgerige ontboezemingen; mits de afspraak dat men door wat couleur locale moet waden om de parels te vinden, is hun lectuur zeer lonend. De Brāhmaṇa’s en Āraṇyaka’s daarentegen blijven ongelezen: zij gelden als zeer technisch en saai.

Heel grof veralgemenend zou men kunnen zeggen dat de Brāhmaṇa’s het hoe en de Āraṇyaka’s hetwaarom van het ritueel onderrichten, terwijl de Upaniṣad-en het ritueel helemaal overstijgen en zich aan wijsheid wijden. De Brāhmaṇa’s gaan over Karmakāṇḍa, “de (rituele) handelingenhelft”, de Upaniṣad-en over Jñānakāṇḍa, “de wijsheidshelft”, de Āraṇyaka’s zitten daar tussenin. Zij behandelen de wijsheidsdimensie van de elementen van het ritueel. Geheime betekenissen van de woorden, gebaren en substanties die in het ritueel gebruikt worden, krijgen hier hun verklaring.

Boeken uit de vier categorieën overlappen nogal. Vooral de Yajurveda behandelt het ritueel en gaat aldus naadloos over in de Brāhmaṇa’s, boeken met aanwijzingen voor het ritueel. Reeds de oudste Veda, de Ŗg-Veda, bevat diepzinnige gelijkenissen en metaforen die in de Upaniṣad-en hernomen en uitgebreid bespiegeld worden, bv. van de twee volgels die samen op een tak zitten waarbij de ene de bessen opeet en de andere slechts toekijkt, dat als gelijkenis voor het ego dat in de wereld geëngageerd is, en het Zelf dat slechts in zichzelf rust. De Āraṇyaka’s zijn formeel soms slotdeel van de Brāhmaṇas, terwijl delen van de Āraṇyaka’s dan weer tot de collectie Upaniṣad-en gerekend worden.

Āraṇyaka heeft effectief dezelfde betekenis als Upaniṣad: “geheimleer” of “metafoor”. Men spreekt namelijk van “woudboeken” (van Araṇya, “woud, wildernis”) omdat het een inhoud betreft die in het geheim aangeleerd werd, namelijk doordat meester en leerling zich “buiten gehoorsafsand van het dorp”, dus veelal in het woud, terugtrokken. Inhoudelijk betrof het een figuurlijke of metaforische duiding van het ritueel. Het vuuroffer, de begeleidende handelingen of bewegingen en de gereciteerde hymnen waren niet geheim: allen konden er bij openbare rituelen getuige van zijn. De juiste betekenis van al die elementen behoorde daarentegen tot de vakkennis van de ritualist en werd binnen die vakgroep vertrouwelijk doorgegeven.

Een figuur die de vier categorieën omspant is de ziener Yājñavalkya. Hij is verbonden met de Yajur-Veda, is auteur van de lijvige Śatapatha Brāhmaṇa (“priesterboek van de honderd paden”), en wordt uitvoerig geciteerd in de Bṛhadāraṇyakopaniṣad, de “geheimleer van het grote woudboek”. Dit laatste is één van de belangrijkste werken uit de wereldliteratuur. Zoals men zegt dat heel de westerse wijsbegeerte slechts een reeks voetnoten is bij Plato, zo kan men nagenoeg de hele hindoe-boeddhistische overlevering tot Yājñavalkya terugvoeren.


Voorbeelden

Enkele voorbeelden nu uit de Aitareya Āraṇyaka. Het eerste komt uit hoofdstuk 1.3. Het is hier nuttig om weten dat Brahman “het absolute” betekent (vaak ook gewoon Tad genoemd, “dat”), en dat Hiṁ ofwel een willekeurige klank is, een zaadmantra, ofwel specifiek het geloei van de koe (“meuh”), een centrale klank in een veehouderscultuur waar alle jongens als koeienhoeder opgroeiden
:
“1) Laat hem de dag beginnen met Hiṁ te zingen, zeggen ze. 2) Waarlijk, het geluid Hiṁ is Brahman, deze dag is ook Brahman. Hij die dat weet, verkrijgt Brahman door Brahman. 3) Terwijl hij met de klankHiṁ begint, vormen deze mannelijke klank Hiṁ en de vrouwelijke hymne een paar. Zo maakt hij een paar in het begin van de hymne om nageslacht te krijgen. Hij die dat weet, krijgt vee en nageslacht. 4) Of, terwijl hij met de klank Hiṁ begint, zoals een houten spade, zo graaft de klank Hiṁ het Brahman, het extract van de Veda’s, op. En zoals een man eender welke, zelfs de hardste, bodem wil opgraven, zo graaft hij het Brahman op. 5) Hij die dat weet, graaft door middel van de klank Hiṁ alles wat hij verlangt, op. 6) Als hij met de klank Hiṁ begint, is dat het apart houden van goddelijke en menselijke spraak; daarom houdt hij die begint na de klank Hiṁ geuit te hebben, goddelijke en menselijke spraak uit elkaar.”

Het tweede voorbeeld komt uit hoofdstuk 2.4. Het echoot een bekende formule die ook in de Yajur-Veda en de Upaniṣad-en voorkomt: So’ham < Sah aham, “hij--ik” (Hij die in de zon woont, hem ben ik). Dat is eigenlijk de centrale metafoor of betekenisoverdracht: de correspondentie of overeenkomst, “zo boven, zo beneden”:
“6) Dat wat ik ben, dat is hij [de zon]; wat hij is, dat ben ik. 7. Dat is gezegd geweest door een Ziener (Ŗg-Veda 1:115:1): ‘de zon is het zelf van al wat beweegt of rust.’”

Het laatste voorbeeld, uit hoofdstuk 3.6, noemt een basisbetekenis van de bekende klank Oṁ, namelijk “ja”, in sommige moderne Indiase talen voortlevend als het ja-woord Āṁ. Daarnaast is deze oerklank volgens mij eveneens een klanknabootsing van het geloei, maar dan specifiek van de klank waarmee (naar een veeboerin mij uitgelegd heeft) de koe haar kalf naar haar uier roept. Maar hier beduidt hij dus het “ja” van iemand die toestemt wanneer hem om iets gevraagd wordt, dus die steeds maar weggeeft:

“11) Die lettergreep Oṁ [= ja] gaat voorwaarts en is leeg. Daarom, als een man op alles Oṁ/ja zegt, dan heeft hij daarmee gebrek aan dat (wat hij weggeeft). Als hij op alles ja zegt, ledigt hij zichzelf en dan is hij niet langer in staat om te genieten. 12) Die lettergreep Na/nee is vol van jezelf. Als een man op alles nee zegt, dan zou hij een slechte reputatie krijgen en dat zou hem zelfs hier ruïneren. 13) Laat een man daarom alleen op de juiste tijd geven, niet op de verkeerde tijd. Zo verenigt hij het ware en het onware , en uit de eenheid van die twee groeit hij en wordt hij groter en groter.”

Moge de lezer ook aan deze groei deelachtig worden.

No comments:

Post a Comment