Thursday, April 27, 2017

Semitische oorsprongen in het Germaans











Na uitgebreide lezing van de wat omstreden taalkundige Theo Vennemann, ondermeer van zijn recente verzamelwerk Germania Semitica, ben ik vanuit eigen kennis tot de slotsom gekomen dat hij in grote lijnen gelijk heeft. Dat is niet vanzelfsprekend, want er zijn nogal wat fantasten die een heuse leerstoel Taalkunde bemachtigd hebben. In dit geval is het onderwerp ook van zodanig belang voor de romantici en vooroudervereerders onder het Vlaamse en Nederlandse publiek dat ik het hier wil mededelen.




Wij zijn in wezen franskiljons. Dat wil zeggen: wij hebben ooit onze voorouderlijke taal gewillig, of zelfs gretig, opgegeven, om een elitetaal over te nemen die onze kinderen meer toekomst bood. Voor een groot deel stammen wij af van de inheemse bevolking van deze streken, in het -3de millennium vermengd met Keltische en Germaanse invallers uit het Oosten. Hun taal namen wij over eens zij de heersende klasse vormden. En zo is dan het bestaande Germaans ontstaan, en daaruit dan het Nederlands.




Het zeer grote aandeel aan leenwoorden in de Germaanse kernwoordenschat (en ook in het Keltisch en enigermate het Romaans, contrasterend met veel “onbezoedelder” Indo-Europese als het Slavisch of het Iraans) komt niet voort uit een helaas voorgoed verloren gegane Oud-Europese taal (zoals die in het Grieks), maar uit twee nog bestaande talen, waarin de oorsprong van die woorden goed aanwijsbaar is. Enkele zijn nog onopgelost, zoals "drinken", "zee", of "schaap", of hebben een zeer bij het haar getrokken verklaring, zoals "zwemmen". Maar!  




De eerste herkomsttaal, van tientallen woorden en enkele structurele taalkenmerken, is werkelijk Oud-Europees, nl. het Baskisch. Dat was hier aanwezig sedert het na de IJstijd vanuit Spanje het leeggelopen West-Europa opvulde. Vele woorden voor materialen en landschapselementen komen daaruit voort: ijs, zilver, eik, els; ook bijvoeglijke naamwoorden als groot. Allemaal typisch voor een inheems substraat, met invallers die aan de inheemsen vroegen: "Hoe heet dat?", en dan het genoemde woord overnamen.





Typisch voor de taal van invallers en hun inheemse bruiden is de overname van inheemse familietermen, bv. in het Hittitisch, waarin bijna alle familietermen (moeder, schoonbroer, dochter enz.) inheemse ontleningen zijn. Het Germaans gaat daarin minder ver, wat op een iets vrediger overgangsscenario kan wijzen, maar noteer toch het Gotische familiewoord atta, "vader" (als in Attila, "vadertje", vgl. Stalin). De woordklemtoon op de eerste lettergreep in het Germaans, anders dan in het Indo-Europees, valt meestal op de beginlettergreep; dat werd veelal aan Oeralische invloed toegeschreven, maar de Baskische verklaring is economischer. Ook de restanten van het tellen per 20, met name in het Frans en het Deens, vallen op hun plaats eens je een Baskisch substraat aanneemt.




Die laag is in het Germaans gekomen tijdens de veroveringsperiode. Nadien is er een tweede invloed gekomen van een taal(groep) die niet uit Europa stamt, maar er wel aanwezig was. Semitisch-sprekende kolonisten, van wie de Grieken nog vermelden dat zij in Cornwall kopermijnen uitbaatten, hadden zich op de Atlantische kusten gevestigd, zodat hun invloed op het Keltisch zeer diepgaand is. Maar ook de streek rond Hamburg, stamland van de Germanen na hun intocht uit het Oosten, deden zij aan.





Hun taalinvloed op het Germaans was minder als onderliggend substraat en meer als elitetaal of superstraat. Hij zit in de bovenlaag van de woordenschat: politieke en organisatorische termen. Daaronder: volk (< legerdivisie), adel, sibbe (vgl. Hebreeuws mi-spah). Ook maag, een verouderd woord dat “zoon” en algemener “familielid” betekent, en waarvan iedereen wel de vrouwelijke vorm kent: maagd, oorspronkelijk “dochter”, met het typisch Semitische vrouwlijk achtervoegsel -t. Verder termen uit landbouw en veeteelt: aarde, ploeg, stier, geit, ieme (bij, vgl. imker), ever, kever. Zelf opper ik dat ook de nog onbekende woordoorsprong van schaap moet gezocht worden in een Semitische stam die we terugvinden in soef, “wol”, waarvan het bekende woord soefi, d.w.z. “asceet die een wollen kleed draagt”. Vele “sterke” werkwoorden in het Germaans (spreken – sprak – gesproken) hebben ook geen Indo-Europese etymologie, terwijl spraakkundig significante klinkerveranderingen juist typisch voor het Semitisch zijn.





Vennemann leidt ook het runenalfabet af uit het Fenicische alphabet, niet via het Griekse, Latijnse of Etruskische alfabet maar rechtstreeks. Hier gaat het niet om overname van de klank (Fenicisch alef > Grieks alfa, Latijn a) maar van de betekenis: de eerste letter is alef, “rund”, voorgesteld door een stierenkop met twee hoorns, en in het runenschrift wordt de eerste letter fehu, “vee”, ook met twee uitsteeksels die hoorns kunnen voorstellen. In alle genoemde gevallen geldt het acrofonisch beginsel: de letternaam drukt de klank uit waarmee hij begint, dus alef en alfa klinken als a, fehu als f.   





Zelfs de megalieten zouden als idee door Semitische kolonisten binnengebracht zijn. De oudste megalieten, -6de millennium, komen voor in het oostelijke Middellandse-Zeegebied, in Egypte en Anatolië. Vanaf het -5de millennium komen zij ook op de Atlantische kust voor: Portugal, vooral Bretagne en de Britse eilanden, en enigermate oostelijk Nederland en Duitsland. De delta van de Lage Landen schijnen zij vermeden te hebben: het was toen nog een moerassig overstromingsgebied en economisch minder interessant. Vanaf het -2de millennium drongen de Feniciërs ook in Zuid-India door: de Bijbel vermeldt dat koning Salomo, ongeveer -1000, handel dreef met Ophir, zijnde de kuststad Supara nabij het huidige Mumbai; de Mahâbhârata, met een historische kern geschat op  een -1500 tot -1200, vertelt hoe Krisjna met “West-Aziatische” vreemdelingen te maken krijgt. Juist dan zijn in Zuid-India eveneens megalieten opgezet. 





Waarom trokken Theo Vennemanns bevindingen zo mijn aandacht? In de jaren 1990 ontdekte ik het in Vlaanderen reeds bestaande nieuwheidendom met Germaanse inslag, de Asatrú, “trouw aan de asen/goden”. In beginsel vond ik dat een zeer goede zaak, een vermoorde religie die weer tekens van leven geeft. Meer dan bij de huidige herleving van het heidendom in Latijns Amerika (de verering van de moedergodin Pachamama enz., samengaand met de maatschappelijke opgang van het Indiaanse bevolkingsdeel), had ik echter ernstige problemen met een politiek bijverschijnsel van deze beweging. Vele aanhangers van Asatrú in Vlaanderen behoorden tot een welbepaalde groep, namelijk de kinderen en kleinkinderen van Oostfronters. Tijdens WO2 was er in het katholieke en kneuterige Vlaanderen nog geen nieuwheidendom, anders dan in Engeland of Duitsland (Winston Churchill was een ingewijde druïde). Maar later kwamen zij onder de invloed, vooral omdat dat voorouderlijke heidendom als iets echt inheems gold, beter dan zo’n Palestijnse “woestijngodsdienst”.





Wat mij bijzonder stoorde, was de in die kringen door sommigen beleden jodenhaat (overigens samengaand met een genegenheid voor het Palestijnse “nationalisme” en de islam). Die was zelfs in Oostfrontersfamilies niet de algemene regel: sommigen waren juist oprecht verontwaardigd en ten diepste ontgoocheld geweest toen zij na de oorlog hoorden wat er in de kampen gebeurd was (ik denk bijvoorbeeld aan het getuigenis van VA Colen, die ik nog geïnterviewd heb, de vader van Alexandra). Anderen daarentegen...





Bovendien was het bij uitstek onheidens, volkomen onbekend in bv. de Edda. Conflicten tussen verschillende bevolkingsgroepen kwamen overal voor, ook bv. in Alexandrië tussen de Grieken onder volksleider Apio en de Joden, maar dat waren voorbijgaande en niet in de religie gewortelde ruzies. Jodenhaat is juist intrinsiek aan het christendom, via het fel anti-farizeeër evangelie van Johannes en formeel vooral via de “verus Israel”-theologie, met het christendom als “nieuw Verbond” dat het “oude Verbond” komt vervangen. Het moderne biologische antisemitisme kon op een stevige grondslag van christelijke jodenhaat bouwen. Die stroming binnen Asatrú-Vlaanderen is vandaag grotendeels uitgestorven, maar ik meen dat het hedendaagse Asatrú toch best extra waakzaam is jegens sporen van opspelende jodenhaat.





Daarom kwam het als een wat komische bevrijding toen ik het Semitische spoor in het Nederlands begon te beseffen, dat bij Vennemann veel omvangrijker bleek dan ik vermoed had, en er ook een eenvoudige verklaring kreeg, namelijk de Fenicische kolonisatie om de rijkdommen aan de Atlantische kusten uit te baten. Juist al wat Germaanse dwepers beroerde, bleek van Semitische oorsprong te zijn: “aarde”, zowel de Moedergodin als de eerste grondstof van de inheemse knoestige en aan hun land verknochte landbouwers; “adel”, waar alle “traditionalistische” navolgers van de verarmde edelman Julius Evola mee dweepten; “sibbe”, de clan die de kern van de Germaanse samenleving vormde, een indeling die bij de beginnende Werkgroep Traditie gehanteerd werd; “ever”, het beest dat voor Semieten verboden was; en zelfs “volk”. Ook de megalieten staan centraal in het nieuwheidense zelfbeeld, hoewel zij niet door de oer-Germanen of zelfs oer-druïden opgesteld waren. En het runenschrift zou op het Kanaänitische (Fenicische en pre-bijbels-Israëlitische) alfabet gebaseerd zijn.





Vandaag is die Semitische oorsprong weer actueel door de opkomende aanwezigheid van de islam en dus van zijn ontstaanstaal, het Arabisch. Tussen Joden en Arabieren bestond damals en bestaat vandaag nog grote vijandigheid, maar hun beider talen behoren wel tot dezelfde Semitische taalgroep. In islamkritische fora krijg ik regelmatig boodschappen binnen van mensen die wild tegen de islam aanschoppen en daarom menen, ook het Arabisch te moeten aanvallen: “Het Arabisch is een spraakgebrek!” Nee, het Arabisch is een wereldtaal, en het was duizenden jaren lang de moedertaal van een heidense bevolking, die jaarlijks op bedevaart naar Mekka ging om er (net als de hedendaagse Wicca’s) “de gehoornde god en de drievoudige godin” te aanbidden. Toen werd Arabië onder druk of dwang in het gareel van de islam gebracht, ondanks een mislukte opstand daartegen door de meerderheid van de Arabieren zelf. De Arabieren waren juist de eerste slachtoffers van de islam.





Er is dus helemaal niets mis met Semitisch. En maar goed ook, want wij dragen er zelf heel wat van mee.           

1 comment:

  1. Een louter speculatieve bijgedachte. Laatst las ik een betoog als zou het verhaal dat Saint Patrick de slangen uit Ierland verdreef, geen symbolische manier is om te zeggen dat hij "het" heidendom verdreef (wat hij trouwens niet deed), maar wel één specifieke sekte, namelijk één die haar eerstgeborenen offerde. Vele heidense culturen, ook die van onze eigen voorouders, kenden het mensenoffer, maar waren meestal niet kieskeurig in hun bron van mensenbloed. Zij offerden krijgsgevangenen of veroordeelden, zolang de godheid maar haar dosis mensenbloed kreeg. Echter, deze sekte vond dat je een godheid niet eender wat moet geven, geen afval uit de gevangenis, maar wel het beste dat je hebt, dat wat je voor jezelf zou willen, dat waarvan je het meeste houdt: je eerstgeborene. Welnu, het offer van de eerstgeborene was juist typisch Semitisch, of meer specifiek Kanaänitisch. Dat offer, aan de godheid Moloch, wordt in de Bijbel beschreven, maar ook de heidense Romeinen maakten er tijdens hun belegering van de  Fenicische kolonie Carthago met afschuw kennis mee. Het heidendom in het algemeen vernietigen was een te omvangrijke opdracht voor Patrick, maar als Romeins staatsburger (geboren in het nog Romeinse Engeland) die de Bijbelse godsdienst aangenomen had, was hij wel gemotiveerd om deze specifieke sekte te vernietigen. Deze sekte zou bij uitstek een illustratie van een Semitisch restant aan de Atlantische kust vormen.

    ReplyDelete