Tuesday, June 20, 2017

Links en de Noorse massamoord






Al een decennium lang hoor je opiniemakers klagen dat “de politieke correctheid van links naar rechts opgeschoven is”. Dat is klinkklare onzin, links heeft een structureel overwicht met in de wet en de instellingen gebetonneerde discriminaties tegen andersdenkenden. Het heeft alleen de indruk van underdog te zijn omdat het inhoudelijk de debatten verliest. Ook de dynamiek van het opinielandschap gehoorzaamt nog steeds aan hun wil, en dat is zeer uitdrukkelijk gebleken uit de reactie op de massamoord door Anders Breivik. De meeste commentatoren, ook de weinig geïdeologiseerde, hebben als op commando eensgezind de steen geworpen naar de conservatieve rechterzijde, en de islamcritici in het bijzonder, en hen gebrandmerkt als moreel medeschuldig aan Breiviks gewelddaad.
Welbeschouwd is het islamdebat natuurlijk  geen kwestie van links of rechts. In de moslimwereld gaat islamkritiek veelal uit van mensen met een links profiel. Onze linksen behandelen islamkritiek als rechts omdat zij binnen hun beperkte horizon alleen zien dat in eigen land de rechterzijde zich het islamthema aangetrokken heeft.

Geweld beloond
Een blijver in de opiniedynamiek is dat aan rechts hogere morele eisen gesteld worden dan aan links. Van rechts wordt inkeer en berouw geëist omdat ergens iemand die zich eveneens rechts noemt, 77 mensen vermoord heeft. Van links wordt het daarentegen heel normaal gevonden dat het rondloopt in hemdjes met de beeltenis van Ché Guevara, die evenzeer meende de goede strijd tegen het kwaad te voeren en daaraan ten allerminste 216 mensenlevens opofferde, dodingen tijdens gevechtshandelingen niet meegeteld. Verschil is wel dat de Noorse slachtoffers een snelle dood stierven terwijl Ché zijn medische kennis gebruikte om een aantal van zijn gevangenen te folteren.
Hoe hoog een ideologische stroming in de pikorde staat, blijkt ondermeer uit met hoeveel schandaligs ze kan weggeraken. Bijvoorbeeld, een studentenvereniging aan de UGent nodigt een rechtse politicus uit voor een debat, links komt het debat met geweld verhinderen (en slaat daarbij terloops de rector het ziekenhuis in); een tijd later weer zo’n uitnodiging, weer een linkse dreiging met geweld, en de rector roept er niet de politie bij om deze keer de uitoefening van het grondwettelijk recht op vergadering en meningsuiting te beschermen, maar voert de oekaze van links uit en verbiedt het debat. Pas als rechts hetzelfde kan doen met een links initiatief, kan je zeggen dat “de politieke correctheid van links naar rechts opgeschoven is”.
Idem voor de islam: dat die nu deelt in de door links bemachtigde voorrechten blijkt hieruit dat hij met zeer veel lelijks kan weggeraken. Honderden moslimterroristen, van Mumbai en Bagdad tot Amsterdam en New York, hebben uitdrukkelijk bekend gemaakt dat de islam en niets dan de islam hen tot hun daad motiveerde. Toch werden hun terreurdaden niet gevolgd door  veroordelingen van de islam vanwege politici of de media. Integendeel, na 11 september 2001 verwelkomden moskeeën in de VS een ware begankenis van politici en andere prominenten die hun sympathie voor “de religie van de vrede” kwamen betuigen. Ook na de massamoord in Oslo, waarbij moslims noch dader noch slachtoffer waren, kregen Noorse moskeeën het bezoek van ondermeer een minister en de kroonprins. Wat er echter niet afkon was een steunbetuiging aan de islamcritici, die er valselijk doch unisono van beschuldigd werden, de Schreibtischtäter geweest te zijn. Zelfs politici die geloofden dat islamkritiek Breivik tot zijn daad gebracht had, zouden, overeenkomstig hun ontkoppeling van moslimterreur en de daarvoor door de daders ingeroepen ideologie, de islamcritici van hun blijvende sympathie hebben moeten verzekeren.   

Inspirerend
En laten we wel wezen: islamkritiek heeft Breivik niét tot zijn daad geïnspireerd. Mocht er één citaat van islamcritici bestaan hebben dat tot zulk geweld oproept (zoals er wel volop in de Koran en andere islamklassieken staan), dan hadden we dat uiteraard op alle voorpagina’s kunnen herlezen, quod non. Terwijl Breivik geschiedkundige gegevens uit het onderzoek van islamcritici als Robert Spencer, Bat Ye’or, Fjordman enz. aanhaalt, neemt hij in zijn manifest scherp afstand van hen zodra het aankomt op de mogelijke oplossing van het door hen gestelde probleem. Volgens hem zijn zij bekommerder om hun reputatiedekking dan om de doortastende maatregelen tegen de islam die hij noodzakelijk acht. (p.764) Hij vindt hen veel te soft, inspiratie voor de actie moest hij elders zoeken.
Ook de islamkritische politieke partijen, van dewelke hij alleen de retoriek maar niet de werkwijze goedkeurt,  wenst hij uiteindelijk naar de hel. Zo verwacht hij dat zijn vroeger lidmaatschap bij de Noorse Vooruitgangspartij deze partij zwaar zal beschadigen, en hij vindt dat goed omdat de bevolking zo de illusie zal kwijtraken dat de nodige maatregelen tegen de islamisering langs democratische weg kunnen bereikt worden. (p.1401) Daardoor zal zij voor de revolutionaire weg kiezen, hoopt hij. Die benadering heeft niets met islamkritiek te maken, maar volgt een ander welbekend model, namelijk dat van linkse terreurgroepen. Van de 19de-eeuwse anarchisten tot de RAF en de CCC hebben linkse terroristen altijd geloofd dat hun actie als ontstekingsmechanisme zou dienen voor een omslag bij de massa in de richting van de revolutionaire volksopstand.
Hoewel hun terreur nooit tot de beoogde revolutie leidde, heeft zij tenminste hun ideologie van klassenstrijd nooit schade berokkend. Dezelfde retoriek waarvan linkse terroristen zich bedienden, over “Amerikaans imperialisme” en “uitbuiting door het grootkapitaal”, werd er in respectabele media niet minder om. Het voorbeeld van de islam is voor kandidaat-terroristen nog hoopgevender en “inspirerender”: na 9/11 sloten de rangen van de politieke klasse en de opiniemakers  zich rond de islam om hem tegen alle kritiek af te schermen. Wie uit de eigen islamitische motivering van de daders de logische besluiten trok, werd weggezet als een misdadiger schuldig aan “racisme”, of als een psychiatrisch geval lijdend aan “islamofobie”. Als iemand “het klimaat geschapen heeft” voor Breiviks sprong van een politieke overtuiging naar een terreurdaad, dan zeker degenen die de islam voor zijn rol in terreurdaden met een des te gunstiger pers beloond hebben.

Haatretoriek  
In de talrijke oproepen tot repressie tegen islamkritiek merk je overigens dat de betrokken politici en commentatoren het islamdebat van de jongste jaren volstrekt niet gevolgd hebben. Zo verklaart eurocommissaris Cecilia Malmström dat we “tolerantie en democratie” moeten verdedigen. Het is haar blijkbaar volledig ontgaan dat alle islamcritici juist de zorg om tolerantie en democratie inroepen als dringende reden om de (laat ons zeggen:) moeilijke relatie van de islam met de waarden van tolerantie en democratie tegen het licht te houden. Inhoudelijk hebben zij en haar soort tegen de islamkritiek nooit een punt kunnen scoren. Het is pas vanachter Breiviks brede schouders dat zij triomfantelijk een neus kunnen zetten naar degenen die tolerantie en democratie tegen de islam in bescherming nemen.
Sluiten we de Breivik-episode af met een persoonlijke rechtzetting. Op het lezersforum van De Wereld Morgen insinueerde de onlangs afgezwaaide hoofdredactrice van Knack Weekend dat Fjordman en ondergetekende wel eens één en dezelfde persoon zouden kunnen zijn. Dat verhaal is door Fjordmans bekendmaking van zijn werkelijke identiteit gelukkig van de baan. Op facebook beschuldigt zij de medewerkers aan Brussels Journal , en onder hen met name ook mijzelf, ervan, door hun “haatretoriek” het klimaat voor Breiviks daad geschapen te hebben. Ik heb haar uitgedaagd om uit mijn tientallen islamartikels op BJ één zin aan te wijzen die als “haatretoriek” kan gelden. Net als alle anderen die mij al jaren met scheldwoorden maar nooit met weerleggingen bekogelen, is zij het antwoord schuldig gebleven.  


('tP, 17 aug. 2011; BJ)

The Brussels Journal: Een gelegenheid tot zelfkritiek




In zijn beruchte manifest raadt Anders Behring Breivik zijn eventuele medestanders aan om winnaars te imiteren. Weg dus met rechtse verliezers als Hitler en Mussolini, bestudeer liever voorzitter Mao. Nou, die raad neem ik al ter harte van toen de Noorse terrorist nog moest geboren worden. Zoals trouwe lezers weten, vind ik op de vreemdste plaatsen nog nuttige toepassingen voor de staat- en krijgskundige inzichten van de Grote Roerganger. Vandaag trekken we lering niet uit zijn woorden maar uit één van de praktijken die hij ingesteld heeft. Onder ex-linksen wordt er hartelijk om gelachen, maar eigenlijk was het nog zo’n slecht idee niet: de openbare zelfkritiek.      
Natuurlijk is het niet de bedoeling, de gedwongen valse bekentenis van niet-begane misdaden weer in te voeren, zoals onze tegenstanders graag zouden zien. Wel geldig blijft het onderliggende beginsel, namelijk dat het voor de betrokkene en zijn gemeenschap het beste is als hij van een begane fout afstand neemt door zelf te detailleren wat er precies fout aan was. Gewoon even sorry zeggen wanneer je dat politiek opportuun lijkt (zoals sommige landen en instellingen gedaan hebben i.v.m. de Holocaust, de slavernij en zelfs de kruistochten), is op zich weinig waard. Het wordt pas waardevol en een bewijs dat je echt afstand genomen hebt van dat wat je nu zelf als een fout bestempelt, als je zelf uiteenzet wat er fout aan was, hoe je tot dat foute gedrag gekomen was en waarom je het nadien verworpen hebt. Als je iets echt ontgroeid bent, als het geen deel meer is van jezelf, dan valt het gemakkelijk om het aan de kaak te stellen, want het betreft niet langer jezelf, alleen je vroegere zelf. Niets is bovendien doeltreffender om je twijfelende medestanders mee over de streep te trekken en afscheid te doen nemen van de foute lijn. Voor de maatschappij is het extra winst dat ze de zondaar niet uitschakelt maar hem tot bondgenoot maakt in de “rectificatiebeweging”.     
Ach zo, is er hier dan sprake van een “foute lijn” die “gerectificeerd”moet worden? Natuurlijk zijn de verschaffers van juiste historische kennis over de islam (zoals Ibn Warraq, Wafa Sultan, Robert Spencer, Andrew Bostom en andere “inspiratiebronnen van Breivik”) niet verantwoordelijk voor de praktische besluiten die een onevenwichtige uit zijn kennismaking met dat probleemdossier trekt. Het wereldwijd bekend maken van de ontluisterende feiten inzake de islam is, net als het Zwartboek van het Communisme, een onverdeeld goede bijdrage aan het welzijn der mensheid. Toch moeten we altijd tot zelfkritiek bereid zijn, ongeacht of dramatische gebeurtenissen daar aanleiding toe geven. Zelfs wanneer de vijand zijn laagheid en valsheid demonstreert door onze wetenschappelijk gefundeerde woorden verantwoordelijk te stellen voor andermans redeloze misdaden, moeten we ons er niet toe beperken, op de logische ongeldigheid van zijn insinuaties te wijzen. We moeten ons integendeel afvragen of we, door doen of laten, geen fouten gemaakt hebt in de door de vijand bedoelde of in andere zin.

Eurabische samenzwering
Laat ons dus ingaan op de vraag wat islamcritici beter hadden kunnen doen, en in de toekomst beter moeten doen. In welke mate, bijvoorbeeld, maken wij werk van het met de lippen beleden beginsel dat “de islam het probleem is, eerder dan de moslims”?
Niet elke islamcriticus geeft blijk van voldoende inlevingsvermogen in de positie van onze als moslim grootgebrachte medemens. We moeten beseffen dat, indien wijzelf in een moslimland geboren waren, ook wij heel wat islamitische geloofspunten en attitudes verinwendigd zouden hebben. Moslims kunnen er niets aan doen dat ze in dat geloofssysteem terecht gekomen zijn, maar ze zijn wel met rede begiftigde wezens die het kunnen ontgroeien. Sommige islamkritische teksten lijken geschreven door lieden die nooit een levende moslim op menselijk niveau ontmoet hebben, als waren moslims de onbezielde vijanden in een computerspel. Geert Wilders moeten we nageven dat hij op dit punt in gunstige zin geëvolueerd is en nu de strijd tegen de islam ook beschouwt als in het belang van de moslims zelf. Zelfs het VB heeft met zijn leuze “aanpassen of opkrassen” op zijn eigen onbehouwen manier een grote stap in de juiste richting gezet: het erkent daarmee dat moslims een vrije keuze hebben om zich in de leidcultuur te integreren liever dan zich in een islamgetto op te sluiten, en dat zij op die voorwaarde ook welkom zijn.
Een ander punt waar enkele prominente islamcritici volgens mij in de fout gegaan zijn, is het samenzweringsdenken over “Eurabië”. Het is natuurlijk wel zo dat de islamwereld gretig uitkijkt naar de inlijving van Europa in het Dâr-al-Islâm, een project dat door Bat Ye’or in de term “Eurabië” samengevat wordt. Ik heb veel geleerd van haar vroegere werk over de geschiedenis van de dhimmitude, het statuut van de in hun onderwerping berustende niet-moslims in islamitische samenlevingen. Tegen de overvloedige documentatie die ze daarin presenteerde hebben degenen die haar nu uitspuwen nooit een begin van weerlegging kunnen inbrengen. We kunnen haar echter niet volgen in de stelling dat Europese en Arabische politieke leiders samen een strategie bedisseld hebben om Europa te islamiseren.
Hoezeer eurocraten ook de verradersaard in zich hebben, hoezeer zij ook het Europese volk haten en misprijzen, hun kille hart loopt niet zodanig warm voor de islam dat zij doelbewust de islamisering van ons werelddeel zouden nastreven. Dat het beleid van de Europese elites objectief de islamisering in de hand werkt, is geen bewuste strategie, wel een geval van onbedoelde gevolgen door de hoogmoedig-kortzichtige Marie-Antoinettes van vandaag. Schrijf nooit toe aan boosaardigheid wat afdoende verklaard kan worden door dwaasheid.
Het pro-islambeleid van de bestuursklasse heeft ondermeer de volgende niet-samenzweerderige oorzaken: (1) het postkoloniale schuldgevoel, hier geïnformeerd door de onjuiste aanname dat het kolonialisme de islam onderdrukt heeft; (2) een oprechte wil tot openheid en pluralisme, echter blind voor het feit dat juist de islam juist overal waar hij aan de macht is, het pluralisme afbreekt; (3) een protserig beter-dan-gij spel, een wedijver in de vrijgevigheid waarin de elite haar superioriteit tegenover de bekrompen massamens demonstreert door eigen erfgoed weg te geven, concreet vooral door het wooncomfort, de straatveiligheid e.d. van de volksmens weg te gooien, samen met verworvenheden als de gelijkheid van man en vrouw en de vrijheid om te spreken en aan godsdienstkritiek te doen. Een groepsdynamiek vergelijkbaar met die van een bijenzwerm, waarin de progressieven mekaar imiteren en bij afdwaling corrigeren, verklaart voldoende hoe zij, tegen alle terugkoppeling vanuit de werkelijkheid in, een rozig beeld van de islam blijven belijden en daardoor een beleid voeren dat de islamisering in de hand werkt. Zo’n groepsdynamiek is natuurlijk wat ingewikkelder om in kaart te brengen dan een net plannetje dat in een achterkamertje bedisseld is, maar het is realistischer.
Ook de inschatting van de sterkte van de islam in Europa en de prognose van de evoluerende krachtsverhouding is minder eenvoudig dan je bij lezing van sommige islamkritische geschriften zou denken. Enerzijds is er de demografische groei door hogere geboortecijfers (weliswaar dalend maar op elk moment hoger dan bij niet-moslims) en voortdurende immigratie, en de grotere en diepere zelforganisatie; anderzijds is er de de-islamiserende invloed van de moderne cultuur en van de dagelijkse ervaringswerkelijkheid. Tussen die twee trends is er een wedloop [http://www.brusselsjournal.com/node/1710] aan de gang. Het verloop van die wedloop ligt niet a priori vast, er is misschien reden voor alarmisme maar zeker niet voor defaitisme.

Heilige oorlog  
Centraal in het debat over Breivik is de vraag of islamkritiek een oproep tot geweld impliceert. Met hun bekende kwade trouw stellen linkse polemisten het in hun euforie nu zo voor dat islamkritiek noodwendig tot geweld tegen de moslims moet leiden. Terecht zegt de door Breivik zo bewonderde Peder Jensen alias “Fjordman” dat hij nooit zulke oproep gedaan heeft, en dat Breivik uitdrukkelijk het contrast maakt tussen hemzelf en de volgens hem te softe islamcritici, die nog in democratisch debat geloven (inbegrepen Fjordman en politici als Wilders en Dewinter). Sterker nog, Breivik hoopt uitdrukkelijk dat de islamkritische partijen schade zullen lijden door de associatie die de media onvermijdelijk zullen maken tussen hen en zijn eigen misdaad, want dan zal de bevolking zich afwenden van de “illusoire” democratische oplossing en zich tot het revolutionaire alternatief wenden (p.1401 van zijn manifest). De media spelen dus Breiviks spel mee door de schuld voor zijn daad naar de geweldloze islamcritici door te schuiven.
Daarop antwoorden Fjordmans critici dat hij het beleid van de heersende klasse met enig retorisch geweld toch maar een “oorlog tegen de Europese bevolking” genoemd heeft en zich naar eigen zeggen op een nakende “burgeroorlog” met de moslims voorbereidde. Dat zou niet echt een “oproep” tot geweld zijn maar daartoe wel “het klimaat scheppen”. Zoals ik het begrepen heb, wou hij waarschuwen tégen zo’n burgeroorlog, die zeer zeker tot de mogelijkheden behoort (zie Joegoslavië), en oproepen om die te vermijden. Alleen vernam de lezer onvoldoende over hóe dat kan bereikt worden.
Wij hadden meer moeten nadenken en schrijven over de oplossing voor het islamprobleem dat wij zo uitvoerig gedocumenteerd hebben. Ten eerste geeft dat meer perspectief, meer hoop, aan degenen die door de opmars van de islam in hun omgeving moedeloos of, zoals Breivik, wraakzuchtig worden. Ten tweede had dat alle twijfel weggenomen over de keuze van de middelen om dat politieke doel te bereiken.
Velen namen in dat verband aanstoot aan het (alweer vijf jaar oude) “Geef ons wapens” van Paul Beliën. Dat was een echte miskleun: gebaseerd op onjuiste informatie over de etniciteit van de zigeuners die Joe Van Holsbeek doodden (in brede kring werden zij tot hun aanhouding voor Marokkanen gehouden), en met een taalgebruik dat zich uitstekend tot overinterpretatie leende. Paul heeft die tekst nadien wel van de webstek gehaald, maar dit was nu precies het soort fout dat alleen ongedaan gemaakt kon worden met een openbare zelfkritiek. Nu is ze hem blijven achtervolgen, eerst in de onbelangrijke scheldpartijen van het knusse Vlaamse multiculdebat, en vervolgens buiten alle proportie getild door de zaak-Breivik. Volgende keer beter.
Anderzijds zijn er mensen die oprecht menen dat het niet zonder geweld zal kunnen, maar dan “regulier” geweld. Amerikanen komen van Mars, dus gaf Daniel Pipes, een gematigd islamcriticus die gelooft dat “de radicale islam het probleem en de gematigde islam de oplossing is”, aan president Obama de raad om Iran te bombarderen. [http://www.nationalreview.com/articles/229059/how-save-obama-presidency-bomb-iran/daniel-pipes] Voor zulk standpunt hoef je zelfs geen islamcriticus te zijn, eerder het tegendeel. George W. Bush heeft vaak de islam geprezen, bv. “Islam is een vreedzame godsdienst en een godsdienst die anderen eerbiedigt” [http://www.muslimrepublicans.net/article.asp?ID=164], maar hij heeft wel  vele duizenden moslims doodgebombardeerd. Het is niet islamkritiek die tot geweld tegen moslims leidt. (Ook bij Breivik niet.)
Omgekeerd blijken gewapende offensieven tegen de islamwereld vanuit het standpunt van de grondige islamkritiek sterk contraproductief te zijn, zoals ik al eerder betoogd heb [http://cdn1.brusselsjournal.com/node/3504]. Het verhardt de standpunten terwijl de moslimwereld juist een dooi nodig heeft waarin de gedachten kunnen evolueren. Wat de Navo (met daarin ook het islamvriendelijke multiculturele België) vandaag in Libië uitricht, gelijkt trouwens heel sterk op Breiviks schietpartij: vanuit een positie van overmacht mensen neermaaien die tegen je eigen vuurkracht kansloos zijn. Het maakt de westerse waarden niet populairder, noch bij moslims noch bij andere niet-westerlingen. 
Maar wie de strijd tegen het islamitisch imperialisme niet als gewelddadig opvat, had dit misschien wel veel uitdrukkelijker moeten zeggen. Neem een voorbeeld aan de Iraniër Ali Sina in zijn standpunt over de Noorse massamoord [http://www.faithfreedom.org/articles/op-ed/statement-on-norway-massacre/]: “In mijn 13 jaar van activiteit tegen de islam heb ik nooit geweld bepleit. Steeds weer heb ik gesteld dat we tegen de onwetendheid strijden. Onwetendheid kan je afbreken met kennis, leugens vernietigen met de waarheid, de duisternis overwinnen met licht. We heffen geen zwaard tegen de duisternis, we ontsteken een licht.”
Nochtans hoort Ali Sina thuis in het rijtje islamcritici wier naam in Breiviks manifest opduikt, en die “dus” de moordenaar “geïnspireerd” hebben. Het is bijgevolg niet zeker dat duidelijkheid over onze doelstelling een verschil zou maken voor zulke vertroebelde geest, en nog minder voor de Europese linkerzijde die door haar kwade trouw moedwillig blind is voor al wat niet in haar demonisering van islamkritiek past. Wij als penneridders moeten ons belang niet overschatten: het gedrag van mensen wordt maar zeer gedeeltelijk bepaald door wat zij lezen, en zelfs dat beetje lezen zij slechts door de bril van hun ervaring en vooroordelen. Maar toch: voorzover onze invloed reikt, hebben wij een verantwoordelijkheid en kunnen wij ons geen onnauwkeurigheid veroorloven. Onze vijanden kunnen met veel minderwaardige argumentaties weggeraken, met sprookjes en laster, met intellectuele luiheid en zelfgenoegzaamheid; maar wij zijn niet in zulke machtspositie. En al waren we het wel, dan zouden we nog moeten verkiezen om het juiste te doen.


('tP, 10 aug. 2011; BJ)

Wilders tegen de islamofobie




Geert Wilders’ Partij voor de Vrijheid heeft de 26-jarige Vlaamse ingenieur Sam Van Rooy als medewerker geschorst. Naar haar mening had hij enkele moslima’s lastig gevallen, namelijk door hen op straat te filmen omdat hij hun boerka een provocerend teken van achterlijkheid vond; en vooral door hen, op de facebookschakel naar zijn filmpje, "tuig" te noemen.  Wilders trekt hiermee duidelijk de lijn tot waar zijn “islamofobie” gaat: ja aan de ideologiekritiek en de politieke inperking van de islam, nee aan pesterijen tegen moslimse medeburgers. En zo hoort het.
Van censuur is in deze zaak geen sprake: een politieke partij is geen overheid en heeft binnen de grenzen van de wet en de aangegane contracten alle vrijheid om wie dan ook aan te werven, te ontslaan of op non-actief te zetten. Van Rooy is niet gemuilkorfd, hij mag zijn filmpje nog steeds op het internet verspreiden, alleen niet als PVV-medewerker. Er bestaat een fundamenteel mensenrecht op vrije meningsuiting, niet op onvoorwaardelijk emplooi bij een bepaalde werkgever.
In een ideale wereld zou ik de maatregel van de PVV als een overreactie beschouwen. Gefilmd worden is geen pretje maar is tegenwoordig op openbare plaatsen meer regel dan uitzondering, dus zo’n zware pesterij was dit allemaal niet. En wie per se in boerka de straat op wil, moet ertegen kunnen dat de omgeving daar commentaar op geeft. Maar in de wereld van vandaag kan een islamkritische partij zich zulke onkiese stunts niet veroorloven. Nu Wilders’ vijanden volop proberen om hem de massamoord in Oslo (waarover, na rustig beraad, volgende week meer) in de schoenen te schuiven, komt het wel zeer goed uit dat hij pas een week eerder in eigen vlees gesneden heeft om iedereen duidelijk te maken dat zelfs geweldloos lastig vallen van moslims buiten zijn werkstijl valt, laat staan het gebruik van geweld.


Feestdebat

Het incident in de PVV mag als gelegenheid dienen om nog eens scherp te stellen wat onze houding tegenover de islam moet zijn. We doen dit aan de hand van enkele opgemerkte uitspraken uit het debat over “Zomer in de Arabische lente” op de Gentse Feesten, 23 juli 2011. De show werd er gestolen door prof. Sami Zemni, die een uitstekend overzicht gaf van de gebeurtenissen van het jongste jaar in de Arabische wereld; en door Chokri ben Chikha, toneelmaker en net als Zemni van Tunesische afkomst, die toegejuicht werd omdat hij kort voor het uitbreken van de rebellie zelf op tv  het regime had durven bekritiseren.
Zemni beklemtoonde dat de pro-democratische (of althans anti-regime) signalen vanuit de bevolking helemaal niet van islamitische organisaties uitgingen. Daarop volgde de inmiddels bekende triomfantelijke vraag: waar blijven de islamcritici nu, Etienne Vermeersch, Benno Barnard en de anderen die een tegenstelling tussen islam en democratie poneren? Volgens hem bewees de Arabische lente dat islam en democratie wel samengaan. Nee, natuurlijk. Anders dan postmodernisten als Zemni beweren (maar zoals alle moefti’s zullen bevestigen), heeft de islam wel degelijk een onveranderlijke essentie, vastgelegd in de grondteksten; en die is onverenigbaar met democratie en moderniteit. Daarom dat men niet (zoals Zemni zelf vaststelt) met de groene vlag voor democratie betoogt.
Maar waar de Arabische lente ons wel aan herinnert, is dat er naast de islam ook andere factoren zijn in het leven van mensen die zich moslim noemen. De revolte rond zuiver wereldse en bij uitstek moderne strijdpunten illustreert wat ikzelf al twintig jaar schrijf, namelijk: er is een wedloop aan gang tussen enerzijds de politiek-militaire en demografische expansie van de islam en anderzijds de uitholling van de islam van binnenuit. De voorhoede van mondige ex-moslims bewijst dat er aan Arabieren niets intrinsiek islamitisch is, en vroeg of laat zal zij gevolgd worden door bredere bevolkingslagen.  De Arabische lente is een stap in die richting. Hetzelfde proces is aan gang in Europese moslimkringen, en daarom moeten onze islamcritici altijd een vriendelijk welkom klaar houden voor Ali’s en Fatima’s die levensbeschouwelijk tot de jaren des onderscheids komen.
D e nationale fierheid is één van die motieven die haaks staan op de islam (zonder zich als anti-islam te afficheren, wat maar een pro-islamreactie zou oproepen). Volgens Brecht De Smet, één van de oriëntalisten in het panel, is het nationalisme dé grote winnaar van de Arabische lente. Het debat opende trouwens met een videoclip van het Tahrîr-strijdlied, op youtube te vinden onder de titel: “Long live Egypt”. Geen woord islam daarin, wel gaat het over “wat onze voorouders begonnen: ons leven opbouwen in waardigheid”, en “leve Egypte, de moeder van de wereld”, een duidelijke verwijzing naar het heidense faraorijk. Tegelijk noteerde Zemni een vernieuwd pan-Arabisch gevoel van lotsgemeenschap, veertig jaar na de mislukking van Nasser’s panarabisme. Daarom ook dat de revolte plaatsvindt in de Arabische landen met een inheemse midden- en arbeidersklasse, niet in de “rentenierstaten” die hun inkomen uit olie-uitvoer halen en het werk aan rechteloze onmondige gastarbeiders uitbesteden.


Onafhankelijkheid

Zemni wimpelde de Westerse term “facebookrevolutie” af als zelfvleierij, alsof “onze technologie hun de democratie brengt”. Uiteraard was er geen Arabische lente geweest zonder mensen van vlees en bloed die het risico namen om te gaan betogen. Maar hun beslissing om dat te doen heeft toch wel iets aan de nieuwe media te danken, want die hebben hun horizon geopend, voorbij de moskee en de staatsmedia. Hier geldt een beetje dat “the medium is the message”, de moderne media doen het denken evolueren zelfs als men ze aanvankelijk gebruikt om reactionaire boodschappen te propageren. Maar de les voor Europese islamcritici is ook hier dat dit bewijst hoe Arabieren “van Rabat tot Bagdad” evenzeer toegankelijk zijn voor idealen van vrijheid en sociale rechtvaardigheid, en dat je hen daarop kan aanspreken in plaats van hen tot de hun opgelegde islamdimensie te herleiden.
Het volgens mij meest hoopgevende gebeuren van dit jaar liet Zemni onvermeld. Het is misschien niet oorzakelijk verbonden met de revoltes, maar staat echt wel onder hetzelfde gesternte: dat Soedan aan Zuid-Soedan de onafhankelijkheid verleend heeft. Een islamitisch regime dat aan een groot gebied met een miljoenenbevolking toestaat om de islam als staatsgodsdienst en het Arabisch als bestuurstaal af te schaffen, dat is nog niet vaak vertoond. Helemaal vrijwillig was het niet, het land stond onder grote internationale druk, maar in ieder geval heeft het een reuzenstap in de richting van de moderne internationale rechtsorde gedaan. Religieus gedreven groepen kunnen al eens de wereld trotseren, maar uiteindelijk buigt de moslimwereld het hoofd voor de geopolitieke werkelijkheid. Realisme overtroeft uiteindelijk de islam.
Ook in Europa bestaat er weliswaar een probleem maar geen reden tot paniek. Daarom is het maar juist dat Geert Wilders zijn overijverige medestanders tot kalmte aanmaant.


('tP, 27 juli 2011; BJ)

Monday, June 19, 2017

The Brussels Journal in het oog van de storm

  PDF Print E-mail
       


Sir Winston Churchill, toch al in opspraak sinds het bombardement op Dresden, zal nu zeker niet lang meer geëerd worden met standbeelden en straatnamen. Hij is immers één van de inspiratoren van de moord op 77 mensen, vooral Noorse jongsocialisten, door Anders Behring Breivik op 22 juli 2011. Toen hij in geschrifte de islam fanatiek en retrograde noemde en Mein Kampf met de Koran gelijkstelde, als een Geert Wilders avant la lettre, had hij toch moeten weten dat zulke haattaal ooit ergens eens een zieke geest tot gewelddaden zou bewegen? Dat kan hij toch niet meer ontkennen nu blijkt dat Breivik hem in zijn manifest in die zin citeert? Maar liefst 25 keer komt zijn naam erin voor!
Ziedaar, mutatis mutandis, het oordeel van onze media en opiniemakers over alle mensen die genoemd worden in Breiviks manifest. Dat zijn niet alleen Paul Beliën en de pseudonieme Noor Fjordman, medewerkers van de Brussels Journal; maar ook vrijheidsstrijders Karel Martel, Jan Sobieski en de genoemde Churchill; conservatieve denkers als F.A. Hayek, Roger Scruton en Theodore Dalrymple; schrijvers als William Shakespeare, George Orwell en Imre Kertesz; Oostblokdissidenten als Vladimir Bukovsky en Vaclav Havel; ex-moslims als Younus Shaikh, Anwar Shaikh, Ibn Warraq, Salman Rushdie, Ayaan Hirsi Ali; en kritische oriëntalisten als K.S. Lal, Bernard Lewis, Patricia Crone, Hans Jansen en, jawel, uw dienaar.
Vooraleer op de belangrijke zaken in te gaan, eerst even de mistige geruchten rond mijzelf uitklaren. De conformistische opiniemakers zijn uitgelaten omdat ze nu toch nog een multicultureel punt menen te kunnen scoren na de jongste tijd veel terrein verloren te hebben (Wildersvonnis, boerkaverbod, minaretreferendum, premiers die multicultuur mislukt noemen, steeds meer donkerhuidige islamcritici die niet als “racist” kunnen zwartgemaakt worden). In hun euforie hebben ze kwistig het etiket “inspiratiebron van Beirvik” rondgestrooid, ook in mijn richting. Volgens Le Soir (30-7) heeft Beirvik “ruim geput uit de geschriften” van ondergetekende. Ik blijk zelfs belangrijk genoeg om genoemd te worden in een lijstje van welgeteld drie voorbeelden, samen met UNA-bomber Ted Kaczinsky en Fjordman, in de Franfurter Presse (“Unerwünschter Sympathisant”, 26-7). Een persmededeling van de belgicistische lobbygroep BUB opent het lijstje van gecompromitteerde “Vlaamsnationalisten” met mijn naam, en stelt vast dat ik maar liefst vijf (cinq) keer geciteerd wordt. Dat is een leerrijk detail.
In feite word ik slechts twee keer geciteerd, bij één van die citaten wordt mijn naam twee keer genoemd, en heel academisch horen er dan nog twee bibliografische voetnoten bij waarin mijn naam natuurlijk herhaald wordt. In beide gevallen gaat het niet om een aanhaling door Breivik, maar door andere auteurs (Srinandan Vyas op p.140, Fjordman op p.339) van wie hij artikels in hun geheel gereproduceerd heeft. Maar blijkbaar hebben de BUB-ijveraars niet zo nauwkeurig gekeken of geteld. Dat mijn naam in het manifest van Breivik opduikt, is voldoende bewijskrachtig als “band” tussen mij en Breiviks misdaad; wát ik geschreven heb, behoeft dan geen lezing meer.  Dat is de toepassing van een door “antifascisten” en aanverwante “waakhonden” veelbeproefde viswijfredenering.
Als een klappei bij haar buurvrouw een man ziet binnengaan en pas uren later weer vertrekken, dan hoeft ze heus niet aan de deur te gaan luisteren naar wat er daar precies gebeurt: die details kan ze zelf wel invullen om bij het volgend koffiekransje met een goed verhaal te kunnen uitpakken. Al mijn hele loopbaan als publiek intellectueel word ik aan allerlei bewegingen gekoppeld omdat ik ooit eens voor een blad geschreven of een groepering gesproken heb, zonder dat ooit ingegaan werd op wat ik daar dan geschreven of gezegd heb. (De enige poging tot weerlegging van een islamstelling van mij was Lucas Catherine’s argument, in zijn boek Vuile Arabieren, 1992, dat “de Koran al een oud boek is”, en zijn inhoud dus niet erg relevant meer voor de hedendaagse islam; dat mag hij eens in een moskee gaan herhalen.) Het behoort immers tot de zeden der linkse Belgen dat zij alleen met gelijkgezinden omgaan: in hun wereld impliceert louter contact of samenwerking inderdaad gelijkgestemdheid. Bij deze gelegenheid wordt die redenering tot het uiterste doorgetrokken: hier is contact zelfs geen wederzijds contact, het volstaat dat Breivik iemand gelezen heeft, om te besluiten dat er een “link” tussen beiden is, en zelfs een gedeelde verantwoordelijkheid. 
Is er een verband tussen de citaten en de moord? Wetenschappelijk noch moreel valt er alvast niets op aan te merken. Het is wel degelijk zo dat Hindoe Koesj, de naam van een bergketen in Afghanistan, “hindoe slachting” betekent. Volgens de 13de-eeuwse Marokkaanse reiziger Ibn Battoeta was dat omdat talloze hindoe die door de moslims als slaaf weggevoerd werden, daar van kou en uitputting stierven. Dat is gewoon een historisch feit, en dat is, samen met mijn vaststelling ervan, in het publieke domein. Iedereen is vrij om het aan te halen, ook Vyas, en zelfs Beirvik.
Het tweede citaat betreft niet het verleden maar een extrapolatie vanuit hedendaagse trends naar de toekomst. Fjordman bespreekt mijn stelling dat de islam, ondanks zijn huidig indrukwekkend vertoon van politieke en demografische expansie, eigenlijk op zijn laatste benen loopt. Na het wegvallen van de petroleumbonanza zal de moslimwereld vaststellen dat hij hopeloos achterop geraakt is en zich naar het model van vooruitstrevender beschavingen richten. Ook vandaag reeds zijn zeer veel moslims de islam ontgroeid; de ex-moslims die daar openlijk voor uitkomen, zijn de top van de ijsberg. Wel kan de islam vóór het einde nog wat successen boeken, met name in Europa als dit niet adequaat reageert. Deze voorspelling is uiteraard geen zekerheid, maar ze valt alleszins binnen de rationele analyse van verifieerbare gegevens.
Ik heb volstrekt geen reden om mij door Breiviks wandaad in verlegenheid gebracht te voelen.  Integendeel, ik heb altijd zeer consequent gepleit voor een vreedzame en intelligente oplossing voor het islamprobleem. Lees bv. mijn artikel uit 1992 getiteld “De dreiging van de islam”. Aha, als dat geen Breiviktitel is, hoor ik sommigen al juichen. Wel, daarin schreef ik dit, nog wat bombastisch geformuleerd maar volkomen juist: "De enige uitweg bestaat erin, de islam zelf onderuit te halen.  Dat kan alleen als de moslims zelf hun geloof in de islam verliezen.  Momen­teel zijn er dus al talloze moslims die niet in bepaalde (en met name de meest on­verdraagzame) islamdoctrines geloven: dat is het essentiële 'onderscheid tussen moslim en islam'. (...) De intellectuele en vervolgens de politieke elites in de islamwereld moeten gaan inzien dat er op gebied van geestelijke cultuur iets beters bestaat dan deze dogma's (...) Eindelijk is het mogelijk om aan volksop­voeding op planeta­ire schaal te doen, en te laten weten dat het exclusivisme van de profetische openbaring achterhaald is door meer universeel inpasbare vormen van cultuur en spiritualiteit." (TeKoS  68, p.86) Ik loof een prijs van één euro uit voor wie daarin, of in eender welk islamgeschrift van mij, een oproep tot geweld kan vinden.
Als Breivik dat nu ter harte genomen had, dan was er op 22 juli in Oslo niets gebeurd. Maar ik heb natuurlijk geen invloed die tot daar reikt. Veel invloedrijker dan het handvol islamkritische bloggers zijn de mainstream-media. Die verspreiden bv. de absurde racialisering van de islam, d.w.z. doen alsof de islam een soort raskenmerk van de moslims is, een aangeboren en onvervreemdbaar kenmerk, waartegen anderen dan een zogenaamd “anti-moslimracisme” kunnen richten. Vanuit die statische kijk op de moslimidentiteit zag Breivik geen andere oplossing dan de moslims fysiek uit Europa verwijderen.
Hij wanhoopte er echter aan dat de bestuursklasse ooit tot zulk beleid bereid zou zijn. Daarom had hij zich van de politiek afgekeerd. Dat was een gevolg van het klimaat dat de conformistische media geschapen hadden, namelijk een klimaat van wanhoop en antipolitiek. Zij doen alsof de Europese bevolking niets te kiezen heeft en zich maar neer te leggen heeft bij ondermeer de “verrijking” die de islam ons brengt. In veel landen (tot en met Zwitserland) zien we pogingen van de bestuursklasse om de besluitvorming over zulke thema’s aan de greep van de bevolking te onttrekken. Zij verschuilen zich achter oncontroleerbare supranationale machtsniveau’s om de multicultuur op te leggen. Zo zei Johan Leman over het migrantenstemrecht dat het er, willen of niet, zeker komt, want: "Europa zal ons daartoe dwingen". (De Standaard, “Europa stuurt aan op migrantenstemrecht”, 9-3-2002)
Maar er bestaat een politiek antwoord op deze antidemocratische krachten. Geert Wilders reageerde op Breiviks schietpartij met de terechte opmerking dat Breivik geen, maar hijzelf wel vertrouwen had in het politieke proces en de wijsheid van de kiezer. Europa is nog niet verloren en kan langs politieke weg gered worden.


('tP, 3 aug. 2011; BJ)

Friday, May 19, 2017

De gevolgen van de "oorlog tegen de terreur"

  


(In antwoord op een opiniestuk in De Standaard bood ik op 18 november voor zonsopgang de volgende repliek aan bij de opinie-redactie. Met de onbeschoftheid die je van een tabloid inderdaad kan verwachten, verwaardigde De Standaard zich niet om zelfs maar te antwoorden. Hoewel het stuk om een standpunt draaide dat volkomen nieuw is voor dat lezerspubliek, verkoos de redactie om de dagen daarop een trits artikelen te publiceren die hetzelfde negationisme belijden als zijzelf.)


Montasser AlDe’emeh stelt in zijn bijdrage “We hebben een monster gecreëerd” (DS, 17 nov. 2015) terecht de war on terror aan de kaak. Die heeft een grote rol gespeeld in het triggeren van een golf van terrorisme. Niet als oorzaak (die blijft onbesproken), wel als aanleiding.
 
Inderdaad, voor een hoog percentage van de 21ste-eeuwse terroristen is het de verontwaardiging over de westerse interventies in moslimlanden die hen over de drempel gehaald heeft. Sympathiseren met de djihaad of bv. met de Palestijnse strijd is één ding, omschakelen naar engagement aan het Syrische front of in de terreur binnen Europa vergt meer. Zoals zich communist verklaren in ’68 een goedkope mode was en slechts enkelen de sprong naar de “stadsguerrilla” maakten.
 
Tot zover zijn we het eens: de westerse militaire bemoeienissen in ondermeer Irak en Libië was fout. Ze hebben de hele regio, toch al vol conflictstof, verder gedestabiliseerd. Bovendien kreeg zij buiten het Westen sterk het odium van neo-kolonialisme, gesymboliseerd door de ontmoeting in Libië van David Cameron en Nicolas Sarkozy, alsof zij daar de revanche voor de vernedering van Suez 1956 kwamen vieren. Men onderschat hier de anti-westerse stemming in het Zuiden, die door de interventies fel opgepookt is.
 
Let wel, interventies zijn niet per se fout. Zij kunnen het minste kwaad zijn. Met name de Franse tussenkomst in Mali was waarschijnlijk verdedigbaar. Maar die was militair betrekkelijk clean, ze was gewenst door zowel de regering als de meerderheid van het volk in Mali, en er was ook een duidelijk politiek einddoel, namelijk het herstel van het Malinese staatsgezag en van het heersende compromis tussen laïcité en islam.
 
Daarentegen waren de invasies in Irak en Libië van meet af aan gedoemd door het ontbreken van een duidelijk alternatief. In het geval van Libië moeten we zonder meer toegeven dat kolonel Qadhafi het minste kwaad was en ondanks zijn dictatuur veel goeds gedaan had voor zijn volk. Bernard-Henri Lévy die met zijn poëtisch gemoraliseer zijn president tot de invasie bewogen heeft, mag eens duchtig in de spiegel kijken.
 
Irak was, althans in de moderne tijd, mogelijk zelfs niet samen te houden zonder dictatuur. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat de Koerdische pesjmerga van de verovering van IS-gebied, straks wellicht van de gearabiseerde metropool Mosoel, gebruik zullen maken om een eigen staat uit te roepen (wat hun gegund is). Met AlDeme’ehs stelling dat “de enige oplossing is om Irak en Syrië te verdelen, zoals Joegoslavië”, kunnen de meesten nu wel instemmen. Alleszins schiep de doelloze VS-interventie, gevolgd door de sjiïtische machtsgreep, het vacuüm waarin het Kalifaat kon ontstaan.
 
Tot dusver hebben we een groeiende consensus, waarbij zelfs Irak-veteraan Tony Blair zich pas aangesloten heeft: de war on terror is op een ramp uitgedraaid. Dit is ondermeer het gevolg van de verregaande westerse onwetendheid over het gindse wespennest. Herinner u hoe zelfs na enkele jaren in Irak, de meeste personeelsleden van het State Department niet eens het verschil tussen soennieten en sjiïeten kenden, toch wel een centraal gegeven in de Iraakse geschiedenis van ca. 650 tot vandaag.
 
Niets dan lof dus voor de denkoefening van AlDeme’eh. Alleen ontbreekt er een vaststelling die men bezwaarlijk kan weglaten als men dan toch het onderwerp war on terror aansnijdt. In zeer brede kring, wereldwijd zelfs, associeert men die interventies met “islamofobie”. Bij de meeste veroordelingen van de interventies komt als staartje: “Zie je wel waar islamofobie toe leidt” – bij de lezers van dit artikel ongetwijfeld ook. Welnu, met islamofobie hebben zij niets te maken. Integendeel zelfs.
 
Geen van de staats- of regeringsleiders die bommenwerpers naar het Midden-Oosten gestuurd heeft, is ooit op ook maar één woord islamkritiek betrapt. Integendeel, van elk van hen kunnen lofprijzingen voor de islam aangehaald worden. Zij schijnen het zelfs oprecht te menen wanneer zij ons bezweren dat terreur "niets met de islam te maken heeft". Het gaat trouwens verder dan woorden. Toen John Kerry de VS-bombardementen op het Kalifaat aankondigde, noemde hij de vrijwaring van de “ware” islam voor zijn “vertekening” door de Islamitische Staat als één van de motieven. Hij ging dus moslims doden om de islam te verdedigen.
 
In de begeleidende retoriek werd dat pro-islamitisch uitgangspunt verder uitgebouwd. Zo dekte Cameron zich in tegen de opmerking dat IS-moslims gaan bombarderen (dus: moslims doden) toch wel een vreemde manier is om de islam te eren. Hij zei dat de te doden vijand buiten de categorie “moslims” valt en uit “monsters” bestaat. Misschien kan hij dat zijn thuispubliek, hongerig naar geruststelling over de islam, wel wijsmaken, maar de moslimwereld blijft doof voor zo’n retorisch handigheidje. De woorden deemsteren weg, maar de daden – de zoveelste militaire bemoeienis – zijn welsprekend genoeg. Zij jagen eens te meer jongeren naar de djihaad tegen het arrogante Westen. Arrogant, inderdaad, maar juist niét in "islamofobe" zin.

 

Geweldloosheid voor volwassenen

Hoe Gandhi WO2 voorkwam PDF Print E-mail
      

 

Geweldloosheid voor volwassenen


          Op 30 januari 2008 hebben we de moord op Mahatma Gandhi, dag op dag zestig jaar geleden, herdacht.  Voor de zoveelste keer hoorden we allerlei lofzangen op een idealist wiens idealen niemand in de praktijk wil brengen.  Wie eens concreet bekijkt welke politieke wapenfeiten de “grote ziel” langs geweldloze weg hoopte te bereiken, zal wel twee keer nadenken vooraleer zich bij hem aan te sluiten.  Wat dacht je bijvoorbeeld van: vrede met Hitler?
          De Indiase leider van het geweldloos verzet heeft inderdaad getracht om WO2 te voorkomen of in de kiem te smoren met enkele brieven aan Adolf Hitler.  In India hebben Gandhi’s critici van links en rechts, communisten en hindoe-nationalisten, zich hierover altijd vrolijk gemaakt.  De benadering van Hitler zou het ultieme voorbeeld zijn van Gandhi’s onnozele geloof dat een lam een tijger tot geweldloosheid kan bewegen.  Bij ons heeft ondermeer Kristien Hemmerechts de Mahatma een “naïeve dwaas” genoemd omdat hij tevergeefs zijn geweldloosheid als een panacea aan de Führer probeerde te verkopen. ("Milosevic, Saddam, Gandhi en Hitler", De Morgen, 16-4-1999)  Ik doe zelf niet mee aan de ophemeling van Gandhi, maar op dit punt was hij alleszins consequent met zichzelf en nuchterder dan de meeste anderen. 
          Beide brieven zijn gericht aan “my frie­nd”.  Wellicht was Gandhi er niet van op de hoogte dat Hitler tijdens een ontmoeting met Brits buitenlandminister Lord Halifax in 1938 zijn diensten had aangeboden om het Britse Rijk te versterken, en dat hij voor de Indiase vrijheidsbeweging als concrete oplossing gesuggereerd had om de leiders van het Indiaas Nationaal Congres te vermoorden, te beginnen met Gandhi.  In ieder geval ging deze er heel christelijk van uit dat elke mens, ook Hitler, een geweten heeft en daarop aangesproken kan worden.  In het hedendaagse Westen huldigt men een karikaturale morele visie die Hitler buiten het mensdom plaatst, als een incarnatie van het absolute Kwaad, maar dat is niet noodzakelijk een vooruitgang.


Gandhi's eerste brief aan Hitler


          In de eerste brief dd. 23 juli 1939, erkent Gandhi zijn aarzeling om Hitler aan te spreken, niet echter uit afschuw maar uit bescheidenheid.  Hij overwint die door de hoogdringende nood om een oorlog af te wenden na de Duitse bezetting van Bohemen-Moravië.  Daarmee overtrad Hitler de vredesafspraken van München 1938 en het principe van het “zelfbeschikkingsrecht der volkeren”, dat de aanhechting gerechtvaardigd had (naar ook de Franse en Britse leiders op dat ogenblik toegaven) van Oostenrijk en Sudetenland.  Daar had de bevolking of haar vertegenwoordiging zich rond 1920 met grote meerderheid voor aansluiting bij Duitsland uitgesproken, en in 1938 juichte zij de binnentrekkende Duitse troepen toe; de Tsjechen daarentegen kregen met een ongewenste bezetting te maken.  Een protest was dus zeker op zijn plaats.  Toch eindigt de Mahatma weer met grote onderdanigheid: “Hoe dan ook kijk ik uit naar Uw vergiffenis indien ik gedwaald heb door U aan te schrijven.  Ik blijf, Uw oprechte vriend, Mr. M.K. Gandhi".
          De rest van de brief, het kerngedeelte, luidt: "Het is duidelijk dat U vandaag de enige ter wereld bent die een oorlog kan voorkomen, oorlog die de mensheid tot de wilde staat kan terugbrengen.  Moet U werkelijk die prijs betalen voor een doel, hoe waardevol het u ook mag toeschijnen?  Zult U luisteren naar de oproep van iemand die opzettelijk de methode van de oorlog versmaad heeft, en niet zonder aanzienlijk succes?"   
          Gandhi schijnt hier te erkennen dat Hitlers politieke doel legitiem zou kunnen zijn.  Hij spreekt alleszins geen veroordeling uit over Hitlers doel, alleen over de gewelddadige middelen.  Zijn verwijzing naar een “waardevol doel” van Hitler heeft vermoedelijk niet te maken met de aanhechting van Tsjechië, wel met de toen brandend actuele kwestie van de Poolse “corridor” en de status van de Duitse minderheid in Polen, die inderdaad de casus belli van de Duitse inval in Polen zou worden. 
          Duitsland stelde voor om in West-Pruisen/Noord-Polen een referendum te houden over aanhechting van dit etnisch gemengde gebied bij Duitsland danwel bij Polen.  Het verliezende land zou dan een corridor met autoweg plus spoorweg krijgen doorheen dit gebied: ofwel een Poolse om Polen doorheen opnieuw Duits geworden gebied met de Oostzeekust te verbinden, ofwel een Duitse doorheen Pools gebleven gebied om Pommeren met Oost-Pruisen te verbinden.  Gandhi meende blijkbaar dat Hitlers doelstellingen niet noodzakelijk boosaardig waren, en bovendien van die aard dat men er recht aan kon doen langs vreedzame weg.  Gandhi was maar trouw aan zichzelf door op de geweldloze optie te wijzen. 


Wat als...?
  
          Men leest deze brief tegenwoordig als Gandhi’s carte blanche aan Hitler om dat te doen wat we allemaal over Hitler weten, namelijk de inval in Polen en vervolgens andere landen, de deportaties van joden en anderen, de massamoorden, de onderdrukking van de bevolking van bezette landen, het zelfvernietigende militaire beleid van “tot het bittere einde” dat hij aan het Duitse volk oplegde.  Maar in werkelijkheid zou Gandhi’s benadering, indien succesvol, al die ellende juist voorkomen hebben.  De meeste wreedheden van het nazi-bewind werden juist mogelijk gemaakt door de oorlogsomstandigheden.  In vredestijd zou het Duitse volk en een deel van de bestuursklasse de graad van repressie die hun samenleving tijdens de oorlog misvormde, niet geduld hebben (bv., in 1940, toen het Duitse volk zelf nog niet veel van de beginnende oorlog merkte, slaagde de openbare mening er nog in, het regime te dwingen om te stoppen met het euthanasieprogramma voor gehandicapten).  Zonder militaire escalatie geen holocaust.
          Ja maar, geen oorlog voeren tegen Hitler zou hem toch tot zijn dood op hoge leeftijd aan de macht gelaten hebben, zo’n onmens die de joden uitmoordde?  Wie met die tegenwerping komt (ook ikzelf, voor ik er goed over nagedacht had), zou toch de volgende eenvoudige reality check moeten doen.  De Westerse mogendheden hebben met Stalin kunnen leven hoewel hij toen reeds de grootste massamoordenaar in de Europese geschiedenis was.  VS-president Roosevelt gaf de Sovjet-Unie diplomatieke erkenning meteen na zijn aantreden in 1933, terwijl de Oekraïense hongergenocide met 7 miljoen slachtoffers in volle gang was.  Hitler had in juli 1939 duizend keer minder doden op zijn geweten dan Stalin, waarom zou vreedzame coëxistentie met Hitler dan zo ondenkbaar zijn?  (Overigens liet men ook na 1945 en “de lessen van WO2” Mao Zedong betijen toen hij miljoenen Chinezen en Tibetanen vermoordde, en idem met Pol Pot in Cambodja.) 
          Bovendien weten we sedert 1989 dat schijnbaar ongenaakbare totalitaire regimes wel degelijk vergankelijk zijn.  Het is verre van onmogelijk dat de Duitsers zelf een einde aan het nazi-bewind zouden gemaakt hebben.  Het Keynesiaans economisch mirakel dat het nazi-regime binnenlands en wereldwijd veel prestige gaf, was tegen 1940 over zijn hoogtepunt, en Hitler zou dus spoedig veel van zijn populariteit verloren zijn.  In een systeem waarin de cultus van Hitlers persoon zo centraal stond, zou zijn dood allicht een crisis veroorzaakt hebben, en daarmee een gelegenheid tot glasnost en perestroika.  Die had niet eens lang op zich moeten laten wachten, want tegen 1945 was hij fysiek en mentaal al ver afgetakeld door de ziekte van Parkinson en de neveneffecten van allerlei medicijnen.
          In ieder geval had het hypothetische scenario moeilijk erger kunnen zijn dan het werkelijk gebeurde scenario, want de oorlog is gevoerd, meer dan 50 miljoen mensenlevens zijn erin opgeofferd, en toch heeft de holocaust plaatsgevonden.  Of die in het vredesscenario zou gebeurd zijn, is niet zeker; maar over wat er in het oorlogsscenario gebeurd is, hebben we die zekerheid wel, en men noemt het doorgaans de ergste misdaad uit de wereldgeschiedenis.  In dat geval moet de Geallieerde beslissing om af te zien van vredespogingen beoordeeld worden als de ergste vergissing uit de wereldgeschiedenis. 
          In mijn onderzoek over Mahatma Gandhi heb ik heel wat bijgeleerd over Lord Halifax, Brits onderkoning in India onder  de naam Lord Irwin, en vervolgens buitenlandminister in Londen.  Hij wordt doorgaans gesmaad als architect van het “appeasement”-beleid, en tot zijn verdediging voert men dan aan dat hij in 1939-40 alle vredesinitiatieven (van de paus, van neutrale staten, van Hitler zelf) afwees en dwarsboomde.  Je zal het in schoolboeken niet vinden, maar er werd toen uit verschillende hoeken hard geijverd voor de vrede.  Zó excentriek was Gandhi’s boodschap aan Hitler dus ook weer niet.  De man die pal stond tegen de verleiding van de vrede, Winston Churchill, wordt tegenwoordig echter bejubeld als ethisch superieur aan de vredespartij.  Geen twijfel dat Churchills optie van moed getuigde, maar was zij ook verstandig?
          In vredestijd en tot 1941 was de Duitse jodenpolitiek gericht op de maatschappelijke inperking en aanmoediging tot emigratie van de joden.  Zonder oorlog zouden alle Duitse joden geëmigreerd en elders hervestigd zijn, levend en wel.  Niet dat het land uitgejaagd worden een wenselijke behandeling is, maar de joden weten beter dan wie ook dat landverhuizing een verkieslijk alternatief is voor de dood.  Dan zou Duitsland in 1950 nog een rijkskanselier Adolf Hitler gehad hebben (als hij dan nog leefde), maar geen holocaust; terwijl het nu van Hitler bevrijd werd maar wel een holocaust kende.  Dat was de keuze waar men ten tijde van Gandhi’s brief voor stond.
          Vanaf 1939 dachten de nazi’s aan een meer systematische collectieve emigratie met het van oorsprong Poolse “Madagascar-plan”.  Deportatie naar een koloniaal gebied was door de Britse blokkade echter onmogelijk, maar na de invasie in de Sovjet-Unie in 1941 werd een deportatie naar het Oosten mogelijk.  Toch duurde het nog even voor de joden in Duitsland en de bezette landen effectief opgepakt en weggevoerd werden.  Zodra het zover kwam, was de motivering achter die beslissing duidelijk genoeg, en zij had alles met de oorlog te maken.
          Toen het aantal gesneuvelde kameraden begon op te lopen, vonden de Duitsers dat de joden, die in theorie niet in het leger mochten (hoewel de minder nazi-geïdeologiseerde legerleiding honderden als joods geklasseerde soldaten tegen nazi-bemoeienissen afschermde), ook hun deel van de oorlogsellende moesten voelen, namelijk als dwangarbeiders in werkkampen.  Minstens even belangrijk was een tweede overweging, namelijk de vrees van de nazi-leiders voor de joden als “vijfde kolonne”.  Deze kwam voort uit hun door propaganda vervormde herinnering aan hun ervaring als jonge soldaten tijdens WO1. 
          Na de Duitse nederlaag in 1918 was de verklaring van het Duitse leger dat het een “dolkstoot” in de rug gekregen had van op het thuisfront, waar linkse en als joods geïdentificeerde agitatoren stakingen in ondermeer de wapenindustrie georganiseerd hadden.  In zijn bekende rede in Posen (oktober 1943, nu Poznan) vraagt Heinrich Himmler retorisch wat op dat ogenblik de situatie zou zijn als de joden niet uit de Duitse steden weggevoerd geweest waren maar er “nogmaals” hadden kunnen ageren om het moreel te breken en de oorlogsproductie te saboteren.  Dit mag beschouwd worden als zijn eerlijke mening: met hun obsessie voor het “joodse gevaar” dachten de nazi’s inderdaad dat de eisen van de oorlogvoering de onmiddellijke verwijdering van de joden noodzakelijk maakten.
          Hier komt nog bij dat de oorlog zelf een brutaliserend effect heeft op de menselijke gevoeligheid van de oorlogvoerenden.  Bij herdenkingen van het Britse vuurbombardement op Dresden erkenden sommige Britse commentatoren een zekere morele schuld, maar ze verklaarden hierbij dat “we allemaal in onze morele gevoeligheid verruwd waren door de aanslepende oorlog”.  Kort na de inval in Polen wees Himmler in een memorandum over de toekomst van dat land de optie van een uitmoording van de Polen nog af als zijnde “on-Germaans” en “bolsjevistisch”, maar tegen 1943 bepleitte hij een ijskoud onsentimentele oplossing van het joodse “probleem”, waarin ook de kinderen niet gespaard (en als probleem aan de toekomstige Duitse generaties overgelaten) mochten worden.  Zo is het: alle partijen, de geallieerden zowel als de nazi’s, werden wreder naarmate ze langer in oorlog waren.  Die stapsgewijze brutalisering van mensen door de oorlog is juist één van de redenen voor pacifisme, ook bij Gandhi.
          Hoewel de escalatie van de repressie tegen de joden enkele jaren in beslag nam, hadden de Westerse staatsleiders vanaf de eerste oorlogsdag kunnen voorzien dat de joden binnen het Duitse machtsgebied slachtoffers van de oorlog zouden worden.  Mochten ze zich niet hebben kunnen voorstellen hoe het vermeend deloyale bevolkingsgroepen in oorlogstijd vergaat, dan waren daar in de eerste dagen na de Duitse invasie van Polen meteen de Poolse pogroms op de Duitse minderheid, met duizenden dodelijke slachtoffers.  Het moet toch evident geweest zijn dat de Duitsers, zeker zodra zij op hun beurt in het defensief zouden gedrongen worden, hun vermeende “vijand binnen de muren” niet zouden sparen.  Toen de Fransen en Britten uit solidariteit met Polen aan Duitsland de oorlog verklaarden, kozen zij voor een scenario waarin repressie tegen de joden binnen het Duitse machtsgebied onvermijdelijk zou worden.  Maar dat was toen de minste van hun zorgen. 
          Het is niet eenvoudig om de expansieplannen van Hitler vóór de oorlog precies in te schatten.  Ze waren toen en zijn nog steeds het voorwerp van mythevorming uit de oorlogspropaganda.  Zo hoort men nog vaak dat hij “de wereld wilde veroveren”, niets minder.  Maar dat is onzin.  Hitler was bijvoorbeeld bereid om de Britse en andere koloniale rijken te respecteren, want dat waren geslaagde voorbeelden van de blanke dominantie over minderwaardige rassen.  Idem voor het ontkiemende Japanse rijk.  De oorlogsverklaring aan de VS had niets te maken met een geplande verovering van de VS, maar was deels het gevolg van gedane beloften aan Japan na de aanval op Pearl Harbour en deels een formalisering van de feitelijke oorlogstoestand die gecreëerd was door de Amerikaanse militaire hulp aan de Britten en de Sovjets.  Hitlers zogenaamd plan voor een invasie van de VS, waarmee president Franklin Roosevelt in het Congres stond te zwaaien in een pleidooi om aan Britse zijde in oorlog te treden, was een Britse vervalsing.




Gewapend pacifisme
 
          In herhaalde vredesvoorstellen aan de Britten in het najaar van 1939 en doorheen 1940 verklaarde Hitler zich bereid om zich uit alle bezette gebieden behalve de etnisch-Duitse terug te trekken en van dan af een territoriaal status-quo te handhaven.  Churchill weigerde dit, tegen de toen nog sterke Britse vredeslobby in.  Tegenwoordig lacht men Hitlers vredesvoorstellen aan de Britten weg als evident niet-gemeend: hoe kon een vileine agressor als Hitler nu ooit oprecht geloofd hebben in vreedzame coëxistentie en wederzijds respect?  We zullen het natuurlijk nooit weten, maar op één belangrijk punt is dit wantrouwen zeker gewettigd: niet alleen Hitler maar een groot deel van de Duitse bestuursklasse had een oog op de in 1918 verloren Pruisische bezittingen in Polen en op de in 1918 (in het verdrag van Brest-Litovsk met de Sovjets) tijdelijk verworven en weer verloren delen van Wit-Rusland en Oekraïne.  Voor Duitse soldaten als Hitler was de nederlaag in november 1918 juist zo bitter omdat ze amper zeven maanden eerder voorafgegaan was door een grote overwinning met gebiedswinst op het Oostfront.  Die Slavische gebieden waren wat Hitler en de zijnen met “levensruimte” bedoelden, en er waren plannen om ze met Duitse kolonisten te bevolken en de Slaven voorbij de Oeral te hervestigen. 
          Om Hitler van expansieve avonturen af te houden, bestond er desgewenst echter een doeltreffend middel: militaire sterkte bij de andere mogendheden.  Hitler en zeker zijn generaals hadden in een afweging van de Duitse belangen zeer wel tegen de oorlog kunnen kiezen als gevolg van geloofwaardige afschrikking.  Deze formule van “peace through strength” heeft gewerkt tijdens de Koude Oorlog om de Sovjet-expansiedrang in te dammen.  Dit sluitstuk van een oorlogsvermijdend beleid behoorde echter niet tot Gandhi’s extreem pacifistische visie.  Het was juist Gandhi’s tegenstander in de Indiase politiek, de hindoe-nationalistische leider Vinayak Damodar Savarkar, die zijn volk militair paraat wilde maken, ondermeer ter voorkoming van de verwachte poging van de moslims om een aparte staat Pakistan uit India los te snijden.  Daartoe riep hij, net als Mohammed Ali Jinnah bij de moslims, reeds in september 1939 de jonge hindoes op om dienst te nemen in het Brits-Indiase leger en ervaring op te doen in de strijd tegen de Duitsers en later de Japanners.  De meer dan twee miljoen Indiase vrijwilligers zouden een beslissende rol spelen op de slagvelden van ondermeer Libië, Irak en Birma.
          De Franse en Britse “antifascisten” zaten echter meer op de lijn van Gandhi dan op die van Savarkar.  De socialisten vonden dat je het nazi-militarisme niet moest bestrijden met een eigen militarisme en verzetten zich tegen hogere budgetten voor landsverdediging.  Misschien meenden zij, mét Gandhi, dat verbale overtuigingskracht het verschil kon maken?
          Ondanks hun betrekkelijke militaire zwakte gaven de Fransen en Britten aan Polen toch de verzekering dat zij in geval van een Duitse invasie aan Hitler de oorlog zouden verklaren.  Dit impliceerde dat een plaatselijke Duits-Poolse oorlog tot een grootschalige oorlog zou escaleren, net zoals in 1914 het Servisch-Oostenrijkse conflict door het mechanisme van bondgenootschappen in enkele weken tot de Grote Oorlog uitgegroeid was.  Het is met die oorlogsdreiging in gedachten dat Gandhi zijn eerste brief aan Hitler schreef, in essentie een beleefd verzoek om Polen niet binnen te vallen.
          Wanneer je een oorlog begint, weet je niet van tevoren welke vreselijke dingen er zullen gebeuren, maar je weet wel volkomen zeker dat ze vreselijk zullen zijn.  Dat is de basisreden voor het pacifisme, en Gandhi had volkomen gelijk dat hij dit basisgegeven in gedachten hield terwijl de meeste politici de oorlogskoorts te pakken kregen.  Hitler aan de macht laten en gedurende decennia in bedwang houden zou een beproevende uitdaging geworden zijn voor Duitslands buurlanden, zoals ook voor vrijheidslievende Duitsers, maar Gandhi had nooit beweerd dat geweldloosheid een weg voor zwakkelingen was.  In ieder geval zou deze oefening in langdurige waakzaamheid te verkiezen geweest zijn boven de Tweede Wereldoorlog en zijn gevolgen: meer dan vijftig miljoen mensen afgeslacht, nog eens ettelijke miljoenen mensenlevens geruïneerd (weduwen en wezen, verminkten, vluchtelingen), vele landen onder de voet gelopen door het communisme met zijn belofte van nog meer massaslachtingen, en het loslaten van kernwapens op de wereld.


Gandhi's tweede brief aan Hitler

          Op Kerstavond 1940 schreef Gandhi een tweede, wat langere brief aan Hitler.  De wereldsituatie was toen als volgt: Duitsland en Italië controleerden het grootste deel van Europa en schenen de oorlog in hun voordeel te zullen beëindigen, het Hitler-Stalin-pact van augustus 1939 was nog steeds in voege (zodat de goed georganiseerde communisten in de bezette landen de Duitsers passief steunden), en onder Winston Churchill zette het Britse rijk eenzaam de oorlog voort die het in september 1939 aan Duitsland verklaard had.  In het verre Oosten vocht China alleen tegen de Japanse invasietroepen, al voerde de VS een soort economische oorlog tegen Japan.
          Bij deze gelegenheid deed Gandhi de moeite om zijn aanspreking van Hitler als "my friend" en de afsluitende groet "your sincere friend" te rechtvaardigen in een korte verklaring van zijn eigen levenswerk: "Dat ik U als vriend aanspreek is geen louter formaliteit.  Ik heb geen vijanden.  Mijn levenswerk gedurende de jongste 33 jaar heeft erin bestaan, de vriendschap van de hele mensheid voor mij te winnen door alle mensen als vriend te bejegenen, ongeacht ras, kleur of religie."  Deze zeer on-Hitleriaanse reden om Hitler tot vriend te maken, of wat Gandhi verderop de "doctrine van universele vriendschap" noemt, contrasteert met de Hitler-achtige haat jegens de vijand die men tegenwoordig als de enige juiste houding beschouwt tegenover Hitler en al zijn rechtstreekse, onrechtstreekse en vermeende medestanders.
          Gandhi haalt zich zeker de verontwaardiging van het naoorlogse publiek op de hals door te verklaren: "Wij twijfelen niet aan Uw dapperheid en Uw toewijding aan het vaderland, en evenmin geloven wij dat U het monster bent zoals beschreven door Uw tegenstanders."  Dit was geschreven in een periode van nog beperkte oorlogvoering, na de wapenstilstand met Frankrijk, vóór de intrede in de oorlog van de USSR en de VS, en vóór de deportaties van de joden.  Duitsland leefde in de behandeling van de krijgsgevangenen en in het bestuur van de bezette landen (behalve Polen, waarover echter weinig nieuws de buitenwereld bereikte) redelijk correct de geldende oorlogsconventies na, wat het niet meer zou doen toen het Sovjet-gebied en Sovjet-krijgsgevangenen in handen kreeg.  Vandaag beoordeelt men meningen als die van Gandhi vanuit het eindoordeel over het nazi-bewind van na 1945, en volgens die standaard is iedereen die het Britse vijandbeeld van Hitler betwijfelt al een soort medeplichtige aan diens misdaden.
          Nochtans was Gandhi niet zo mild in zijn oordeel over de misdaden die Hitler toen reeds begaan had.  Hij bekritiseerde vooral de nazi-opvatting dat de sterken het recht hebben om de zwakken te onderwerpen: "Maar Uw eigen geschriften en uitspraken en die van Uw vrienden en bewonderaars laten geen ruimte voor twijfel dat vele van Uw daden monsterlijk zijn en strijdig met de menselijke waardigheid, zeker naar de mening van mensen zoals ik die in menselijke vriendelijkheid geloven.  Aldus Uw vernedering van Tsjechoslovakije, de verkrachting van Polen en de inlijving van Denemarken.  Ik besef dat Uw levensbeschouwing zulke plunderingen als eervolle daden opvat.  Maar wij hebben sinds onze kinderjaren geleerd om ze te beschouwen als mensonterende daden."
          Hierdoor voelde Gandhi zich genoopt om zich bij Hitlers tegenstanders te voegen: "Daarom kunnen wij Uw wapens volstrekt geen succes toewensen."  Toch besloot hij niet om de Britse oorlogsinspanning te steunen (bv. door voor het Brits-Indiase leger te rekruteren, zoals hij in WO1 gedaan had): "Maar onze positie is uniek.  Wij bieden weerstand aan het Britse imperialisme niet minder dan aan het nazisme."  Voor Gandhi was het Britse imperialisme niet heel verschillend van het nazi-imperialisme: "Als er een verschil is, dan is het slechts gradueel.  Eén vijfde van het mensenras is onder de Britse hiel gebracht met middelen die geen nadere inspectie verdragen."
          Zijn houding tegen de Britten was bijgevolg meteen ook zijn houding tegenover het nazisme: "Onze weerstand daartegen betekent niet dat wij het Britse volk schade willen toebrengen.  Wij proberen hen te bekeren, niet hen op het slagveld te verslaan."  Dat was precies wat Gandhi nu uitprobeerde op Hitler: hem tot de geweldloosheid bekeren eerder dan hem verslaan.  Daarmee zou hij Hitler overigens de nederlaag bespaard hebben, als die maar naar hem geluisterd had.
          Dan volgt een uitleg van Gandhi’s methode om "hun heerschappij door geweldloze niet-medewerking onmogelijk” te maken, gebaseerd op "de wetenschap dat geen plunderaar zijn doel kan bereiken zonder een mate van medewerking, gewillig of onwillig, vanwege zijn slachtoffer".  Compleet met slagzin: "De heersers kunnen ons land en ons lichaam nemen maar niet onze ziel."  Toen Hitler dit las, zal hij wellicht smalend de mentale commentaar geleverd hebben dat onderworpenen, zoals de vele mensen die hij in die tijd in kampen opsloot, gerust hun zieltje mochten houden, zolang ze aan hem maar hun land overlieten als levensruimte en hun lichaam als arbeidsmachine.
          Anders dan vele van zijn landgenoten (zoals de socialistische voorman Subhash Chandra Bose, die onder Duitse en vervolgens Japanse voogdij een anti-Brits leger vormde) verwierp Gandhi het idee dat India zijn vrijheid kon verwerven met Duitse hulp: "We weten wat de Britse hiel voor ons en de niet-Europese rassen van de wereld betekent.  Maar we zouden nooit de Britse heerschappij willen beëindigen met Duitse hulp."  In de plaats daarvan, legde Gandhi aan Hitler uit, zou de geweldloze methode zelfs "een combinatie van al de gewelddadigste krachten ter wereld" verslaan. 
          In Gandhi's zienswijze is een gewelddadige overwinnaar gedoemd om uiteindelijk door een grotere macht verslagen te worden (een voorspelling die in Hitlers geval spoedig bewaarheid werd), en zal zelfs de herinnering aan zijn overwinningen bezoedeld worden door hun gewelddadig karakter: "Indien niet de Britten, dan zal zeker een andere mogendheid Uw methode verbeteren en U met Uw eigen wapen verslaan.  U laat Uw volk geen erfenis na waarop het trots zal kunnen zijn." 
          Hier projecteerde Gandhi waarschijnlijk zijn eigen afkeer voor geweld op de massa’s, die in werkelijkheid heel wat minder geremd zijn door scrupules om gewelddadige overwinnaars toe te juichen.  Kijk maar naar de verheerlijking van Dzjengiz Khan in Mongolië, van Timoer en Babar in Oezbekistan, van Alexander de Grote in Griekenland en Macedonië, ook al duurde hun rijk niet eeuwig.  Of zelfs van Stalin en Mao bij een deel van de jongere generatie in Rusland en China vandaag.  Allicht zouden de meeste Duitsers evenzeer trots geweest zijn op hun Hitler indien hij de eindoverwinning behaald had.
          Gandhi zou Gandhi niet geweest zijn als hij niet gepoogd had om WO2 te voorkomen.  Voorzover bekend was dit de dodelijkste oorlog in de wereldgeschiedenis, dus hoe zou je nu pacifist kunnen zijn en andere gewapende conflicten veroordelen als je deze mega-oorlog goedkeurt? 
          Tegenwoordig is het gebruikelijk om de tegenstanders van de oorlog van toen te verketteren als dwazen of nazi-medeplichtigen.  Amerikaanse pleitbezorgers van de niet-interventie, zoals vliegenier Charles Lindbergh, worden voortdurend belasterd omdat zij trouw bleven aan de visie van de Founding Fathers, die uit vrijheidsliefde en voorzichtigheid tegen verstrikking in buitenlandse conflicten gewaarschuwd hadden.  (Aldus bv. het kras geschiedvervalsende boek Het Complot tegen Amerika van Philip Roth, waarin Lindbergh als een nazi afgeschilderd wordt die in 1940 met de belofte van niet-interventie de presidentsverkiezingen wint tegen zittend president Roosevelt, die pro interventie campagne voert.  In werkelijkheid won juist Roosevelt de verkiezingen door valselijk niet-interventie te beloven, en wel met de stemmen van Lindberghs medestanders, maar eens herverkozen begon hij de interventie voor te bereiden.) 
          Linkse lezers zullen dit beter begrijpen als ze zich herinneren hoe tegenstanders van anti-communistische projecten zoals de Varkensbaai-invasie op Cuba of de Vietnam-oorlog zelf automatisch als communist gebrandmerkt werden.  Nog in de jaren 1980 kregen betogers tegen de plaatsing van Amerikaanse kernraketten dit verwijt te horen.  Vinden de vredesbewegers van toen dat dit amalgaam van oorlogstegenstand en collaboratie met de vijand gerechtvaardigd is?
          Gandhi’s uitspraken over het nazisme laten geen ruimte voor twijfel aan zijn vijandschap jegens deze militaristische en vrijheidshatende doctrine.  Toch wees hij oorlog tegen de nazi’s af.  Dit was voor hem volkomen logisch, want hij verwierp het militaristisch element in zowel het nazisme als de kruistocht ertegen.  Hij steunde het principe van strijd tegen het nazisme maar stelde zich deze voor als een geweldloze strijd gericht op overreding in plaats van op vernietiging. 
          Het is natuurlijk niet zeker dat dit gewerkt zou hebben, maar de Gandhiaanse aanpak was dan ook geen synoniem met gegarandeerde resultaten.  Gandhi’s methoden waren bv. redelijk succesvol in het bevorderen van de dekolonisatie, maar niet in de ontrading van het plan van de Moslim-Liga om India te splitsen.  Het blijft een open vraag, een niet (behalve dan met deze brieven) geprobeerd experiment, of de Gandhiaanse benadering de nazi’s had kunnen vermurwen en WO2 voorkomen.  Daarentegen kunnen er geen twee meningen bestaan over de vraag of deze poging tot geweldloze overreding Gandhiaans was.  De Mahatma (“grote ziel”) zou de Mahatma niet geweest zijn als hij een andere methode verkozen had.  Ons oordeel over zijn brieven aan Hitler moet dan ook hetzelfde zijn als ons oordeel over het Gandhisme zelf: ofwel waren beide een verheven ethisch alternatief voor de bekende methoden in de politiek, ofwel waren beide verkeerd en belachelijk. 


Besluit

          Toen ik het in mijn boek De Moord op de Mahatma (Davidsfonds 1998) waagde om Gandhi te bekritiseren, heeft mij dat zeer vijandige reacties opgeleverd, ondermeer een giftige recensie in De Standaard der Letteren.  Ik zou mijn critici van toen willen uitdagen om eens duidelijk kleur te bekennen.  Vinden zij dat Gandhi dan toch een warhoofd was, zoals ik toen tot hun grote verontwaardiging geschreven had, of vinden zij dat vredesvoorstellen aan Hitler het juiste beleid vormden voor tegenstanders van het nazisme in 1939-40?  En indien dit laatste, durven zij dit dan luidop zeggen?
          Geen enkele vredesbeweger van vandaag durft het aan om de toenmalige pleitbezorgers van de vrede openlijk gelijk te geven.  WO2 heeft immers het statuut gekregen van een heilige oorlog, één tussen het onfeilbaar goede en het absolute kwaad, één waarin geldt dat wie niet met de goeden meestrijdt, tot het kamp van de bozen behoort.  En omdat die oorlog zo onaantastbaar is, kan hij nu gebruikt worden als rechtvaardigend vergelijkingspunt voor alle geplande oorlogen.  Toen de VS op een oorlog met rest-Joegoslavië aanstuurde, werd de democratisch verkozen Joegoslavische president Slobodan Milosevic, erfgenaam van communistisch partizaan Tito, tot “dictator” en “de nieuwe Hitler” uitgeroepen, en hop, alle Europese regeringen gaven actief of passief hun goedkeuring aan de agressie tegen Belgrado.  Toen Irak het doelwit werd, kreeg Saddam Hoessein het etiket “nieuwe Hitler”, de oorlogstegenstanders werden aan “München” herinnerd, en de invasie kon beginnen.  De beoordeling van Gandhi’s vredesalternatief in 1940 is dus geen academische kwestie, zij heeft consequenties voor keuzes tussen oorlog en vrede vandaag.

(Nucleus 2008)