Monday, January 16, 2017

Solzjenitsyn adviseert de sovjetleiders


PDFPrint


Een van de nagenoeg vergeten werken van Aleksandr Solzjenitsyn (1918-2008) is zijn Open brief aan de sovjetleiders uit september 1973. In het Nederlands is het toen gepubliceerd bij Baarn samen met een open brief aan de sovjetburgers uit februari 1974 welks titel wél nog vaak geciteerd wordt: Leef niet met leugens.

De Open brief is, naar Solzjenitsyn’s eigen zeggen in het voorwoord bij de publicatie, “ontstaan uit één enkele gedachte: hoe moeten we de ons bedreigende nationale ramp vermijden?” Welke ramp kan een volk nog treffen dat “in de 20ste eeuw meer geleden heeft dan alle andere volkeren van de wereld” en dat behalve de talloze oorlogsslachtoffers “alleen al door de interne politieke en economische liquidatie van vijandige klassen 66 miljoen mensen verloren heeft”? Extra paradoxaal is dat de USSR toen geopolitiek juist op het toppunt van haar macht scheen te staan: Indochina en een aantal Afrikaanse landen waren het pro-westerse kamp aan het verlaten en kwamen in handen van communistische of pro-communistische partijen. De schrijver is niet onder de indruk van deze winst, die voor de sovjetbevolking vooral een extra last betekende: meer nieuwe elites die op sovjetkosten hun macht vestigen. Toch kan hij er niet naast kijken dat het tsarenrijk op zijn hoogtepunt nooit zulk een wereldmogendheid was als de Sovjet-Unie na 1945, één waarvoor in 1973 “hert Westen op de knieën” gaat. Maar ze is een reus op lemen voeten, uiterst kwetsbaar voor twee gevaren.

De eerste dreiging die Solzjenitsyn behandelt, is die van het wild moderniserende westen, niet als militaire vijand maar als aanstekelijk voorbeeld. Net als de 19de-eeuwse slavofielen (een term die zij in hun naïeve goedigheid van hun honende tegenstanders overnamen) wantrouwt hij nog steeds de alzijdige afbraak die door de “westerse” industrialisering veroorzaakt wordt: Hij bepleit “een eigen weg” voor zijn volk, aangezien de hele mensheid geen uniform ontwikkelingspatroon hoeft te volgen. Het zal vele fans van de schrijver misschien tegenvallen dat hij niet alleen de zedelijke en culturele afbraak aan de kaak stelt, maar ook de ecologische. Hij verwijst zelfs naar het toen sensatiewekkende rapport van de Club van Rome. Hoewel vele doemvoorspellingen van dat rapport fout gebleken zijn, blijft het principe onweerlegbaar: er zijn “grenzen aan de groei”. Daar is niks links aan, integendeel: nu leren we “wat iedere dorpsgrootvader al sinds mensenheugenis begrepen had en aan de progressieve publicisten had kunnen uitleggen, als ze zich van hun koortsachtige bezigheden hadden kunnen losrukken: dat een dozijn wormen niet eindeloos aan een en dezelfde appel kan blijven knagen; dat als de aarde een begrensd voorwerp is, ook haar ruimte en haar hulpbronnen begrensd zijn; en dat de eindeloze, onbegrensde vooruitgang die ons door de dromers van de verlichting in het hoofd gestampt is, niet kan plaatsvinden.”

De andere dreiging is een oorlog met China.Sinds 1962 was de rivaliteit tussen de Volksrepubliek en de Sovjet-Unie een publiek geheim dat zelfs de communistische partijen wereldwijd moeilijk konden blijven ontkennen, en dat hen uiteindelijk tot een keuze zou dwingen.Na de reis van VS-president Richard Nixon naar China voelde China zich, of zo vreesden toch de sovjetstrategen, ingedekt en sterk genoeg om een militaire confrontatie met de USSR aan te gaan. De schrijver verwacht niet dat dat een kernoorlog wordt: net zoals weinigen na WO1 nog gifgas op het slagveld gebruikten, zal de ervaring van Hiroshima de oorlogvoerende regeringen er wellicht van weerhouden, dit ultieme wapen in te zetten. Maar evengoed zal dit een uiterst moordende oorlog worden.
Eén deel van de oplossing lag in 1973 voor de hand: de strijd om het leiderschap over het wereldcommunisme zou vanzelf ophouden als de Sovjet-Unie haar funderende ideologie zou afstoten. Er was niet veel kans dat partijsecretaris-generaal Leonid Brezjnev die aanbeveling ter harte zou nemen, maar Solzjenitsyn doet ze toch. Er is echter een niet-ideologische dimensie aan het conflict, toen en nog steeds: de gebiedshonger van het dichtbevolkte China naar het uitgestrekte en grondstoffenrijke Siberië. Vanuit Chinees standpunt is dat een koloniaal wingewest van Moskou, één dat even legitiem tot China zou kunnen behoren.

Nu Siberië ontvolkt raakt, althans door Russen, terwijl Chinezen zich er in groten getale vestigen, is deze kwestie vandaag acuter aan de orde dan destijds. Vandaag geldt nog meer dan toen Solzjenitsyn ze citeerde, de waarschuwing die minister-president Pjotr Stolypin tijdens een debat in de Doema over de Amoer-spoorweg in 1908 uitsprak: “Als we nog langer in onze lethargische slaap gedompeld blijven, zal dit land doordrenkt worden met vreemde sappen en als we wakker worden zal het misschien alleen nog in naam Rusland blijken te zijn.” In het spoor van Stolypin spreekt Solzjenitsyn zich dus uit voor een versnelde ontwikkeling van het Russische verre oosten.

De regering in Moskou moet “het middelpunt van de staatsplanning en de staatsactiviteit (het middelpunt van de bevolkingspolitiek en de ondernemingszin van de jongeren) van verre continenten en zelfs van Europa, zelfs van het zuiden van het land overbrengen naar het noordoosten.” Het zou een technologisch huzarenstuk zijn om zulk bar koud gebied tot een bevolkingscentrum om te vormen, maar de moderne wetenschap, de soms zo verfoeide vooruitgang dus, zou het voor mekaar kunnen krijgen. In de winter zijn Moskou en evenzeer Beijing ook al diep bevroren, dus een nieuw centrum in Werchojansk zou misschien ook wel kunnen. Het zou alleszins een gebaar zijn richting China om de Russische aanspraak op dit gebied te bevestigen. Een voorwaartse verhuizing, dat is de politiek die tot nadeel van uitgerekend de Russen door Kazachstan gevoerd wordt: om de Kazachse aanwezigheid in het overwegend Russische noorden van het land te versterken, is de hoofdstad van het zuidelijke Almaty naar het noordelijke Astana verlegd. Beide hoofdsteden zijn ooit door Slavische kozakken gesticht, maar worden nu bastions van de Turkse Kazachen. Als Rusland dezelfde politiek volgt in zijn grondstoffenrijke noordoosten, kan het dat gebied voor het Russische volk behouden. Sommigen betwijfelen of dit vandaag nog haalbaar is, gezien de demografische neergang. In dat geval wordt Solzjenitsyn postuum de onheilsprofeet naar wie niet tijdig geluisterd werd, namelijk toen de sovjetleiders nog de begoocheling koesterden over een ongenaakbaar duizendjarig rijk te heersen dat spoedig de hele wereld zou omvatten.

Voor het overige bevat de Open Brief tal van terloopse suggesties die Solzjenitsyn bevestigen in zijn profiel als wat men in de VS een “paleoconservatief” noemt. Terwijl een groot deel van de Amerikaanse rechterzijde de militaire uitgaven, de militaire ontplooiing in het buitenland en de militaire dienstplicht steunde, groeiden paleo’s of oerconservatieven hiervan weg. Joseph Sobran getuigt bv. hoe hij als koude-oorlogs-conservatief de Vietnamoorlog en de dienstplicht steunde, maar door verdieping van zijn begrip van de conservatieve uitgangspunten, en vooral door de schadelijke gevolgen van de neoconservatieve interventiepolitiek, geëvolueerd was naar standpunten die hij vroeger als links zou weggewuifd hebben. De Russische schrijver pleit eveneens tegen de dienstplicht en voor een heroriëntering van de nationale energie van buiten- naar binnenlandse initiatieven. Hij wil een einde maken aan de subsidies voor bodemloze putten in Cuba en andere cliëntstaten, onder meer in het Midden-Oosten: “En laten we de Arabieren aan hun lot overlaten, zij hebben de islam, zij redden zichzelf wel.” Uiteraard wil hij “vroeg of laat onze bevoogding van Oost-Europa opgeven”. Als Slavisch patriot wil hij blijkbaar een Slavische unie (al gebuikt hij in zijn geschriften uit de sovjettijd die term nog niet) inbegrepen de inheemse volkeren die inmiddels met het Russische geassimileerd zijn maar zonder die randvolkeren die zich gevangen voelen: “Ook kan er geen sprake van zijn dat wij een of andere perifere natie met geweld binnen de grenzen van het land houden.” Solzjenitsyn was een Russisch patriot maar geen imperialist, integendeel, hij predikte de zelfbeheersing en zelfbeperking, ethische principes die in de politieke sfeer net zo belangrijk zijn als in de persoonlijke.

Tenslotte stelt Solzjenitsyn de vraag of het autoritaire systeem dat Moskou zowel vóór als na 1917 kenmerkte, vervangen kan worden. In tegenstelling met het cliché is Rusland niet altijd autoritair bestuurd geweest, in de middeleeuwen had het zelfbesturende dorps- en stadsraden, en er is niets in de Russische ziel dat democratie per se onmogelijk maakt. Hij voorziet echter geen spoedig einde aan het autoritaire bewind, maar vindt dat geen beletsel voor een positief engagement: “Niet het autoritaire zelf is onverdraaglijk als wel de ideologische leugen waarmee we iedere dag mee doodgegooid worden.” Daarom vraagt hij de sovjetleiders om alvast, ongeacht hun verdere economisch en buitenlands beleid, en ongeacht hun politiek centralisme, de geestelijke vrijheid toe te laten, “eerlijke concurrentie – niet om de macht! om de waarheid! – tussen alle ideologische en ethische stromingen, in ’t bijzonder tussen alle religies”. Zolang het systeem niet verandert, kan desondanks wel de ziel van de leiders veranderen: “Laat er een autoritair systeem zijn, maar dan niet gebaseerd op de onuitputtelijke klassenhaat maar op menslievendheid.” Stalin had geleerd dat goedaardigheid het grootste gevaar is voor het communisme, laten we dus Stalin begraven en goed zijn voor elkaar.


(Nucleus, oktober 2008)

No comments:

Post a Comment