Sunday, December 3, 2017

Rasdenken in China


PDF Print E-mail

 


De lichamelijke dimensie

            Toen Japan de VS naar de kroon stak, bestudeerden Westerse bedrijven Japanse managementtechnieken. Vandaag kunnen we de invoer van stukjes Chinese bedrijfsvoering verwachten. In Chinese zakenmedia vinden we vreemde dingen zoals kantoor-fengshui (hoe gunstige geldaanzuigende energiecirculatie op te wekken door plaatsing en oriëntatie van meubilair en sierstukken) en xiangmian oftewel gelaatkunde. Gaat u solliciteren bij een Chinese firma, zorg dan dat uw gezicht in de juiste plooi ligt, want daarvan kan uw aanwerving afhangen.
            De vorm en grootte van delen van het gelaat en de aan- of afwezigheid van verkleuringen en vlekken daarop geven informatie over je gezondheidstoestand, verantwoordelijkheidszin, betrouwbaarheid, vermogen tot samenwerking, aanleg om nieuwe wegen te verkennen, je neiging tot drank- of druggebruik. Net als bij handlezen baseert men er ook voorspellingen op, met dit voordeel dat het gezicht permanent een open boek is terwijl je om een blik in de handpalm zou moeten vragen. Een moedervlek vooraan op de wang zou erop wijzen dat je beste vriend er met je dierbare vandoor gaat. Een aanstaande echtscheiding kan voor de personeelschef belangrijke informatie zijn, want je verwerking daarvan kan je prestaties of de goede naam van de firma schaden. Scherpe gelaatsvormen wekken achterdocht want verraden een sterk individualisme, Chinezen verkiezen zachte vormen die op gemeenschapszin wijzen.
            Geld is in dat verband natuurlijk belangrijk, en je omgang met geld blijkt onverbergbaar uit de “keizer van het gelaat”, de neus. Als je van voren recht de neusgaten kan inkijken, dan heb je te maken met iemand die financieel niet op eigen poten kan staan. Een grote lange neus geeft het meest aanleg om geld binnen te rijven. Al van lang vóór ze met joden te maken kregen, hadden de Chinezen besloten dat een joodse neus op financieel talent wijst, een “neus voor geld”.  En dat een negerneus met breed uitwaaiende neusgaten op een ontspannen houding tegenover geld wijst, zodat het vlot binnen en weer buiten rolt. Michael Jackson heeft zijn oergezonde neus die hem rijkdom voorspelde, chirurgisch laten verhaspelen tot een schriel wipneusje waar je zó naar binnen kijkt, dus geen wonder dat hij financieel diep in nesten geraakt is.
            Dat brengt ons bij een heikel punt. Althans heikel voor ons, want de Chinezen zitten er niet mee. Als lichaamskenmerken met een bepaalde aanleg of karakter overeenstemmen, en gegeven het feit dat lichaamskenmerken erfelijk en in rasgroepen min of meer gelijk zijn, volgt uit de leer van de gelaatkunde dat mensengroepen van een bepaald fysiek type ook bepaalde karaktereigenschappen, talenten en gebreken gemeen hebben. En dat valt tegenwoordig binnen de steeds maar uitdijende definitie van racisme.
            Je hoeft niet eens lang in China te verblijven om het wantrouwen tegen rasvreemde vreemdelingen aan te voelen. En dan zit je als blanke nog redelijk goed, want zwarten en bruinen staan echt onderaan de ladder. Herinner je de rellen tegen zwarte gaststudenten in Nanjing in 1988-89. Oost-Aziaten hebben een heel geringe lichaamsgeur en vinden dat de rest van de mensheid stinkt. Maar behalve indrukken op het eerste gezicht telt ook het historisch palmares van volkeren. Blanken hebben toch maar de wereld gekoloniseerd, en al heeft dat niet eeuwig geduurd, het is toch een prestatie of misdaad die voorlopig niemand hen nagedaan heeft. Wij zijn dat bijna vergeten, maar de rest van de mensheid associeert ons ten goede of ten kwade nog steeds met dat verleden. Omgekeerd hebben de donkere volkeren zich láten koloniseren, en dat wekt minder respect maar ook geen rancune.
            Een witte huidskleur geldt enerzijds als ongezond, teken van geringe vitaliteit, en besmet door nare herinneringen zoals de opiumoorlog. Bovendien hebben blanke vrouwen nogal hoekige vormen. Anderzijds is wit op zich wel mooi. Traditioneel zagen Chinezen de tegenstelling tussen henzelf en Europeanen niet als een van huidskleur, want zij zijn niet donkerder dan Europeanen van de overeenkomstige klimaatzone. Het verschil zit hem in het haartype, vorm en grootte van de neus, en vorm en kleur van de ogen. Voor zichzelf prefereerden de Chinezen van ouds een zo wit mogelijke huid. Keizerlijke haremvrouwen plachten hun huid met rijstpoeder te witten.
Omgekeerd verketterden de maoïsten, vooral tijdens de Culturele Revolutie, een witte huidskleur als feodaal of bourgeois, want alleen de van de zon afgeschermde bureaucraten en salondames konden zich een bleke huid veroorloven.  A contrario werd een bronzen teint een badge van proletarische rechtzinnigheid.  Na de wende naar het kapitalisme is blank echter helemaal terug.
Net als in Zuid-Azië en Latijns-Amerika bestaat in China een dubbel racisme: enerzijds is er de trots op het eigen ras tegen de voormalig dominante blanken en tegen plaatselijke etnische rivalen, maar anderzijds is er een schier universeel streven om er zo Europees mogelijk uit te zien. De vervaardiging van middeltjes om de huid te bleken of kroeshaar te rechten is wereldwijd een goudmijn. Bleke kandidaten halen een hogere prijs op de huwelijksmarkt dan donkere. Chinese vrouwen betalen veel voor “oogcorrecties”, d.i. de spleetogen rechttrekken, en zelfs pijnlijke ingrepen als de verlenging van de benen. Het racisme in China gaat echter verder dan de individuele esthetiek. Nu de Olympische Spelen van Beijing 2008 vergelijkingen oproepen met die van München 1936, mag men ook wijzen op de gelijkenissen (naast de verschillen) in rasdoctrine en eugenetisch programma.


Racisme versus beschaving in China

            Het premoderne Chinese denken over vreemde volkeren beweegt zich tussen twee polen: soms etno-racisme, meestal beschavingsuniversalisme. Dit laatste is het confuciaanse ideaal: de beschaving van het midden integreert geleidelijk alle stammen uit het randgebied, de si yi of “vier (windstreken-) barbaren”.  Deze benadering van de barbaren heette yong xia bian yi, “de Chinese (zeden) gebruiken (om) de barbaren te veranderen”.  De binnenlandse minderheden hanhua, “worden Chinees”, de vreemdelingen laihua, “komen en veranderen”.
De buitenstaanders hebben in deze visie geen noemenswaardige identiteit behalve dat ze niet Chinees of slechts beginnend Chinees zijn. Als alles goed verloopt, zal de hele mensheid uiteindelijk deel hebben aan de beschaving. De wereldharmonie zal dan een feit zijn, en iedereen gelukkig. Ik zal het er maar meteen bij zeggen: ik vind dat scenario lumineus. Mutatis mutandis kunnen wij die aanpak zelf toepassen als oplossing voor onze eigen ongemakkelijke relatie met minder beschaafde buurvolkeren en immigranten.  Het Romeinse keizerrijk heeft trouwens een gelijkaardig beleid gevoerd tegenover de Germanen, Sarmaten en andere ongeschoren ruiters.
Het grote historische voorbeeld van een geslaagde integratie van barbaren in de Chinese beschaving is de Zhou-dynastie (12de tot 3de eeuw v.C.).  In het tweede millennium v.C. waren zij een barbaarse stam aan de westgrens die verchineesden terwijl zij de Chinese Shang-keizer dienden als bewaker van het rijk tegen de pure barbaren.  In Europese leenroerige termen was de Zhou-vorst dus een markgraaf.  Toen de Shang decadent werden, pleegden de Zhou een staatsgreep, een episode die de achtergrond vormt van het bekende orakelboek de Yijing (I Tjing, Boek der Veranderingen).  Het beginnende Zhou-regime zou later voor het feodaal-conservatieve confucianisme het ideaal van een geordende evenwichtige samenleving worden. 
Maar niet elk barbarenvolk liet zich zomaar domesticeren.  Sommige bleven eeuwenlang op de grenzen inbeuken, zoals de Hunnen tegen wie de Chinese Muur gebouwd werd. Andere slaagden erin delen van het rijk te bezetten, en twee konden zelfs heel China onderwerpen: de Mongolen die de Yuan-dynastie (1277-1367) vormden, en de Mantsjoes die de Qing-dynastie (1644-1911) leverden.  Beide voerden destijds als heersende kaste een soort apartheidspolitiek tegenover de Chinezen (al worden ze in de Volksrepubliek in snel tempo verchineest, een promotie die ook de Tibetanen toelacht).  In tijden van langdurige strijd met of bezetting door vreemde volkeren ontwikkelde zich wel iets als een rasbewustzijn.  Dan werd de koppeling tussen vreemd uiterlijk en gebrek aan Chinese cultuur gemaakt: “Niet van ons ras, dan is hun hart/geest anders”, zegt een feodale kroniek uit de 4de eeuw v.C.
Barbaren in de Chinese invloedssfeer werden met een eigen etnische naam aangeduid, of collectief als de “gekookte barbaren”; die daarbuiten, de “rauwe barbaren”, heetten gewoon “duivels” of “beesten”. In het karakterschrift voegde men aan hun naam de wortel “reptiel” toe bij zuidelijke barbaren, “geit” of “hond” bij noordelijke. Dit laatste deden de Japanners en hun Chinese collaborateurs tijdens WO2 ook met de karakters Ying (Engels) en Mei (Amerikaans). Eigenlijk zette dit de universele primitieve gewoonte voort om alleen het eigen volk als menselijk te beschouwen.  
Soms werden de barbaren met lichaamskenmerken aangeduid.  Voor zover het om kleuren ging, was wit als huidskleur (naast zonnegeel als symboolkleur voor het midden) de kleur van de Chinezen.  Zwart of anderszins donker beduidde de diverse barbaren: donkere zuiderlingen uit Indonesië, na de Portugese slavenimport ook die uit Afrika; maar evengoed Centraal-Aziaten die nauwelijks donkerder zijn dan de Chinezen, ondermeer de robuuste en voor Chinese boekenwurmen wat angstaanjagende Tibetanen.  De kleuretiketten waren wat fantasierijk, bv. mensen uit Zuid-India en Arabië werden als “paars” beschreven.  Slaven van eender welk ras die in volle zon buiten werkten, heetten “roetkoppen”.  Blanken werden beschreven als koud, groot, behaard, baardig, roodharig, “wit als asse” en “met gekleurde ogen”.  Soms werden volkeren naar kleuren genoemd die niet hun uiterlijk maar hun windstreek beduidden: blauwgroen oost, rood zuid, wit west, zwart noord, geel midden.  (Omdat de Mongolen dit schema in hun rijk ook gebruikten, zou de naam “Wit-Rusland” eigenlijk “West-Rusland” kunnen betekenen.)
Behalve militaire invasies door vreemdelingen was ook de vreedzame introductie van het Indiase boeddhisme aanleiding tot vijandige speculaties over rasverschillen.  Volgens woordvoerders van het daoïsme was het boeddhisme ongeschikt voor de Chinese volksaard.  De Boeddha had zulke strenge regels tegen gewelddadigheid, hebzucht en onkuisheid moeten invoeren omdat zijn eigen volk nu eenmaal wild was en geen maat kende, daar waar de Chinezen uit zichzelf zin voor maat en harmonie hebben.
Kortom, net als de rest van de mensheid vertonen ook de Chinezen een neiging tot raciaal onderscheid maken.  In de 19de en 20ste eeuw zou dit onsystematisch gelegenheidsracisme overgaan in een quasi-wetenschappelijk rasdenken.


Modern racisme in China

Tijdens het ultieme verval van de Mantsjoe- of Qing-dynastie (1644-1911) bestond de Chinese oppositie uit enerzijds confuciaanse hervormers geleid door Kang Youwei, die een constitutionele monarchie wilden en een combinatie van traditionele cultuur en moderne wetenschap; en anderzijds republikeinse revolutionairen geleid door Sun Yixian, die een radicale breuk met het eigen verleden nastreefden.  Net als in Europa bloeide het racisme niet bij de conservatieven maar bij de radicalen.  De eersten waren traditioneel vóór rasvermenging, opname van barbaarse randvolkeren in de Chinese beschaving door gemengde huwelijken.  Gezien de numerieke overmacht van China zou dit voor het Chinese ras weinig verschil maken, terwijl de barbaren erin zouden opgaan en hun eigenheid verliezen.  De republikeinen daarentegen namen uit het Westen het idee van raszuiverheid over, en doorzochten vervolgens hun eigen literatuur om sporen van een inheems denken over raszuiverheid te vinden.
De confucianen verwierpen het racisme als zijnde een vorm van relativisme: meerdere rassen zouden immers gelijkwaardig een eigen identiteit hebben, in plaats van allemaal satellieten van China te zijn.  Maar de politieke wekelijkheid maakte het verlies van China’s centrale positie onvermijdelijk.  In 1903 vond in het Japanse Osaka een tentoonstelling plaats over de barbaarse rassen, te vergelijken met het toenmalige Kongolese dorp in Tervuren.  Tot hun verbazing vernamen de Chinezen dat zij er ingedeeld werden bij de Maleiers, Mongolen en andere wilden.  Tot kort tevoren hadden de Japanners juist opgekeken naar China als bron van hun eigen beschaving.  Maar natie of ras had de beschaving als referentiepunt vervangen, terwijl technologie de klassieke cultuur verdrong.
De nationalistische Chinezen voelden zich niet alleen vernederd, maar ook bedreigd.  Terwijl Europa zich zorgen maakte over het “gele gevaar”, waakten zij tegen het “blanke gevaar”.  De blanken hadden de inheemse volkeren van de nieuwe wereld en delen van Afrika bijna uitgeroeid, een strijd tussen hen en de gelen was onvermijdelijk.  Wanhopig waren de nationalisten echter niet: als het erop aankwam, zou het gele ras het blanke wel aankunnen.  Dat bleek uit de Japanse zege tegen Rusland in 1905.  Maar voor alle zekerheid zouden de Chinezen er volgens Kang Youwei goed aan doen om zich eugenetisch met de blanken te vermengen, want rasgemengde inwoners van Hong Kong en Singapore bleken het beste van beide rassen te combineren (een voorschot op de omstreden studie IQ and the Wealth of Nations van Tatu Vanhanen en Richard Lynn, die in die stadsstaten het hoogste gemiddeld IQ ter wereld aantroffen).  De nationalisten daarentegen zetten Chinese emigranten in Amerika onder druk om zich niét te vermengen.
Sun Yixian (of Sun Yat-sen), leider van de nationalistische partij Guomindang en eerste president van de Republiek China, werd gevolgd door drie leiders die zich op zijn erfenis beriepen terwijl ze om de macht streden: zijn rechterhand Wang Jingwei, leider van de linkse pro-communistische vleugel van de Guomindang en van een collaboratieregering tijdens de Japanse bezetting; zijn rechtstreekse opvolger als nationalistisch partij- en staatsleider, Jiang Jieshi (Tsjiang Kai-sjek); en communistisch partijleider Mao Zedong.  Alle vier waren overtuigd van de superioriteit van het Chinese ras.
Van verklaarde nationalisten zal dat wel niet verrassen, maar ook Mao, in naam internationalist, was een Han-chauvinist.  Eens aan de macht betuigde hij lippendienst aan de rassengelijkheid om bij de gekoloniseerde kleurvolkeren in het gevlij te komen.  In zijn jonge jaren was hij echter lid van de “studiekring Wang Fuzhi”.  Wie was Wang Fuzhi?
Zoals gezegd zochten en vonden Chinese racisten inheemse precedenten voor de Darwiniaanse vormen van racisme die onder de blanken hun hoogbloei beleefden.  Wang Fuzhi (1619-92) had een mislukte opstand geleid tegen de Mantsjoe-bezettingsmacht, trok zich dan terug en wijdde zich verder aan de ideologische strijd.  Hij ontwikkelde een rassentheorie die de onderscheidende raskenmerken vanuit het leefmilieu verklaarde.   De barbaren waren gevormd uit onzuivere energie, de Chinezen uit zuivere.  Om de kwaliteit van het Chinese ras te bewaren, moest men dus alle rasvermenging vermijden.  Hij gebruikte de bij racisten overbekende beelden uit het dierenrijk over een eeuwige strijd, bv. van de zwarte tegen de rode mieren.  Tot dan, en bij de meeste auteurs nog tot eind 19de eeuw, heerste een statisch beeld van de mensenrassen, terwijl men na Darwin een sterke rassendynamiek onderkende: rassen konden zich vermengen, door aardrijkskundige of maatschappelijke scheiding uiteen groeien, door verovering of grotere vruchtbaarheid mekaar verdringen of uitroeien.  China had geen last van theologische bezwaren tegen de evolutieleer, en het beginsel van de “overleving van de geschikste” ging er vlot in.
Een andere racist avant la lettre wiens herinnering men in ere ging houden, was Lü Liuliang (1629-83), die vanuit een boeddhistisch klooster pamfletten over de rassenstrijd tussen Chinezen en barbaren schreef.  De Qing-regering maakte hem in 1728-32 postuum tot hoofddoelwit van een campagne tegen xenofobe geschriften.  Dat krijg je zo met “vreemden als meesters in ’t land”: een antiracisme van staatswege.  China was Europa vóór, ook in het bedenken van een geschikte repressie tegen zulke foute denkers.  In 1733 werd Lü’s lijk opgegraven en onthoofd.  Geen zielenrust voor nationalisten!


Pekingmens en blanke mummies


In Europa wordt veel geleuterd over de vraag naar de definitie van Europa.  Is Europa alleen een werelddeel?  Of is het een stelsel van “waarden”?  (Niet “normen en waarden”, dat klinkt te conservatief, alleen “waarden”, nl. de Mensenrechten.)  In China zitten ze niet met dat soort twijfels.  Men stelt er de mens centraal, dus China, dat zijn de Chinese mensen.  Een gezworen fan van Confucius als schrijver dezes mag nog zo dwepen met Chinese waarden, dat zal niet maken dat hij zich in China thuis kan noemen.  China, dat zijn de Chinezen. Daarom bemoeit de overheid zich met allerlei historische en paleontologische dossiers die een invloed kunnen hebben op de vraag naar de definitie van het Chinese volk.
De Chinese overheid volgde sedert Darwin met grote belangstelling de wetenschappelijke vooruitgang in de fysieke antropologie.  Chinezen waren voortaan een kleinneuzig breedschedelig mensentype.  De ontdekking van de Homo Erectus Sinensis of “Peking-mens” in 1923 werd verwelkomd als bewijs dat de mens in China ouder is dan in Europa.  De Chinezen zouden immers rechtstreeks afstammen van de Homo Erectus, die de typische vorm van het gebit had waardoor de hedendaagse Chinezen zich nog steeds van blanken en zwarten onderscheiden. Tot voor kort weigerden Chinese geleerden om de dominante theorie te aanvaarden dat de Homo Sapiens zich rond zestigduizend jaar geleden vanuit Afrika over Eurazië verspreid heeft. Pas het recentste genetisch onderzoek heeft hen ervan overtuigd dat zij uit diezelfde emigratiegolf uit Afrika voortgekomen zijn. Althans voor het grootste gedeelte, want zelf de genetica laat duidelijk de mogelijkheid open voor een zekere vermenging van deze migranten met inheemse Homines in Oost-Azië, net als met de Neanderthalensis in Europa.
            Een andere raciaal heet hangijzer betreft veel jongere vondsten, vanaf begin 20ste eeuw, namelijk van de “blanke mummies” van het Tarim-bekken in Xinjiang. Op Euro-nationalistische websites wordt door erg opgewonden over gedaan, want dat zou het bewijs zijn dat het blanke meesterras lang vóór de koloniale tijd al de hele wereld met zijn beschavingswerk bevruchtte.  In China kan men er minder mee lachen.  Daar luidt het dat de blanke rovers, die in datzelfde deel van China al talloze kunstschatten geroofd hebben, nu ook de Chinezen hun geschiedenis willen ontstelen.
            Hoewel aan die mummies niet te zien is welke taal zij spraken, nemen Victor Mair en andere onderzoekers aan dat dit het Tochaars was, een taal waarvan boeddhistische teksten uit de eerste eeuwen n.C. in die streek teruggevonden zijn; deels misschien ook Skythisch Iraans. Mede door de etnische twisten met de huidige Wigoer- en andere niet-Chinese volkeren is de Chinese overheid erg gevoelig voor de mogelijke implicatie dat niet-Chinezen, i.c. blanken, inheems zouden zijn in deze streek, en de Chinezen zelf latere invallers. De genetische ontleding van de mummies wordt dan ook met argusogen gevolgd.
De mummies blijken kenmerkende genen te delen met de bevolking van het Indus bekken, Centraal-Azië en vooral Oost-Europa. De hedendaagse Wigoers, in de 9de eeuw uit Mongolië gekomen, vertonen nog steeds een Europide component in hun verschijning, blijkbaar het resultaat van de vermenging van Mongoloïde vaderlijke genen met de genen van plaatselijke vrouwen die deels van de gemummificeerde Europide bewoners afstamden. Maar waren die “westerlingen” van destijds inheems of vroege kolonisatoren? China put hoop uit de vondst van rasgemengde lichamen uit dezelfde periode met een blanke afstamming in vaderlijke en Chinese in moederlijke lijn. Die zouden aan het bekende scenario beantwoorden van mannelijke kolonisatoren die inheemse vrouwen trouwen, dus was de Chinese component inheems. En die raciale voorgeschiedenis kan dan weer de blijvende aanhechting van Xinjiang rechtvaardigen.


(2008)

Tuesday, November 28, 2017

De grensoverschrijdende Draak -- De buitenlandse politiek van China

(Doorbraak, 27 november 2017)







Een prettig neveneffect van mijn tijd als senaatsmedewerker voor buitenlandse politiek was de ontdekking van de wereld van denktanks waaraan Brussel (hoofdstad van Vlaanderen, België, de EU en Noord-Atlantis) rijk is, onder meer het European Institute for Asian Studies. Anderzijds is "de buitenlandse politiek van China" belangrijk genoeg om er zelfs in Brussel een conferentie aan te wijden. Dus: allen naar de komende bijeenkomst over de Grensoverschrijdende Draak.





Het vorige evenement specifiek daarover dat ik mocht bijwonen, was rond 1976. Ik was nog tiener en een fan van de charismatische spreker en, naar mij toen toescheen, meester-denker Ludo Martens, voorzitter van Amada (Alle Macht aan de Arbeiders), de huidige PvdA. Die nam de debathandschoen op tegen Swa Vercammen van de trotskistische RAL (Revolutionaire Arbeidersliga). Het onderwerp was toen belangwekkend genoeg om de Leuvense Alma 2 te doen vollopen. China's buitenlandse politiek had in de toen nog talrijke linkse rangen wat vertwijfeling doen ontstaan. Deze voorhoedestaat had namelijk kazak gekeerd inzake de verketterde Navo. Toen de Sovjet-Unie de vijand van China werd, ging China het anti-Sovjet-bondgenootschap Navo als feitelijke bondgenoot beschouwen. Het was een schok voor onze linkerzijde, die van: "België uit de Nato, de Nato uit België!" Maar daar zou de allesverklaarkunde van de Kleine Roerganger wel een Mao aan passen.





Ergens rond 1988 debatteerde diezelfde Martens over Tibet tegen Frans Boenders. Dat steekspel heb ik toen door andere verplichtingen moeten missen, maar achteraf vertelde Boenders het mij na, met als slotsom: "Met communisten valt niet te praten." Die brave Boenders dacht warempel dat het in communisme om praten gaat. Van dat misverstand was ik toen al lang verlost. Het schrikbewind van Pol Pot in Democratisch Kampuchea (1975-79) heeft daarbij geholpen, maar ook dit. Tijdens een Amada-bijeenkomst had ik een vakbondsman horen reageren op een destijdse SP-uitspraak over "speldenprikken" tegen het grootkapitaal: "De revolutie maken we niet met speldenprikken, maar met mokerslagen!" (Immers, ter attentie van die laffe reformisten die met de bourgeoisie getrouwd zijn: “We willen niet een deel van de koek, ook niet heel de koek, maar heel de bakkerij!”) Jaja, al hebben onze revolutionairen niet veel bereikt, wat waren ze toch woordkunstenaars.





Ook rond die tijd, juni 1989, werd op het Tiananmen-plein in Beijing een protestbeweging voor democratie in het bloed gesmoord. Uitbundige verontwaardiging ("euforie" noemden onze maoïsten het) in de bourgeois-media en, bij monde van Ernest Mandel, onder de trotskisten. In het hoofdartikel van het partijblad Solidair diende Ludo Martens deze Mandel van antwoord, ongeveer aldus: "Trotskisten als hij zijn er niet in geslaagd hun Permanente Revolutie te verwezenlijken in een land zo groot als Liechtenstein. Hem komt het natuurlijk toe, een land met een miljard inwoners de les te spellen."



Een half jaar later hergroepeerden de uit China weggeraakte democratie-ijveraars zich voor een strategische conferentie in warempel mijn thuisstad Leuven, in de Kleine Aula, Maria Theresia-College: "Dadao gongchanzhuyi!" ("Weg met het communisme!") Ik had inmiddels Chinees gestudeerd en was daar zeer welkom, al was het maar omdat ik me als tolk nuttig kon maken. Daar waren ook enkele buitenlandse opponenten van het communistisch bewind op uitgenodigd, onder meer de Londense voorzitter van de "Free Tibet"-campagne. Dat was toch wel een miskleun, want alle Chinezen keerden zich fel tegen hem. De verstandigste onder hen trachtte de gemoederen te bedaren om de bijeenkomst niet te laten mislukken, dus stelde hij een "redelijk compromis" voor: OK, een onafhankelijkheidsreferendum, maar dan in de hele Volksrepubliek... Waarmee mooi aangetoond was hoe nationalistisch de Chinezen, ongeacht politiek standpunt, verenigd zijn rond de trouw aan het ondeelbare moederland.





Het oproer van 1989 is doodgebloed, maar het communisme is eigenlijk wel ten val gekomen. Een fluwelen val, want alle partijprinsen zijn goed terecht gekomen, maar van communisme is onder de Hamer en Sikkel van het conferentiepodium anno 2017 niets meer te merken. Geen Mao-pakjes meer (eigenlijk decennia eerder dan de Revolutie door de vader des republikeinsen vaderlands Sun Yixian gelanceerd), de partijleiders dragen nu een maatpak, zijnde het bourgeois-uniform van de westerse duivels. Men sprak er nog over een "modern socialisme met Chinese kenmerken", maar die lippendienst heeft vooral als functie, de institutionele continuïteit en de oppermacht van de partij te verzekeren en de chaos die een Michaïl Gorbatsjov destijds over het Sovjet-grondgebied afgeroepen heeft, te vermijden. In China reikt de Staat het Kapitaal de hand. En nu het bezoek van Donald Trump aan sterke man Xi Jinping door de Chinezen uitgelegd wordt als het hofbezoek van een leenman aan zijn leenheer, gaat het in China uitgestippelde beleid ons allen aan.





Voorsmaakje van het vervolg: European Institute for Asian Studies, Wetstraat 26 Brussel, donderdag 30 november 2017, 9-12 u. Gratis, allen welkom.


Sunday, October 29, 2017

Een conservatief herbront zich




Een conservatief herbront zich

 (Doorbraak, 25 oktober 2017)

De aartsvader van de conservatieve stroming in de moderne politiek, zo bestempelt men de Iers-Britse wijsgeer en parlementariër Edmund Burke (1729-1797). Hij zetelde nochtans voor de Whig-partij, de “liberalen”, de toenmalige linkervleugel. Zijn blijvende faam heeft hij vooral te danken aan zijn gedachten bij de Franse Revolutie, samengevat in het boek Reflections on the Revolution in France (1990), waarvan zopas een selectie in Nederlandse vertaling heruitgegeven is als Franse Revolutie en Engelse traditie bij Doorbraak. Zowel Burke’s grondtekst als Theodore Dalrymple’s inleiding daarop zijn uitstekend vertaald en van verklarende voetnoten voorzien door Marc Vanfraechem.

In vergelijking met de massa marxistische en cultuurmarxistische geschriften zijn er niet veel inleidingen tot het conservatisme. Daarom alleen al is deze omstandige inleiding door Dalrymple op Burke’s grondtekst van deze belangrijke doch onbekend-onbeminde politieke stroming welgekomen. Door eigen levenservaring tot het conservatisme gekomen, belicht Dalrymple hier het boek dat onwillekeurig tot zijn levensbeschouwelijke bron geworden is.

Dalrymple was tot voor kort als arts werkzaam. Hij verwierf bekendheid met zijn schampere maar zeer deskundige kritiek op de resultaten van decennia van pamperbeleid op de arbeids- en gezinsethos van de onderklasse. Sommige van zijn inzichten blijken meteen citeerbaar in hedendaagse debatten, bv. over de projectie van een hedendaagse waardenschaal op historische figuren. In Vlaanderen haalde hij de krantenkoppen toen de opkomende politicus Bart De Wever zich tot zijn type gezondverstandsconservatisme bekende.





Burke



Over Burke geeft hij enkele tekortkomingen toe, zoals het ook bij de linkse kritiek bekende feit dat hij erger jammerde over koningin Marie-Antoinette dan over de armoede van de boerenstand, en dat hij de gebreken van het Britse stelsel onderschatte. Verder was Burke hier en daar wijdlopig, al heb je daar in dit boek weinig last van, want irrelevante en langdradige passussen zijn eruit weggeslecteerd.

En dan is er nog het verstrijken van de tijdsgeest, wat hier en daar zorgt voor onverwachte zienswijzen die in zijn tijd begrijpelijker waren. Bijvoorbeeld noemt hij een wetmatigheid die we nu in de politiek zelden nog beseffen, namelijk het belang van riddertrouw: een koning hoeft niet op samenzweringen tegen hemself berekend te zijn als zijn mannen hun eed van trouw ernstig nemen (“trouw verdrijft vrees”, p.56), zodat hij niet zijn toevlucht moet nemen tot “tirannie uit voorzorg”. Er is hier en daar ook wat sarcasme dat nu niet meer als origineel zou gelden maar het toen wel was, bv.: de revolutionairen “hebben Frankrijk vrijgemaakt op de manier waarop die oprechte vrienden van de rechten van de mensheid, de Romeinen, de bevrijding van Griekenland, Macedonië en andere volkeren hebben aangepakt.” (p.105)



Maar alles bijeen blijft het nog steeds, ook na ruim twee eeuwen, een hoeksteen van het politieke boekenlandschap: “Het is een mens niet gegeven, in alles gelijk te hebben, en Burke maakte geen uitzondering op deze regel, maar over lopende zaken en diepzinnig boek schrijven dat twee en een kwart eeuw later nog het lezen waard is, en dat voor onze huidige precaire situatie doordringende inzichten bevat, is een opmerkelijke prestatie die door maar een handvol  . (p.21-22)”





Conservatisme

Burke behoorde tot een milieu dat eigenlijk als geheel de bron van het conservatisme mag heten, met onder meer woordenboekmaker Samuel Johnson (http://koenraadelstnl.blogspot.be/2017/10/dr-samuel-johnson.html), geschiedkundige Edward Gibbon, econoom Adam Smith en wijsgeer David Hume. Alleen al hun vriendschap zegt veel over het conservatisme, want ze overbrugde ernstige meningsverschillen die bij links, en bij een middelmatiger variant van rechts, tot verkettering zouden geleid hebben: anglicaans (Johnson en Burke) versus vrijzinnig (Hume en Gibbon), Tory versus Whig, pro en contra de eisen van de separatisten in de Amerikaanse koloniën.

Johnson en Burke zijn allebei bekend om hun pleidooien vóór de inheemse belangen in de overzeese gebieden: Johnson (die, kinderloos, zijn zwarte dienaar tot erfgenaam maakte) deed schamper over de Amerikaanse autonomisten, die vooral af wilden van de beperkingen die de Britse Kroon oplegde aan hun drang om de Indianen te onteigenen en negerslaven te mishandelen, “liberty” zijnde het recht om te veroveren. Burke daarentegen sympathiseerde met hen in hun kritiek op het koloniale ondergeschiktheid, wat een ander soort anti-Britse stellingname. Burke leverde scherpe kritiek op de East India Company en haar corrupte en uitbuitende bewindvoering in Bengalen. Hun “going native” is al één punt waarop hij en zijn vrienden niet beantwoordden aan het stereotiepe beeld dat de linkerzijde van haar tegenstanders cultiveert.

De vrijdenker Gibbon schreef over de anglicaan Burke, met wie hij de ontzetheid over de Franse Revolutie deelde: “Ik bewonder zijn welsprekendheid, ik ben het eens met zijn politieke zienswijze, ik ben vol van zijn ridderlijkheid, ik kan hem zelfs zijn bijgeloof vergeven.”



Bescheidenheid

Burke hamert op onze kleinheid in vergelijking met de enorme erfenis die wij torsen. Nationale eigenheid behoort bijvoorbeeld tot dat erfgoed: “Ik kan niet vatten hoe iemand zulke graad van aanmatiging kan bereiken dat hij zijn land beschouwt als niets dan een blanco blad waarop hij kan krabbelen wat hem maar invalt.”

Wat Burke daar tegenoverstelt, gaat niet om het hoera-patriottisme met zijn vlagvertoon. Politieke conflicten worden hier niet in het Procrustesbed van begrippen als “volksaard” gedwongen. De Britse kolonisten in Amerika hadden gewoon een belangenconflict met het moederland, zij gelden hier niet als “a new nation”, zoals de nationalistische president Abraham Lincoln het voorstelde. De Fransen waren evenmin door hun volksaard gedoemd tot het revolutiescenario dat zich toen ontspon.

Progressief staat gelijk met de leer van het “onbeschreven blad”, de maakbare mens die geen vaderland heeft. En die geen andere dan een materiële dimensie heeft en passief het herkneden door verlichte despoten moet ondergaan. Aldus bijvoorbeeld in voorzitter Mao’s (op p.13 geciteerde) beeld van de boerenstand als een onbeschreven blad waarop prachtige karakters kunnen geschreven worden.





Veranderen om te behouden



“Een staat die de middelen mist tot enige verandering, mist ook de middelen om zich te handhaven”, stelt Burke (p.30). Ter linkerzijde stelt men het graag zo voor dat conservatieven tegen elke verandering gekant zijn, vastgeroest in een verleden waarvan zij het leven oneindig willen rekken. In werkelijkheid laveren zij op de wind, en zijn zij best bereid hun zeilen bij te stellen naargelang de windrichting om hun eigenlijke koers te kunnen handhaven.



Een voorbeeld van elders. Eind 19de eeuw voelden sommige leidende figuren in China wel aan dat niet alleen de technologie maar ook de instellingen aan modernisering toe waren. De literati Kang Youwei en Liang Qichao kregen van het keizerlijk hof carte blanche om hervormingen door te voeren om uiteindelijk van het absolute Qing-keizerrijk een grondwettelijke monarchie naar Brits model te maken. Die formule zou continuïteit verzekeren en een geleidelijke modernisering aanmoedigen. Gezien de bloedige 20ste-eeuwse geschiedenis van de Republiek en de Volksrepubliek, met trage of negatieve economische ontwikkeling, was dat wel de best mogelijke oplossing. Echter, de echt reactionaire krachten binnen het keizerlijk milieu zagen die hervormingen niet graag, en binnen honderd dagen werden die teruggedraaid.



Gevolg was een polarisatie die het republikeinse kamp versterkte en in 1911 tot een revolutie leidde, met de troonsafstand van de laatste keizer, Pu Yi, en de aanstelling van een eerste president, Sun Yixian (Sun Yat-sen), en in het zog daarvan de instabiliteit en de crisissen die de hervormers hadden willen voorkomen. Tekenende bijzonderheid is de kwestie van de inbinding van de voeten bij elitevrouwen: daadwerkelijk afgedwongen door het maoïstisch bewind, was dat verbod al afgekondigd onder de Republiek en zelfs al onder het Keizerrijk, dat wel degelijk tot de hervormingen bereid was die de revolutionairen achteraf als resultaat van hun eigen machtsgreep voorstellen.





Tegeltjeswijsheden



Bij het afscheid geven we nog wat wijsheden mee voor onderweg. Zo varieert Burke op Cicero “dat religie de basis van een beschaafde samenleving is, de bron van alle goeds en troost”. (p.61) En verder moeten filosofen niet de maatschappij naar hun eigen inzichten willen inrichten: “Waren ze zich maar bewust gebleven van hun onlosmakelijke eenheid, elk op zijn eigen plek!” (p.57) Wel ja, dat is het geheim: cuique suum, “elk het zijne”!

Wednesday, October 25, 2017

Dr. Samuel Johnson


PDF Print E-mail
  

Nu er in de Lage Landen sprake is van een bescheiden conservatief golfje in het opinielandschap, rijst de vraag op welke leerstellige lichtbakens deze stroming zich gaat inspireren. Er is natuurlijk de analyse van de hedendaagse noden, maar onvermijdelijk gaat men ook verwijzen naar bepaalde geselecteerde klassieken. Zo noemt een Nederlandse conservatieve denkgroep zich de Burke-Stichting, naar de 18de-eeuwse Iers-Britse politicus Edmund Burke, bekend van zijn kritische Reflections on the Revolution in France. Een tijdgenoot die in de Angelsaksische wereld vaak geciteerd wordt als doorprikker van linkse humbug, tevens stichter van een conservatieve praatclub waartoe naast Burke ook Edward Gibbon, Oliver Goldsmith en Adam Smith behoorden, is Samuel Johnson (1709-84). Hij verdient ook hier een grotere bekendheid.

Meestal, bijvoorbeeld op de vermelding van zijn gerestaureerd huis op het Londense stadsplan (Gough Square 17, vlakbij Fleet Street), noemt men hem complimenteus “Doctor Johnson”. Dit is in zoverre merkwaardig, dat hij formeel nooit enige academische graad behaalde: ondanks de briljante indruk die hij op zijn professoren maakte, had hij al na één jaar wegens geldgebrek zijn studies in Oxford moeten staken. Hij probeerde het dan maar als schoolmeester en vervolgens met meer succes als free-lance journalist. Hij schreef ook inleidingen bij edities van klassieke en Engelse auteurs, ondermeer Shakespeare, plus enkele pamfletten over de hete hangijzers van toen, zoals de eerste oorlog om de Falkland-eilanden en het separatisme onder de Britse kolonisten in Amerika. Zijn bekendste prestatie, die hem tot de spreekwoordelijke geleerde (vandaar “Doctor”) maakte, was zijn redactie van het eerste wetenschappelijke woordenboek der Engelse taal. Hij werkte eraan met een groep assistenten van 1747 tot 1455 en het vormt nog steeds de basis voor de Chambers, Oxford, Webster’s en andere gezaghebbende woordenboeken van nu.


Blauwkousen


In zijn daden weerlegde Johnson allerlei linkse vooroordelen over het conservatisme, dat met alle lelijks en fouts uit de recente Westerse geschiedenis vereenzelvigd wordt.

Kolonialisme? Hij was een fel criticus van de beweging van de Amerikaanse kolonisten voor onafhankelijkheid, en betoogde dat zij voor zichzelf rechten opeisten die zij ontzegden aan hun slaven (“De luidste kreten om vrijheid horen we bij de drijvers van negers”) en aan de inboorlingen. Eén van de minder bekende grieven die tot de Amerikaanse secessie leidden, was inderdaad dat de kolonisten zich door de pro-Indiaanse bemoeienissen van de Kroon gehinderd voelden. Noteer dat ook Johnsons vriend Burke in zijn tijd vooral bekend raakte door zijn aanklachten tegen de misbruiken van de East India Company in de exploitatie van de rijkdommen van India. Kolonisatie was vooral een liberaal en progressief project: vrije wereldhandel, feodale regimes de kop indrukken, de bevrijdende moderniteit propageren. Johnson liep vooruit op de hedendaagse veroordeling van het kolonialisme: “De Europeanen hebben nauwelijks enige kust bezocht tenzij om hebzucht te bevredigen en corruptie uit te dragen; om zich zonder recht de heerschappij toe te eigenen en zonder aanleiding de wreedheid te beoefenen.”

Racisme? Johnson had een zwarte huisknecht uit Jamaïca, en nog in volle slaventijd had hij er geen bezwaar tegen dat deze met een Brits meisje trouwde. In zijn testament liet hij hun een deel van zijn onroerend goed plus een jaarrente na. Dat een van de tenoren van het conservatisme allerminst beantwoordde aan hoe linksen zich een “rechtse zak” voorstellen, moet niet verwonderen. Links gaat uit van bepaalde egalitaire en progressistische dogma’s, en projecteert op zijn tegenstanders diezelfde dogma’s maar dan in tegengestelde zin. Welnu, het conservatisme gaat niet uit van het soort abstracte dogma’s waaraan de linkerzijde haar politieke actie ophangt, maar van concrete levenservaring. Huisknecht Francis Barber was een goed en verdienstelijk man, en dat bepaalde Johnsons houding tegenover hem, niet één of andere statistische studie over een lager IQ of hoger misdaadcijfer bij “de” zwarten. Het racisme zou van de late 18de tot midden de 20ste eeuw vooral bij links erg populair zijn: het was immers een materialistische doctrine die de mens tot zijn biologische dimensie herleidt, een gelijkschakelende mensvisie die individuen als exemplaren van een grotere categorie (nu eens klasse, hier weer ras) ziet, en via de eugenetica een instrument in het utopische project van de volmaakte samenleving.

Seksisme? Johnson liet zich natuurlijk niet in met de toen schuchter beginnende ideeën over de gelijkheid tussen man en vrouw, maar hij was bevriend met Elizabeth Carter en haar kring van hooggeleerde vrouwen die zich door hun blue stockings onderscheidden, en gaf in zijn periodiek The Rambler regelmatig ruimte voor publicaties van deze “blauwkousen”.  Hij stak ook de draak met mannen die de schuld van alle problemen bij de vrouwen legden en zich niet opgewassen voelden tegen paarvorming met een vrouw van gelijk vormings- of verstandelijk niveau. Zelf trouwde hij in 1735 een oudere en rijkere weduwe, naar getuigenis van hemzelf en vrienden een huwelijk uit wederzijdse liefde die onverminderd bleef tot zij in 1752 stierf.

Afwijzing van het stadsleven? “Stadslucht maakt vrij”, mijmerde de liberale auteur Heinrich Heine, terwijl de conservatieve plattelandssamenleving als een bedompt nest van reactionaire verhoudingen en verstikkende onderdrukking gezien werd. Nochtans waren het bij uitstek linkse denkers als Jean-Jacques Rousseau die het landleven en de natuur verheerlijkten en de mensenmaatschappij, dus bij uitstek de stad, als factor van bederf veroordeelden. Conservatieven als Johnson delen die afwijzing van de reëel bestaande mensenbeschaving echter niet, zelfs niet in haar grootsteedse variant: “Nee, mijnheer, wanneer een man Londen moe is, is hij het leven moe; want in Londen vindt men alles wat het leven te bieden heeft.”

Intolerantie? Johnson was een voorstander van wat we strikt genomen een theocratie zouden kunnen noemen, het gevestigde systeem van een staatskerk met het staatshoofd als Defender of the Faith. Toch bepleitte en beoefende hij de tolerantie tegenover minderheidskerken als het katholicisme en volgde hij met sympathie de start van het methodisme van John Wesley, dat zich specifiek op de noden van de nieuwe arbeidersklasse zou richten. In conversatie nam hij vaak voor de gein het standpunt tegengesteld aan het zijne in, en meestal kon hij dat even overtuigend argumenteren als een echt gemeend standpunt. Een beetje zoals Thomas van Aquino altijd eerst de sterkst mogelijke formulering van het te weerleggen standpunt betrachtte vooraleer zijn eigen argumenten daartegen in te brengen. Dit is een zeer goede oefening in breeddenkendheid en gewoon in helder denken, tegengesteld aan de inhalige gelijkhebberij van links, dat elke rechtse gedachte als een besmettelijk gevaar verre van zich houdt en rechtse argumenten meestal eerst door een karikatuur vervangt vooraleer ze te “beantwoorden”.


Duivel


Hoe verhield Johnson zich tot hebzucht en egoïsme, volgens links de overheersende trend in het tijdperk van Margaret Thatcher en dus typerend voor het conservatisme? Johnson, die zelf voortdurend met geldgebrek worstelde totdat koning George III hem in 1762 een uitkering toekende (die hij slechts met grote gêne aanvaardde omdat hij eerder het corrumperend effect van overheidssteun gehekeld had), verleende voortdurend gastvrijheid en materiële steun aan vrienden in nood. George Bush jr., een beschaamde neoconservatief die zich “compassionate conservative” noemt, net alsof het conservatisme uit zichzelf een gebrek aan mededogen zou vertonen, had van Johnson iets kunnen leren: het conservatisme gelooft in de betrachting van de deugdzaamheid, ondermeer van het concrete mededogen met concrete mensen, daar waar het linkse mededogen alias “solidariteit” er slechts in bestaat, via de belastingen “van de rijken te stelen om aan de armen te geven”, een structurele ingreep die het eigen mededogen onaangesproken laat.

Militarisme? Hierbij is weinig commentaar nodig: “Daar oorlog de laatste remedie is, nadat al het andere eerst geprobeerd is, moet men alle legitieme methoden gebruiken om hem te vermijden. Omdat oorlog het uiterste kwaad is, is het zeker de plicht van degenen wier positie de zorg over naties toevertrouwd heeft, om hem af te wenden.”

Nationalisme? Deze moderne doctrine, die een van de pijlers van de Franse Revolutie zou worden, kon voor een belijder van een religieus wereldbeeld nooit aan de verdenking ontkomen, een soort afgoderij te zijn. Het was belangrijk dat een legitiem heerser, staatsinstellingen en de morele waarborg van de godsdienst de maatschappelijke orde goed beheerden, veel meer dan dat de eenheid van politieke orde met een etnische groep zou samenvallen. Johnson deed dan ook meewarig over mensen die hun kostbare levensjaren verdoen met strijd voor de etnische hertekening van grenzen. De bekendste politieke uitspraak van Dr. Johnson is waarschijnlijk: “Patriottisme is de laatste toevlucht van de schurk.” Stalin en Saddam Hoessein zijn bekende voorbeelden van dictators die, eens in het nauw gedreven, hun eigen palmares trachtten te doen vergeten door hun volk tot vaderlandsliefde op te roepen.

De fundamentele tegenstelling tussen conservatisme en vooruitgangsgeloof was in Johnsons tijd nog erg scherp en helder (anders dan nu, nu veel van wat toen links heette als rechts geldt). Tegen het enthousiasme voor de vooruitgang, belichaamd door de toenmalige liberalen of Whigs, misschien best te vertalen als “progressisten”, vloekte hij: “De duivel was de eerste Whig.” De duivel, zoals opgevoerd in het bijbelboek Genesis, was alleszins de promotor van de hoogmoed, de titanische wil om aan God gelijk te zijn, en dat is de typische pretentie van het vooruitgangsgeloof, tegengesteld aan de bescheidenheid en omzichtigheid die de kern van de conservatieve ingesteldheid uitmaken.


Eéndimensionalisering


Het is voor linksen normaal, alles aan de politiek ondergeschikt te maken, want politiek is voor hen de sleutel tot de staatsmacht als hefboom voor de veranderingen die tot een betere wereld moeten leiden. Conservatieven hebben een veel beperktere opvatting over het belang van de politiek. Dr. Johnson heeft dan ook weinig zuiver politieke geschriften op zijn naam, en des te meer algemene observaties over mensheid en cultuur, die terloops ook wel politieke implicaties kunnen hebben.

In zijn editie van de werken van Shakespeare beklemtoonde Johnson dat men, om een schrijver uit een vroeger tijdperk te begrijpen, al het mogelijke moet leren over het morele en intellectuele klimaat van die tijd, eerder dan hem te beoordelen vanuit de bekommernissen en maatstaven van vandaag. Wie dat inzicht afdoet als louter van belang voor studenten van de letterenfaculteit, moet beseffen in welke mate de progressisten van toen en nu onze kijk op de werkelijkheid verstoren door stelselmatig het omgekeerde te doen. Enkele decennia geleden werd de geschiedenis herschreven in termen van klassenstrijd, vandaag is het bekendste voorbeeld allicht de heksenjacht op “racisme” in auteurs uit vorige eeuwen, van Rudolf Steiner tot T.S. Eliot (toevallig natuurlijk niet Karl Marx), alsof rasdenken toen niet tot het algemeen aanvaarde wereldbeeld behoorde en ook logisch bij de toenmalige stand van de wetenschap paste. Hollywood produceert aan de lopende band historische films waarin de gebeurtenissen van destijds in het licht van hedendaagse normen omgeduid worden, bv. Prince of Egypt, waarin Mozes warempel de slavernij wil afschaffen; Gladiator, waarin het herstel van de Romeinse senaat als protodemocratische doelstelling in de plot ingelast wordt, e.v.a. Omdat Luther tegen de vermaledijde paus was, wordt hij vaak als voorvechter van de meningvrijheid opgevoerd, wat hij volstrekt niet was; omdat Abraham Lincoln de zwarte slaven vrij verklaarde, wordt hij ten onrechte als antiracist voorgesteld, enz. enz. De herleiding van de geschiedenis tot haar “relevante” dimensie, of in praktijk de vervalsing van de geschiedenis in termen van hedendaagse bekommernissen, is één van de vormen van ééndimensionalisering (naast de reductie tot homo economicus) die de linkse impact op ons wereldbeeld typeert.

Johnson bepleit ook bescheidenheid in onze intellectuele greep op de geschiedenis. Tegen diverse deterministische visies op de vermeend onafwendbare opmars van bepaalde vooruitgangskrachten, breekt hij een lans voor de rol van het onverwachte, ondermeer via de vrije wil van individuen: “De meeste historici maken de vergissing, aan te nemen dat elk effect een evenredige oorzaak heeft. In de levenloze interactie van materie met materie kan de voortgebrachte beweging niet anders zijn dan evenredig met de kracht van de in beweging brengende impact. Maar de werking van het leven, zowel privé als openbaar, laat zulke wetmatigheid niet toe. De bokkensprongen van met wil begiftigde agentia lachen met zulke berekening. Er is niet altijd een sterke reden voor een grote gebeurtenis.”


Bescheidenheid


Vele van Johnson’s bon mots zijn “slechts” observaties van het algemeen menselijke gedrag, maar zijn evengoed lezenswaard. Aldus bv.: “Wees er maar zeker van dat als een man over zijn tegenslagen praat, er iets in is dat hem toch niet helemaal onaangenaam is; want waar er alleen maar pure miserie is, daar neemt men zijn toevlucht niet tot gepraat erover.” Ik heb het zelf kunnen vaststellen: terwijl zogenaamde sikh-vluchtelingen die in het asielzoekerscentrum met veel tamtam kwamen vertellen over folteringen die zij ondergaan hadden, zonder uitzondering als bedriegers door de mand vielen, kon ik echte vluchtelingen uit Bangladesj die in moslimpogroms alles verloren waren, er maar met de grootste moeite toe bewegen hun verhaal te vertellen.

Als intellectueel van de hoogste rang was Johnson weinig onder de indruk van intellectualisme: “Er is gezegd dat ‘een corrupte samenleving vele wetten heeft’; ik vraag me af of het niet evenzeer waar is dat ‘een tijd van onwetendheid vele boeken heeft’.” Men voert tegenwoordig campagnes om het lezen te bevorderen, maar gezien de armzalige inhoud van al te veel boeken is het hoogst onzeker dat dit een vorm van volksverheffing is.

Links appelleert graag aan afgunst en zelfbeklag, noem het de neiging tot zeuren en zagen, een ander mikpunt van Johnson’s kritiek: “Wanneer iemand klaagt over hoe weinig anderen naar hem omzien, laat hij dan bedenken hoe weinig hij bijdraagt tot hun geluk, en hoe weinig hij mee lijdt onder hun pijnen.” Als was het om Johnson in het ongelijk te stellen, affecteert de hedendaagse linkerzijde, genre Bill Clinton en Tony Blair, juist graag een diep inlevingsvermogen: “Ik voel uw pijn”, beweerde Clinton. Welnu, merkt Johnson op: “Het is holle grootspraak, te doen alsof men het lijden van anderen voelt zoals zij het zelf voelen. Je zal vaststellen dat deze o zo voelende mensen je weinig goeds doen. Zij betalen je met voelen.”

Een van de speerpunten van de Verlichting was de verwerping van de traditie en van de gehoorzaamheid aan het overgeleverde, waarvoor zij het eigen onderzoek in de plaats stelde. Geloof niet wat de pastoor of de schoolmeester je vertelt, ga het zelf verifiëren. Niets op tegen, zegt Johnson, maar men moet de onvermijdelijke beperkingen van deze benadering inzien: “Het grootste deel van de mensheid dankt al zijn kennis, en heel de mensheid dankt minstens het overgrote deel ervan, aan de informatie door anderen.” In zoiets korts als een mensenleven kan men zijn kennis niet helemaal vanaf nul zelf opbouwen, en is men bijgevolg grotendeels op vertrouwen en gezag aangewezen. Steeds weer blijkt bescheidenheid en een realistisch gevoel voor de menselijke beperktheid de kern van het conservatisme te vormen.

Tot zover een kort overzichtje om de belangstelling te wekken. De gebruikelijke toegang tot het werk van Samuel Johnson is zijn biografie door zijn jonge Schotse vriend John Boswell, verkrijgbaar in de reeks Penguin-classics. Johnson had een anti-Schotse reputatie, al was het maar omdat zijn woordenboek bij het lemma oat/”haver” verklaart: “Graansoort die in Engeland aan paarden te eten gegeven wordt maar in Schotland aan mensen.” Maar ook hier was er in zijn persoonlijkheid ruimte genoeg voor afstand tussen theorie en praktijk, want sommige van zijn beste vrienden waren Schotten. Boswell bewonderde hem mateloos en zijn biografie Life of Johnson is in die zin niet onpartijdig, maar ze is wel rijk aan sprankelende anekdotes en observaties. Na lezing zal u graag de moeite doen, Dr. Johnson’s minder vlot verkrijgbare eigen werken uit de vergetelheid op te vissen.

(Nucleus, < 2009)

Friday, October 20, 2017

Herman Rasschaert wordt zalig


(Doorbraak, 20 oktober 2017)


Het Vaticaan wil een Vlaming zalig verklaren: Herman Rasschaert s.j.  Hij stierf in 1964 toen hij te Gerda bij Ranchi, India, een groep moslims in een moskee trachtte te ontzetten die door een groep Garo-tribalen belaagd werd. Die hadden hen uitgekozen om hun wraak op te koelen wegens de moslim-moordpartijen op Garo's net over de grens in Oost-Pakistan. Velen van de daders waren vluchtelingen die deze bloedbaden van nabij meegemaakt hadden. In die tijd bestond de pro-islamitische censuur nog niet, dus anders dan nu bij de Rohingya's werd deze voorgeschiedenis van moslimschuld destijds niet weggemoffeld.

Zelf ben ik opgegroeid met het relaas van zijn martelaarschap. Hij was de broer van een klasgenote van mijn moeder. We hoorden het verhaal regelmatig, en als meest leesgrage thuis heb ik ook al de krantenknipsels en het Vlaamse Filmken terzake verorberd. Eén punt daarin was altijd een leugentje om bestwil, voor ons zielenheil: de bewering dat de wraakoefening het werk was van "hindoe" tribalen, niet van gekerstende tribalen.

Missionarissen beweren altijd dat "tribalen geen hindoes zijn". Behalve dan wanneer ze zich misdragen, dan zijn het plots "hindoe fanatici". In ieder geval waren zij maar een deel van de wraakexpeditie, want daarin zaten er ook gedoopte tribalen, die evenzeer woedend waren wegens de moslimterreur tegen hun volksgenoten. Nadat ze een steen tegen het hoofd van Herman Rasschaert gegooid hadden en hij bewusteloos op de grond doodbloedde, maakten ze hun werk in de moskee af, maar daarna hield de agitatie in de hele streek meteen en volledig op. De daders waren tot inkeer gekomen omdat ze hún pater gedood hadden. Natuurlijk hadden ook christenen zich aan de kant van de wraakoefening geschaard. We zullen nu zien of de Kerk het leugentje van destijds volhoudt.

Maar voor wat een zaligverklaring waard is: Rasschaert heeft ze zeker verdiend. Hij was een held, die de voorzichtige raad van zijn inheemse collega's trotseerde om mensenlevens te gaan redden. Zijn motto was: Fiat iustitia pereat mundus ("Recht, al barstte de wereld").

Die leuze werd tevens de titel van zijn biografie, 1995, van de hand van Robert Houthaeve. Bij de boekvoorstelling, in de afgeladen volle feestzaal van het college in zijn geboortestad Aalst, schitterde de leiding van de Vlaamse Kerk echter door haar afwezigheid. Rasschaert was daar namelijk een omstreden figuur door zijn Vlaamsgezindheid. Die kwam meer voor onder jezuïeten, zoals bij de woordenboekmaker Jozef Verschueren. Zij kleurde ook het werk van de jezuïetenmissie in de streek van Ranchi, in de 19de eeuw gesticht door Constant Lievens.

Inderdaad, in het verre India konden Vlaamse jongens hun flamingantisme gaan uitleven. Zij verstrekten er immers, net als hun collega's in Kongo, onderwijs in de volkstaal, daar waar bv. de Amerikaanse baptisten er voor het Engels opteerden. Zij ontwierpen de terminologie voor moderne begrippen. De tribale talen van die streek hebben hun voortbestaan daaraan te danken. Eén ervan, het Santali, werd in 2002 tot officiële taal opgewaardeerd. De politieke verdienste daarvoor ligt bij de partij die er lang voor geageerd had en die, eens aan de macht, er ook werk van gemaakt heeft, namelijk de Hindoe-Nationalistische BJP (die ook vandaag de regering vormt). Maar dat het Santali überhaupt in aanmerking kwam voor die officiële status, in plaats van een verdwijnende keukentaal geworden te zijn, is de verdienste van Vlaamse jezuïeten zoals Herman Rasschaert.





Thursday, October 19, 2017

Vrije Meningsuiting onder druk




(In Flanders’ Fields, 20 oktober 2017)



Het had op 10 oktober eigenlijk een primeur voor de Debatclub moeten worden: Jean-Marie Dedecker tegen Peter Mertens. Tussen diens welbespraakte voorganger, de rechtlijnige maoïst Ludo Martens zaliger, en de eveneens goed van de tongriem gesneden libertariër JMDD was het zeker vuurwerk geworden. Maar het huidige halfslachtige socialisme van Mertens, dat zijn eigen partij ooit als “reformisme”, “revisionisme” en “met de bourgeoisie getrouwd zijn” verketterd zou hebben, is moeilijker te verdedigen. Hij is er tussenuit gekropen en dus moest de Debatclub naar een ander duo pratende hoofden op zoek.

Het werd dan Joël De Ceulaer, sterjournalist bekend van De Standaard, De Morgen en Knack, tegen Sam Van Rooy, ingenieur, islamkenner in het zog van zijn vader Wim, en nu VB-medewerker. Moderator was Doorbraak-hoofdredacteur Pieter Bauwens.



Cordon médiatique

De Ceulaer is een zelfverklaaard “spijtoptant van het cultuurmarxistische politiek-correcte complex”. Hij heeft het de jongste tijd regelmatig voor een onverkort vrije meningsuiting opgenomen, zonder valse doorzichtige uitvluchten van het type: “Jamaar, haatspraak is geen mening, het is een misdaad en mag gerust verboden en bestraft worden.”  Hij is daarin naar eigen zeggen “Amerikaanser” geworden: de overheid moet zich minimaal met meningen bemoeien. Maar krijgt hij als opener de vraag of de vrije meningsuiting nog bestaat, dan begint hij over het cordon médiatique dat niet meer zou bestaan. Zo blijkt Tom Van Grieken vlot toegang tot knack.be te hebben.

Van Rooy zet vanuit zijn eigen ervaring de puntjes op de i. De meeste van zijn opiniestukken in Doorbraak zijn eerder naar De Standaard en andere mainstreammedia gestuurd en daar geweigerd, en zijn partijgenoten maken nog onverminderd iets gelijkaardigs mee. Wat meer is: tientallen van zijn contactpersonen getuigen dat ze zelfs op de sociale media gecensureerd zijn, enkele jaren geleden nog bejubeld als een vrijplaats voor onorthodoxe standpunten. De vrije meningsuiting staat meer dan ooit onder druk vanwege het heersende cultuurmarxisme, en wordt toenemend bedreigd door de islam.

Daarmee is het grote woord eruit, de olifant in de kamer. Het cultuurmarisme was al aan onze vrijheden aan het knabbelen, en de islam was nog niet in het spel toen beginselloze politici ons de negationismewet opdrongen. Maar daarover, bij voorbeeld over de effectieve gevangenisstraf voor Siegfriend Verbeke (die onder het publiek nog steeds wat aanhang heeft), ging het hier niet. De islam eiste alle aandacht op.



Haatimams

Of Van Rooy dan haatimams de mond wil snoeren? Of hij, anders dan de media, wél de vrijheidsliefde aan de dag legt om ook zijn vijanden aan het woord te laten? Hij aarzelt en geeft toe dat hij het daar moeilijk mee heeft: de klassieke partijen hebben de islam geïmporteerd en ons daar met een probleem opgezadeld. In Japan of Hongarije stelt zich de vraag gewoon niet. De Ceulaer erkent het probleem van de “pleidooien voor de sjari’a en islamrechtbanken” onomwonden, en vindt sinds zijn bekering tot de onverkorte uitingsvrijheid dat ook dat moet kunnen. Immers, wat elders geldt, is ook hier van toepassing: die vrijheid is ondeelbaar, en een mening verbieden jaagt ze maar ondergronds waar ze des te gevaarlijker voortwoekert. Hoewel hij nooit de hoofddoek zegt verdedigd te hebben, is hij dus consequent tegen een verbod.

Van Rooy krijgt van De Ceulaer het verwijt dat hij niet de vrije intellectueel is die hij lijkt, maar een partijman die de partijlijn moet verdedigen; en die bovendien de geschiedenis van de partij slecht kent. En inderdaad, vroeger hing zij sommige conservatieve strijdpunten aan die zij nu aan de islam kwalijk neemt. Hij gaat niet op dat verleden in want de dreiging is nu zo groot geworden dat het een  frivole luxe is om nog over vroeger te emmeren. Dat vindt De Ceulaer dan weer onnodig apocalyptisch.

Van Rooy schiet terug: “Ik moet niets meer voorspellen, we zijn er al. Cartoonisten worden gecensureerd”, zoalniet door de overheid, dan door hun oversten of door zichzelf. Of zie de schandalige vervolging van de vals beschuldigde kleuterjuffrouw Magalie, en natuurlijk de fysieke uiting van pro-islamitische meningen via aanslagen.



Reductio ad Hitlerum

Wanneer hij daaraan een pleidooi voor een immigratiestop voor moslims verbindt, komt De Ceulaers oude reflex echter boven: “Vervang ‘moslims’ door ‘joden’.” Van Rooy zet deze hyperfocus op het nazi-verleden meteen op zijn plaats: wie om de joden geeft, heeft juist alle reden om de islamisering krachtig tegen te gaan.

De Ceulaer, nu in de verdediging gedrongen, begint echter niet met nu de censuur op zulke anti-moslimstandpunten te rechtvaardigen, maar wijst integendeel op het voortschrijdend inzicht en de onmiskenbaar toegenomen openheid van De Morgen: “Wij laten ook ex-moslims aan het woord.”  De vrije meningsuiting wordt door beide sprekerss als norm erkend. Ziedaar dan ook de echte winnares van dit debat.