Tuesday, January 17, 2017

Het conservatisme voorbij

(Nucleus, mei 2009)



Wie zich tegenwoordig “conservatief” noemt, behoort nog steeds tot de oppositie, maar is niet langer eenzaam. Nu we met genoeg zijn om te kaarten, kunnen we eens overwegen of we die term niet achter ons moeten laten.

Conservatisme is natuurlijk geen ideologie, en dit zowel om een fundamentele reden als door een historische omstandigheid. Om met die laatste te beginnen, wijzen we op het gebruik onder Amerikaanse (paleo-)conservatieven om de Republikeinse Partij te betitelen als “the stupid party” en de Democratische Partij als “the evil party”. Bedoeld is dat de Democraten een agenda van afbraak hebben, of wat zij “vooruitgang” noemen, terwijl de Republikeinen te stom zijn om daar iets geloofwaardigs tegenover te zetten. Hun beleid bestaat alleen uit reageren op de projecten van de Democraten, soms door zich er voor een tijdje tegen te verzetten, vaak door ze in verdunde vorm over te nemen.

Behalve Ronald Reagan, en dan nog alleen op sociaal-economisch gebied, hebben de naoorlogse Republikeinen nooit veel anders gedaan dan de Democraten op enige afstand nalopen, onder het motto “me too”. De ene kandidaat na de andere verklaarde: “De Democraten zeggen dat ze voor gelijkheid zijn. Ook ik ben daarvoor, maar…” Vandaag bv. pleiten de meeste Republikeinse leiders voor een verwaterde versie van de Democratische opengrenzenpolitiek, en stupid als ze zijn maken ze zichzelf daarbij, tegen alle cijfergegevens in, wijs dat al die nieuwkomers uit dank Republikeins zullen stemmen. In Frankrijk werd in de jaren 1920 al opgemerkt dat de rechterzijde weinig meer deed dan de linkerzijde wat afremmen, zonder er echt tegenin te gaan of er een alternatieve agenda tegenover te stellen. Blijkbaar hebben conservatieven weinig ideologische wortels, zij laten zich door elke nieuwe ideeënwind omverblazen, alleen een beetje langzamer dan de apolitieke vlottende massa.

In eigen land zien we hetzelfde verschijnsel al een halve eeuw bij de CVP/CD&V. Terwijl linkse partijen zichzelf trouw blijven, is deze ooit vaak als conservatief of rechts aangeduide partij altijd met nieuwe ordewoorden meegestapt, zij het met vertraging. De progressieve BSP/SP/SP.a en PVV/VLD zijn al die tijd op hun permissieve koers gebleven wat betreft de ethische vraagstukken, terwijl de CD&V alleen beschaamd kan wegkijken wanneer zij aan haar vroegere standpunten herinnerd wordt. De opiniewind ging immers de permissieve kant uit, dus kon de partij van het brave Vlaamse kerkvolk niets anders bedenken dan schoorvoetend te volgen. De braafheid die de CVP-ers ooit in het gareel van de kardinaal hield, doet hen nu even gedwee meestappen in de tredmolen die door nieuwe gezagsinstanties als de media gedicteerd wordt. Zelfs van het VB zou men kunnen zeggen dat het op afstand de progressieve trends naloopt, zoals in de verschuiving van een terugkeerbeleid om Vlaanderen raszuiver te houden naar een integratiebeleid om Vlaanderen althans cultureel homogeen te houden of te maken. 

Sommigen zullen dat gewoon gezond verstand noemen. Conservatisme is, zeggen zij, iets anders dan zich vastklampen aan stellingen die nu eenmaal onhoudbaar geworden zijn. Extremisme is de echt conservatieven vreemd, zij kiezen immers voor de gulden middenweg. Kan zijn, maar wat die middenweg wel is, wordt dan in feite gedicteerd door degene die de positie bepaalt van de extreme waarden waartussen de middenweg halverwege ligt. Ooit durfde geen enkele linkse partij het idee van homoadoptie opperen (in communistische landen gold homoseksualiteit trouwens als een geval van “bourgeois-decadentie”), terwijl de CVP nooit aan het homohuwelijk zou hebben durven denken. Naarmate links op dat stuk permissiever is geworden, is de CVP-gematigdheid mee opgeschoven, zodat de partij vandaag wel nog aarzelt bij homoadoptie maar althans het homohuwelijk voluit aanvaardt. Nogmaals, het is een open debat waard of dit niet gewoon de beste koers geweest is, maar “conservatief” kan men het moeilijk noemen. En toch is die evolutie typisch voor de meeste conservatieven.

Naarmate dat wat de conservatieven ooit wilden bewaren, verdwijnt, en naarmate dat wat zij ooit als een doemscenario bestreden, de norm geworden is, krijgt de concrete agenda van conservatieven een eerder revolutionair karakter. De Franse nationalist Pierre Vial roept zijn volgelingen tegenwoordig op om zich in de werken van revolutionairen te verdiepen, ook van anti-rechtse zoals Mao en Che, om zich de mentaliteit en de strategische ernst van de revolutionaire strijd eigen te maken. In de VS spreekt de christelijke rechterzijde met voorbarig triomfalisme van de “Christian revolution” tegen het rijk van de Antichrist in Washington en Hollywood. 
Zijn zij ontrouw aan het conservatieve ideaal? Wel, eigenlijk bestaat “het” conservatisme niet. Let wel, ik wil hier niet meedoen aan de postmoderne campagne tegen het “essentialisme”, dat bv. ontkent dat “de” islam een “essentie” heeft, een definitie die objectief bepaalt wie erbinnen valt en wie erbuiten. In de praktijk is dat gewoon een argumentatieve verstrooiingstactiek, namelijk om kritiek op “de” islam buitenspel te zetten, maar er is wel een ernstige theoretische onderbouw voor denkbaar, alleen is die onjuist. “De” islam bestaat immers wel degelijk, elke moslim zal het trouwens bevestigen, hij is “het geloof dat er geen God is behalve dé God (Allah) en dat Mohammed Gods profeet is”. Het conservatisme daarentegen is moeilijk in zulk een leerstellige definitie te vatten.

Het conservatisme is geen leerstelsel of geloof waaraan men trouw zweert. Ziedaar dan de fundamentele reden waarom het conservatisme geen ideologie kan zijn. Toen men de ontlinksende Gorbatsjov een “vernieuwer” noemde en zijn behoudsgezinde tegenstanders in de Sovjetleiding “conservatief”, trof dat als paradoxaal omdat die harde communisten zelf de term “conservatief” als een vloek hanteerden, op gelijke voet met “de reactie”. Maar die paradox is inherent aan het begrip conservatisme. Het is een wantrouwen tegen veranderingen waarvan de gevolgen onoverzienbaar (óf voorzienbaar schadleijk) zijn. Het is in de eerste plaats een attitude, en heeft een sterke gevoelsmatige component. Zoals men zegt: je hebt geen theorie nodig om je moeder graag te zien, en hetzelfde geldt voor het vaderland en voor de voorouderlijke zeden en gewoonten.

In de 19de eeuw werden ook de Britse Conservatieven door hun Liberale tegenstanders reeds “the stupid party” genoemd. De reden daarvoor was deels dezelfde als nu bij de Republikeinen, maar vooral toch het niet-ideologische karakter van het conservatisme. De pleitbezorgers van de Vooruitgang baseerden zich op een welbepaalde analyse van de samenleving en articuleerden op die basis een uitgewerkt politiek project, een doel om naar te streven. De in 1834 door Sir Robert Peel officieel ingevoerde naam “Conservative Party” verwees formeel wel naar iets als een ideologie, maar naarmate nieuwe partijen, zoals de her en der verrijzende socialistische partijen, zich scherp ideologisch gingen profileren, groeide de indruk dat conservatieven vooral gemotiveerd waren door emotionele aanhankelijkheid aan kerk en koning en door de rauwe (niet eens ideologisch ingeklede) klassenbelangen van de gentry, eerder dan door enige specifieke visie op de samenleving. Conservatisme werd door progressieven meewarig bekeken als iets sentimenteels, iets van onnadenkende mensen die gewoon gehecht waren aan het bekende en nooit de verbeelding opbrachten om zich een verbetering voor te stellen.

En zij hadden een punt. “Conservatisme” is vandaag wel leuk als geuzennaam, maar een echt inspirerende gedachte is het niet. De meesten die er echt met hun hart bij zijn wanneer ze zeggen iets te willen behouden, zullen er ook bij zeggen wát specifiek zij behoudenswaard vinden. Christenen bv. zullen zich bij voorkeur christen noemen. In een bepaald tijdsgewricht kan het hooghouden van christelijke idealen met conservatisme samenvallen, maar dat is niet noodzakelijk. “Progressieve christenen” zijn in mijn ervaring vooral meelopers, mensen die op goede voet met de heersende opinie willen staan, maar er bestaan zeker situaties waarin christen-zijn impliceert dat men bestaande gewoonten en instellingen afbreekt.

Eén ideologische stelling die we vandaag bij alle conservatieven horen, is dat progressieven zondigen door een “utopie” na te streven en zich de samenleving als “maakbaar” voor te stellen. Het komt mij echter voor dat belangrijke denkers die vandaag tot het conservatieve pantheon behoren, wel degelijk ook een utopie nastreefden. Confucius dacht in die richting, hij wilde de samenleving via de individuele mensen vervolmaken. Alleen zag hij revolutie en afbraak niet als het middel daartoe, wel het positief bevorderen van alles wat bijdraagt tot de deugd en maatschappelijke harmonie. Niet breken met het verleden, maar organisch voortbouwen op het verworvene. Wil een boom tot in de hemel groeien, dan moet hij niet van zijn wortels ontdaan worden (al kan het snoeien van minder essentiële uitgroeisels wel nuttig zijn), maar gewoon bovenop zijn gegeven grootte blijven omhooggroeien. Daarbij worden de mens en de structuren door Confucius zelfs enigermate als maakbaar beschouwd, als vatbaar voor verbetering, ondermeer door de kracht van het voorbeeld van de superieure mensen die aan hun minder ontwikkelde medemensen leiding geven.

Het confucianisme, en analoog ook het hindoeïsme, kan men wel echt conservatief noemen in deze zin dat zij in hun geschiedenisvisie geen enkele breuk vooropstellen: geen in de toekomst die nagestreefd moet worden, maar ook geen in het verleden. Christenen daarentegen, en joden en moslims, gaan wel uit van zo’n breuk. Zij zien de rol van Mozes, Jezus of Mohammed als een revolutie, als een verregaande breuk met het verleden, één die de geschiedenis onherroepelijk in twee deelt, en die ook de mensheid opdeelt in revolutionairen en contrarevolutionairen, in partijgangers en tegenstanders van de revolutie van Mozes, Jezus of Mohammed. Datgene wat zij vandaag willen conserveren tegen de opdringende vloed van de moderniteit was ooit de inzet van een revolutie. Zij kunnen zich alleen in heel voorwaardelijke en voorlopige zin “conservatief” noemen.

En waarom ook niet? Het is best goed en karaktervormend om zich conservatief te noemen wanneer je daarmee de heersende ideeënmode trotseert. Maar als we nu eens écht over de grond van de zaak nadenken, moeten we de relativiteit van die prettige geuzennaam durven inzien.



No comments:

Post a Comment