Thursday, August 24, 2017

De kerstening der Germanen


De kerstening der Germanen
(Kort Manifest, no.198, okt.-nov. 2012)


Wie het Europese erfgoed wil behoeden, bekent zich doorgaans tot een religieuze of tot een etnische loyauteit. Enerzijds het christendom als kern van de Europese eigenheid, anderzijds  de voorouderlijke erfenis, met daarbinnen de klemtoon op ras, of op taal, of op diepere cultuurkenmerken die sinds voorchristelijke tijden doorheen de kerstening en zelfs tot in de postchristelijke tijd stand gehouden hebben. Een belangrijke fase in de geschiedenis van onze Germaanse voorouders is nu het voorwerp van een voortreffelijk boek: De Germanen en het christendom. Een bewogen ontmoeting 5de-7de eeuw. Het telt 240 bladzijden prettig leesbare tekst, maar voorts ook kaarten, genealogische tabellen, een index, zeer veel voetnoten en een uitgebreide bibliografie. 



De goede Germanen

Vooraleer het verhaal van die kerstening te doen, schetst de auteur, katholiek theoloog en kerkhistoricus Pierre Trouillez, de voorchristelijke Germaanse samenleving met ondermeer deze parafrase op Tacitus’ Germania: “De Germanen kennen ook een gelede samenleving, met heren en knechten, maar er is geen sprake van autocratie. De gekozen koning moet zijn rang en gezag voortdurend door zijn gedrag legitimeren. Verder beslissen allen over de belangrijkste aangelegenheden van de stam in de volksvergadering of ding. Al laten de mannen het werk op de akkers en het huishoudelijk gezwoeg aan de vrouwen over, deze laatsten worden geenszins als minderwaardige wezens beschouwd. (….) Bovenal worden zij tegen de mannelijke grilligheid beschermd door de strikte eisen van de monogamie en de huwelijkstrouw. Zij spelen ook een grote rol bij het beoefenen van de gastvrijheid, die de Germanen hoog in het vaandel houden. Ten slotte is dat volk wel ruw en vechtlustig, maar ook vrij van achterbaksheid, want ieder zegt zijn mening open en bloot.” (p.17)

Tacitus voerde een kruistocht tegen de Romeinse decadentie, dus zijn contrasterende indrukken over de nobele Germanen kunnen wat geïdealiseerd zijn. Het is echter waarschijnlijk genoeg dat de “wilde” Germanen weinig last hadden van de stadsziekten die Rome teisterden.

Dat Germanendom is door zijn dominantie in laat-Romeins en middeleeuws Europa één van de pijlers van ons werelddeel. Was de niet-erkenning van het de rol van het christendom in de EU-ontwerpgrondwet tenminste nog het voorwerp van controverse, dan was het doodzwijgen van de Germaanse rol in de geschiedenis van Europa iets waar alle betrokkenen het over eens waren. Nochtans zegt Christopher Dawson in The Making of Europe dat naast Rome, Athene en Jeruzalem ook de “barbaren” een wezenlijke rol gespeeld hebben in het ontstaan van Europa. 

In de eeuwen na Tacitus kwamen de Germanen onder invloed van hun Romeinse buren door het toenemend handelsverkeer. Toch behielden Romeinse auteurs vier eeuwen later nog ongeveer dezelfde indruk van de nauwelijks of recent gekerstende Germanen. De nieuwe Germaanse heersers verlichtten de belasting voor de armen en vermeerderde die van de rijken, aldus in de 6de eeuw het getuigenis van Gregorius van Tours. (p.27) Salvianus van Marseille prijst de Germanen, die zich van de decadente Romeinen onderscheiden “door hun solidariteit, vooral met de zwakkeren, door hun kuisheid en afkeer voor de publieke spelen en huwelijksbedrog”. Hij zegt zelfs dat zij “alle provincies zuiveren die de Romeinen met hun ontucht hebben bezoedeld”. (p.41)



Wulfila

Dit gunstig getuigenis door een katholieke bisschop is des te opmerkelijker omdat de meeste vroeg gekerstende Germanen tot een rivaliserende christelijke stroming toegetreden waren, namelijk het arianisme. De Goten, die in Midden-Europa buren van het Rijk waren, gedoogden het bekeringswerk van bisschop Wulfila, een volgeling van bisschop Arius. Die leerde een zuiver monotheïsme, tegen de katholieke Drievuldigheid. Geen goddelijke natuur voor Jezus dus, noch voor de Heilige Geest, een soort islam zonder Mohammed.

Hun heidense koning Athanarik zou zich in 368 pas tegen de groeiende christelijke minderheid keren nadat hij de indruk kreeg dat zij een vijfde kolonne van het christelijke Romeinse rijk ging worden, wiens keizer Valens inderdaad ambities tegen de Goten had. Toen hij maatregelen tegen de christenen nam, wekte dat tegenstand op bij zijn medeheidenen, die vonden dat sektaire tegenstellingen de nationale eenheid niet in gevaar mochten brengen (wat overigens juist Athanarik’s eigen bezwaar tegen de kerstening was). De tegenstand kwam onder leiding van hertog Fritigern, die de vorst militair uitdaagde maar op de vlucht gejaagd werd. Als om Athanarik’s vrees te bevestigen, zocht Fritigern toevlucht en steun bij de Romeinen, en nadat hij die gekregen had, bekeerde hijzelf zich ook tot het christendom.  

Onder invloed van het ariaanse christendom werden de Goten en andere Germaanse stammen fanatiek anti-katholiek. Als bekeerlingen bestreden zij de nieuwe Roomse godsdienst veel feller dan zij ooit als heidenen gedaan hadden. De Vandalen zouden in Noordwest-Afrika talloze priesters en bisschoppen folteren, om de bergplaats van de kerkschatten te onthullen maar ook om hun “dwaalleer” op zijn plaats te zetten. De blijvend slechte faam van de Vandalen als vernielers is het gevolg van hun slechte pers bij de katholieke geschiedschrijvers. Alleszins zou de herovering van een deel van Noordwest-Afrika door de Oost-Romeinse keizer Justinianus in 534 voor een herstel van de katholieke suprematie zorgen. Het is dus niet waar dat de gemakkelijke verovering van de Maghreb door de islam het gevolg was van drijverijen tussen katholieken, arianen en de (grotendeels vreedzaam tot de katholieke kerk toegetreden) leden van een andere “ketterij”, het donatisme. Het gebied was nagenoeg homogeen katholiek toen de Arabieren kwamen. In 535 verloren alle niet-katholieken hun burgerrechten, “aangezien het voor hen voldoende was in leven te blijven”. (p.76)

In Italië eerbiedigde de Gotische veroveraar Theoderik de katholieken omdat hij niet in dwangbekeringen geloofde. Hij gebruikte de tegenstelling ariaans-katholiek ook als element om de Goten en de Romeinen uiteen te houden, naast de bestuurlijke apartheid en het verbod op menghuwelijken. Een groot voordeel voor de katholieke Kerk van een ariaan als heerser was ook dat Theoderik zich niet met de formulering van de kerkelijke leer bemoeide, wat onder de katholieke keizers wel anders geweest was. Onder zijn bewind pionierde Cassiodorus de spreekwoordelijke schrijf- en kopieerkust van de abdijen, formuleerde Benedictus van Nursia zijn kloosterregel, en legde Dionysius Exiguus de christelijke jaartelling vast.

Voor de historische taalkunde zou Wulfila’s Bijbelvertaling van onschatbaar belang blijven als oudste tekstcorpus in een Germaanse taal. Maar ook in de godsdienstpolitieke verhoudingen van die tijd speelde ze een grote rol. Katholieken gebruikten de Latijnse Bijbeltekst, die in de geromaniseerde rijksdelen nog begrepen werd (hoewel de spreektaal van het standaard-Latijn weggroeide) maar in nieuwe missiegebieden een vertolking in de volkstaal tijdens de mondelinge prediking behoefde. De arianen lanceerden echter, zoals later de protestanten, de Bijbel in de volkstaal, en Wulfila’s vertaling had een gelijkaardige invloed als later die van Luther: het volk rechtstreeks aan de Bijbel blootstellen. De katholieke bisschoppen zagen dat niet graag, omdat de kerkelijke leer inmiddels een eigen leven had aangenomen en ver van de rauwe Bijbelinhoud weggegroeid was. Het was beter voor het godsvolk als het slechts een kerkelijke selectie van passend geduide Bijbelteksten tot zich nam. Ondermeer de opvallende geestdrift van de barbaarse Goten voor de bloeddorstige krijgspassages uit het Oude Testament bevestigde de kerkleiding in die bekommernis.



Godsoordeel

In zijn beschrijving van de zege van christendom op heidendom en van katholicisme op arianisme begaat de auteur , net zoals de meeste katholieken sinds vele generaties, de fout van aan te nemen dat die overwinning organischerwijze uit inhoudelijke superioriteit voortkwam. Niets op tegen dat hij als katholiek het katholicisme superieur vindt, natuurlijk, maar het is gewoon een feit dat superieure doctrines vaak om andere dan inhoudelijke redenen door barbaarse zijn overtroefd. De auteur moet slechts naar het einde van zijn eigen verhaal kijken om te zien hoe katholiek en ketters christendom samen ten onder gingen toen de islam Noordwest-Afrika veroverde: anders dan in Egypte en de Levant (waar trouwens vooral “ketterse” kerken floreerden), wist het er geen stand te houden onder moslimbewind. 

Het idee dat de winnende religie ook de beste moet zijn, is paradoxaal genoeg juist een toepassing van een heidense Germaanse gewoonte, namelijk die van het godsoordeel. Dat betekende dat men in een rechtskundig dispuut een tweegevecht tussen de gedingvoerende partijen over gelijk of ongelijk liet beslissen: wie de ander het zwaard uit de hand kon slaan, of diens hoofd wist af te hakken, die móest wel in zijn recht zijn. Dat de Roomse kerk heidendom en arianisme in Europa vernietigd heeft, vormt geen bewijs van haar gelijk of superioriteit, net zo min als de vernietiging van het christendom in Noordwest-Afrika het gelijk van de islam bewijst.

De auteur geneert zich niet voor zijn status van katholiek theoloog en is onbeschroomd partijdig: “In vergelijking met het Germaanse pantheon bood de christelijke God zekerheid omdat Hij als enige het hele kosmische gebeuren volgens vaste wetten bestuurt en bovendien als ‘onze Vader’ om het welzijn van de mensen bekommerd is. We kunnen daarom aannemen dat de prediking van Wulfila bij de Germaanse toehoorders als een geestelijke bevrijdingsboodschap is overgekomen.” Vandaar dus de “verwonderlijk snelle aanvaarding van het christendom in belangrijke delen van de Germaanse wereld”. (p.37)

Dat moet niet verwonderen als de katholieke geschiedschrijving in het algemeen en zijn boek in het bijzonder zo weinig aandacht besteden aan de weerstand van ondermeer de Saksen tegen de kerstening. Ook het element dwang speelde een rol, bv. in Clovis’ bevel aan zijn soldaten: “Kop af of kop onder”, nl. voor de doop.



De katholieken winnen het pleit

Na de dood van Theoderik, die een lang en wijs bestuur beëindigde met een paranoïde angst voor Byzantijnse complotten (reden waarom hij zijn minister, de wijsgeer Boethius, liet terechtstellen), ging het met het Gotische rijk snel bergaf. In de Gotische oorlog (535-553) vernietigde de keizer van Constantinopel de Gotische staat en uiteindelijk het (Ostro-)Gotische volk. In 568 kwamen echter de laatste Germaanse volksverhuizers Italië binnen: de Longobarden. Zij hadden Italië leren kunnen als hulptroepen van de Byzantijnen tegen de Goten, en vonden het er beter dan in hun eigen stamland in Oostenrijk. Eens te meer leed het volk onder oorlogen, maar de roep om een sterke leider werd beantwoord.

Paus Gregorius werd de Grote genoemd omdat hij de katholieke herleving belichaamde. Om hun moed te geven, herinnerde hij de Italianen in zijn vierdelig werk Dialogen aan hun talloze heiligen. In 595 kocht hij enkele Angelse slaven (waaruit we terloops leren dat het christendom de slavernij niet had afgeschaft) om hen in het christendom in te wijden en begon hij de missie naar Groot-Brittannië. Dat was na de inwijking van de Angelen en Saksen verdeeld in christelijk-Keltische staten in het zuidwesten en heidens-Germaanse staten in het grootste deel van het land. De paus instrueerde zijn missionarissen om de heidense tempels niet te verwoesten, wel de beelden daarin, zodat de mensen op dezelfde plaats bijeen konden komen als vóór de kerstening. Dat beleid van continuïteit en “inculturatie” is de Kerk in ondermeer China en India blijven kenmerken. Koning Ethelbert liet zich na enig pramen, en typisch mede onder invloed van zijn vrouw, tot het christendom overhalen. Hij werd geprezen als de Britse Constantijn en gaf de missie alle faciliteiten. Tegen Gregorius’ dood in 604 was de nominale kerstening van het eiland al ver gevorderd.

Ook in het Visigotische Spanje won de katholieke Kerk het pleit tegen de ketterij. Door zijn perifere ligging was het heidendom er veel levenskrachtiger gebleven dan in Italië. Toen Spanje begin 5de eeuw door de Vandalen, Sueven, de Iraanse Alanen en tenslotte door de Romeinse hulptroepen van de Visigoten werd veroverd, bloeide daar (en in Gallië) een nu vergeten beweging, het priscillianisme, beïnvloed door het manicheïsme en gnosticisme. Na zijn tweede veroordeling door het concilie van Braga in 572 doofde dit uit. Het arianisme daarentegen werd de hofreligie van de Visigoten, de nieuwe heersers, en leidde tot anti-katholieke “vervolgingen” onder koning Eurik (466-484). Niet dat hij martelaren maakte of de dwangbekering beoefende, maar hij ontwrichtte de Kerk door bv. de benoeming van bisschoppen te blokkeren. Ondermeer de bekering van hun noorderbuur Clovis tot het katholicisme, en de tijdelijke voogdij door Italiaans-Ostrogotische heersers, bracht zijn opvolgers weer tot een verdraagzamer beleid. Na de moord op de Ostrogotische koning Theudis in 548 verzonk het land echter in een burgeroorlog. Toen in 552 de Byzantijnse troepen in Zuid-Spanje landden, als voltooiing van hun anti-ariaanse kruisvaart, werden zij door de katholieke bevolking geestdriftig ingehaald.

De nieuwe Visigotische heerser Leovigild, die terrein heroverde op de Byzantijnen, had de steun van de katholieke bevolking nodig, en schafte alle integratiebeperkende wetten af. Alleen was het ariaanse geloof onherroepelijk verschillend van het katholieke. Hij koos dus voor een arianisme-light, en na enige wetenswaardigheden hief het Visigotische hof in 589 de ariaanse Kerk; de Visigotische natie werd katholiek. De katholieke inheemse bevolking steunde hen van dan af tegen de Byzantijnen, die, hoewel katholiek, als vreemde bezetters ervaren en tenslotte verdreven werden.  

Bisschop Isidorus van Sevilla, de “laatste Kerkvader”, werd de belichaming van de Visigotische renaissance. Hij werd vooral bekend door zijn vulgarisaties van de klassieke kennis. Toledo, dat door de pleitbezorgers van het latere islamitische Spanje om  zijn vertaalschool geprezen wordt, was reeds een centrum van geleerdheid onder de Visigoten. Spanje vervulde de rol van beschavingscentrum voor noordelijker Europa reeds vóór de komst van de moslims.

Dat de balance of power onder de Germanen uiteindelijk toch ten gunste van de Rooms-katholieke Kerk doorsloeg, was ook te danken aan de bekering van de nog heidense Frankische vorst Chlodovech of Hlodwig, best bekend onder de Latijnse vorm van zijn naam: Clovis. Zijn bekering wordt niet op het slagveld van Tolbiac (496) gesitueerd, dat zou een romantische nabootsing van het toen al klassieke verhaal van Constantijn geweest zijn (“In dit teken zult gij overwinnen”), maar als de vrucht van een geleidelijk proces beschreven, waarin Clovis’ persoonlijke devotie voor de wonderdoener Sint-Maarten doorslaggevend was. Ook politieke berekening speelde een rol:  als heiden had hij niets te maken met de theologische disputen tussen arianen en katholieken, maar als katholiek zou hij gemakkelijker de steun van de Gallo-Romeinse bevolking en de erkenning van het Oost-Romeinse rijk krijgen. Het gaf hem ook een reden om het Visigotische rijk aan te vallen, waarvan hij de hoofdstad Toulouse veroverde; hij werd er juichend door de katholieke bevolking ingehaald.

Clovis bleef een even moordzuchtige machtspoliticus na als voor zijn bekering. Het is naar hem dat 17 vorsten van het door hem gestichte Frankenrijk zich Lodewijk ofte Louis noemden. Overigens was hij ook de eerste franskiljon: een Nederlander die het Frans als werk- en huistaal koos terwijl hij zijn bestuurszetel van de taalgrensstad Doornik naar Soissons en tenslotte Parijs verlegde.



Joden

Voor de joden was de Germaanse verovering van Rome en de daaruitvolgende opdeling van het rijk in zelfstandige staten een goede zaak. In het jonggekerstende rijk bestond een grote druk op hen om zich te laten dopen, zodat het aantal joden ondanks een hoog geboortecijfer in dalende lijn ging. Het gebeurde echter nooit dat alle christelijke vorsten van de post-Romeinse Europese orde eenzelfde ijver in de kerstening van de joden aan de dag legden, dus als het in één land te heet onder de voeten werd, konden ze naar een ander uitwijken.

De heidense Germanen kenden geen anti-judaïsme. Het christendom daarentegen stelt zich per definitie op als het “nieuwe Verbond”en het “ware Israël”: au fond is zijn bestaan onverenigbaar met dat van het jodendom, en de wederzijdse vijandigheid was van in het begin aanwezig. Dat de apostelen en de eerste christenen allen joden waren, pleit tegen hun fysieke uitroeiing als “oplossing” van het joodse “probleem”, en daar heeft de Kerk zich meestal aan gehouden. Maar hun voortbestaan als volk van het oude Verbond maakte wel dat zij bekeerd moesten worden. Wel minder hard dan het heidendom, dat geen faciliteiten kreeg (er waren geen getto’s voor vereerders van Jupiter of Wodan; de spreekwoordelijk geworden discriminatie van de joden vooronderstelt dat zij tenminste mochten blijven bestaan, wat de heidenen niet gegund werd), en meestal ook niet onder dwang.

Het is hier dat de Visigoten een ervaring opdeden die in de latere geschiedenis van Spanje opnieuw een rol zou spelen en de “oplossing” zou bepalen. De “katholieke koningen” Ferdinand en Isabella zouden de joden in 1492 verbannen om er vanaf te zijn, nadat het besef was doorgedrongen dat dwangbekering niet werkte. Vele bekeerde joden praktiseerden in het geheim hun oude religie, en juist tegen dat verschijnsel was de inquisitie opgericht. Deze bleef wel bestaan, en werd ondermeer tegen overblijfselen van het heidendom (“heksen”) gebruikt, ook tegen de heidenen in de koloniën (Goa), maar als wapen tegen het jodendom was zij minder effectief gebleken dan de algehele verbanning. 

Ook de Visigoten probeerden het, eerst als arianen en daarna als katholieken, met dwangbekering van de “stijfkoppige” joden. Zij stelden echter vast dat deze onder dwang bekeerde joden hun godsdienst discreet bleven beoefenen, en wantrouwden hen. De notie van een joods anti-christelijk complot dook op, en besluiten van nationale concilies rekenden ermee af. Ondermeer werden de joden op bevel over alle steden van het land verspreid. Toen de Arabieren het land binnendrongen, stonden de joden aan hun kant. Zij werden als bewakers van de steden aangesteld, in een ironisch gevolg van hun dwangvestiging over heel het land.  



Heidendom

Pierre Trouillez geeft ruiterlijk toe dat religieus fanatisme  typisch is voor de “abrahamische” godsdiensten: “Precies als heidenen koesterden de Franken  niet de rancune tegenover de katholieke Kerk die de ariaanse Germanen zo vaak tekende.” (p.160) Eens bekeerd, namen de Germanen theologische kwesties zo ernstig dat ze ervoor wilden doden. Tevoren doodden ze volgens dit getuigenis evenveel, maar dan om andere redenen. Toch vindt de auteur een christelijke houding verkieslijk boven een heidense: hij neemt als vanzelfsprekend aan dat het “heidens bijgeloof” (bv. p.148, p.196) uitgeroeid moest worden. Hij schijnt nooit geregistreerd te hebben dat de heidense wijsgeren in het Romeinse rijk juist het anti-intellectuele element in het christelijk geloof minachtten, en dit “bijgeloof” noemden. Nu nog citeren vrijzinnigen de kerkvader Tertullianus’ uitspraken: “Wat heeft Jeruzalem [= het geloof] met Athene [= de wetenschap] te maken?” en “Ik geloof omdat het ongerijmd is”, als een anti-rationele stellingname. De godsdienst van de ene is het bijgeloof van de andere.

Ook het gematigde beleid van inculturatie ziet hij als een (weliswaar onvermijdelijke) bron van problemen. Dit leidde tot een “ondergeschoven heidendom” (p.209), dat uiterlijk wel het christelijk geloof beleed maar innerlijk nog lang heidens bleef en de heidense goden bleef vereren onder gekerstende vorm. Het gevaar was dat de Kerk uit compromisbereidheid zoveel heidense praktijken zou overnemen (feestdagen, processies) dat zijn bijbelse kern ondergesneeuwd geraakte. Het protestantisme zou, niet toevallig onder de Germanen, uit dezelfde kritiek ontstaan:  het deed het katholicisme af als een crypto-heidendom en wilde eindelijk de Bijbel ernstig nemen.

Dit boek geeft een zeer goed relaas van de kerstening van de Germanen binnen Romeins bereik. De latere kerstening van de Noord-Germanen is stof genoeg voor een ander werk. De schrijver stelt zich bij zijn verhaal uitdrukkelijk op christelijk en kerkelijk standpunt. Het enige dat dan ook ontbreekt is hetzelfde verhaal maar dan vanuit het gezichtspunt van de heidenen: hoe hun religie ten onder ging, en hoe elementen van die religie in het nieuwe geloof binnengesmokkeld zijn en daar op die manier overleefden.



Pierre Trouillez: De Germanen en het christendom. Een bewogen ontmoeting 5de-7de eeuw. Davidsfonds, Leuven 2010.

Monday, August 14, 2017

België weer eens gesplitst





(De Bron, 15 juli 2017)


In een zaal van het Vlaams Parlement verwelkomde Jan Peumans de Waalse germanist prof. em. Jules Gheude ter gelegenheid van de verschijning bij Doorbraak van een vertaling van diens nieuwe boek: Waals Testament. We hadden gehoord dat hij in de Waalse media voor “verrader” uitgescholden was, dus we zaten met een gunstig vooroordeel.



Perin

Gheude, 71, bezielt sinds 2010 het Gewif, een studiecentrum voor de aanhechting van Wallonië bij Frankrijk. Hij was hoogleraar aan de Luikse universiteit en in de jaren 1970 kabinetsmedewerker van François Perin, toen minister voor Institutionele Hervormingen. Perin was leider van het Rassemblement Wallon en meesterdenker van het rattachisme, de gedachte dat Wallonië niet bij l’état belgo-flamand maar bij Frankrijk behoort.  

In dit boek steekt Gheude zijn blijvende bewondering voor Perin niet weg. Die was inderdaad een briljante en veelzijdige geest, mentor van wijlen interimpremier Jean Gol en ondermeer ook een voorman van het nieuwheidendom. Over de aard van de communautaire problemen sprak hij zonder complexen, niet met de felheid van een Karel Dillen, maar met een welhaast humoristische vanzelfsprekendheid. En hij bereikte er meer mee voor zijn Wallonië.

Ruim 20 jaar geleden voorspelde VVB-voorzitter Yvan Mertens dat de Belgische constructie geen vijf jaar meer zou duren. Dat was dus een typisch Vlaamse inschatting: kinderachtig en zonder voeling met de wereld van de macht. Er was ook toen geen ernstige reden om een spoedig verwezenlijkte Vlaamse onafhankelijkheid te verwachten. Noch in Vlaanderen noch in Wallonië besteedde men aandacht aan zijn (als staatsgevaarlijk bedoelde) voorspelling, tenzij om ermee te lachen: “Waar lopen die grote woorden met dat ventje naartoe?” Ze was van hetzelfde gehalte als de ronkende maar machteloze retoriek die men toen van de Yzerbedevaarten gewend was.

Nochtans waren de factoren, hoewel nog niet de machtsverhouding, al in voege die ooit tot de splitsing moeten leiden. Dat vond althans  François Perin, die vaststelde dat de Vlamingen een eigen natie aan het vormen waren. Die indruk nam alleen maar toe, zodat een RTBF-ploeg die trend ging doortrekken naar een verrrassende eenzijdige Vlaamse onafhankelijkheidsverklaring: Bye bye Belgium (2007).



Waarom vandaag?

Alain Mouton interviewde Gheude, die hem graag uitlegde waarom hij dit boek geschreven had, en waarom nu. Dat Vlaanderen in de feiten een aparte natie vormt en de Walen zich vooral op Frankrijk richten, beschouwde hij als afdoende bewezen: daarvoor waren geen verdere argumenten of belgicistische achterhoedegevechten meer nodig. Op sommige momenten hebben Vlaamse politici die zich nu als gematigd (= toegeeflijk) presenteren, zich als separatist-onder-zekere-voorwaarden laten kenen, bv. Wouter Beke tijdens de zesde staatshervorming. De huidige communautaire wapenstilstand die de N-VA in acht neemt, wekt de indruk dat België gered is, maar die is bedrieglijk. Onder al die Vlaamse gematigdheid gaat nog altijd de bereidheid om België te splitsen schuil. Juist de officieel afgekondigde communautaire stilstand brengt de onvermijdelijkheid van separatisme scherper aan het licht, stelt Gheude. 

Aanleiding vandaag is het verder uiteendrijven van zowel de openbare mening als de economische toestand in Vlaanderen en Wallonië. De PS en de belgicistische media maken de Walen al twintig jaar wijs dat er een herleving van de Waalse economie bezig is, maar er zijn nog steeds geen resultaten. Door de opleving in de buurlanden daalt de werkloosheid ook in Wallonië wat, maar alweer minder dan in Vlaanderen. Je kan er niet naast kijken dat de Walen meer dan ooit op Vlaamse overdrachten teren.

De weg voorwaarts ligt dus in de splitsing. Het uiteenvallen van België is geen apocalypse, aldus Gheude. Brussel kan een stadsstaat worden, een Washington aan de Zenne, een heuse jackpot voor de stad. Het Vlaamse publiek hoort het hem graag zeggen, want het impliceert ook een splitsing tussen Wallonië en Brussel. De mogelijkheden en logische lotsbestemming van Wallonië en Brussel zijn immers verschillend, dus de belangrijkste stap voorwaarts is om die twee uit elkaar te halen. Brussel krijgt dan een eigensoortig statuut waarin een band met Vlaanderen mogelijk blijft, althans voldoende om de Vlaamse bestuursinstellingen in Brussel redelijkerwijze te kunnen handhaven.

Daarna kunnen Vlaanderen en Wallonië ongehinderd hun eigen weg gaan. En daartussen is geen symmetrie. Natuurlijk is Vlaanderen een natie in wording, en natuurlijk zijn de Walen dat niet, dus de splitsing zal asymmetrisch zijn. In plaats van zich aan België vast te klampen, moeten de Walen niet van een onrealistische onafhankelijkheid dromen, maar erkennen ze beter gauw dat ze bij Frankrijk horen.



Maar

Met talloze citaten, van Charles de Gaulle en anderen, toont Gheude aan dat Frankrijk bereid is om Wallonië te omarmen. Ook de Waalse openbare mening is (blijkens een peiling in Le Soir) er al voor de helft voor gewonnen om heim ins Reich “terug” te keren.  Dat was overigens van in het begin de bedoeling: de revolutionairen die het historisch accident van 1830 op gang brachten, wilden niet alleen de Nederlanders buiten, maar wilden ook bij Frankrijk aansluiten. Economisch gezien betekent dat een extra last voor Frankrijk, reden waarom sommige Vlaamse kruideniers beweren dat de Fransen dat nooit zullen willen. Maar voor dat beetje grandeur hebben die wel degelijk een prijs over.

Wel zal Wallonië slechts eenmalig van zijn schulden ontheven worden: van dan af zal het de tering naar de nering moeten zetten. Dat juist is de reden waarom de meeste Walen het rattachement toch maar als een tweede optie achter de hand houden. Zolang het maar kan, willen zij van de Vlaamse goedigheid blijven profiteren. Niemand anders is zo onnozel: de EU niet, ook Frankrijk niet, alleen de Vlamingen. Alleen daar blijft een politieke meerderheid (en een grote meerderheid in de mediatieke en culturele sector) het als een teken van morele superioriteit voorstellen om zich te laten bestelen.

Daarom staat Gheude alleen. Natuurlijk is er een Waal te vinden die waarheden wil verkondigen die voor zijn volksgenoten als verraad gelden (aan Vlaamse kant zijn er zo zelfs meer dan anderen), maar Wallonië als geheel is nog lang niet aan een Belgische boedelscheiding toe. Daarom heeft Gheudes dissidente stem uiteindelijk niet meer impact dan de protserige oekazen van de feestredenaar op wijlen de Yzerbedevaart.


Jules Gheude: Waals Testament. Ongemakkelijke waarheden over de toekomst van België, Doorbraak, Antwerpen 2017 (vertaald door  Marc Vanfraechem uit Un testament wallon – Les vérités dérangeantes), ISBN 978-90-82567-39-7.

Rechts, vunzig, en zot








Rechts, vunzig, en zot

('t Pallieterke, februari 2007)




Het VB mag de politie en haar voogdijminister Patrick Dewael wel dankbaar zijn. Stel je voor dat die neonazistische militairen echt werk hadden kunnen maken van hun plannen voor aanslagen, één halfgeslaagde moordaanslag zou al volstaan. Dat zou geen losgeslagen zelfmoordenaar zijn die ten persoonlijken titel nog wat negerinnen in zijn dood wil meesleuren, maar een expliciet politieke daad van een groep waarvan allicht wel aan enkele leden wel één of andere band met het VB kan toegeschreven worden. De kiezers hebben het VB al veel vergeven, maar daar zou toch een grens overschreden zijn. En het repressie-apparaat zou in actie komen.

Degenen die eraan herinneren dat de islam niet de enige ideologische voedingsbodem voor terreur is, hebben natuurlijk gelijk. Het kan niet genoeg herhaald worden: de lijn tussen goed en kwaad loopt doorheen elke mens, en het kwaad in de islam is maar één actualisering van een universeel kwaad, dat ruim vóór de islam reeds bestond en allicht ook het nakende einde van de islam zal overleven. Geen tijd dus voor zelfgenoegzaamheid: wanneer je je moreel superieur begint te voelen omdat je in het vijandige kamp verwerpelijke tendenzen ontwaart, kijk dan maar eens rond in eigen kring, misschien ontwikkelt zich daar wel iets gelijkaardigs.

Toch heeft elk kamp zo zijn eigen kenmerken. Laat ons eens het extremisme van links met dat van rechts vergelijken. Het eerste wat opvalt is het enorme verschil in doelgerichtheid. In de jaren ’70 ontvoerde en vermoordde de Rote Armee Fraktion (RAF) grootkapitalisten, de Cellules Communistes Combattantes (CCC) vernielden in 1984-85 eigendommen van banken en multinationals, kortom: links richt zijn kogels op zijn vijanden. De vermeende blanke racist Timothy McVeigh daarentegen blies in 1995 een gebouw op in één van de blankste steden van de VS en doodde in het wilde weg meer dan honderd leden van het ras dat hij meende te verdedigen. Idem voor de aan neofascisten toegeschreven bomaanslag op het station van Bologna in 1980. Rechts geweld heeft iets benevelds en suïcidaals, links geweld is in zekere zin nuchter en rationeel.

Nog zo’n verschil betreft de doeltreffendheid. Groenlinks militant Volkert van der Graaf besloot in mei 2002 om Pim Fortuyn te vermoorden, dus hij schoot hem op een rustig plekje van dichtbij dood, en het had weinig gescheeld of hij was nog ongemoeid weggeraakt ook. Twee maanden later fantaseerde de Franse nationalistische militant Maxime Brunerie erover om president Jacques Chirac te vermoorden, dus nam hij een oud geweer, ging op veel te grote afstand tussen een massa mensen staan, schoot er compleet naast en werd meteen overmeesterd. Links schiet met scherp, rechts met stomp.

We kunnen ook de achterliggende denkwereld vergelijken. Tegenwoordig maakt het internet het gemakkelijk om over de schouder van de betrokkenen mee te lezen in hun onderlinge gedachtenwisselingen. Neem nu de parameter “haat”. Links is vervuld van haat tegen zijn politieke opponenten en tegen rivaliserende linkse scholen. Een psychologisch voordeel is dat dit een maatschappelijk aanvaard soort haat is, één waartegen geen wetten afgekondigd worden. Dat helpt verklaren waarom die haat meestal erg rationeel tot uiting komt: in scheldpartijen met ideologisch karakter (“lepe trotskist!”).

De haat in het rechtse kamp neemt gedrochtelijker vormen aan. Voor een deel komt dit door het gevoel van vervolging, wat leidt tot allerlei vermommingen in de meningsuiting (“ik ben geen racist, maar…”), die dan na een borreltje of drie gecompenseerd worden in extra cruë scheldtirades. Een ander verklarend verschil is dat echte haat normaal een reactie is van slachtoffers op reëel leed. Links teert verder op de begrijpelijke haat van de 19de-eeuwse verworpenen der aarde tegen hun uitbuiters, maar vandaag is dit een luxehaat geworden: de linkse woordvoerders behoren zelden tot de klasse die echt afziet. Degenen die ondanks het vooruitzicht van ostracisme het extreemrechtse kamp vervoegen, hebben veelal echt iets “meegemaakt”: afgetuigd door vreemdelingen bijvoorbeeld. Wraakzucht is een veel sterkere factor van haat dan de waan van morele superioriteit waarin links baadt. In die zin is het vandaag niet onjuist om haat eerder met rechts te associëren.

Maar er is nog meer aan de hand. Op rechts-nationalistische forums vind je veel vileine aanvallen van persoonlijke aard, zie bv. de drukbezochte webstek www.thebirdman.org van John Bryant. De man is wetenschapper, rond de zestig en lid van Mensa, dus je zou denken dat hij weet wat hij doet. Welnu, hij “onthult”, tussen alle verhalen over het “bedrog” van 11 september door, dat mede-revisionist David Irving (twee maal getrouwd, vader van vijf) homo is, en erger nog, dat zijn moeder joods was. Verder is de Vogelaar gastheer voor andere rechtse rakkers die mekaar beschuldigen van seksueel en financieel wangedrag, of dat ze infiltranten van de politie of de joodse lobby zijn. Een afvallige uit een neonazi-clubje getuigt er: “Ik was daar de enige met een normaal gezinsleven. De ene helft was homo, de andere bleef maar vragen hoe mijn vrouw in bed is.” Zoiets heb ik nog nooit gehoord van een ex-lid van pakweg Amada (nu de Belgische Partij van de Arbeid) waar een partijmilitant statutair “van onberispelijk moreel gedrag” moest zijn.

Minder pikant maar toch wel tekenend is een mail die ik recent van een ex-NSV-er ontving: “Wat nu NSV en mezelf betreft: een jaar geleden heb ik volledig gekapt met ‘de beweging’. Ik ben inhoudelijk opgeschoven naar het centrum en ben gaan inzien dat de wereld wat groter is dan de Vlaemsche zaak alleen. Bovendien heb ik geleerd dat de zogenaamde beweging afgeladen vol zit met sektarische gekken en andere smeerlappen -- de uitzonderingen niet te na gesproken -- die maar al te graag ‘afvalligen’ nog wat dieper in de str… duwen.”

Ik zou hieruit vooral onthouden dat het rechts-nationalistische milieu vol zit met “gekken”. Dat verklaart namelijk het zopas opgerolde complot. Links heeft ook zijn gekken gehad, de anarchisten die een eeuw geleden heel wat gerichte moorden pleegden, echter zonder het Systeem ten val te brengen. Een tsaar vermoorden is gemakkelijk, het tsarendom opblazen nog wat anders. Datzelfde zien we nu bij rechtse samenzweerders: ze zouden eens een paar moorden gaan plegen om België te “destabiliseren”,-- en dan? Welk doel wordt daarmee verwezenlijkt behalve treurnis bij de nabestaanden en gegarandeerde repressie tegen je eigen kringen? Staat de massa klaar om op het signaal van de terreuraanslagen een revolutie te ontketenen? Ik zie daar bij de “volgevreten Vlamingen” (dixit Karel Dillen) geen teken van.

In de jaren ’70, toen ik een leergierige tiener en meeloper van extreemlinks was, woedde er daar een levendig debat over het terrorisme van de RAF. Ik had wat gewetensproblemen met die linkse doctrine van het “rechtvaardig geweld”, en het stelde me tevreden dat de linkse tenoren althans het terrorisme duidelijk afwezen. Dat bleek eigenlijk in de marxistisch-leninistische traditie te passen: tijdens de revolutie en na de machtsovername werd er niet op een miljoen doden meer of minder gekeken, maar in de jaren van voorbereiding duldde men geen contraproductieve terreuracties, een geval van “links deviationisme”, die “kinderziekte van het communisme”. De Chinese communisten hadden meermalen de gelegenheid om Tsjiang Kaisjek om te brengen, maar ze lieten hem ongemoeid, wat hen niet belette om hem China afhandig te maken. De Russische dissident Aleksandr Solzjenitsyn was in Rusland en zelfs in ballingschap in de VS zeker binnen bereik van KGB-moordenaars, maar hij werd nooit op die manier verontrust.

In het annus mirabilis 1989 had ik de eer om Sita Ram Goël te leren kennen, de Indiase Solzjenitsyn; hij had in de jaren ’50 en ’60 regelmatig waarschuwingen over een aanslag wegens zijn anti-communistische geschriften afgewimpeld: “Ik heb mijn Lenin gelezen, dat is gewoon hun methode niet.” Hij is in 2003 op 82-jarige leeftijd vredig in zijn bed gestorven. Maar de doortastende Indiase communisten hebben zonder geweld wel een onaantastbare machtspositie verworven in de culturele en menswetenschappelijke sector en in het bestuur van enkele deelstaten.

In de jaren ’70 maakte de analyse van Herbert Marcuse veel indruk: terreur kan gerechtvaardigd zijn in een prerevolutionair klimaat om een reeds wankelend Bestel een duwtje te geven; maar in de huidige situatie zou ze het Bestel alleen versterken. En als onze neonazi’s niet naar die joodse prof willen luisteren, probeer het dan eens met Horst Mahler, vandaag neonazi, toen RAF-militant en in de cel. De “tweede generatie” van de RAF trachtte hem in ruil voor gijzelaars vrij te krijgen. Hij weigerde de vrijlating en mocht in een TV-rede uiteenzetten waarom. Hij was inmiddels tot de maoïstische Kommunistische Partei Deutschlands toegetreden, die terreuracties afwees en geweld slechts juist achtte op het geschikte tijdstip en dan als massabeweging planmatig gegidst door de voorhoedepartij. Hij besloot zijn charismatische rede met een oproep tot discipline: “Vorwärts! mit der KPD.” Adembenemend vond ik dat.

De KPD-revolutie is er nooit gekomen, maar niet-terroristisch links heeft via de lange mars door de instellingen toch een enorme macht veroverd. De RAF daarentegen is roemloos ten onder gegaan, en ook onze CCC hebben niet veel bereikt. Maar toch dit ene: ze hebben bewezen dat een gedisciplineerde groep een jaar lang aanslagen kan plegen zonder opgerold te worden. Daarin zijn de lallende rechtse complottisten alvast niet geslaagd.



(Tot zover vunzig klein-rechts. Geldt zoiets ook voor het VB? Komt en leest daarover volgende week!)



De kikker en de schorpioen



Geert van Cleemput heeft het nieuws gehaald met de voorstelling van zijn afrekening met het VB, Vlaams Geblokkeerd. De boekhelft over ideologische kwesties, waarin hij ondermeer zijn argumentatie tegen het neo-belgicisme herneemt, is warm aanbevolen, maar de kranten hebben zich op de andere helft gestort: het relaas van intriges binnen de partij.

Wie verlekkerd is op pikante onthullingen over vunzigheid van het soort dat je in de echt extreemrechtse zelfkant wel aantreft, zal echter teleurgesteld zijn. Onder de uittreksels die de kranten gretig afgedrukt hebben, stond dus niet: “Senator X is goed bekend bij de hoeren van Brussel-Noord”, met als staartje om de VB-ers te treiteren: “…vooral bij de negerinnen.” Nee, bij de fletse anekdotes over de seksistische praatjes van sommige kopstukken rijst eerder de bedenking dat het ten kantore van Vandela niet heel anders zal zijn, om van de partnerruilende VLD-top maar te zwijgen. Het VB mag dan wat “tuig van de richel” aangetrokken hebben, het blijft wel teren op de oude traditie van deugdelijk flamingantisch idealisme.

Pijnlijker is het ellebogenwerk tussen de verschillende groepen, gedefinieerd naar ideologische kleur of naar loyauteit aan een leidersfiguur. Van Cleemput schetst ons een machtsstrijd tussen een racistische macchiavellist en een flamingantische voddenvent, die de achtergrond vormt van zijn eigen opkomst en ondergang in de partij. Hij vermeldt ook enkele pesterijen vanwege rabiate vrijzinnigen jegens de katholieke tenoren. Merk op dat het hier louter om persoonlijke twisten gaat, niet om een ideologische tweestrijd over de partijlijn, zoals men zich die toch had kunnen voorstellen naar aanleiding van bv. de legalisering van euthanasie, de “Romeinse dood” aanbevolen door nieuwrechts idool Friedrich Nietzsche.

Binnen het VB is het geruzie om postjes zo bitter omdat de partij haar mensen uit eigen middelen moet belonen terwijl andere partijen elders baantjes en profijten kunnen verdelen. Maar dat in acht genomen, is het slangenkuilgehalte van het VB niet veel hoger dan in de partijpolitiek als geheel. De fouten van het VB zijn voor een Vlaams-nationalist als Van Cleemput alleen erger dan die van anderen omdat ze de Vlaamse zaak schaden. Na dit getuigenis van iemand die er alle belang bij had om de VB-politici zo negatief mogelijk voor te stellen (zeker na alle laster die partijleden over Van Cleemputs eigen academisch palmares en liefdesleven rondgestrooid hebben), zou ik zeggen: is het dat maar?

Blijft echter de kritiek op de politieke lijn van de partij. Van Cleemput gaat zijns ondanks een eind mee met zijn oude vijand Marc Spruyt in de stelling dat vele fatsoensbevorderende maatregelen van de partij louter kosmetisch zijn. Zo zouden gênante figuren met criminele of nazistische banden eerst luidruchtig buitengegooid worden maar nadien discreet toch weer binnen gehaald. Er blijkt een grijze zone te zijn van personele overlappingen tussen VB-randorganisaties en groupuscules waarmee de partijtop liever niet op de affiche wil. Daar kan de partij toch best eens klaarheid scheppen, al geldt natuurlijk het excuus dat de top van SP.a en Groen! evengoed vol “ex”-communisten zit.

Maar men hoeft niet eens te snuffelen in het vermeende VMO-verleden van obscure partijleden, er zijn nu eenmaal de politieke daden gesteld door of met goedkeuring van de partijleiding. Na het proces dat de partij tot ontbinding en herstichting noopte, leende Gerolf Annemans zich tot dramatische verdenkingen met zijn mededeling dat hij de rechters “niet vergeten” zou. Hij moet toch geweten hebben dat men dit als een maffieus dreigement zou opvatten?

Telkens wanneer de waarnemer ervan overtuigd raakt dat het VB eindelijk fatsoenlijk geworden is, komt er wel een dergelijke uitspraak uit een leidersmond gerold, bijvoorbeeld die van Dewinter over het treurige lot dat verkrachters te wachten staat onder een regime van lynchjustitie. Of er wordt wel een herdenking voor Staf De Clercq op touw gezet om de uitdovende collabo-link nieuw leven in te blazen. Goed, die man behoort tot de geschiedenis van de Vlaamse beweging, inderdaad heel eerlijk om dat zo te zeggen, maar de socialisten houden toch ook geen hulde voor Hendrik De Man, evenzeer een collaborateur uit hun geschiedenis?

Bekijk het ook eens vanuit het standpunt van de buitenstaanders die hun nek uitsteken voor het VB, bv. prof. Erik Suy die een voorwoord schrijft bij het Turkije-boek van Koen Dillen en Philip Claeys, of prof. Matthias Storme die het gerechtelijk partijverbod juridisch de grond in boort. Ik neem aan dat die mensen zich door zulke misstappen wat in de rug geschoten voelen. Waarom kan het VB het niet laten om zijn potentiële bondgenoten en zichzelf te beschadigen?

Misschien heeft een linkse blogger wel de verklaring gegeven met zijn verwijzing naar de fabel van de schorpioen die een kikker vroeg om hem de rivier over te brengen. Hij verzekerde hem dat hij niet zou steken, “want als jij sterft, dan verdrink ik zelf”. Maar halfweg de oversteek voelde de kikker een prik, en beide verdronken. Met hun laatste adem wisselden ze nog deze woorden: “Je had toch gezegd dat je niet zou steken?” – “Ja, maar het was sterker dan mezelf, het is nu eenmaal mijn aard.” Het is blijkbaar de onvervreemdbare aard van het beestje die zich doorzet wanneer het VB zich op foute uitspraken laat betrappen.

Sommigen doen aan politiek om zich uit te leven, anderen om een doel te bereiken. Wie echt de zege wil, moet zichzelf heruitvinden en de juiste gedaante aannemen om maximaal doeltreffend te zijn, dus niet toegeven aan ingeroeste doe- en denkgewoonten. Als het VB die sprong niet kan maken, zal het toch eens een noodlottige fout maken. Tenzij de etnische spanningen zodanig escaleren dat de kiezer zich zonder omzien achter de strijdbaarste partij schaart, ongeacht de vlekken op haar blazoen.


Thursday, July 13, 2017

Op naar de veelwijverij


(Doorbraak, 5 juli 2017)



Elke groep mag en moet strijden tegen het onrecht dat hem treft. Ik sympathiseer daar vanop afstand mee. Zelden ga ik er mij echter mee moeien. Om bijvoorbeeld een "feministische man" te worden, dat is onzin. Het is juist eigen aan de belangenbehartiging van een groep dat hij de nagestreefde statusverhoging niet cadeau krijgt, maar zelf de kastanjes uit het vuur haalt.



Toch één uitzondering: iedereen die zich een beetje voor het welzijn van zijn medemensen verantwoordelijk voelt, moet zich gemobiliseerd weten voor de nu broodnodige strijd tegen de vrouwenbesnijdenis. Toen Miet Smet die praktijk wettelijk liet verbieden (een verbod dat in sommige buurlanden niet eens bestaat), kon het lijken alsof dat probleem opgelost was. Nu blijkt echter dat een steeds grotere groep meisjes die in België opgroeit, erdoor bedreigd wordt, bv. tijdens een vakantie in hun thuisland.





Islam, feminisme en vrouwenbesnijdenis



Ten eerste betreft het voor de betrokkenen een zeer dringende kwestie, waarbij elk geval er één te veel is, en elke toegeeflijkheid misplaatst. Voor wat mezelf betreft: op het kleine beetje invloed dat ik hier als oriëntalist en kenner van de ervoor verantwoordelijke leer kan uitoefenen, mag niet bespaard worden. Er moet op gehamerd worden dat de islam voor de praktijk verantwoordelijk is, en dat elke collaboratie met die ideologie uiteindelijk een aanmoediging vormt de vrouwelijke genitale verminking. Dat als levensbeschouwelijke ruggensteun aan een strijd die medisch en paramedisch personeel op het terrein zal moeten voeren.



Ten tweede heeft die problematiek een bredere maatschappelijke dimensie: het opdringen van deze praktijk is een toetssteen van de opmars van de islam en de steeds fermere weigering van elke integratie. Om ons niet tot de eigen gewesten te beperken: in Indonesië ziet men goed hoe de recente verschuiving van een oppervlakkige en zeer onorthodoxe islam naar de echte leer van Mohammed gepaard is gegaan met een spectaculair snelle verspreiding van de vrouwenbesnijdenis. In Afrika zou men zich nog achter de uitleg kunnen verschuilen dat het om een voorislamitischetraditie gaat (maar dat zijn de Ramadan-vasten of de bedevaart naar Mekka ook, en ze zijn er niet minder islamitisch om), maar in Indonesië en inderdaad in Europa is volstrekt elke besneden vrouw een slachtoffer van de islam. Bovendien: andere inwijkelingen uit Afrika passen zich aan (“Wanneer in Rome, doe zoals de Romeinen”) en laten die barbaarse praktijk varen, terwijl moslims aan hun tradities verknocht blijven.



Ten derde laten de natuurlijke voorvechtsters van vrouwenrechten het hier schromelijk afweten. Deze bange blanke vrouwen hebben liever dat meisjes bij duizenden verminkt worden dan dat zij zelf door hun progressieve vrienden voor "islamofoob" uitgekreten zouden worden. Zelfs opperfeministe Germaine Greer heeft het bestaan om de vrouwenbesnijdenis goed te praten.





Strategisch



Terwijl dat islamgebod ook bij ons onbeschaamd ingang begint te vinden (ondanks het verzet ertegen van de Koerdisch-Vlaamse politica Zuhal Demir), daagt er een nieuwe frontlijn aan de horizon. In Duitsland heeft zopas een meerderheid in het parlement het homohuwelijk goedgekeurd. De zes moslimparlementsleden, onder wie een CDU-lid, hebben allen ten gunste van de homorechten gestemd. Kijk eens hoe progressief ze wel zijn, zeggen de multikulti’s nu, en zo geïntegreerd, zo wars van alle stereotiepen over islamitisch obscurantisme. Zoals steeds projecteren die provinciaaltjes vanuit hun eigen waardenschaal en slagen ze er niet In, zich in het moslimstandpunt te verplaatsen, dat strategisch een meesterzet mag heten.


Propagandistisch is het allereerst zeer goed bekeken, de progressieven nog eens heel nadrukkelijk naar de mond te praten. Die bondgenoten hebben het toch al moeilijk genoeg om bijvoorbeeld de afwijzing van Charles Darwins evolutieleer of de ontkening van de Holocaust door hun moslimvrienden goed te praten. Dus stel maar eens een gebaar dat door je bondgenoten als progressief uitgelegd kan worden.



Plus, die homo’s mogen ook wel eens een attentie krijgen. In afwachting dat zij echt onder de sjari’a terechtkomen en van de daken zullen gegooid worden, moet je toch maar erkennen dat zij voor de islam al doen wat zij kunnen. Net als de feministen zouden zij hun vege lijf kunnen redden door zich tegen de islamisering te verzetten, maar het tegendeel is het geval. Na de djihaadaanslag op een homo-nachtclub in Orlando schermden zij de islam af tegen kritiek, staken zij de schuld op de Republikeinen die er het klimaat voor zouden geschapen hebben, en Imagine’den zij wat over een moslim-homo-bondgenootschap. Dat soort zelfopoffering is wel een druk op de parlementaire ja-knop waard.



Drie, moslims geven niet echt iets door deze toegeving, ze snijden geenszins in hun eigen vlees. Zij zien westerlingen toch al als mietjes, en aan die nuttige idioten het speeltje van een homohuwelijk gunnen doet helemaal geen afbreuk aan het recht van moslims om binnen hun eigen gemeenschap hun eigen normen te handhaven. Het kan maar in de verf zetten dat homorelaatsies iets heidens zijn waar moslims zich niet op laten betrappen. ’s Lands wijs, ’s lands eer: voor de Victoriaanse Europeanen met hun waarden en zelfrespect konden moslims nog eerbied opbrengen, maar voor het libertijnse Europa van vandaag hebben zij niets dan misprijzen.



Maar vooral: het opengooien van het huwelijk maakt op termijn de weg vrij voor de wettelijke erkenning van het polygame huwelijk. De monogamie, ooit overgenomen door de christenen van de heidense Romeinen, behoort nu tot het christelijke erfgoed dat onze progressieven al lang aan het slopen zijn. Op dat punt staat de islam van nature al heel wat dichter bij de libertijnse normen van onze progressieven. Zo geldt in de Kerk het huwelijk als “gesloten in de hemel”, terwijl het voor de islam, net als voor onze progressieven, gewoon een menselijk contract is dat mensen ook weer kunnen verbreken. Dus: weg met het monogame huwelijk, daarover kunnen progressieven en moslims het eens zijn.





Grote gezinnen



Ziedaar dan het volgende oogmerk van de islam in zijn stap-voor-stap invoering van de sjari'a. Wel zullen moslims er in een overgangsfase mee moeten leven dat, omwille van de gelijkheid, ook vrouwen met meerdere mannen zullen kunnen trouwen. Dat geeft echter niet, want naarmate de moslimgemeenschap groeit, neemt de maatschappelijke controle op medemoslims toe, en dan zullen zij er zelf wel op toezien dat die verderfelijke polyandrie onder hen niet gaat voorkomen. Tegelijk is zij een nuttige troostprijs voor de overblijvende heidense mannen: aangezien meer en meer vrouwen ervoor zullen kiezen, bijvrouw van iemand uit de nieuwe heersersklasse te worden, ontstaat voor heidense mannen een vrouwentekort. Voor hen kan de polyandrie wat soelaas bieden, zodat zij niet gaan revolteren, in afwachting van hun uitsterven.


Nu het feminisme al zoveel aan de islam toegegeven heeft, is het gewoon niet meer in een positie om zich tegen deze volgende "verruiming" van het huwelijk te verzetten. Wie zal het nog wel doen? Je kan er moeilijk langs alle kanalen de ideologie van de “diversiteit” inpeperen en dan een diversifiëring van de huwelijksvormen tegengaan.



De moslims zelf hebben er een zeer goed geweten over. Kijk maar, zeggen zij, naar de directeur die zijn vrouw bedriegt met zijn secretaresse. In de heidense cultuur zal hij op zeker ogenblik moeten kiezen, en aldus één of twee of drie mensen en hun omgeving ongelukkig maken. In de islam daarentegen zal hij er gewoon een vrouw bijnemen, dus geen gedumpte echtgenote, geen echtscheidingsvertwijfeling bij de getroffen kinderen, eigenlijk iedereen tevreden.



Ja, welbeschouwd zullen de feministen de superioriteit van het islamitische alternatief wel moeten erkennen. Vrouwen zijn sterk in het zich aanpassen, deze stap zal er ook wel bijkunnen. De heidense mannen zullen er minder goed mee kunnen leven, maar die zijn toch tot verdwijning gedoemd. Of tot bekering en omarming van het ware geloof, wat altijd al de bedoeling was.

Monday, July 3, 2017

Wegwijzer Ulrich Libbrecht


(Doorbraak, 18 mei 2017)

Op 10 juli 2008, toen Ulrich Libbrecht, mijn vereerde promotor in Sinologie, zijn 80ste verjaardag te vieren had, wijdde de gemeente Kluisbergen in de Vlaamse Ardennen daar een groot feest aan. De wandeling die hij elke dag rond zijn huis in het gehucht Zulzeke maakte, werd gepromoveerd (het woord is hier wel gepast) tot de “Ulrich-Libbrechtwandeling”, compleet met enkele rustpunten voorzien van een bord met één van zijn wijsheden. Aldus: “De weg is wijzer dan de wegwijzer.” 

Bij die gelegenheid stelde hij een boek voor: Met dank aan het leven. Mijn moeder, even oud, vond het een prachtige afscheidstekst. Hij had het ook als zijn laatste boek bedoeld. Het daaraan voorafgaande decennium had hij het ene boek na het andere uitgebracht, te beginnen met zijn magnum opus, het vierdelige standaardwerk Inleiding tot de Comparatieve Filosofie. De titel geeft meteen zijn belangrijkste werkterrein na zijn pensioen aan (in Antwerpen richtte hij de School voor Comparatieve Filosofie op, met de Utrechtse tegenhanger Oost-West). Enkele Jaren later werd de schrijversjeuk hem echter opnieuw te machtig, en leverde hij nog enkele boeken af.



Nog meer boeken

Inhoudelijk erg belangrijk in het weer oplevende debat over zin en onzin van religie is zijn boek Adieu à Dieu: Naar een religieus atheïsme (Garant, 2014). Het gaat vooral over het boeddhisme, en hoe dat enerzijds allerlei kenmerken van een religieuze praktijk heft, maar anderzijds toch niet in een Opperwezen gelooft. Op volks niveau zijn er volop die tot de Boeddha of tot één van zijn gedaanten om verlossing bidden: Namo Amituo Fu, “Gegroet, Boeddha van het Onmetelijke Licht”; maar boeddhisten die ernstig hun zaak kennen, doen het zonder. (In 2005 moesten boeddhisten in Cambodia beletten dat snode christelijke missionarissen de geest van de nieuwe generatie zouden vergiftigen door in de schoolboeken de bewering binnen te smokkelen dat religie de verering van een Opperwezen betreft, een zekere “God”.) In het jezuïetenblad Streven las ik laatst dat het modieuze idee van een “religiositeit zonder God” in de praktijk nooit ver zal komen; maar in dit boek toont Libbrecht aan dat het al 25 eeuwen bestaat en de laatste eeuw ook in het Westen is gaan floreren. En vooral, dat het heel samenhangend en intellectueel bevredigend is, en dat het zijn beoefenaars alles geeft dat mensen in religie zoeken. 

Ik laat zelden een boek signeren, maar van dit ene koester ik wel de opdracht: “Aan KE, oud-leerling en geestesgenoot”, met daarbij de sleutelzin van het daoïsme: ziran dao ye, “de natuur is de Weg”. Met “natuur” vertaalt hij hier het Chinese begrip zi ran, “vanzelf zo”. Voor hem had dat begrip echter niet alleen een metafysische betekenis: hij was een pionierend natuurliefhebber, een tijd voorzitter van de Wielewaal, en verwoed tuinder.

In zijn volgende boek wijdde hij uit over de natuur, zowel op aarde als in de sterrenhemel; maar ook over Griekse, Duitse, Indiase, Chinese en andere wijsbegeerte, eigenlijk over alles wat hem geïnspireerd had. Hij richtte zich daarmee tot de nieuwste generatie, de vermaledijde dummies die geen behoorlijke scholing meer schijnen te krijgen en hun beperkte kennis vlug-vlug uit de Wikipedia halen: De bricoleur en de dummies. Een boek voor jonge denkers en dromers (Garant, 2015). De “bricoleur” is Libbrecht zelf, die door vakfilosofen vaak als een amateur werd afgedaan. Iedereen heeft wat aan het boek, maar het ideale doelpubliek is de jongere die zich afvraagt wat met zijn leven te doen, en wat er in die grote wereld het leven de moeite waard maakt.





Testament

Toen de professor zijn magnum opus schreef, was hij de zeventig al voorbij, en schreef ik in mijn bespreking dat dat wel zijn intellectueel testament zou zijn. Gezien het tiental boeken dat nog gevolgd is, zat ik er ver naast. Maar wat echt als zijn testament zal fungeren, is zijn laatste werk, dat kort voor zijn dood verschenen is: Filosofie zonder grenzen.

Eén van de tien hoofdstukken, over Afrikaanse wijsbegeerte, is gescheven door zijn college Heinz Kimmerle, inmiddels ook overleden; en in de redactie van het werk is de oude meester ook bijgestaan door zijn jongere collega Els Janssens, een oud-studente van hem. De hoofdstukken 5 tot 9, over “etnofilosofie” (namelijk Indiaanse en Afrikaanse) en over “theontische filosofie” (joodse, christelijke en islamitische) kunnen als nieuw beschouwd worden, gegroeid uit zijn werk in de School voor Comparatieve Filosofie. Dat wou echt universeel zijn en geen enkele wijsgerige traditie onbesproken laten. De hoofdstukken over oosterse wijsbegeerte (1-4) en het slothoofdstuk (10) dat dan echt vergelijkend wil zijn, kan men daarentegen zien als een hapklaarder maar ook rijpere samenvatting van zijn hoofdwerk.

De echte vergelijking met Benedict de Spinoza, Immanuel Kant en andere klassieke Westerse denkers wordt wel tot een aantal voorbeelden beperkt. Libbrechts forte is echter de onderlinge vergelijking tussen de verschillende Indiase en Chinese zienswijzen, wat bijdraagt tot een veel beter begrip van elk van hen, en daarover krijgt men hier de speerpunt van de vooruitschrijdende kennis.   

Wat men destijds al tegen zijn vergelijkingsmodel tegenwierp, kan vandaag herhaald worden: Libbrecht gebruikt een natuurkundig model om verschillende wereldbeelden op een gemeenschappelijke noemer te brengen. Hij was vóór zijn studies regent wiskunde, zijn doctoraatsverhandeling ging over de Chinese wiskunde op haar hoogtepunt (rond +1200), voerde het vak Chinese Wetenschapsgeschiedenis in, en bleef de wijsbegeerte door een natuurwetenschappelijke bril beschouwen. Hier ontbreekt de ruimte om het allemaal uit te leggen, leest u vooral het boek zelf, maar het gaat over energie versus informatie, gebonden versus vrije energie, over bewustzijn en natuur, en het vormt een objectief raamwerk. Vakfilosofen vinden die tastbaarheid maar zwak, het tegendeel van het relativistische “postmodernisme”, want zij willen zich in een oeverloos landschap met onbeperkte duidingsmogelijkheden vermeien.

Opmerkelijk is het hoofdstuk over joodse wijsbegeerte, dat van veel empathie en een verrassend gedetailleerde kennis van de basis- en commentaarteksten getuigt. Verrassend althans voor wie zich heeft laten inpakken door de tirade van Benno Barnard, die ooit van De Standaard de ruimte kreeg om Libbrecht van antisemitisme te beschuldigen. Er bestaan inderdaad dwepers met de natuur die de “godsdienst van het boek”, of de “woestijngodsdienst”, maar levenloos vinden, en dan in anti-joodse retoriek vervallen. Libbrecht is daar echter niet bij en heeft tot zulke verdenking nooit enige aanleiding gegeven. Alhoewel hij niet in de God van de Bijbel gelooft, toont hij wel aan dat zelfs een strikt genomen begoocheld wereldbeeld tot dezelfde denkhoogstandjes aanleiding geeft.  Er is leven zelfs na de Openbaring.







Wereldburger

Ik wens dit boek een talrijk lezerspubliek toe. Het is voor iedereen een uitstekende inleiding tot het denken van de beschavingen der mensheid, en tot de vergelijking tussen de verschillende zienswijzen. En het laat iets voelen van Libbrechts sympathie voor zijn onderwerp, die aanstekelijk op de lezer zal inwerken.

Voor vakfilosofen is het bij uitstek nuttig: het breekt hun overgespecialiseerd en jargonesk wereldbeeld open. Als houder van een diploma Wijsbegeerte, die zoals de meesten in dat geval andere dingen is gaan doen, kan ik getuigen dat dat vakgebied vandaag nog weinig anders is dan het inkleden van banaal-conformistische standpunten in hoogdravend jargon; juist Libbrechts benadering zou het wat nieuw leven kunnen inblazen.

Toen ik mijn thesis schreef, was de prof eens weg naar een wereldcongres over Vergelijkende Wijsbegeerte, jawel, in Hawaii. Hij vertelde achteraf dat lezingen door Aziatische wijsgeren veelal als een soort koffiepauze behandeld werden, en dat Amerikaans topwijsgeer Richard Rorty de Aziatische denkscholen als misschien wel ideeënrijke wijsheid, maar geen stelselmatige wijsbegeerte afdeed (precies wat wij in onze cursus Fundamentele Wijsbegeerte hadden moeten leren). Ik heb het zelf vaak ondervonden, bv. op een Gentse conferentie over Arthur Schopenhauer bleek niemand iets af te weten van de Oepanisjaden of het boeddhisme, die juist zijn belangrijkste inspiratie gevormd hadden. Op een Nederlands filosofie-evenement over “verandering” stelde ik een kennismaking met het denken achter het confuciaanse Boek der Veranderingen voor, maar daar deden de vakfilosofen alleen maar meewarig over.  En dat ondanks alle geleuter, zeker ook in de departementen Wijsbegeerte, over multicultuur.

Ulrich Libbrecht, van huis uit cultuurflamingant en aan die erfenis nooit ontrouw geworden, was tegelijk op denkniveau een wereldburger. Ego Mundi Civis, “ik ben een wereldburger”, is het motto van de door hem gestichte School. Het volledige citaat van Erasmus wordt in de aanhef van zijn slotwerk aangehaald: Ego mundi civis esse cupio, “ik wil een burger van de wereld zijn”. Dat klinkt wat bescheidener, net zoals een filosoof zich geen “wijze” noemt, maar iemand die “wijsheid begeert”.



Slotwoord

Op 15 mei 2017 is Ulrich Libbrecht uiteindelijk dan toch in de kosmos opgelost. 88 was hij, zoveel als er sterrenbeelden zijn. Dit waren zijn afscheidswoorden:

“Moeder, waarom sterven wij?

“Omdat de Stroom mijn leven nodig heeft om Stroom te worden: de Stroom is de som van de oneindig vele druppels, waarvan ik er één ben. Het leven heeft mijn dood nodig.

“Daarom sterf ik gelaten, omdat ik weet dat ik voor altijd verder leef, niet als schamele waterdruppel die even het licht van de zon als een kleine regenboog mocht weerkaatsen, maar als onvervreemdbaar eeuwig deeltje van de zee van dit bestaan.”





Filosofie zonder grenzen, Garant, Antwerpen 2016, ISBN 978-90-441-3397-4, 287pp., € 31,90.

Saturday, July 1, 2017

Abicht over de Bijbel

Abicht over de Bijbel

(’t Pallieterke, herfst 2016)

Ook op zijn tachtigste blijft Ludo Abicht maar schrijven. Het boek De Bijbel. Een vrij zinnige lezing (Vrijdag, Antwerpen) wil geen vlotte samenvatting van de Bijbel zijn voor de hedendaagse lezer die in enkele hapklare brokken het Bijbelvormige gat in zijn cultuur zoekt te vullen. Wel wil het hem via minder bekende feiten terugwerpen op een lezing van de Bijbel zelf.

Met steun van de recentste Bijbelse archeologie verwerpt Abicht de historiciteit van Abrahams tocht uit Oer, Mozes’ uittocht uit Egypte, en het roemrijke koninkrijk van David en Salomo. De Schrift reikt slechts terug tot rond -700, met twee staten in Palestina: het multiculturele Israël versus het fundamentalistische Juda. Er is geen aanwijzing dat zij ooit één staat vormden.

De Bijbel behoort tot de wereldliteratuur omdat hij zo’n grootschalige invloed gehad heeft en zijn beeldspraak tot de dagelijkse cultuur is gaan behoren; en omdat talloze schrijvers er hun schrijfarbeid in gestoken hebben. Maar niet, aldus Abicht, omdat het Gods Woord zou zijn.


Doorgeefluik

De auteur prijst de Bijbel: “Hij is tegelijkertijd een van de bronnen van onze universele ethiek. (…) Hier werd voor de eerste keer in de westerse geschiedenis een grote nadruk gelegd op de rechten van het individu en de sociale rechtvaardigheid”. (p.42)
Precisering: de Verlichtingsdenkers met hun mensenrechten waren, zelfs al hadden ze het geloof verlaten, nu eenmaal in het Bijbelse kader doorkneed.  Maar dat betekent niet dat die mensenrechten uit de Bijbel voortkwamen en er zonder de Bijbel niet zouden geweest zijn. Het monotheïsme is inderdaad op de Bijbel gebaseerd (hoewel, wat was daarin de rol van farao Achnatons monotheïsme?), de rest niet.

Meteen geeft hij zelf aan dat juist de sympathiekste trekken van het oudste godsbeeld in de Bijbel al eerder betuigd waren in de teksten gevonden te Oegarit (Syrië, tot -1400). De oppergod El Elyon “kan beïnvloed worden door andere goden, maar ook door de gelovigen. Dit portret lijkt heel erg op het beeld van God in de eerste boeken van de Bijbel (…) waarin de patriarchen met God onderhandelen.” (p.48)

In de Tien Geboden zijn alleen de eerste twee origineel: zij formuleren een nieuwe theologie. De rest bevat klassieke zedenleer en werd toegevoegd juist om de eerste twee in een gezaghebbend kader te plaatsen. Waarden als de naastenliefde werden al geformuleerd in oudere teksten, die (mede door toedoen van de Bijbel) in de vergetelheid gedrongen waren: “Zo bevat het Egyptische Dodenboek [rond -1400] onder meer de volgende bepalingen: ‘Ik heb mijn plaatselijke God niet vervloekt… Ik heb een god bij zijn processie niet in de weg gelopen… Ik heb niet gestolen… Ik heb geen mannen gedood… Ik ben niet hebzuchtig geweest…’” (p.106) De waardigheid van het individu spoort Abicht terug tot het hellenisme, met het christendom als doorgeefluik. (p.197)

Abicht ziet het monotheïsme niet explosief ten tonele verschijnen, bv. in psalm 89 zit God net als in Oegarit een raad van goden voor, en “prijst de kring van hemelingen de Heer om zijn trouw”. Een van die oude goden was trouwens Sjalem, aan wie de stad Jeruzalem gewijd was (niet aan de vrede/sjaloom). Zelfs de verrijzenis, namelijk van El’s zoon Ba’al, vinden we in Oegarit terug. (p.51)


Verkrachting

Terecht ziet hij in het Gouden Kalf geen symbool van materialisme: het bestond juist uit geschonken juwelen. (p.109) Hij ontdekt veel goeds in de boeken Job en Prediker, die hij uitvoerig ontleedt, en in het Hooglied, dat hij pas in de -3de eeuw situeert, met Griekse en Perzische invloeden; niks geen Salomo. (p.170)

Op fouten laat hij zich niet betrappen, behalve één loeier: de “verkrachting van Dina”. (p.91) Deze frequente bewering van gelovigen voegt laster toe aan moord. Zoals de tekst zelf zegt, hadden Dina en Sjechem voorhuwelijkse betrekkingen. Hij deed vervolgens het eerbare ding door haar hand te vragen, en haar vader stemde toe. Omwille van haar bekeerde hij zich en lieten alle Sjechemieten zich besnijden,-- waarop Dina’s broers hen kwamen doden. Niet omdat Dina verkracht zou zijn, maar omdat ze met een vreemdeling ging trouwen, is de stam van haar bruidegom uitgemoord. (Om dezelfde reden had Jakob aan Esau, met diens Hethitische vrouwen, de erfopvolging ontfutseld.)

Op deze genocide volgden er nog: op de Kanaänieten en Amalekieten, door God verordend. Dat geweld wordt volgens Abicht wel wat verzoet doordat het onhistorisch is: er was nooit een gewelddadige landname van Kanaän, de Jahweh-getrouwen waren een deel van de inheemse bevolking. Hier bevestigt hij zijn joodslievend maar niet zionistisch palmares.


Over het Nieuwe Testament is Abicht kort, en als vrijzinnige erg voorspelbaar: Grieks qua vorm, joods qua inhoud (“messias”, “verbond”, eindtijdverwachting), met het fictieve verrijzenisverhaal als middel voor de apostelen om de dood van hun Heiland te verwerken. Echte gelovigen zullen dit boek allicht mijden.