Monday, August 14, 2017

België weer eens gesplitst





(De Bron, 15 juli 2017)


In een zaal van het Vlaams Parlement verwelkomde Jan Peumans de Waalse germanist prof. em. Jules Gheude ter gelegenheid van de verschijning bij Doorbraak van een vertaling van diens nieuwe boek: Waals Testament. We hadden gehoord dat hij in de Waalse media voor “verrader” uitgescholden was, dus we zaten met een gunstig vooroordeel.



Perin

Gheude, 71, bezielt sinds 2010 het Gewif, een studiecentrum voor de aanhechting van Wallonië bij Frankrijk. Hij was hoogleraar aan de Luikse universiteit en in de jaren 1970 kabinetsmedewerker van François Perin, toen minister voor Institutionele Hervormingen. Perin was leider van het Rassemblement Wallon en meesterdenker van het rattachisme, de gedachte dat Wallonië niet bij l’état belgo-flamand maar bij Frankrijk behoort.  

In dit boek steekt Gheude zijn blijvende bewondering voor Perin niet weg. Die was inderdaad een briljante en veelzijdige geest, mentor van wijlen interimpremier Jean Gol en ondermeer ook een voorman van het nieuwheidendom. Over de aard van de communautaire problemen sprak hij zonder complexen, niet met de felheid van een Karel Dillen, maar met een welhaast humoristische vanzelfsprekendheid. En hij bereikte er meer mee voor zijn Wallonië.

Ruim 20 jaar geleden voorspelde VVB-voorzitter Yvan Mertens dat de Belgische constructie geen vijf jaar meer zou duren. Dat was dus een typisch Vlaamse inschatting: kinderachtig en zonder voeling met de wereld van de macht. Er was ook toen geen ernstige reden om een spoedig verwezenlijkte Vlaamse onafhankelijkheid te verwachten. Noch in Vlaanderen noch in Wallonië besteedde men aandacht aan zijn (als staatsgevaarlijk bedoelde) voorspelling, tenzij om ermee te lachen: “Waar lopen die grote woorden met dat ventje naartoe?” Ze was van hetzelfde gehalte als de ronkende maar machteloze retoriek die men toen van de Yzerbedevaarten gewend was.

Nochtans waren de factoren, hoewel nog niet de machtsverhouding, al in voege die ooit tot de splitsing moeten leiden. Dat vond althans  François Perin, die vaststelde dat de Vlamingen een eigen natie aan het vormen waren. Die indruk nam alleen maar toe, zodat een RTBF-ploeg die trend ging doortrekken naar een verrrassende eenzijdige Vlaamse onafhankelijkheidsverklaring: Bye bye Belgium (2007).



Waarom vandaag?

Alain Mouton interviewde Gheude, die hem graag uitlegde waarom hij dit boek geschreven had, en waarom nu. Dat Vlaanderen in de feiten een aparte natie vormt en de Walen zich vooral op Frankrijk richten, beschouwde hij als afdoende bewezen: daarvoor waren geen verdere argumenten of belgicistische achterhoedegevechten meer nodig. Op sommige momenten hebben Vlaamse politici die zich nu als gematigd (= toegeeflijk) presenteren, zich als separatist-onder-zekere-voorwaarden laten kenen, bv. Wouter Beke tijdens de zesde staatshervorming. De huidige communautaire wapenstilstand die de N-VA in acht neemt, wekt de indruk dat België gered is, maar die is bedrieglijk. Onder al die Vlaamse gematigdheid gaat nog altijd de bereidheid om België te splitsen schuil. Juist de officieel afgekondigde communautaire stilstand brengt de onvermijdelijkheid van separatisme scherper aan het licht, stelt Gheude. 

Aanleiding vandaag is het verder uiteendrijven van zowel de openbare mening als de economische toestand in Vlaanderen en Wallonië. De PS en de belgicistische media maken de Walen al twintig jaar wijs dat er een herleving van de Waalse economie bezig is, maar er zijn nog steeds geen resultaten. Door de opleving in de buurlanden daalt de werkloosheid ook in Wallonië wat, maar alweer minder dan in Vlaanderen. Je kan er niet naast kijken dat de Walen meer dan ooit op Vlaamse overdrachten teren.

De weg voorwaarts ligt dus in de splitsing. Het uiteenvallen van België is geen apocalypse, aldus Gheude. Brussel kan een stadsstaat worden, een Washington aan de Zenne, een heuse jackpot voor de stad. Het Vlaamse publiek hoort het hem graag zeggen, want het impliceert ook een splitsing tussen Wallonië en Brussel. De mogelijkheden en logische lotsbestemming van Wallonië en Brussel zijn immers verschillend, dus de belangrijkste stap voorwaarts is om die twee uit elkaar te halen. Brussel krijgt dan een eigensoortig statuut waarin een band met Vlaanderen mogelijk blijft, althans voldoende om de Vlaamse bestuursinstellingen in Brussel redelijkerwijze te kunnen handhaven.

Daarna kunnen Vlaanderen en Wallonië ongehinderd hun eigen weg gaan. En daartussen is geen symmetrie. Natuurlijk is Vlaanderen een natie in wording, en natuurlijk zijn de Walen dat niet, dus de splitsing zal asymmetrisch zijn. In plaats van zich aan België vast te klampen, moeten de Walen niet van een onrealistische onafhankelijkheid dromen, maar erkennen ze beter gauw dat ze bij Frankrijk horen.



Maar

Met talloze citaten, van Charles de Gaulle en anderen, toont Gheude aan dat Frankrijk bereid is om Wallonië te omarmen. Ook de Waalse openbare mening is (blijkens een peiling in Le Soir) er al voor de helft voor gewonnen om heim ins Reich “terug” te keren.  Dat was overigens van in het begin de bedoeling: de revolutionairen die het historisch accident van 1830 op gang brachten, wilden niet alleen de Nederlanders buiten, maar wilden ook bij Frankrijk aansluiten. Economisch gezien betekent dat een extra last voor Frankrijk, reden waarom sommige Vlaamse kruideniers beweren dat de Fransen dat nooit zullen willen. Maar voor dat beetje grandeur hebben die wel degelijk een prijs over.

Wel zal Wallonië slechts eenmalig van zijn schulden ontheven worden: van dan af zal het de tering naar de nering moeten zetten. Dat juist is de reden waarom de meeste Walen het rattachement toch maar als een tweede optie achter de hand houden. Zolang het maar kan, willen zij van de Vlaamse goedigheid blijven profiteren. Niemand anders is zo onnozel: de EU niet, ook Frankrijk niet, alleen de Vlamingen. Alleen daar blijft een politieke meerderheid (en een grote meerderheid in de mediatieke en culturele sector) het als een teken van morele superioriteit voorstellen om zich te laten bestelen.

Daarom staat Gheude alleen. Natuurlijk is er een Waal te vinden die waarheden wil verkondigen die voor zijn volksgenoten als verraad gelden (aan Vlaamse kant zijn er zo zelfs meer dan anderen), maar Wallonië als geheel is nog lang niet aan een Belgische boedelscheiding toe. Daarom heeft Gheudes dissidente stem uiteindelijk niet meer impact dan de protserige oekazen van de feestredenaar op wijlen de Yzerbedevaart.


Jules Gheude: Waals Testament. Ongemakkelijke waarheden over de toekomst van België, Doorbraak, Antwerpen 2017 (vertaald door  Marc Vanfraechem uit Un testament wallon – Les vérités dérangeantes), ISBN 978-90-82567-39-7.

Rechts, vunzig, en zot








Rechts, vunzig, en zot

('t Pallieterke, februari 2007)




Het VB mag de politie en haar voogdijminister Patrick Dewael wel dankbaar zijn. Stel je voor dat die neonazistische militairen echt werk hadden kunnen maken van hun plannen voor aanslagen, één halfgeslaagde moordaanslag zou al volstaan. Dat zou geen losgeslagen zelfmoordenaar zijn die ten persoonlijken titel nog wat negerinnen in zijn dood wil meesleuren, maar een expliciet politieke daad van een groep waarvan allicht wel aan enkele leden wel één of andere band met het VB kan toegeschreven worden. De kiezers hebben het VB al veel vergeven, maar daar zou toch een grens overschreden zijn. En het repressie-apparaat zou in actie komen.

Degenen die eraan herinneren dat de islam niet de enige ideologische voedingsbodem voor terreur is, hebben natuurlijk gelijk. Het kan niet genoeg herhaald worden: de lijn tussen goed en kwaad loopt doorheen elke mens, en het kwaad in de islam is maar één actualisering van een universeel kwaad, dat ruim vóór de islam reeds bestond en allicht ook het nakende einde van de islam zal overleven. Geen tijd dus voor zelfgenoegzaamheid: wanneer je je moreel superieur begint te voelen omdat je in het vijandige kamp verwerpelijke tendenzen ontwaart, kijk dan maar eens rond in eigen kring, misschien ontwikkelt zich daar wel iets gelijkaardigs.

Toch heeft elk kamp zo zijn eigen kenmerken. Laat ons eens het extremisme van links met dat van rechts vergelijken. Het eerste wat opvalt is het enorme verschil in doelgerichtheid. In de jaren ’70 ontvoerde en vermoordde de Rote Armee Fraktion (RAF) grootkapitalisten, de Cellules Communistes Combattantes (CCC) vernielden in 1984-85 eigendommen van banken en multinationals, kortom: links richt zijn kogels op zijn vijanden. De vermeende blanke racist Timothy McVeigh daarentegen blies in 1995 een gebouw op in één van de blankste steden van de VS en doodde in het wilde weg meer dan honderd leden van het ras dat hij meende te verdedigen. Idem voor de aan neofascisten toegeschreven bomaanslag op het station van Bologna in 1980. Rechts geweld heeft iets benevelds en suïcidaals, links geweld is in zekere zin nuchter en rationeel.

Nog zo’n verschil betreft de doeltreffendheid. Groenlinks militant Volkert van der Graaf besloot in mei 2002 om Pim Fortuyn te vermoorden, dus hij schoot hem op een rustig plekje van dichtbij dood, en het had weinig gescheeld of hij was nog ongemoeid weggeraakt ook. Twee maanden later fantaseerde de Franse nationalistische militant Maxime Brunerie erover om president Jacques Chirac te vermoorden, dus nam hij een oud geweer, ging op veel te grote afstand tussen een massa mensen staan, schoot er compleet naast en werd meteen overmeesterd. Links schiet met scherp, rechts met stomp.

We kunnen ook de achterliggende denkwereld vergelijken. Tegenwoordig maakt het internet het gemakkelijk om over de schouder van de betrokkenen mee te lezen in hun onderlinge gedachtenwisselingen. Neem nu de parameter “haat”. Links is vervuld van haat tegen zijn politieke opponenten en tegen rivaliserende linkse scholen. Een psychologisch voordeel is dat dit een maatschappelijk aanvaard soort haat is, één waartegen geen wetten afgekondigd worden. Dat helpt verklaren waarom die haat meestal erg rationeel tot uiting komt: in scheldpartijen met ideologisch karakter (“lepe trotskist!”).

De haat in het rechtse kamp neemt gedrochtelijker vormen aan. Voor een deel komt dit door het gevoel van vervolging, wat leidt tot allerlei vermommingen in de meningsuiting (“ik ben geen racist, maar…”), die dan na een borreltje of drie gecompenseerd worden in extra cruë scheldtirades. Een ander verklarend verschil is dat echte haat normaal een reactie is van slachtoffers op reëel leed. Links teert verder op de begrijpelijke haat van de 19de-eeuwse verworpenen der aarde tegen hun uitbuiters, maar vandaag is dit een luxehaat geworden: de linkse woordvoerders behoren zelden tot de klasse die echt afziet. Degenen die ondanks het vooruitzicht van ostracisme het extreemrechtse kamp vervoegen, hebben veelal echt iets “meegemaakt”: afgetuigd door vreemdelingen bijvoorbeeld. Wraakzucht is een veel sterkere factor van haat dan de waan van morele superioriteit waarin links baadt. In die zin is het vandaag niet onjuist om haat eerder met rechts te associëren.

Maar er is nog meer aan de hand. Op rechts-nationalistische forums vind je veel vileine aanvallen van persoonlijke aard, zie bv. de drukbezochte webstek www.thebirdman.org van John Bryant. De man is wetenschapper, rond de zestig en lid van Mensa, dus je zou denken dat hij weet wat hij doet. Welnu, hij “onthult”, tussen alle verhalen over het “bedrog” van 11 september door, dat mede-revisionist David Irving (twee maal getrouwd, vader van vijf) homo is, en erger nog, dat zijn moeder joods was. Verder is de Vogelaar gastheer voor andere rechtse rakkers die mekaar beschuldigen van seksueel en financieel wangedrag, of dat ze infiltranten van de politie of de joodse lobby zijn. Een afvallige uit een neonazi-clubje getuigt er: “Ik was daar de enige met een normaal gezinsleven. De ene helft was homo, de andere bleef maar vragen hoe mijn vrouw in bed is.” Zoiets heb ik nog nooit gehoord van een ex-lid van pakweg Amada (nu de Belgische Partij van de Arbeid) waar een partijmilitant statutair “van onberispelijk moreel gedrag” moest zijn.

Minder pikant maar toch wel tekenend is een mail die ik recent van een ex-NSV-er ontving: “Wat nu NSV en mezelf betreft: een jaar geleden heb ik volledig gekapt met ‘de beweging’. Ik ben inhoudelijk opgeschoven naar het centrum en ben gaan inzien dat de wereld wat groter is dan de Vlaemsche zaak alleen. Bovendien heb ik geleerd dat de zogenaamde beweging afgeladen vol zit met sektarische gekken en andere smeerlappen -- de uitzonderingen niet te na gesproken -- die maar al te graag ‘afvalligen’ nog wat dieper in de str… duwen.”

Ik zou hieruit vooral onthouden dat het rechts-nationalistische milieu vol zit met “gekken”. Dat verklaart namelijk het zopas opgerolde complot. Links heeft ook zijn gekken gehad, de anarchisten die een eeuw geleden heel wat gerichte moorden pleegden, echter zonder het Systeem ten val te brengen. Een tsaar vermoorden is gemakkelijk, het tsarendom opblazen nog wat anders. Datzelfde zien we nu bij rechtse samenzweerders: ze zouden eens een paar moorden gaan plegen om België te “destabiliseren”,-- en dan? Welk doel wordt daarmee verwezenlijkt behalve treurnis bij de nabestaanden en gegarandeerde repressie tegen je eigen kringen? Staat de massa klaar om op het signaal van de terreuraanslagen een revolutie te ontketenen? Ik zie daar bij de “volgevreten Vlamingen” (dixit Karel Dillen) geen teken van.

In de jaren ’70, toen ik een leergierige tiener en meeloper van extreemlinks was, woedde er daar een levendig debat over het terrorisme van de RAF. Ik had wat gewetensproblemen met die linkse doctrine van het “rechtvaardig geweld”, en het stelde me tevreden dat de linkse tenoren althans het terrorisme duidelijk afwezen. Dat bleek eigenlijk in de marxistisch-leninistische traditie te passen: tijdens de revolutie en na de machtsovername werd er niet op een miljoen doden meer of minder gekeken, maar in de jaren van voorbereiding duldde men geen contraproductieve terreuracties, een geval van “links deviationisme”, die “kinderziekte van het communisme”. De Chinese communisten hadden meermalen de gelegenheid om Tsjiang Kaisjek om te brengen, maar ze lieten hem ongemoeid, wat hen niet belette om hem China afhandig te maken. De Russische dissident Aleksandr Solzjenitsyn was in Rusland en zelfs in ballingschap in de VS zeker binnen bereik van KGB-moordenaars, maar hij werd nooit op die manier verontrust.

In het annus mirabilis 1989 had ik de eer om Sita Ram Goël te leren kennen, de Indiase Solzjenitsyn; hij had in de jaren ’50 en ’60 regelmatig waarschuwingen over een aanslag wegens zijn anti-communistische geschriften afgewimpeld: “Ik heb mijn Lenin gelezen, dat is gewoon hun methode niet.” Hij is in 2003 op 82-jarige leeftijd vredig in zijn bed gestorven. Maar de doortastende Indiase communisten hebben zonder geweld wel een onaantastbare machtspositie verworven in de culturele en menswetenschappelijke sector en in het bestuur van enkele deelstaten.

In de jaren ’70 maakte de analyse van Herbert Marcuse veel indruk: terreur kan gerechtvaardigd zijn in een prerevolutionair klimaat om een reeds wankelend Bestel een duwtje te geven; maar in de huidige situatie zou ze het Bestel alleen versterken. En als onze neonazi’s niet naar die joodse prof willen luisteren, probeer het dan eens met Horst Mahler, vandaag neonazi, toen RAF-militant en in de cel. De “tweede generatie” van de RAF trachtte hem in ruil voor gijzelaars vrij te krijgen. Hij weigerde de vrijlating en mocht in een TV-rede uiteenzetten waarom. Hij was inmiddels tot de maoïstische Kommunistische Partei Deutschlands toegetreden, die terreuracties afwees en geweld slechts juist achtte op het geschikte tijdstip en dan als massabeweging planmatig gegidst door de voorhoedepartij. Hij besloot zijn charismatische rede met een oproep tot discipline: “Vorwärts! mit der KPD.” Adembenemend vond ik dat.

De KPD-revolutie is er nooit gekomen, maar niet-terroristisch links heeft via de lange mars door de instellingen toch een enorme macht veroverd. De RAF daarentegen is roemloos ten onder gegaan, en ook onze CCC hebben niet veel bereikt. Maar toch dit ene: ze hebben bewezen dat een gedisciplineerde groep een jaar lang aanslagen kan plegen zonder opgerold te worden. Daarin zijn de lallende rechtse complottisten alvast niet geslaagd.



(Tot zover vunzig klein-rechts. Geldt zoiets ook voor het VB? Komt en leest daarover volgende week!)



De kikker en de schorpioen



Geert van Cleemput heeft het nieuws gehaald met de voorstelling van zijn afrekening met het VB, Vlaams Geblokkeerd. De boekhelft over ideologische kwesties, waarin hij ondermeer zijn argumentatie tegen het neo-belgicisme herneemt, is warm aanbevolen, maar de kranten hebben zich op de andere helft gestort: het relaas van intriges binnen de partij.

Wie verlekkerd is op pikante onthullingen over vunzigheid van het soort dat je in de echt extreemrechtse zelfkant wel aantreft, zal echter teleurgesteld zijn. Onder de uittreksels die de kranten gretig afgedrukt hebben, stond dus niet: “Senator X is goed bekend bij de hoeren van Brussel-Noord”, met als staartje om de VB-ers te treiteren: “…vooral bij de negerinnen.” Nee, bij de fletse anekdotes over de seksistische praatjes van sommige kopstukken rijst eerder de bedenking dat het ten kantore van Vandela niet heel anders zal zijn, om van de partnerruilende VLD-top maar te zwijgen. Het VB mag dan wat “tuig van de richel” aangetrokken hebben, het blijft wel teren op de oude traditie van deugdelijk flamingantisch idealisme.

Pijnlijker is het ellebogenwerk tussen de verschillende groepen, gedefinieerd naar ideologische kleur of naar loyauteit aan een leidersfiguur. Van Cleemput schetst ons een machtsstrijd tussen een racistische macchiavellist en een flamingantische voddenvent, die de achtergrond vormt van zijn eigen opkomst en ondergang in de partij. Hij vermeldt ook enkele pesterijen vanwege rabiate vrijzinnigen jegens de katholieke tenoren. Merk op dat het hier louter om persoonlijke twisten gaat, niet om een ideologische tweestrijd over de partijlijn, zoals men zich die toch had kunnen voorstellen naar aanleiding van bv. de legalisering van euthanasie, de “Romeinse dood” aanbevolen door nieuwrechts idool Friedrich Nietzsche.

Binnen het VB is het geruzie om postjes zo bitter omdat de partij haar mensen uit eigen middelen moet belonen terwijl andere partijen elders baantjes en profijten kunnen verdelen. Maar dat in acht genomen, is het slangenkuilgehalte van het VB niet veel hoger dan in de partijpolitiek als geheel. De fouten van het VB zijn voor een Vlaams-nationalist als Van Cleemput alleen erger dan die van anderen omdat ze de Vlaamse zaak schaden. Na dit getuigenis van iemand die er alle belang bij had om de VB-politici zo negatief mogelijk voor te stellen (zeker na alle laster die partijleden over Van Cleemputs eigen academisch palmares en liefdesleven rondgestrooid hebben), zou ik zeggen: is het dat maar?

Blijft echter de kritiek op de politieke lijn van de partij. Van Cleemput gaat zijns ondanks een eind mee met zijn oude vijand Marc Spruyt in de stelling dat vele fatsoensbevorderende maatregelen van de partij louter kosmetisch zijn. Zo zouden gênante figuren met criminele of nazistische banden eerst luidruchtig buitengegooid worden maar nadien discreet toch weer binnen gehaald. Er blijkt een grijze zone te zijn van personele overlappingen tussen VB-randorganisaties en groupuscules waarmee de partijtop liever niet op de affiche wil. Daar kan de partij toch best eens klaarheid scheppen, al geldt natuurlijk het excuus dat de top van SP.a en Groen! evengoed vol “ex”-communisten zit.

Maar men hoeft niet eens te snuffelen in het vermeende VMO-verleden van obscure partijleden, er zijn nu eenmaal de politieke daden gesteld door of met goedkeuring van de partijleiding. Na het proces dat de partij tot ontbinding en herstichting noopte, leende Gerolf Annemans zich tot dramatische verdenkingen met zijn mededeling dat hij de rechters “niet vergeten” zou. Hij moet toch geweten hebben dat men dit als een maffieus dreigement zou opvatten?

Telkens wanneer de waarnemer ervan overtuigd raakt dat het VB eindelijk fatsoenlijk geworden is, komt er wel een dergelijke uitspraak uit een leidersmond gerold, bijvoorbeeld die van Dewinter over het treurige lot dat verkrachters te wachten staat onder een regime van lynchjustitie. Of er wordt wel een herdenking voor Staf De Clercq op touw gezet om de uitdovende collabo-link nieuw leven in te blazen. Goed, die man behoort tot de geschiedenis van de Vlaamse beweging, inderdaad heel eerlijk om dat zo te zeggen, maar de socialisten houden toch ook geen hulde voor Hendrik De Man, evenzeer een collaborateur uit hun geschiedenis?

Bekijk het ook eens vanuit het standpunt van de buitenstaanders die hun nek uitsteken voor het VB, bv. prof. Erik Suy die een voorwoord schrijft bij het Turkije-boek van Koen Dillen en Philip Claeys, of prof. Matthias Storme die het gerechtelijk partijverbod juridisch de grond in boort. Ik neem aan dat die mensen zich door zulke misstappen wat in de rug geschoten voelen. Waarom kan het VB het niet laten om zijn potentiële bondgenoten en zichzelf te beschadigen?

Misschien heeft een linkse blogger wel de verklaring gegeven met zijn verwijzing naar de fabel van de schorpioen die een kikker vroeg om hem de rivier over te brengen. Hij verzekerde hem dat hij niet zou steken, “want als jij sterft, dan verdrink ik zelf”. Maar halfweg de oversteek voelde de kikker een prik, en beide verdronken. Met hun laatste adem wisselden ze nog deze woorden: “Je had toch gezegd dat je niet zou steken?” – “Ja, maar het was sterker dan mezelf, het is nu eenmaal mijn aard.” Het is blijkbaar de onvervreemdbare aard van het beestje die zich doorzet wanneer het VB zich op foute uitspraken laat betrappen.

Sommigen doen aan politiek om zich uit te leven, anderen om een doel te bereiken. Wie echt de zege wil, moet zichzelf heruitvinden en de juiste gedaante aannemen om maximaal doeltreffend te zijn, dus niet toegeven aan ingeroeste doe- en denkgewoonten. Als het VB die sprong niet kan maken, zal het toch eens een noodlottige fout maken. Tenzij de etnische spanningen zodanig escaleren dat de kiezer zich zonder omzien achter de strijdbaarste partij schaart, ongeacht de vlekken op haar blazoen.


Thursday, July 13, 2017

Op naar de veelwijverij


(Doorbraak, 5 juli 2017)



Elke groep mag en moet strijden tegen het onrecht dat hem treft. Ik sympathiseer daar vanop afstand mee. Zelden ga ik er mij echter mee moeien. Om bijvoorbeeld een "feministische man" te worden, dat is onzin. Het is juist eigen aan de belangenbehartiging van een groep dat hij de nagestreefde statusverhoging niet cadeau krijgt, maar zelf de kastanjes uit het vuur haalt.



Toch één uitzondering: iedereen die zich een beetje voor het welzijn van zijn medemensen verantwoordelijk voelt, moet zich gemobiliseerd weten voor de nu broodnodige strijd tegen de vrouwenbesnijdenis. Toen Miet Smet die praktijk wettelijk liet verbieden (een verbod dat in sommige buurlanden niet eens bestaat), kon het lijken alsof dat probleem opgelost was. Nu blijkt echter dat een steeds grotere groep meisjes die in België opgroeit, erdoor bedreigd wordt, bv. tijdens een vakantie in hun thuisland.





Islam, feminisme en vrouwenbesnijdenis



Ten eerste betreft het voor de betrokkenen een zeer dringende kwestie, waarbij elk geval er één te veel is, en elke toegeeflijkheid misplaatst. Voor wat mezelf betreft: op het kleine beetje invloed dat ik hier als oriëntalist en kenner van de ervoor verantwoordelijke leer kan uitoefenen, mag niet bespaard worden. Er moet op gehamerd worden dat de islam voor de praktijk verantwoordelijk is, en dat elke collaboratie met die ideologie uiteindelijk een aanmoediging vormt de vrouwelijke genitale verminking. Dat als levensbeschouwelijke ruggensteun aan een strijd die medisch en paramedisch personeel op het terrein zal moeten voeren.



Ten tweede heeft die problematiek een bredere maatschappelijke dimensie: het opdringen van deze praktijk is een toetssteen van de opmars van de islam en de steeds fermere weigering van elke integratie. Om ons niet tot de eigen gewesten te beperken: in Indonesië ziet men goed hoe de recente verschuiving van een oppervlakkige en zeer onorthodoxe islam naar de echte leer van Mohammed gepaard is gegaan met een spectaculair snelle verspreiding van de vrouwenbesnijdenis. In Afrika zou men zich nog achter de uitleg kunnen verschuilen dat het om een voorislamitischetraditie gaat (maar dat zijn de Ramadan-vasten of de bedevaart naar Mekka ook, en ze zijn er niet minder islamitisch om), maar in Indonesië en inderdaad in Europa is volstrekt elke besneden vrouw een slachtoffer van de islam. Bovendien: andere inwijkelingen uit Afrika passen zich aan (“Wanneer in Rome, doe zoals de Romeinen”) en laten die barbaarse praktijk varen, terwijl moslims aan hun tradities verknocht blijven.



Ten derde laten de natuurlijke voorvechtsters van vrouwenrechten het hier schromelijk afweten. Deze bange blanke vrouwen hebben liever dat meisjes bij duizenden verminkt worden dan dat zij zelf door hun progressieve vrienden voor "islamofoob" uitgekreten zouden worden. Zelfs opperfeministe Germaine Greer heeft het bestaan om de vrouwenbesnijdenis goed te praten.





Strategisch



Terwijl dat islamgebod ook bij ons onbeschaamd ingang begint te vinden (ondanks het verzet ertegen van de Koerdisch-Vlaamse politica Zuhal Demir), daagt er een nieuwe frontlijn aan de horizon. In Duitsland heeft zopas een meerderheid in het parlement het homohuwelijk goedgekeurd. De zes moslimparlementsleden, onder wie een CDU-lid, hebben allen ten gunste van de homorechten gestemd. Kijk eens hoe progressief ze wel zijn, zeggen de multikulti’s nu, en zo geïntegreerd, zo wars van alle stereotiepen over islamitisch obscurantisme. Zoals steeds projecteren die provinciaaltjes vanuit hun eigen waardenschaal en slagen ze er niet In, zich in het moslimstandpunt te verplaatsen, dat strategisch een meesterzet mag heten.


Propagandistisch is het allereerst zeer goed bekeken, de progressieven nog eens heel nadrukkelijk naar de mond te praten. Die bondgenoten hebben het toch al moeilijk genoeg om bijvoorbeeld de afwijzing van Charles Darwins evolutieleer of de ontkening van de Holocaust door hun moslimvrienden goed te praten. Dus stel maar eens een gebaar dat door je bondgenoten als progressief uitgelegd kan worden.



Plus, die homo’s mogen ook wel eens een attentie krijgen. In afwachting dat zij echt onder de sjari’a terechtkomen en van de daken zullen gegooid worden, moet je toch maar erkennen dat zij voor de islam al doen wat zij kunnen. Net als de feministen zouden zij hun vege lijf kunnen redden door zich tegen de islamisering te verzetten, maar het tegendeel is het geval. Na de djihaadaanslag op een homo-nachtclub in Orlando schermden zij de islam af tegen kritiek, staken zij de schuld op de Republikeinen die er het klimaat voor zouden geschapen hebben, en Imagine’den zij wat over een moslim-homo-bondgenootschap. Dat soort zelfopoffering is wel een druk op de parlementaire ja-knop waard.



Drie, moslims geven niet echt iets door deze toegeving, ze snijden geenszins in hun eigen vlees. Zij zien westerlingen toch al als mietjes, en aan die nuttige idioten het speeltje van een homohuwelijk gunnen doet helemaal geen afbreuk aan het recht van moslims om binnen hun eigen gemeenschap hun eigen normen te handhaven. Het kan maar in de verf zetten dat homorelaatsies iets heidens zijn waar moslims zich niet op laten betrappen. ’s Lands wijs, ’s lands eer: voor de Victoriaanse Europeanen met hun waarden en zelfrespect konden moslims nog eerbied opbrengen, maar voor het libertijnse Europa van vandaag hebben zij niets dan misprijzen.



Maar vooral: het opengooien van het huwelijk maakt op termijn de weg vrij voor de wettelijke erkenning van het polygame huwelijk. De monogamie, ooit overgenomen door de christenen van de heidense Romeinen, behoort nu tot het christelijke erfgoed dat onze progressieven al lang aan het slopen zijn. Op dat punt staat de islam van nature al heel wat dichter bij de libertijnse normen van onze progressieven. Zo geldt in de Kerk het huwelijk als “gesloten in de hemel”, terwijl het voor de islam, net als voor onze progressieven, gewoon een menselijk contract is dat mensen ook weer kunnen verbreken. Dus: weg met het monogame huwelijk, daarover kunnen progressieven en moslims het eens zijn.





Grote gezinnen



Ziedaar dan het volgende oogmerk van de islam in zijn stap-voor-stap invoering van de sjari'a. Wel zullen moslims er in een overgangsfase mee moeten leven dat, omwille van de gelijkheid, ook vrouwen met meerdere mannen zullen kunnen trouwen. Dat geeft echter niet, want naarmate de moslimgemeenschap groeit, neemt de maatschappelijke controle op medemoslims toe, en dan zullen zij er zelf wel op toezien dat die verderfelijke polyandrie onder hen niet gaat voorkomen. Tegelijk is zij een nuttige troostprijs voor de overblijvende heidense mannen: aangezien meer en meer vrouwen ervoor zullen kiezen, bijvrouw van iemand uit de nieuwe heersersklasse te worden, ontstaat voor heidense mannen een vrouwentekort. Voor hen kan de polyandrie wat soelaas bieden, zodat zij niet gaan revolteren, in afwachting van hun uitsterven.


Nu het feminisme al zoveel aan de islam toegegeven heeft, is het gewoon niet meer in een positie om zich tegen deze volgende "verruiming" van het huwelijk te verzetten. Wie zal het nog wel doen? Je kan er moeilijk langs alle kanalen de ideologie van de “diversiteit” inpeperen en dan een diversifiëring van de huwelijksvormen tegengaan.



De moslims zelf hebben er een zeer goed geweten over. Kijk maar, zeggen zij, naar de directeur die zijn vrouw bedriegt met zijn secretaresse. In de heidense cultuur zal hij op zeker ogenblik moeten kiezen, en aldus één of twee of drie mensen en hun omgeving ongelukkig maken. In de islam daarentegen zal hij er gewoon een vrouw bijnemen, dus geen gedumpte echtgenote, geen echtscheidingsvertwijfeling bij de getroffen kinderen, eigenlijk iedereen tevreden.



Ja, welbeschouwd zullen de feministen de superioriteit van het islamitische alternatief wel moeten erkennen. Vrouwen zijn sterk in het zich aanpassen, deze stap zal er ook wel bijkunnen. De heidense mannen zullen er minder goed mee kunnen leven, maar die zijn toch tot verdwijning gedoemd. Of tot bekering en omarming van het ware geloof, wat altijd al de bedoeling was.

Monday, July 3, 2017

Wegwijzer Ulrich Libbrecht


(Doorbraak, 18 mei 2017)

Op 10 juli 2008, toen Ulrich Libbrecht, mijn vereerde promotor in Sinologie, zijn 80ste verjaardag te vieren had, wijdde de gemeente Kluisbergen in de Vlaamse Ardennen daar een groot feest aan. De wandeling die hij elke dag rond zijn huis in het gehucht Zulzeke maakte, werd gepromoveerd (het woord is hier wel gepast) tot de “Ulrich-Libbrechtwandeling”, compleet met enkele rustpunten voorzien van een bord met één van zijn wijsheden. Aldus: “De weg is wijzer dan de wegwijzer.” 

Bij die gelegenheid stelde hij een boek voor: Met dank aan het leven. Mijn moeder, even oud, vond het een prachtige afscheidstekst. Hij had het ook als zijn laatste boek bedoeld. Het daaraan voorafgaande decennium had hij het ene boek na het andere uitgebracht, te beginnen met zijn magnum opus, het vierdelige standaardwerk Inleiding tot de Comparatieve Filosofie. De titel geeft meteen zijn belangrijkste werkterrein na zijn pensioen aan (in Antwerpen richtte hij de School voor Comparatieve Filosofie op, met de Utrechtse tegenhanger Oost-West). Enkele Jaren later werd de schrijversjeuk hem echter opnieuw te machtig, en leverde hij nog enkele boeken af.



Nog meer boeken

Inhoudelijk erg belangrijk in het weer oplevende debat over zin en onzin van religie is zijn boek Adieu à Dieu: Naar een religieus atheïsme (Garant, 2014). Het gaat vooral over het boeddhisme, en hoe dat enerzijds allerlei kenmerken van een religieuze praktijk heft, maar anderzijds toch niet in een Opperwezen gelooft. Op volks niveau zijn er volop die tot de Boeddha of tot één van zijn gedaanten om verlossing bidden: Namo Amituo Fu, “Gegroet, Boeddha van het Onmetelijke Licht”; maar boeddhisten die ernstig hun zaak kennen, doen het zonder. (In 2005 moesten boeddhisten in Cambodia beletten dat snode christelijke missionarissen de geest van de nieuwe generatie zouden vergiftigen door in de schoolboeken de bewering binnen te smokkelen dat religie de verering van een Opperwezen betreft, een zekere “God”.) In het jezuïetenblad Streven las ik laatst dat het modieuze idee van een “religiositeit zonder God” in de praktijk nooit ver zal komen; maar in dit boek toont Libbrecht aan dat het al 25 eeuwen bestaat en de laatste eeuw ook in het Westen is gaan floreren. En vooral, dat het heel samenhangend en intellectueel bevredigend is, en dat het zijn beoefenaars alles geeft dat mensen in religie zoeken. 

Ik laat zelden een boek signeren, maar van dit ene koester ik wel de opdracht: “Aan KE, oud-leerling en geestesgenoot”, met daarbij de sleutelzin van het daoïsme: ziran dao ye, “de natuur is de Weg”. Met “natuur” vertaalt hij hier het Chinese begrip zi ran, “vanzelf zo”. Voor hem had dat begrip echter niet alleen een metafysische betekenis: hij was een pionierend natuurliefhebber, een tijd voorzitter van de Wielewaal, en verwoed tuinder.

In zijn volgende boek wijdde hij uit over de natuur, zowel op aarde als in de sterrenhemel; maar ook over Griekse, Duitse, Indiase, Chinese en andere wijsbegeerte, eigenlijk over alles wat hem geïnspireerd had. Hij richtte zich daarmee tot de nieuwste generatie, de vermaledijde dummies die geen behoorlijke scholing meer schijnen te krijgen en hun beperkte kennis vlug-vlug uit de Wikipedia halen: De bricoleur en de dummies. Een boek voor jonge denkers en dromers (Garant, 2015). De “bricoleur” is Libbrecht zelf, die door vakfilosofen vaak als een amateur werd afgedaan. Iedereen heeft wat aan het boek, maar het ideale doelpubliek is de jongere die zich afvraagt wat met zijn leven te doen, en wat er in die grote wereld het leven de moeite waard maakt.





Testament

Toen de professor zijn magnum opus schreef, was hij de zeventig al voorbij, en schreef ik in mijn bespreking dat dat wel zijn intellectueel testament zou zijn. Gezien het tiental boeken dat nog gevolgd is, zat ik er ver naast. Maar wat echt als zijn testament zal fungeren, is zijn laatste werk, dat kort voor zijn dood verschenen is: Filosofie zonder grenzen.

Eén van de tien hoofdstukken, over Afrikaanse wijsbegeerte, is gescheven door zijn college Heinz Kimmerle, inmiddels ook overleden; en in de redactie van het werk is de oude meester ook bijgestaan door zijn jongere collega Els Janssens, een oud-studente van hem. De hoofdstukken 5 tot 9, over “etnofilosofie” (namelijk Indiaanse en Afrikaanse) en over “theontische filosofie” (joodse, christelijke en islamitische) kunnen als nieuw beschouwd worden, gegroeid uit zijn werk in de School voor Comparatieve Filosofie. Dat wou echt universeel zijn en geen enkele wijsgerige traditie onbesproken laten. De hoofdstukken over oosterse wijsbegeerte (1-4) en het slothoofdstuk (10) dat dan echt vergelijkend wil zijn, kan men daarentegen zien als een hapklaarder maar ook rijpere samenvatting van zijn hoofdwerk.

De echte vergelijking met Benedict de Spinoza, Immanuel Kant en andere klassieke Westerse denkers wordt wel tot een aantal voorbeelden beperkt. Libbrechts forte is echter de onderlinge vergelijking tussen de verschillende Indiase en Chinese zienswijzen, wat bijdraagt tot een veel beter begrip van elk van hen, en daarover krijgt men hier de speerpunt van de vooruitschrijdende kennis.   

Wat men destijds al tegen zijn vergelijkingsmodel tegenwierp, kan vandaag herhaald worden: Libbrecht gebruikt een natuurkundig model om verschillende wereldbeelden op een gemeenschappelijke noemer te brengen. Hij was vóór zijn studies regent wiskunde, zijn doctoraatsverhandeling ging over de Chinese wiskunde op haar hoogtepunt (rond +1200), voerde het vak Chinese Wetenschapsgeschiedenis in, en bleef de wijsbegeerte door een natuurwetenschappelijke bril beschouwen. Hier ontbreekt de ruimte om het allemaal uit te leggen, leest u vooral het boek zelf, maar het gaat over energie versus informatie, gebonden versus vrije energie, over bewustzijn en natuur, en het vormt een objectief raamwerk. Vakfilosofen vinden die tastbaarheid maar zwak, het tegendeel van het relativistische “postmodernisme”, want zij willen zich in een oeverloos landschap met onbeperkte duidingsmogelijkheden vermeien.

Opmerkelijk is het hoofdstuk over joodse wijsbegeerte, dat van veel empathie en een verrassend gedetailleerde kennis van de basis- en commentaarteksten getuigt. Verrassend althans voor wie zich heeft laten inpakken door de tirade van Benno Barnard, die ooit van De Standaard de ruimte kreeg om Libbrecht van antisemitisme te beschuldigen. Er bestaan inderdaad dwepers met de natuur die de “godsdienst van het boek”, of de “woestijngodsdienst”, maar levenloos vinden, en dan in anti-joodse retoriek vervallen. Libbrecht is daar echter niet bij en heeft tot zulke verdenking nooit enige aanleiding gegeven. Alhoewel hij niet in de God van de Bijbel gelooft, toont hij wel aan dat zelfs een strikt genomen begoocheld wereldbeeld tot dezelfde denkhoogstandjes aanleiding geeft.  Er is leven zelfs na de Openbaring.







Wereldburger

Ik wens dit boek een talrijk lezerspubliek toe. Het is voor iedereen een uitstekende inleiding tot het denken van de beschavingen der mensheid, en tot de vergelijking tussen de verschillende zienswijzen. En het laat iets voelen van Libbrechts sympathie voor zijn onderwerp, die aanstekelijk op de lezer zal inwerken.

Voor vakfilosofen is het bij uitstek nuttig: het breekt hun overgespecialiseerd en jargonesk wereldbeeld open. Als houder van een diploma Wijsbegeerte, die zoals de meesten in dat geval andere dingen is gaan doen, kan ik getuigen dat dat vakgebied vandaag nog weinig anders is dan het inkleden van banaal-conformistische standpunten in hoogdravend jargon; juist Libbrechts benadering zou het wat nieuw leven kunnen inblazen.

Toen ik mijn thesis schreef, was de prof eens weg naar een wereldcongres over Vergelijkende Wijsbegeerte, jawel, in Hawaii. Hij vertelde achteraf dat lezingen door Aziatische wijsgeren veelal als een soort koffiepauze behandeld werden, en dat Amerikaans topwijsgeer Richard Rorty de Aziatische denkscholen als misschien wel ideeënrijke wijsheid, maar geen stelselmatige wijsbegeerte afdeed (precies wat wij in onze cursus Fundamentele Wijsbegeerte hadden moeten leren). Ik heb het zelf vaak ondervonden, bv. op een Gentse conferentie over Arthur Schopenhauer bleek niemand iets af te weten van de Oepanisjaden of het boeddhisme, die juist zijn belangrijkste inspiratie gevormd hadden. Op een Nederlands filosofie-evenement over “verandering” stelde ik een kennismaking met het denken achter het confuciaanse Boek der Veranderingen voor, maar daar deden de vakfilosofen alleen maar meewarig over.  En dat ondanks alle geleuter, zeker ook in de departementen Wijsbegeerte, over multicultuur.

Ulrich Libbrecht, van huis uit cultuurflamingant en aan die erfenis nooit ontrouw geworden, was tegelijk op denkniveau een wereldburger. Ego Mundi Civis, “ik ben een wereldburger”, is het motto van de door hem gestichte School. Het volledige citaat van Erasmus wordt in de aanhef van zijn slotwerk aangehaald: Ego mundi civis esse cupio, “ik wil een burger van de wereld zijn”. Dat klinkt wat bescheidener, net zoals een filosoof zich geen “wijze” noemt, maar iemand die “wijsheid begeert”.



Slotwoord

Op 15 mei 2017 is Ulrich Libbrecht uiteindelijk dan toch in de kosmos opgelost. 88 was hij, zoveel als er sterrenbeelden zijn. Dit waren zijn afscheidswoorden:

“Moeder, waarom sterven wij?

“Omdat de Stroom mijn leven nodig heeft om Stroom te worden: de Stroom is de som van de oneindig vele druppels, waarvan ik er één ben. Het leven heeft mijn dood nodig.

“Daarom sterf ik gelaten, omdat ik weet dat ik voor altijd verder leef, niet als schamele waterdruppel die even het licht van de zon als een kleine regenboog mocht weerkaatsen, maar als onvervreemdbaar eeuwig deeltje van de zee van dit bestaan.”





Filosofie zonder grenzen, Garant, Antwerpen 2016, ISBN 978-90-441-3397-4, 287pp., € 31,90.

Saturday, July 1, 2017

Abicht over de Bijbel

Abicht over de Bijbel

(’t Pallieterke, herfst 2016)

Ook op zijn tachtigste blijft Ludo Abicht maar schrijven. Het boek De Bijbel. Een vrij zinnige lezing (Vrijdag, Antwerpen) wil geen vlotte samenvatting van de Bijbel zijn voor de hedendaagse lezer die in enkele hapklare brokken het Bijbelvormige gat in zijn cultuur zoekt te vullen. Wel wil het hem via minder bekende feiten terugwerpen op een lezing van de Bijbel zelf.

Met steun van de recentste Bijbelse archeologie verwerpt Abicht de historiciteit van Abrahams tocht uit Oer, Mozes’ uittocht uit Egypte, en het roemrijke koninkrijk van David en Salomo. De Schrift reikt slechts terug tot rond -700, met twee staten in Palestina: het multiculturele Israël versus het fundamentalistische Juda. Er is geen aanwijzing dat zij ooit één staat vormden.

De Bijbel behoort tot de wereldliteratuur omdat hij zo’n grootschalige invloed gehad heeft en zijn beeldspraak tot de dagelijkse cultuur is gaan behoren; en omdat talloze schrijvers er hun schrijfarbeid in gestoken hebben. Maar niet, aldus Abicht, omdat het Gods Woord zou zijn.


Doorgeefluik

De auteur prijst de Bijbel: “Hij is tegelijkertijd een van de bronnen van onze universele ethiek. (…) Hier werd voor de eerste keer in de westerse geschiedenis een grote nadruk gelegd op de rechten van het individu en de sociale rechtvaardigheid”. (p.42)
Precisering: de Verlichtingsdenkers met hun mensenrechten waren, zelfs al hadden ze het geloof verlaten, nu eenmaal in het Bijbelse kader doorkneed.  Maar dat betekent niet dat die mensenrechten uit de Bijbel voortkwamen en er zonder de Bijbel niet zouden geweest zijn. Het monotheïsme is inderdaad op de Bijbel gebaseerd (hoewel, wat was daarin de rol van farao Achnatons monotheïsme?), de rest niet.

Meteen geeft hij zelf aan dat juist de sympathiekste trekken van het oudste godsbeeld in de Bijbel al eerder betuigd waren in de teksten gevonden te Oegarit (Syrië, tot -1400). De oppergod El Elyon “kan beïnvloed worden door andere goden, maar ook door de gelovigen. Dit portret lijkt heel erg op het beeld van God in de eerste boeken van de Bijbel (…) waarin de patriarchen met God onderhandelen.” (p.48)

In de Tien Geboden zijn alleen de eerste twee origineel: zij formuleren een nieuwe theologie. De rest bevat klassieke zedenleer en werd toegevoegd juist om de eerste twee in een gezaghebbend kader te plaatsen. Waarden als de naastenliefde werden al geformuleerd in oudere teksten, die (mede door toedoen van de Bijbel) in de vergetelheid gedrongen waren: “Zo bevat het Egyptische Dodenboek [rond -1400] onder meer de volgende bepalingen: ‘Ik heb mijn plaatselijke God niet vervloekt… Ik heb een god bij zijn processie niet in de weg gelopen… Ik heb niet gestolen… Ik heb geen mannen gedood… Ik ben niet hebzuchtig geweest…’” (p.106) De waardigheid van het individu spoort Abicht terug tot het hellenisme, met het christendom als doorgeefluik. (p.197)

Abicht ziet het monotheïsme niet explosief ten tonele verschijnen, bv. in psalm 89 zit God net als in Oegarit een raad van goden voor, en “prijst de kring van hemelingen de Heer om zijn trouw”. Een van die oude goden was trouwens Sjalem, aan wie de stad Jeruzalem gewijd was (niet aan de vrede/sjaloom). Zelfs de verrijzenis, namelijk van El’s zoon Ba’al, vinden we in Oegarit terug. (p.51)


Verkrachting

Terecht ziet hij in het Gouden Kalf geen symbool van materialisme: het bestond juist uit geschonken juwelen. (p.109) Hij ontdekt veel goeds in de boeken Job en Prediker, die hij uitvoerig ontleedt, en in het Hooglied, dat hij pas in de -3de eeuw situeert, met Griekse en Perzische invloeden; niks geen Salomo. (p.170)

Op fouten laat hij zich niet betrappen, behalve één loeier: de “verkrachting van Dina”. (p.91) Deze frequente bewering van gelovigen voegt laster toe aan moord. Zoals de tekst zelf zegt, hadden Dina en Sjechem voorhuwelijkse betrekkingen. Hij deed vervolgens het eerbare ding door haar hand te vragen, en haar vader stemde toe. Omwille van haar bekeerde hij zich en lieten alle Sjechemieten zich besnijden,-- waarop Dina’s broers hen kwamen doden. Niet omdat Dina verkracht zou zijn, maar omdat ze met een vreemdeling ging trouwen, is de stam van haar bruidegom uitgemoord. (Om dezelfde reden had Jakob aan Esau, met diens Hethitische vrouwen, de erfopvolging ontfutseld.)

Op deze genocide volgden er nog: op de Kanaänieten en Amalekieten, door God verordend. Dat geweld wordt volgens Abicht wel wat verzoet doordat het onhistorisch is: er was nooit een gewelddadige landname van Kanaän, de Jahweh-getrouwen waren een deel van de inheemse bevolking. Hier bevestigt hij zijn joodslievend maar niet zionistisch palmares.


Over het Nieuwe Testament is Abicht kort, en als vrijzinnige erg voorspelbaar: Grieks qua vorm, joods qua inhoud (“messias”, “verbond”, eindtijdverwachting), met het fictieve verrijzenisverhaal als middel voor de apostelen om de dood van hun Heiland te verwerken. Echte gelovigen zullen dit boek allicht mijden. 

Tuesday, June 20, 2017

Links en de Noorse massamoord






Al een decennium lang hoor je opiniemakers klagen dat “de politieke correctheid van links naar rechts opgeschoven is”. Dat is klinkklare onzin, links heeft een structureel overwicht met in de wet en de instellingen gebetonneerde discriminaties tegen andersdenkenden. Het heeft alleen de indruk van underdog te zijn omdat het inhoudelijk de debatten verliest. Ook de dynamiek van het opinielandschap gehoorzaamt nog steeds aan hun wil, en dat is zeer uitdrukkelijk gebleken uit de reactie op de massamoord door Anders Breivik. De meeste commentatoren, ook de weinig geïdeologiseerde, hebben als op commando eensgezind de steen geworpen naar de conservatieve rechterzijde, en de islamcritici in het bijzonder, en hen gebrandmerkt als moreel medeschuldig aan Breiviks gewelddaad.
Welbeschouwd is het islamdebat natuurlijk  geen kwestie van links of rechts. In de moslimwereld gaat islamkritiek veelal uit van mensen met een links profiel. Onze linksen behandelen islamkritiek als rechts omdat zij binnen hun beperkte horizon alleen zien dat in eigen land de rechterzijde zich het islamthema aangetrokken heeft.

Geweld beloond
Een blijver in de opiniedynamiek is dat aan rechts hogere morele eisen gesteld worden dan aan links. Van rechts wordt inkeer en berouw geëist omdat ergens iemand die zich eveneens rechts noemt, 77 mensen vermoord heeft. Van links wordt het daarentegen heel normaal gevonden dat het rondloopt in hemdjes met de beeltenis van Ché Guevara, die evenzeer meende de goede strijd tegen het kwaad te voeren en daaraan ten allerminste 216 mensenlevens opofferde, dodingen tijdens gevechtshandelingen niet meegeteld. Verschil is wel dat de Noorse slachtoffers een snelle dood stierven terwijl Ché zijn medische kennis gebruikte om een aantal van zijn gevangenen te folteren.
Hoe hoog een ideologische stroming in de pikorde staat, blijkt ondermeer uit met hoeveel schandaligs ze kan weggeraken. Bijvoorbeeld, een studentenvereniging aan de UGent nodigt een rechtse politicus uit voor een debat, links komt het debat met geweld verhinderen (en slaat daarbij terloops de rector het ziekenhuis in); een tijd later weer zo’n uitnodiging, weer een linkse dreiging met geweld, en de rector roept er niet de politie bij om deze keer de uitoefening van het grondwettelijk recht op vergadering en meningsuiting te beschermen, maar voert de oekaze van links uit en verbiedt het debat. Pas als rechts hetzelfde kan doen met een links initiatief, kan je zeggen dat “de politieke correctheid van links naar rechts opgeschoven is”.
Idem voor de islam: dat die nu deelt in de door links bemachtigde voorrechten blijkt hieruit dat hij met zeer veel lelijks kan weggeraken. Honderden moslimterroristen, van Mumbai en Bagdad tot Amsterdam en New York, hebben uitdrukkelijk bekend gemaakt dat de islam en niets dan de islam hen tot hun daad motiveerde. Toch werden hun terreurdaden niet gevolgd door  veroordelingen van de islam vanwege politici of de media. Integendeel, na 11 september 2001 verwelkomden moskeeën in de VS een ware begankenis van politici en andere prominenten die hun sympathie voor “de religie van de vrede” kwamen betuigen. Ook na de massamoord in Oslo, waarbij moslims noch dader noch slachtoffer waren, kregen Noorse moskeeën het bezoek van ondermeer een minister en de kroonprins. Wat er echter niet afkon was een steunbetuiging aan de islamcritici, die er valselijk doch unisono van beschuldigd werden, de Schreibtischtäter geweest te zijn. Zelfs politici die geloofden dat islamkritiek Breivik tot zijn daad gebracht had, zouden, overeenkomstig hun ontkoppeling van moslimterreur en de daarvoor door de daders ingeroepen ideologie, de islamcritici van hun blijvende sympathie hebben moeten verzekeren.   

Inspirerend
En laten we wel wezen: islamkritiek heeft Breivik niét tot zijn daad geïnspireerd. Mocht er één citaat van islamcritici bestaan hebben dat tot zulk geweld oproept (zoals er wel volop in de Koran en andere islamklassieken staan), dan hadden we dat uiteraard op alle voorpagina’s kunnen herlezen, quod non. Terwijl Breivik geschiedkundige gegevens uit het onderzoek van islamcritici als Robert Spencer, Bat Ye’or, Fjordman enz. aanhaalt, neemt hij in zijn manifest scherp afstand van hen zodra het aankomt op de mogelijke oplossing van het door hen gestelde probleem. Volgens hem zijn zij bekommerder om hun reputatiedekking dan om de doortastende maatregelen tegen de islam die hij noodzakelijk acht. (p.764) Hij vindt hen veel te soft, inspiratie voor de actie moest hij elders zoeken.
Ook de islamkritische politieke partijen, van dewelke hij alleen de retoriek maar niet de werkwijze goedkeurt,  wenst hij uiteindelijk naar de hel. Zo verwacht hij dat zijn vroeger lidmaatschap bij de Noorse Vooruitgangspartij deze partij zwaar zal beschadigen, en hij vindt dat goed omdat de bevolking zo de illusie zal kwijtraken dat de nodige maatregelen tegen de islamisering langs democratische weg kunnen bereikt worden. (p.1401) Daardoor zal zij voor de revolutionaire weg kiezen, hoopt hij. Die benadering heeft niets met islamkritiek te maken, maar volgt een ander welbekend model, namelijk dat van linkse terreurgroepen. Van de 19de-eeuwse anarchisten tot de RAF en de CCC hebben linkse terroristen altijd geloofd dat hun actie als ontstekingsmechanisme zou dienen voor een omslag bij de massa in de richting van de revolutionaire volksopstand.
Hoewel hun terreur nooit tot de beoogde revolutie leidde, heeft zij tenminste hun ideologie van klassenstrijd nooit schade berokkend. Dezelfde retoriek waarvan linkse terroristen zich bedienden, over “Amerikaans imperialisme” en “uitbuiting door het grootkapitaal”, werd er in respectabele media niet minder om. Het voorbeeld van de islam is voor kandidaat-terroristen nog hoopgevender en “inspirerender”: na 9/11 sloten de rangen van de politieke klasse en de opiniemakers  zich rond de islam om hem tegen alle kritiek af te schermen. Wie uit de eigen islamitische motivering van de daders de logische besluiten trok, werd weggezet als een misdadiger schuldig aan “racisme”, of als een psychiatrisch geval lijdend aan “islamofobie”. Als iemand “het klimaat geschapen heeft” voor Breiviks sprong van een politieke overtuiging naar een terreurdaad, dan zeker degenen die de islam voor zijn rol in terreurdaden met een des te gunstiger pers beloond hebben.

Haatretoriek  
In de talrijke oproepen tot repressie tegen islamkritiek merk je overigens dat de betrokken politici en commentatoren het islamdebat van de jongste jaren volstrekt niet gevolgd hebben. Zo verklaart eurocommissaris Cecilia Malmström dat we “tolerantie en democratie” moeten verdedigen. Het is haar blijkbaar volledig ontgaan dat alle islamcritici juist de zorg om tolerantie en democratie inroepen als dringende reden om de (laat ons zeggen:) moeilijke relatie van de islam met de waarden van tolerantie en democratie tegen het licht te houden. Inhoudelijk hebben zij en haar soort tegen de islamkritiek nooit een punt kunnen scoren. Het is pas vanachter Breiviks brede schouders dat zij triomfantelijk een neus kunnen zetten naar degenen die tolerantie en democratie tegen de islam in bescherming nemen.
Sluiten we de Breivik-episode af met een persoonlijke rechtzetting. Op het lezersforum van De Wereld Morgen insinueerde de onlangs afgezwaaide hoofdredactrice van Knack Weekend dat Fjordman en ondergetekende wel eens één en dezelfde persoon zouden kunnen zijn. Dat verhaal is door Fjordmans bekendmaking van zijn werkelijke identiteit gelukkig van de baan. Op facebook beschuldigt zij de medewerkers aan Brussels Journal , en onder hen met name ook mijzelf, ervan, door hun “haatretoriek” het klimaat voor Breiviks daad geschapen te hebben. Ik heb haar uitgedaagd om uit mijn tientallen islamartikels op BJ één zin aan te wijzen die als “haatretoriek” kan gelden. Net als alle anderen die mij al jaren met scheldwoorden maar nooit met weerleggingen bekogelen, is zij het antwoord schuldig gebleven.  


('tP, 17 aug. 2011; BJ)

The Brussels Journal: Een gelegenheid tot zelfkritiek




In zijn beruchte manifest raadt Anders Behring Breivik zijn eventuele medestanders aan om winnaars te imiteren. Weg dus met rechtse verliezers als Hitler en Mussolini, bestudeer liever voorzitter Mao. Nou, die raad neem ik al ter harte van toen de Noorse terrorist nog moest geboren worden. Zoals trouwe lezers weten, vind ik op de vreemdste plaatsen nog nuttige toepassingen voor de staat- en krijgskundige inzichten van de Grote Roerganger. Vandaag trekken we lering niet uit zijn woorden maar uit één van de praktijken die hij ingesteld heeft. Onder ex-linksen wordt er hartelijk om gelachen, maar eigenlijk was het nog zo’n slecht idee niet: de openbare zelfkritiek.      
Natuurlijk is het niet de bedoeling, de gedwongen valse bekentenis van niet-begane misdaden weer in te voeren, zoals onze tegenstanders graag zouden zien. Wel geldig blijft het onderliggende beginsel, namelijk dat het voor de betrokkene en zijn gemeenschap het beste is als hij van een begane fout afstand neemt door zelf te detailleren wat er precies fout aan was. Gewoon even sorry zeggen wanneer je dat politiek opportuun lijkt (zoals sommige landen en instellingen gedaan hebben i.v.m. de Holocaust, de slavernij en zelfs de kruistochten), is op zich weinig waard. Het wordt pas waardevol en een bewijs dat je echt afstand genomen hebt van dat wat je nu zelf als een fout bestempelt, als je zelf uiteenzet wat er fout aan was, hoe je tot dat foute gedrag gekomen was en waarom je het nadien verworpen hebt. Als je iets echt ontgroeid bent, als het geen deel meer is van jezelf, dan valt het gemakkelijk om het aan de kaak te stellen, want het betreft niet langer jezelf, alleen je vroegere zelf. Niets is bovendien doeltreffender om je twijfelende medestanders mee over de streep te trekken en afscheid te doen nemen van de foute lijn. Voor de maatschappij is het extra winst dat ze de zondaar niet uitschakelt maar hem tot bondgenoot maakt in de “rectificatiebeweging”.     
Ach zo, is er hier dan sprake van een “foute lijn” die “gerectificeerd”moet worden? Natuurlijk zijn de verschaffers van juiste historische kennis over de islam (zoals Ibn Warraq, Wafa Sultan, Robert Spencer, Andrew Bostom en andere “inspiratiebronnen van Breivik”) niet verantwoordelijk voor de praktische besluiten die een onevenwichtige uit zijn kennismaking met dat probleemdossier trekt. Het wereldwijd bekend maken van de ontluisterende feiten inzake de islam is, net als het Zwartboek van het Communisme, een onverdeeld goede bijdrage aan het welzijn der mensheid. Toch moeten we altijd tot zelfkritiek bereid zijn, ongeacht of dramatische gebeurtenissen daar aanleiding toe geven. Zelfs wanneer de vijand zijn laagheid en valsheid demonstreert door onze wetenschappelijk gefundeerde woorden verantwoordelijk te stellen voor andermans redeloze misdaden, moeten we ons er niet toe beperken, op de logische ongeldigheid van zijn insinuaties te wijzen. We moeten ons integendeel afvragen of we, door doen of laten, geen fouten gemaakt hebt in de door de vijand bedoelde of in andere zin.

Eurabische samenzwering
Laat ons dus ingaan op de vraag wat islamcritici beter hadden kunnen doen, en in de toekomst beter moeten doen. In welke mate, bijvoorbeeld, maken wij werk van het met de lippen beleden beginsel dat “de islam het probleem is, eerder dan de moslims”?
Niet elke islamcriticus geeft blijk van voldoende inlevingsvermogen in de positie van onze als moslim grootgebrachte medemens. We moeten beseffen dat, indien wijzelf in een moslimland geboren waren, ook wij heel wat islamitische geloofspunten en attitudes verinwendigd zouden hebben. Moslims kunnen er niets aan doen dat ze in dat geloofssysteem terecht gekomen zijn, maar ze zijn wel met rede begiftigde wezens die het kunnen ontgroeien. Sommige islamkritische teksten lijken geschreven door lieden die nooit een levende moslim op menselijk niveau ontmoet hebben, als waren moslims de onbezielde vijanden in een computerspel. Geert Wilders moeten we nageven dat hij op dit punt in gunstige zin geëvolueerd is en nu de strijd tegen de islam ook beschouwt als in het belang van de moslims zelf. Zelfs het VB heeft met zijn leuze “aanpassen of opkrassen” op zijn eigen onbehouwen manier een grote stap in de juiste richting gezet: het erkent daarmee dat moslims een vrije keuze hebben om zich in de leidcultuur te integreren liever dan zich in een islamgetto op te sluiten, en dat zij op die voorwaarde ook welkom zijn.
Een ander punt waar enkele prominente islamcritici volgens mij in de fout gegaan zijn, is het samenzweringsdenken over “Eurabië”. Het is natuurlijk wel zo dat de islamwereld gretig uitkijkt naar de inlijving van Europa in het Dâr-al-Islâm, een project dat door Bat Ye’or in de term “Eurabië” samengevat wordt. Ik heb veel geleerd van haar vroegere werk over de geschiedenis van de dhimmitude, het statuut van de in hun onderwerping berustende niet-moslims in islamitische samenlevingen. Tegen de overvloedige documentatie die ze daarin presenteerde hebben degenen die haar nu uitspuwen nooit een begin van weerlegging kunnen inbrengen. We kunnen haar echter niet volgen in de stelling dat Europese en Arabische politieke leiders samen een strategie bedisseld hebben om Europa te islamiseren.
Hoezeer eurocraten ook de verradersaard in zich hebben, hoezeer zij ook het Europese volk haten en misprijzen, hun kille hart loopt niet zodanig warm voor de islam dat zij doelbewust de islamisering van ons werelddeel zouden nastreven. Dat het beleid van de Europese elites objectief de islamisering in de hand werkt, is geen bewuste strategie, wel een geval van onbedoelde gevolgen door de hoogmoedig-kortzichtige Marie-Antoinettes van vandaag. Schrijf nooit toe aan boosaardigheid wat afdoende verklaard kan worden door dwaasheid.
Het pro-islambeleid van de bestuursklasse heeft ondermeer de volgende niet-samenzweerderige oorzaken: (1) het postkoloniale schuldgevoel, hier geïnformeerd door de onjuiste aanname dat het kolonialisme de islam onderdrukt heeft; (2) een oprechte wil tot openheid en pluralisme, echter blind voor het feit dat juist de islam juist overal waar hij aan de macht is, het pluralisme afbreekt; (3) een protserig beter-dan-gij spel, een wedijver in de vrijgevigheid waarin de elite haar superioriteit tegenover de bekrompen massamens demonstreert door eigen erfgoed weg te geven, concreet vooral door het wooncomfort, de straatveiligheid e.d. van de volksmens weg te gooien, samen met verworvenheden als de gelijkheid van man en vrouw en de vrijheid om te spreken en aan godsdienstkritiek te doen. Een groepsdynamiek vergelijkbaar met die van een bijenzwerm, waarin de progressieven mekaar imiteren en bij afdwaling corrigeren, verklaart voldoende hoe zij, tegen alle terugkoppeling vanuit de werkelijkheid in, een rozig beeld van de islam blijven belijden en daardoor een beleid voeren dat de islamisering in de hand werkt. Zo’n groepsdynamiek is natuurlijk wat ingewikkelder om in kaart te brengen dan een net plannetje dat in een achterkamertje bedisseld is, maar het is realistischer.
Ook de inschatting van de sterkte van de islam in Europa en de prognose van de evoluerende krachtsverhouding is minder eenvoudig dan je bij lezing van sommige islamkritische geschriften zou denken. Enerzijds is er de demografische groei door hogere geboortecijfers (weliswaar dalend maar op elk moment hoger dan bij niet-moslims) en voortdurende immigratie, en de grotere en diepere zelforganisatie; anderzijds is er de de-islamiserende invloed van de moderne cultuur en van de dagelijkse ervaringswerkelijkheid. Tussen die twee trends is er een wedloop [http://www.brusselsjournal.com/node/1710] aan de gang. Het verloop van die wedloop ligt niet a priori vast, er is misschien reden voor alarmisme maar zeker niet voor defaitisme.

Heilige oorlog  
Centraal in het debat over Breivik is de vraag of islamkritiek een oproep tot geweld impliceert. Met hun bekende kwade trouw stellen linkse polemisten het in hun euforie nu zo voor dat islamkritiek noodwendig tot geweld tegen de moslims moet leiden. Terecht zegt de door Breivik zo bewonderde Peder Jensen alias “Fjordman” dat hij nooit zulke oproep gedaan heeft, en dat Breivik uitdrukkelijk het contrast maakt tussen hemzelf en de volgens hem te softe islamcritici, die nog in democratisch debat geloven (inbegrepen Fjordman en politici als Wilders en Dewinter). Sterker nog, Breivik hoopt uitdrukkelijk dat de islamkritische partijen schade zullen lijden door de associatie die de media onvermijdelijk zullen maken tussen hen en zijn eigen misdaad, want dan zal de bevolking zich afwenden van de “illusoire” democratische oplossing en zich tot het revolutionaire alternatief wenden (p.1401 van zijn manifest). De media spelen dus Breiviks spel mee door de schuld voor zijn daad naar de geweldloze islamcritici door te schuiven.
Daarop antwoorden Fjordmans critici dat hij het beleid van de heersende klasse met enig retorisch geweld toch maar een “oorlog tegen de Europese bevolking” genoemd heeft en zich naar eigen zeggen op een nakende “burgeroorlog” met de moslims voorbereidde. Dat zou niet echt een “oproep” tot geweld zijn maar daartoe wel “het klimaat scheppen”. Zoals ik het begrepen heb, wou hij waarschuwen tégen zo’n burgeroorlog, die zeer zeker tot de mogelijkheden behoort (zie Joegoslavië), en oproepen om die te vermijden. Alleen vernam de lezer onvoldoende over hóe dat kan bereikt worden.
Wij hadden meer moeten nadenken en schrijven over de oplossing voor het islamprobleem dat wij zo uitvoerig gedocumenteerd hebben. Ten eerste geeft dat meer perspectief, meer hoop, aan degenen die door de opmars van de islam in hun omgeving moedeloos of, zoals Breivik, wraakzuchtig worden. Ten tweede had dat alle twijfel weggenomen over de keuze van de middelen om dat politieke doel te bereiken.
Velen namen in dat verband aanstoot aan het (alweer vijf jaar oude) “Geef ons wapens” van Paul Beliën. Dat was een echte miskleun: gebaseerd op onjuiste informatie over de etniciteit van de zigeuners die Joe Van Holsbeek doodden (in brede kring werden zij tot hun aanhouding voor Marokkanen gehouden), en met een taalgebruik dat zich uitstekend tot overinterpretatie leende. Paul heeft die tekst nadien wel van de webstek gehaald, maar dit was nu precies het soort fout dat alleen ongedaan gemaakt kon worden met een openbare zelfkritiek. Nu is ze hem blijven achtervolgen, eerst in de onbelangrijke scheldpartijen van het knusse Vlaamse multiculdebat, en vervolgens buiten alle proportie getild door de zaak-Breivik. Volgende keer beter.
Anderzijds zijn er mensen die oprecht menen dat het niet zonder geweld zal kunnen, maar dan “regulier” geweld. Amerikanen komen van Mars, dus gaf Daniel Pipes, een gematigd islamcriticus die gelooft dat “de radicale islam het probleem en de gematigde islam de oplossing is”, aan president Obama de raad om Iran te bombarderen. [http://www.nationalreview.com/articles/229059/how-save-obama-presidency-bomb-iran/daniel-pipes] Voor zulk standpunt hoef je zelfs geen islamcriticus te zijn, eerder het tegendeel. George W. Bush heeft vaak de islam geprezen, bv. “Islam is een vreedzame godsdienst en een godsdienst die anderen eerbiedigt” [http://www.muslimrepublicans.net/article.asp?ID=164], maar hij heeft wel  vele duizenden moslims doodgebombardeerd. Het is niet islamkritiek die tot geweld tegen moslims leidt. (Ook bij Breivik niet.)
Omgekeerd blijken gewapende offensieven tegen de islamwereld vanuit het standpunt van de grondige islamkritiek sterk contraproductief te zijn, zoals ik al eerder betoogd heb [http://cdn1.brusselsjournal.com/node/3504]. Het verhardt de standpunten terwijl de moslimwereld juist een dooi nodig heeft waarin de gedachten kunnen evolueren. Wat de Navo (met daarin ook het islamvriendelijke multiculturele België) vandaag in Libië uitricht, gelijkt trouwens heel sterk op Breiviks schietpartij: vanuit een positie van overmacht mensen neermaaien die tegen je eigen vuurkracht kansloos zijn. Het maakt de westerse waarden niet populairder, noch bij moslims noch bij andere niet-westerlingen. 
Maar wie de strijd tegen het islamitisch imperialisme niet als gewelddadig opvat, had dit misschien wel veel uitdrukkelijker moeten zeggen. Neem een voorbeeld aan de Iraniër Ali Sina in zijn standpunt over de Noorse massamoord [http://www.faithfreedom.org/articles/op-ed/statement-on-norway-massacre/]: “In mijn 13 jaar van activiteit tegen de islam heb ik nooit geweld bepleit. Steeds weer heb ik gesteld dat we tegen de onwetendheid strijden. Onwetendheid kan je afbreken met kennis, leugens vernietigen met de waarheid, de duisternis overwinnen met licht. We heffen geen zwaard tegen de duisternis, we ontsteken een licht.”
Nochtans hoort Ali Sina thuis in het rijtje islamcritici wier naam in Breiviks manifest opduikt, en die “dus” de moordenaar “geïnspireerd” hebben. Het is bijgevolg niet zeker dat duidelijkheid over onze doelstelling een verschil zou maken voor zulke vertroebelde geest, en nog minder voor de Europese linkerzijde die door haar kwade trouw moedwillig blind is voor al wat niet in haar demonisering van islamkritiek past. Wij als penneridders moeten ons belang niet overschatten: het gedrag van mensen wordt maar zeer gedeeltelijk bepaald door wat zij lezen, en zelfs dat beetje lezen zij slechts door de bril van hun ervaring en vooroordelen. Maar toch: voorzover onze invloed reikt, hebben wij een verantwoordelijkheid en kunnen wij ons geen onnauwkeurigheid veroorloven. Onze vijanden kunnen met veel minderwaardige argumentaties weggeraken, met sprookjes en laster, met intellectuele luiheid en zelfgenoegzaamheid; maar wij zijn niet in zulke machtspositie. En al waren we het wel, dan zouden we nog moeten verkiezen om het juiste te doen.


('tP, 10 aug. 2011; BJ)